Vluchtelingenbeleid: input voor de EU-migratietop

Terug van nooit weggeweest is het EU-vluchtelingenbeleid een hot issue. In de afgelopen 4,5 jaar heb ik over een scala aan problemen in landen van herkomst geschreven. Ook heb ik suggesties gedaan voor een benadering van het vluchtelingenvraagstuk. Links en rechts verschansen zich nu in de loopgraven  Het lijkt alsof niemand nog bereid is om voorbij het eigen gelijk te kijken.

Toch ontruk ik een aantal logjes aan de vergetelheid. Ze gaan over oorzaken en gevolgen van vluchtelingenstromen en ze bevatten suggesties voor oplossingen. Dit alles is gebaseerd op wat ik uit eigen ervaring heb geleerd. Ondanks het tumult zal ik het Raam Open houden. Al heb ik evenmin overal een antwoord op en bespeur ook ik enige metaalmoeheid.

Als je slechts één logje leest, lees dan dit: https://raamopen.blog/2014/06/04/geboortebeperking-als-redding/ Over de naar mijn idee belangrijkste oorzaak van armoede en migratie: gebrek aan zeggenschap bij vrouwen.

Hieronder volgt de rest in chronologische volgorde.

Kijken naar een Nederlandse film

Met Nederlandse films heb ik moeite. Films moeten mij namelijk naar een andere wereld voeren en iets magisch uitstralen. In praktijk beland je dan al gauw over de grens. Speelt het verhaal zich af in een ver oord, dan kan je mij om de tuin leiden. Maar Nederlandse films toets ik te makkelijk aan de realiteit.

Nederlandse films hebben meestal iets weg van een bonte verkleedpartij. Vooral voor komische films rukken ze graag een anachronistische garderobe uit de kast. Vaak zie je de oranje/bruine seventies terug, in combinatie met gebruik van mobiele telefoons.

En dan de locaties. Is het verhaal gesitueerd in Amsterdam, dan zit er een meisje in de klas dat op een boerderij woont. Tuurlijk. Even komt een wagen van de hoofdstedelijke gemeentereiniging in beeld. Ja hoor, echt Amsterdam. Waarna je rokende schoorstenen ziet, die alleen zo in IJmuiden staan. Populair zijn ook shots van het geijkte verlaten industrieterrein. Hier proef ik een vlaag van rauwe nostalgie en een heimelijke hunkering naar verrommeling. Voor dergelijke beelden moet je in Oost-Europa zijn.

Verder vormen dialogen een groot afbreukrisico. De uitspraak alleen al. In films zeggen ze vaak dingen die ik nou nooit zou zeggen. Al kan dat aan mij liggen. En ze kijken er ook anders bij. Sterker, ze bewegen zelfs anders dan de meesten van ons doen.

Kortom, Nederlandse films weten mij zelden in vervoering te brengen. Gewoon omdat ik er te veel of te weinig in herken. Maar vanmiddag was De sterkste man van Nederland op tv; een jeugdfilm uit 2011, die ik ondanks weeffoutjes toch erg leuk vond.

Het beste gezelschap op het terras

Een dag langs Bossche terrasjes heeft voor helderheid gezorgd. Dat zit zo. Ik hou van terrasjes. Het is altijd leuk om met iemand naar de stad/het bos/het strand/de film of wat dan ook te gaan. Daar verwacht ik dan een terrasje bij. (Als het koud is mag het ook binnen zijn.) Het dilemma zit ‘m in mijn huidige vriendenkring. Die bestaat uit twee soorten mensen. 1. Zij die van de calvinistische soort zijn; en 2. de Bourgondiërs.

De calvinisten zien koffiepauzes als noodzakelijk kwaad. Iets wat op zijn best puur functioneel moet zijn. Dus als we ergens komen, roepen zij alvast ‘Bestel voor mij maar cappuccino (ochtend)/rooibosthee (middag)’, terwijl ze naar het toilet rennen (dan hebben ze dat alvast gehad). En zodra de bestelling wordt gebracht, trekken ze meteen hun portemonnee om af te rekenen, hoewel de ober het bonnetje nog moet brengen.

Tussendoor kieperen ze het gloeiend hete vocht naar binnen, terwijl ze kijken op de kaart hoe de route verder gaat en daarna beginnen ze hun tas alvast weer op orde te maken voor de volgende etappe. Onderwijl met groeiend ongeduld en onverholen frustratie kijkend naar mij. Want ik moet dan nog aan mijn drankje beginnen. Laat staan dat ik al naar het toilet ben geweest.

In het allerergste geval heb ik honger. Dat komt best vaak voor. Tot hun afgrijzen bestel ik er dan een gebakje bij, of een saucijzenbroodje. En ik eet langzaam, hè. Heel langzaam. Ik krijg het namelijk niet snel weg en ik laat het mij goed smaken. Als ze slim zijn, stellen ze me dan geen vragen. Wanneer ik moet praten, eet ik namelijk nog trager.

Het zal duidelijk zijn, ik heb een gróte voorliefde voor Bourgondiërs. De levens-genieters. Degenen die het breed laten hangen als dat ook maar even kan. Zij die van zo’n dag een feestje maken. Alsof het de laatste is. En zo niet, dan hebben ze toch alvast maar weer genoten. Tijdens uitstapjes in elk geval. Juist omdat ze heel goed beseffen dat het niet elke dag feest kan zijn.

Voortaan ga ik na kennismaking met een potentieel nieuwe vriend of vriendin eerst de terrasjestest doen. Is het geen terrasjestype, dan is het meteen einde verhaal. Het leven is te kort om mijn tijd met zulke mensen te verdoen. Overigens staat mijn record op een afspraak in de Foreign Correspondent Club in Phnom Penh. Die begon om 10.00 uur en we vertrokken negen uur later.

Ook met vriendin M. zit het goed. De combinatie van een uur wandelen plus drie uur op drie verschillende terrasjes, is perfect. Nu alleen nog even die Bossche Bol verwerken. 😉

Passie als innerlijke drijfveer

Is het verveling of een existentieel dipje? Momenteel kijk ik uit naar de volgende vlaag van bevlogenheid. Want een passie is een sterke innerlijke drijfveer. Nu gaat alles zijn gangetje. Maar er is weinig waarvoor ik echt warm loop. Dan mis je toch wat. Bovendien is het prettig om met bevlogenheid een inkomen te verdienen. Soms biedt het verleden aanknopingen voor de toekomst. Daarom ga ik eens kijken wat ik vroeger vol passie heb gedaan.

Bepaalde passies ontdek je al in je kindertijd. Verhalen lezen, de natuur en aardrijkskunde. Ook herinner ik me spelletjes waarbij ik wilde winnen. Zoals wie het langst en sierlijkst in de cirkel van een ronddraaiend touw kon springen. Ik weet nog precies op welk moment je met het aanloopje moest beginnen. Daarbij kwam het aan op timing en behendigheid. Overigens won ik zelden. Jaren later werd zo snel mogelijk kunnen typen een uitdaging. Daar ben ik wel goed in.

Passie en persoonlijke interesses gaan samen. Hierbij is nieuwsgierigheid een enorme drijfveer. Mijn leven draaide jarenlang om de wereld ontdekken en daar moest zo ongeveer alles voor wijken. Vooral van Australië was ik helemaal bezeten. Er zijn tijden geweest dat ik over bijna niets anders kon praten. (Arme vrienden en familie.)

Idealiter ben je ook bevlogen in je werk. Het duurde een poos voordat ik ontdekte waar mijn passie precies lag. Of liever: ik zag geen passende mogelijkheid om daarmee geld te verdienen. Maar per toeval kreeg ik een baan waardoor een andere sluimerende passie ontwaakte. Namelijk werken met taal.

Hier is een onderscheid tussen bevlogenheid en bevlieging op zijn plaats. Je kan talen boeiend vinden; dat wil nog niet zeggen dat je ze ook makkelijk kan leren. Ik ben aan heel wat taalcursussen begonnen. Soms omdat zo’n taal van pas kwam (Engels, Frans, Duits, Spaans). En soms omdat ik overmoedig was. Neem nu Chinees en Arabisch. Daar is bijna geen beginnen aan. Toch heb ik met Arabisch drie (weliswaar halfslachtige) pogingen gedaan. Helaas zakt aangeleerde kennis snel weg. Nu ben ik al blij als ik een Franse tekst nog begrijp.

Soms loopt de ene passie door in de andere. Dankzij een reis naar Polynesië, waar men voorouders vereert, werd ik zelf nieuwsgierig naar mijn afkomst. Bij die zoektocht raakte ik enorm bevlogen door alle vondsten. Daarom bleef ik verder spitten en leerde ik veel over de leefwereld van mijn voorouders. Zo’n onderzoek is een lange ontdekkingsreis. Trouwens, onze eigen cultuur was vroeger best vreemd.

Hoe bevlogen je in je werk ook bent, er kan altijd een fusie of reorganisatie doorheen denderen. Dan mag je overnieuw beginnen. En sommige kansen komen maar een keer. Toch, ‘Elk nadeel heb z’n voordeel.’ Op een gegeven moment kwam voor mij wel degelijk alles samen in een baan. Goed kunnen typen, nieuwsgierigheid naar vreemde culturen bevredigen, reizen, onderzoek doen én andere talen spreken.

Bevlogenheid kan je leven totaal beheersen. Zoals bij verliefdheid. Bevlogenheid geeft je energie, daadkracht en (over)moed. Soms doe je hierdoor dingen waartoe je jezelf niet in staat acht. Vooraf niet, en niet achteraf. Zodat je ergens na je midlifecrisis terugkijkt en denkt: ‘Echt? Heb ik dat toen allemaal gedaan?’

Misschien is het wel prettig dat veel daarvan niet meer zo nodig hoeft. En dat je weet dat als je echt nog wat wil, het vanzelf weer komt. Vroeg of laat. En zo niet, dan is het ook goed. Toch?

Een rijk gevoel

Het energiebedrijf stuurt een e-mailtje: de jaarrekening staat klaar. Ik open het bericht en zie het bedrag staan. Ruim twee keer zo veel als normaal. Wááát?! Oh, en het geld wordt binnen twee weken automatisch van mijn bankrekening gehaald. Wel ja. Van het verschil zou ik rustig een week op vakantie kunnen gaan. ‘Zie deze link voor details.’ Achterdochtig kijk ik of dit soms een fishing mail is. Maar mijn klantnummer staat er echt.

Er is het afgelopen jaar van alles gebeurd. Aardbevingen in Groningen. Rekent het energiebedrijf de extra kosten van Wiebes’ wilde plannen nu al door? Ik heb een slimme gasmeter gekregen. Je hoort verhalen dat na vervanging de verbruikskosten soms enorm stijgen. Bovendien werkte die meter slecht. Kan hij op hol zijn geslagen? En daarna is er weer een nieuwe meter geïnstalleerd. Is de tussenmeterstand wellicht verkeerd genoteerd?

Een vergelijking met de factuur van het voorgaande jaar biedt duidelijkheid. Door de koude winter is het gasverbruik toegenomen. Ook steeg het tarief in de tussentijd. Maar wat vooral opvalt: de vermindering energiebelasting ad € 310 is ineens verdwenen.

De volgende ochtend bel ik naar het energiebedrijf. Het duurt even, maar dan krijg ik een mevrouw aan de lijn die e.e.a. natrekt. Wat er fout is gegaan, vertelt ze niet, maar de rekening wordt aangepast. Het scheelt honderden euro’s. En dat na een telefoontje van slechts 14 minuten. Verdiende ik altijd maar zo snel geld.

Ineens voel ik me rijk. Alsof er wat te vieren valt. Ik wil al gebak gaan halen. Dat doe ik namelijk meestal in zo’n situatie. Vreemd eigenlijk, want ik moet nog steeds een bedrag bijbetalen.

Over bevlogenheid en bedrijfscultuur

Bij bevlogenheid denk ik aan werksituaties waarin ik helemaal in mijn element ben. En ik herinner me voorvallen waarbij dat werd tegengewerkt. Zoals het absurde voorbeeld van gisteren. Uit België komt een verbaasde reactie: ‘En dat in Nederland.’ Tja, dit is net een gewoon land. Ik heb op meerdere continenten bij internationale organisaties gewerkt en collega’s van allerlei nationaliteiten gehad. Soms denk je dat je de nationale cultuur wel een beetje kent. Maar per persoon en per organisatie kan daar flink verschil in zitten.

Er gaat weinig boven zelfstandig met passie en concentratie aan interessante klussen werken. Daar krijg je energie van. Ondanks de werkdruk en alle regeltjes doen Nederlandse werkgevers moeite om het bevlogen werknemers naar de zin te maken. Dat is economisch gezien ook in hun belang. Ons land telt zelfs het hoogste aantal bevlogen werknemers. Veel meer dan Frankrijk, bijvoorbeeld.

Daar is een simpele verklaring voor. Frankrijk is bij uitstek een hiërarchisch land. Terwijl werknemers in Nederland niet voor elk wissewasje toestemming hoeven vragen. Zij kunnen vaak zelf bepalen hoe ze hun tijd indelen en hun werk aanpakken. En ze hebben inspraak. In Nederland overheerst het pluriforme protestantisme en in Frankrijk het universalistische katholicisme.

De uitzonderingen zitten vaak precies waar je ze niet verwacht. Zo dacht ik vroeger dat Amerikaanse bedrijven vooruitstrevend zijn. Maar ze zijn vooral bezig met risico’s uitsluiten. Voor innovatiekracht kan je beter naar Oost-Afrika kijken. ‘Originele’ Amerikaanse filmscripts worden regelmatig gejat uit Frankrijk. Van een Nederlandse hippe start-up had ik nooit verwacht dat de jonge eigenaar zeer star was. Sommige commerciële bedrijven zijn trouwens socialer dan hulporganisaties. En de hartelijkste zakenrelatie die ik ooit heb ontmoet, was een Rus.

Even terug naar het stukje van gisteren. Een gerenommeerde universiteit kan uitblinken in wetenschap en innovatie, maar tegelijkertijd haar organisatiestructuur verwaarlozen. Dat is een kwestie van prioriteit en helaas geen zeldzaamheid. Dan kan een manager komen met een dooddoener als ‘Zo gaat dat hier nu eenmaal’. Maar dit zegt soms meer over zijn eigen belang (of gebrek aan wilskracht en oplossingsvermogen), dan dat het staat voor de cultuur van een hele organisatie.

Water halen voor de koffie

Wanneer ik een aantal jaren terug bij een universiteit begin, worden mij wat zaken uitgelegd. We werken op de tweede verdieping. Iedere ochtend zetten we een verse pot koffie voor de onderzoekers in het gebouw aan de overkant. Dat gebouw is vanaf onze verdieping te bereiken via een loopbrug. En die pot koffie is een resterende gewoonte uit de tijd dat het secretariaat in dat andere gebouw zat. Er werken uitsluitend intelligente mensen. Het lijkt mij dat zij best zelf een pot koffie kunnen zetten. Dit denk ik met mijn Hollandse nuchterheid en weerzin jegens onnodige hiërarchie. Maar ik ben nieuw en doe braaf wat mij wordt verteld.

Het is herfst. Het regent en het waait. Daar loop ik dan iedere ochtend over die loopbrug. Het enige voordeel is de frisse buitenlucht. Het wordt winter. Het sneeuwt en ik glibber nu rillend in mijn nette kantoorkleding naar de overkant. Hopend dat ik niet uitglijd en in de peilloze diepte stort.

Dan besluit de universiteit in haar onuitputtelijke wijsheid dat we nieuwe fonteintjes bij de toiletten moeten krijgen. Zo’n fonteintje is aan de overkant het dichtstbijzijnde tappunt voor water in de koffiekan. Alleen zijn de nieuwe kranen van die strakke design dingen. Je kan er slechts met de grootste moeite je handen onder wringen. Laat staan een koffiekan.

Het is inmiddels lente en ik sta voor een groot dilemma. Ga ik:

  1. Twaalf keer met een klein kopje water in die kan gieten tot hij vol is?
    Dan krijg ik wel het gevoel dat ik compleet achterlijk bezig ben.
  2. Of eerst over de loopbrug de koffiekan halen, dan met de koffiekan naar ons gebouw terug over de loopbrug, dan met de trap naar de eerste verdieping waar een invalidentoilet is (de lift kan ook, maar die is ’s morgens altijd druk bezet), afijn het invalidentoilet dus, waar als laatste nog een oorspronkelijk kraantje zit, daar water tappen, dan weer met de trap of de lift naar de tweede verdieping, wederom over de loopbrug, en voor twaalf kopjes koffie water in het koffieapparaat gieten?
    Bij deze optie kan ik tenminste wel elke ochtend theatraal uitbeelden hoe belachelijk de situatie is.

Ik kan ook een verbetering suggereren. Maar dat is tegen beter weten in, want ‘hier gaat het nu eenmaal zo.’