Een gat in de vloer van het altaar

In Exitus betreden Bob Thissen en Jeroen Swyngedouw verlaten gebouwen. Hooded romantics met een nostalgische ziel. Zij doen aan ‘urban exploring; het opsporen en fotograferen van in verval geraakte menselijke constructies, van bunkers tot kerken en van fabrieken tot pretparken. Deze plekken zijn vaak moeilijk toegankelijk, soms overwoekerd door natuur, maar altijd doordrenkt met een diepe melancholie en een gevoel van vergane glorie: een paradijs voor vergankelijkheidsfetisjisten.’ Zo omschrijft Daan Sneider hun expedities in de VPRO Gids, nr 35, 2016. Ik vind dat mooi.

ExitusJonge gasten bezoeken oude gebouwen met de nieuwste digitale apparatuur. Filmbeelden van een parmantig lichtgrijs kasteel nabij de Loire. Meubilair, schilderijen, potten, pannen en een vergeten kinderfiets komen tot leven in hun stop-motion tafereel. Aan het werk zijn twee exponenten van de millennium generatie. Minutieus draperen en herschikken ze decenniaoude spinnenwebben en stoflaagjes. Stoflaagjes. Om een stilleven met rafel-randen in sepia te fotograferen. Kunst met een grote K.

Uit de diepe krochten van mijn geheugen doemen ineens flarden op. Kind van een jaar of acht. Herinneringen aan een kerk die ooit was afgebrand. Tussen de huidige kerk en de begraafplaats in de Zuidbuurt. Een ruïne achter een slecht gesloten hek, overwoekerd door groen. Herfst, donkere wolken en gevallen bladeren ritselend door de wind. In de stenen vloer van het altaar een gat bij de gebroken wand. Een toegang naar de mysterieuze kruipruimte onder een gewijd plateau. Stiekem betraden we kruipend onder lage stenen gewelven de oneffen zwarte grond. Het diepe duister spaarzaam verlicht door het schijnsel van onze zaklamp. Oudere kinderen waren ons voor geweest. Ze hadden er gerookt. Er lagen nog peuken en ik vond een volle luciferdoos. Geen eeuwenoude grafkisten, zoals we hadden gevreesd. Of gehoopt.

Exitus, aflevering Adelijke huizen.

Fietstochtje in de Randstad

We schrijven 16 maart 2003. Het is zondag, de eerste fraaie lentedag van het jaar. Strakblauwe hemel, stralende zon, de temperatuur is aangenaam. Vandaag geen dikke jas aan. Voor mijn woonkamer onderhouden eksters hun nest hoog in een boom. De buitenwereld trekt en ik bedenk een fietsroute langs polders en recreatiegebieden. Met zonnebrandcrème en opgepompte banden vertrek ik. Na een kwartier nader ik de rand van de bebouwde kom. Daar staat een café met terras aan een oude trekvaart. Het zit al vol dagjesmensen die ook op de fiets of motor toeren. Plezierbootjes varen langs. Anderen willen eveneens van het voorjaar genieten.

Het smalle landweggetje met boerderijen naast de vaart is populair. Oorspronkelijk kwam hier alleen bestemmingsverkeer. Nu gebruiken zwierige skaters de volle breedte van de baan. Ik kom hordes fietsers tegen. Plus jongens op knetterende brommers, bejaarden in scootmobiel, auto’s, en moeders met kinderen in een grote bolderkar. Twee kleine meisjes kunnen net fietsen. Ze slingeren te midden van de drukte alle kanten op. Wielrenners schieten met een noodvaart overal tussendoor. In de berm staat een lila krokusje er fier kwetsbaar bij. Wat een wonder dat die het uitwijkende verkeer heeft overleefd.

Ik wil naar dartelende lammetjes kijken. Maar daar is geen tijd voor, want ik moet op tegenliggers letten. Zo ontgaat mij eveneens het zicht op een zwanenpaar, op futen die elkaar het hof maken, en op dravende paarden in een wei. In het natuurgebied pal naast de A4 zwermen massa’s watervogels rond. Toch, op een brug bewonderen de meeste passanten het voorbijrazende autoverkeer.

Op het fietspad rij ik verder door weilanden naar het recrea­tiegebied bij Zoetermeer. Ik ken het nog uit mijn jeugd als een ruige, ondoordringbare wildernis. Toen stonden er borden met teksten als: Betreden op eigen risico, of: Drijfzand, levensgevaarlijk! of: Verboden toegang. Dat sprak tot de verbeelding van een kind.

Ik nader een boerderij waar vroeger familie van een schoolvriendinnetje woonde. De gebouwen zijn door zandwinning verzakt en de muren zitten vol enorme scheuren. Ik heb vernomen dat ze nu elk moment kunnen worden gesloopt. Nog even staat de oude woning omringd door hoge bomen ongemoeid aan de hoge dijk. Mijn jeugdherinnering vasthoudend.

Vreemd, een auto op de oprit. De voor- en keukendeur staan wijd open. Een onbekende jongen zit in een tuinstoel op het erf. In het gras bij de schuur staat een romantisch wit tweepersoonsbed. Aan een boerenlandweggetje. Ooit gevoelsmatig gelegen in the middle of nowhere.

Mijn idyllische herinnering wordt ruw verstoord zodra ik door fiets. Over een lengte van tweehonderd meter is een hele rij auto’s in de berm geparkeerd. De buren hebben namelijk een kinderboerderij, waar het op mooie dagen krioelt van het volk. Ondertussen proberen nog meer automobilisten vlakbij te parkeren. Chagrijn en irritatie staan op verhitte gezichten getekend.

Nog maar twintig jaar eerder kwamen bezoekers daar op de fiets voor een zwempartij in de Noord Aa. Je hoorde er leeuweriken zingen. De wind ruiste zachtjes door het riet aan de waterkant. En de prille commercie was van een aandoenlijke onschuld.

De zon trekt zich niets aan van alle drukte en schijnt onversaagd door. Maar ik moet alweer uitwijken voor tegenliggers. Net op de plek van een mooi vergezicht. Ineens heb ik genoeg van de hele rit. Wat doe ik hier? Ik ga naar huis.

Hoe dichter ik het stadscentrum nader, hoe aangenamer het wordt. Op fietspaden is geen mens te bekennen. De drukke toegangswegen liggen er verlaten bij. De stad is een oase van rust. In achterafstraatjes van oude wijken genieten hele families op de zonovergoten stoep. Op terrassen klinkt het gemoedelijke gekeuvel van mensen die nergens heen hoeven. Eenmaal thuis aanschouw ik een bedachtzaam stappende reiger. Het is stil, terwijl hij kikkers uit ons slootje vist.