Werkzoekende death by algorithm

Vriendin en manager E. wil weten hoe het nu staat met werk vinden. ‘Werk’ is een onderwerp waar ik verschillend op reageer. Afhankelijk van mijn gesprekspartner en stemming is dat berustend, verbolgen, bevlogen of zwaar gefrustreerd. Ik vertel over de barrières op de arbeidsmarkt en over de mitsen en maren. Zoals dat ik niet door het systeem heen kom. ‘Wat erg toch, want je kan zo veel. Daar zal toch vraag naar zijn.’, zegt zij.

Ook E. loopt als manager tegen barrières op. Want haar werkgever (de overheid) wil het aantal fte’s beperkt houden. Dus moet zij waanzinnig dure zzp’ers inhuren en voor elke flutklus een vreselijk bureaucratische aanvraag- en goedkeuringsprocedure doorwerken. Mocht er weer een klus komen, dan zouden we allebei liever kiezen voor een tijdelijk dienstverband.

Het systeem leidt tot een enorme verspilling van kwaliteiten, zowel die van haar als van mij. Want bij haar zijn de ondersteunende medewerkers wegbezuinigd. Dus moet ze zelf formuliertjes invullen. En mijn kwaliteiten kunnen bij diverse werkgevers goed worden ingezet. Maar er ontstaat geen match, omdat ze blindvaren op algoritmes voor werving- en selectie-doeleinden. Mijn CV past niet in een digitaal hokje en ikzelf evenmin. Er bestaat zelfs een uitdrukking voor deze situatie: death by algorithm.

Gelukkig begint de krapte op de arbeidsmarkt nu zodanig te wringen dat zelfs werkgevers aan introspectie doen. Zou er dan toch iets verkeerd gaan? Misschien schrijven ze wel te veel mensen bij voorbaat af. Misschien zijn de huidige algoritmes toch te beperkt. En misschien, heel misschien, is werving en selectie ook mensenwerk.

Dat er bij werkgevers iets begint te dagen, blijkt uit ‘Onze kijk op werk is gedateerd’ op pagina 15 van hun rapport Wegwerkzaamheden. Tien ideeën voor de wereld van werk. De andere ideeën in het rapport zijn eveneens lezenswaardig. Al zullen die bij trouwe volgers van Raam Open enige déjà vu gevoelens oproepen.

‘Ja’ zeggen, maar ‘nee’ bedoelen

Tijdens de groepswandeling pak ik mijn smartphone om foto’s te nemen. Een vrouw naast me vraagt of ik ze op een website ga zetten. Zij heeft eens foto’s via sociale media gedeeld en zo komen we bij het onderwerp likes terecht. Op Facebook ziet zij van alles voorbijkomen. ‘Ik geef heel vaak likes, zelfs als ik een foto of bericht totaal niet waardeer.’ Dat verbaast mij zeer. ‘Waarom doe je dat eigenlijk?’, vraag ik haar. ‘Omdat ik die anderen dan wil supporten.

Misschien is haar handelswijze wel logisch als je familie en vrienden op Facebook volgt. Een like is dan een soort teken van leven. Zo van: ‘leuk dat jij er ook weer bent’. Meer niet. Maar evengoed is het tegenstrijdig. Wat zij doet, is in feite ‘ja’ zeggen, maar ‘nee’ bedoelen. Dat zou ik nou nooit doen onder een log.

Onder een log niet, nee, maar wel in het echt. Want in een gesprek kan mijn ‘ja’ een hele reeks verschillende betekenissen hebben, afhankelijk van de situatie en mijn intonatie. ‘Ja’ wil bijvoorbeeld zeggen:

  • Ik heb je gehoord, vertel verder.
  • Goh, is het echt?
  • Nee zeg, dat méén je niet!
  • Ik ben aan het nadenken.
  • Misschien. (Mogelijk of waarschijnlijk: ‘nee’.)
  • Het wordt wel erg langdradig. Schiet nou eens op met dat verhaal.
  • Ja, doei. (Vast en zeker: ‘nee’.)
  • Het zal wel. (Dus: ‘echt niet’.)
  • … [verveling]
  • Meid, wat erg voor je.
  • Schandalig!
  • Nee.
  • Wat denk je nu zelf? (‘Nee’ dus.)
  • En zo voort, en zo verder.

Misschien heb ik ook nog een typisch Leidse ‘ja’ in mijn repertoire, als die bestaat. Daar zal ik hier in gesprekken met echte Gelderlanders eens op letten.

Nu ik er goed over nadenk: al deze betekenissen gebruik ik voornamelijk in gesprekken met vrouwen. Bij mannen ben ik meteen al een stuk duidelijker, want anders snappen ze mijn ‘ja’ niet. Vreemd toch. Je moet ze ook alles uitleggen.

Natuurfoto’s maken, samen of alleen?

Wanneer ik met anderen in natuurgebieden wandel, kijken we zelden goed om ons heen. Althans, we kijken wel, maar we zien niet veel. Dat komt omdat we geanimeerde gesprekken voeren en met onze gedachten elders zijn. Hooguit letten we op het te volgen pad. En foto’s nemen schiet er sowieso bij in.

Ik heb het wel geprobeerd, hoor. Om in gezelschap meer van het landschap te genieten. Maar als ik vriendin F op iets moois attendeer, is zij hooguit een seconde stil. Met vriendin E gaat het al net zo. In wandelgroepen is het helemaal onbegonnen werk. Die stampen gewoon door. En vergeet foto’s nemen maar, want daarvoor moet je langer dan een seconde stilstaan.

Uiteraard zou ik me bij een fotoclub kunnen aansluiten. Dat zou vast heel leerzaam zijn. Maar gesprekken over sluitertijden, diafragma’s en macro’s lijken mij mateloos vervelend. En dan sta ik daar met mijn smartphone. Bovendien gaan zulke mensen altijd precies op ‘mijn’ beoogde plekje staan voor elk object. Als zij dan ook nog vergelijkbare foto’s nemen, is mijn werk (ahum) niet meer origineel.

Natuurfoto’s neem ik het liefst alleen. Dan kan ik eindeloos rondjes draaien om een twee centimeter hoge koraalzwam. Zo wordt het een spel met licht en diverse achtergronden, afhankelijk van de hoek waaruit ik foto’s neem. Het geeft dan niet dat ik mijn handen moeilijk stil kan houden. Niemand die zucht als ik dertig foto’s van hetzelfde maak. En niemand die voortdurend mijn onverdeelde aandacht wil. Want dat is vaak het probleem.

Toch is mij dit jaar iets bijzonders opgevallen. Ik ben met drie vrouwen apart van elkaar op stap geweest en kon uitgebreid foto’s nemen in hun bijzijn. Ze gingen niet nadrukkelijk staan zuchten. Ze bleven op de achtergrond en keken zelf rustig om zich heen. Ze zeiden: ‘Neem je tijd, ik wacht wel.’ Toevallig hebben ze een ding gemeen. Alle drie hebben ze kinderen opgevoed. Zouden ze daarom zo geduldig zijn? Of zou het aan hun echtgenoten liggen?

Plog – Ochtendrood als drama queen

Aan weersverschijnselen dichten we kenmerken toe die op menselijke karaktertrekken lijken, en andersom. Een vrolijk zonnetje/een opgewekt mens. Een donderwolk/een kwade persoon. Een gure wind/een onguur type. Een ijzige kou/een kil iemand. Druilerig weer/een chagrijn. Een mild klimaat/een zachtaardig type. Dit ochtendrood doet mij denken aan een drama queen. Is het een signaal van het veranderende klimaat misschien?

Vandaag, op 13 oktober, heb ik gewandeld op kurkdroge grond in de buurt van Lochem bij 28 graden. Het moet nu echt niet gekker worden.

Mijn grote liefdes

In de film Bridges of Madison County zegt de man van het liefdeskoppel tegen de vrouw zoiets als: ‘Our dreams never came true. But it was good that we had them.’ Gisteren had ik een ontmoeting met vriendin E. in Utrecht. Wij kennen elkaar al 18 jaar en delen een grote liefde. Na zoveel jaar is wel duidelijk dat het geen bevlieging is. In alle turbulentie en maatschappelijke veranderingen blijft deze bestendig. Dan is het echt.

Meestal begint zij erover met een terloopse opmerking. ‘Ik ben zo aan Dubai toe.’ Of: ‘Wanneer gaan we weer naar Istanbul?’ En anders vraagt ze wel naar mijn reisplannen. Nu ik al jaren af en aan zonder werk zit, weet ze dat ik voorlopig geen vakantie in het buitenland vier. Daarom vroeg ze gisteren of ik nog wel naar het Midden-Oosten terug wil.

Er zijn weinig zekerheden in het leven. Maar mijn gevoelens voor bepaalde gebieden zijn zeer stabiel: Polynesië, Australië, het Midden-Oosten en een vleug Afrika. Die blijven, wat er ook gebeurt.

Onlangs liep ik op een druilerige ochtend door een achterafstraatje van de Arnhemse binnenstad. Een Syriër had er een eetgelegenheid en door de deuropening klonk warme, gepassioneerde Oosterse muziek.

Naar Nederland heb ik nooit heimwee. Wel mis ik tijdens een lang verblijf elders vrienden en familie. En natuurlijk kan ik in een Afrikaanse chaos verlangen naar de ordelijkheid van ons landje. Heimwee, echt hartverscheurende heimwee, krijg ik pas wanneer ik een Arabische variant van een smartlap hoor. Bijvoorbeeld in een achterafstraatje in het centrum van Arnhem.