In een woord: plagiaat

Voor onderzoekers is het een uitdaging om nog origineel werk te leveren. Er zijn veel meer onderzoekers dan voorheen en internet heeft de wereld kleiner gemaakt. Daarom kan iedereen overal dezelfde bronnen raadplegen. Wetenschappers zitten voortdurend in de stress uit vrees dat hun werk kan worden gescoopt. Dan heeft iemand hetzelfde ontdekt en daar eerder over gepubliceerd dan zij.

Nu ik weer onderzoek verricht, ervaar ik eenzelfde soort stress. Stel dat een ander op hetzelfde onderwerp duikt, dan is dat echt niet leuk. Ik heb mij er zelfs al mentaal op voorbereid. Sterker: toen ik op dit onderwerp kwam en daarna iemand om informatie vroeg, ging die persoon er bijna mee aan de haal. Daar kon ik een stokje voor steken, maar het scheelde een haar. In elk geval gaat mijn project toch wel door.

Wat ik alleen niet had verwacht, is dat iemand exact dezelfde naam voor een website zou gaan gebruiken als ik. Dat is nu gebeurd, hoewel mijn website al vijf jaar op internet staat en zeer goed vindbaar is.

Hoe noem je nu zoiets? Kom, hoe heet dat toch? Jatwerk? … Plagiaat?
Weet iemand raad?

Het landje voorbij de achtertuin

Toen ik zeven jaar geleden op zoek ging naar een andere woning, was rondkijken op Funda nog echt leuk. Er stonden huizen op waarin de tijd soms wel een halve eeuw had stilgestaan. Aan de interieurs kon je de interesses en het hele verleden van de bewoners aflezen. Oranje/bruin uit de jaren zeventig. Het witte tv-kastje uit de jaren tachtig. Een zithoek met ingezakte kussens uit de jaren negentig. Boeken uit alle jaren en een complete encyclopedie: nooit gelezen. Zo’n interieur werd dan voor de foto even opgeleukt met een boeketje.

Tegenwoordig krijgt elk huis een complete make-over, want ze moeten Funda-waardig zijn. Dus wordt alles strak getrokken, of juist niet, wanneer iets quasi rommelig moet zijn.

Ook de tuinen moeten er aan geloven. Hier wordt voorafgaand aan de verkoop doorgaans minder aandacht aan besteed. Maar zodra er nieuwe bewoners komen, wordt de tuin flink onderhanden genomen.

Tuincentra spelen handig in op de behoefte om de sfeer van de woonkamer naar buiten te brengen. Daarom verkopen ze vooral stoelen, windschermen, paviljoens en allerhande materialen om de tuin ‘gezellig’ aan te kleden. Het creëert een beeld van luxe. Er zit alleen bijzonder weinig ‘groen’ bij.

Mijn idee van luxe is heel anders. Volgens mij is er sprake van echte weelde wanneer je zoveel ruimte hebt, dat je de grond om je tuin heen kan laten verwilderen. De achtertuin van een huisje aan de rand van landgoed Warnsborn geeft hiervan een mooi voorbeeld.

Het lapje grond voorbij de weggemoffelde afvalbakken is feitelijk de achtertuin van de achtertuin. Hier mogen vergeten narcissen vrijelijk groeien. Hier kan een overtollig hek voorlopig tegen een boom aan blijven leunen. En hier mag het verder gewoon ‘natuurlijk’ rommelig zijn. Ik ken dit soort landjes vooral van de boerderijen uit mijn jeugd. De bijbehorende sfeer is in geen enkel tuincentrum te verkrijgen.

Een uitvaart via livestream

Scene 1. De ceremonie moet nog beginnen. De camera draait al, maar er is nog geen geluid. Het beeld wordt gevuld door een sobere ruimte met pastelkleurige stoelen op een stenen vloer. De hele achterwand is voorzien van glas. Voor de open tuindeuren ligt de overledene in het midden op een baar. Bloemen omringen haar. Buiten zie ik de zonovergoten akker van een natuurbegraafplaats. Af en toe passeren er wandelaars.

Geen van de aanwezigen beseft dat hun bewegingen worden gadegeslagen door ogen die zij zelf niet zien. Wat er in de volgende scenes gebeurt, is tegelijk gewoon en uiterst intiem.

De ruimte met de overledene, alleen.
De ruimte met de overledene en de uitvaartleidster wachtend in een hoek. Jasje over stoel.
De ruimte met de overledene en een dochter die slenterend met iemand belt.
De ruimte met de overledene en dezelfde dochter, die nu een familielid omhelst.
De ruimte met de overledene, alleen.

De ruimte met de overledene en een man die door de tuindeuren naar binnen stapt.
De ruimte met de overledene, verder niemand in beeld.
De ruimte met de overledene, haar kleinkinderen ravotten op de achtergrond.
De ruimte met de overledene, de andere dochter en de uitvaartleidster, ieder apart.
De ruimte met de overledene, weer even alleen.

De ruimte met de overledene. Een man loopt naar binnen, zakt op zijn knieën en voeten bij haar hoofd neer en blijft in stilte verzonken zitten. Een tweede man verschijnt ten tonele. Hij loopt naar haar andere zijde en blijft ook in gedachten staan bij de overledene.

Dan is het moment voorbij. Meer mensen druppelen binnen. De uitvaartceremonie zal zo zoetjesaan wel beginnen.

Het hart als symbool

Op een zonnige, warme lentedag staat een hart symbool voor de liefde. Zo’n lentedag kan misleidend zijn. Want hoe veel mensen hebben hartzeer, zonder dat we het zien?

Twee dagen geleden stierf de ‘liefste’ buurvrouw in ons straatje. ‘Liefste’ is hier een raar woord. Maar toch. Zij was voor mij van alle buren de meest dierbare persoon. Een stukje uit de tekst op haar kaart:

‘… En zag
Dat ik ook in dit leven hoor
Bij het grote geheel,
Bij de oorsprong van alle natuur
En dat ik elk uur
De rest van dit bewuste leven
Liefde ga zijn en liefde ga geven
Schoonheid ga zoeken
In alle gaten en hoeken …’

Zoals ik haar in korte tijd heb meegemaakt, is dit precies hoe zij in het leven stond.

(Bron citaat: Jochem Myjer.)

Onzichtbare vooruitgang

Dit is zo’n week van hele kleine stapjes. Ik doe wel wat en het leidt ook ergens toe, maar ogenschijnlijk verandert er weinig. Ik stuur een mailtje en geef een antwoord. Ik pleeg een telefoontje en doe navraag voor een afspraak. Iemand belt mij steeds vanaf een privé-nummer wanneer ik net in een andere kamer ben, waar de ringtoon onhoorbaar is.

De oogarts van het ene ziekenhuis wacht op een brief van de oogarts in het andere ziekenhuis. Die brief is een maand geleden geschreven en in het systeem gezet. De volgende stap is nu: de verzending. Maar door wie? En wanneer?

Ik bel naar het ene ziekenhuis, waar iets in gang wordt gezet. En ik bel naar het andere ziekenhuis, waar de brief in het systeem wordt ontdekt. De brief zal door een medewerkster in het universitaire ziekenhuis op de fax worden gezet. We schrijven donderdag 25 maart in het jaar des Heren 2021.

Ach, de natuur neemt ook de tijd. We zetten allemaal onbeduidende stapjes op weg naar vergankelijkheid. Als ze dan maar voor even ergens toe dienen.

Duel op het spoor

Langzaam nadert hij de rivier. In de verte komt de spoorbrug in beeld. Het is een riskante oversteek en misschien wacht hem een hinderlaag. Hier stoppen is ook gevaarlijk. Aarzelend komt hij tot stilstand. Een langgerekte sis ontsnapt hem.

Turend naar de overkant voorbij de brug ontwaart hij iets geels. Dus toch!
Is zijn tegenstander langer en zwaarder dan hijzelf? Het is van hieraf niet te zien.

Wat nu? Terug gaan of vooruit? Wie beweegt het eerst?

Seconden lang gebeurt er niets; dan neemt hij een besluit.
Traag tilt hij een voorwiel op, buigt zijn kop en schraapt met zijn stalen hoef over de rail.

Zijn tegenstander ontgaat het gebaar, maar voelt de trilling wel in het metaal. Een siddering gaat door hem heen.

Dan vermant hij zich, zet zich schrap en komt geruisloos in beweging …

 

(Geïnspireerd door ‘Duel’, blockbuster graffiti onderop de brugpijler.)