Toerist in Giethoorn

Huizen en boerderijen in Giethoorn 03

Het gebeurt zelden dat ik mij een toerist waan in eigen land, maar gisteren was het goed raak. In Giethoorn of all places. Het deed mij terugdenken aan een bezoekje aan Volendam lang geleden. Die plaats beschouw ik nu niet bepaald als schoolvoorbeeld van wat ons land te bieden heeft. Afijn, we gingen wandelen in Giethoorn en een boottochtje was inbegrepen. Het was nog leuk ook.

Toch snap ik iets niet. Want wat is er zo bijzonder aan Giethoorn? Bevangen door de toeristenkoorts ging ik heel veel foto’s nemen. Na thuiskomst heb ik ze eens goed bekeken. En hoe meer ik er zag, hoe vaker ik dacht: ‘Verrek, dit lijkt wel het Groene Hart.’

Oké, in Giethoorn hebben de boerderijen een andere stijl. ‘Camel style’ zei Captain Jack van onze rondvaartboot. ‘You can leave your tip in the wooden clog.’, by the way. Het lag er allemaal nogal dik op, vond ik. Net als in Volendam, overigens.

Maar goed, die boerderijen op een eilandje aan het water hebben we ook bij Leiden. In Zoeterwoude, Koudekerk, Hoogmade en vooral aan de Kaag. Dus wat zat ik daar te doen op die boot, tussen de Chinezen, de Arabieren, de Duitsers, en Captain Jack?

En er was iets bevreemdends. Want heel vaag meen ik mij te herinneren dat ik als klein kleutertje eerder in Giethoorn ben geweest. En wat ik zeker weet, is dat het er toen niet krioelde van de hortensia’s. Die uitsloverige dingen groeien daar echt overal. Zijn ze from the English cottage gardens komen overwaaien, soms? Of is dit de invloed van de Amsterdamse kliek? Vroeger hadden ze toch gewoon geraniums in Giethoorn?

Ik miste ze, die bescheiden bloeiers. Geraniums zijn authentiek.

Eens katholiek, altijd katholiek

De kerken lopen leeg en menigeen is katholiek-af. Alleen betwijfel ik of dat wel kan: niet langer katholiek zijn. Het is alsof je tegen je familie zegt dat er geen bloedverwantschap meer is. Ik ben opgegroeid in de jaren zestig toen de kerk nog stevig in het zadel zat. Bij ons in het dorp zeker, al was er concurrentie van de protestanten. Maar dat waren ‘de anderen’. Daar ging je als kind weinig mee om. Ik wist exact welke buren katholiek waren en welke protestant.

Als je katholiek bent, dan ben je daar mede door gevormd. Dit begint al jong. Eerst de doop en de Heilige Communie, naast reguliere bezoeken aan de kerk. De kerkdienst bestaat uit een vaste verzameling rituelen vol symboliek. Het theater is er niets bij. Dit maakt indruk en door de herhaling beklijft alles goed. Denk aan het brood en het Lichaam van Christus, denk aan de beker met wijn als bloed. Eén snufje wierook en je bent weer terug in je jeugd. Wie ooit na afloop van de laatste avondkerstmis aan de maaltijd heeft gezeten, verlangt daar de rest van zijn leven naar terug.

Ik ging naar een katholieke lagere school en daar kregen we godsdienstles. Rond mijn tiende werd ik lid van een club in het parochiegebouw. Daar speelden we spelletjes en deden we knutselwerkjes. Ik vond het er leuk. ‘s Zomers gingen we op kamp bij boerderijen in hartje katholiek Brabant. Van het Vormsel is het niet meer gekomen, maar waarschijnlijk ben ik nog altijd lid van de katholieke kerk.

Voor tieners waren er discoavonden van de KPJ: Katholieke Plattelands Jongeren. Toen ik begon uit te gaan, was ik echter al volledig op ‘de stad’ gericht, want in naburig Leiden gebeurde het. Wel was mijn middelbare school katholiek. Die werd zelfs door nonnen gerund, dus de vorming kwam toch wel.

Die vorming zorgt ervoor dat ik katholieke symboliek direct herken. De rijke versieringen, de bijbehorende cultuur, een processie, een geur. Het geeft mij waar ook ter wereld onmiddellijk het gevoel dat ik er bij hoor. Zelfs wanneer ik geen woord versta, weet ik wat er tijdens een dienst van mij verwacht wordt. Alsof ik lid ben van de plaatselijke familie.

Tot op heden worden er in het dorp missieveilingen georganiseerd waarbij waanzinnige bedragen worden geboden. € 1.000 bijvoorbeeld, voor een ‘Boerenkaas en tosti apparaat’. Dat wil je natuurlijk dolgraag winnen.

Vandaag was ik voor het eerst in 35 jaar terug op het oude honk: de kerk waarin ik ben gedoopt en Eerste Communie heb gedaan. Hij zat stampensvol voor een herdenkingsdienst en daarna een begrafenis op het kerkhof achter het gebouw. Overal zaten familieleden, aangetrouwden en dorpsgenoten, maar ook mensen die mij volslagen onbekend waren. De begrafenisondernemer was wel mijn klasgenoot van de lagere school.

Als je daar de namen op de grafstenen leest, weet je: zelfs de onbekenden zijn allemaal verwant aan elkaar. Dus niet-katholiek worden is zoiets als breken met je familie. Dat is simpelweg onmogelijk, zelfs al zou je het willen.

Kraakwagendag en de schatkist van de Fasson

‘Grofvuil is fantastisch: dat je iets ouds hebt, het wegdoet, en dat een ander dat dan misschien blij meeneemt. Het oude principe van dingen je hol inslepen. Of het nieuwe principe van upcycling. Of het oeroude principe  van lekker gratis.’ Aaf Brandt Corstius haalt in haar Volkskrant column van 22 juni 2018 zoete herinneringen op. Tegenwoordig moet je een afspraak maken met het gemeentelijke afvalstation. Op vastgestelde tijden dien je je oude spullen buiten te zetten en dan komen ze het ophalen. De romantiek is er wel af. Van mij mag het gouden era terugkeren van kraakwagendag.

Op kraakwagendag struinde ik als kind met een vriendinnetje in de buurt alle straten af. Er stond dan van alles op de stoep. Kapotte koelkasten, bankstellen, sapcentrifuges, bijzettafeltjes, zakken met oude kleding, bakken met boeken en gesloopte troep. We waren bepaald niet de enigen.

De professionals, zoals ze nu zouden heten, waren dan al langs geweest. Allerlei ruwe, groezelige mannen met gemotoriseerde bakfietsen haalden bruikbare spullen op. De oud-ijzerboeren. De tweedehands spullen handelaren. Hen zag je vervolgens staan op de Leidse markt. Daar hadden ze op woensdagen voor hun uitgestalde waren een vaste plek op de Koornbeursbrug.

Waarschijnlijk was er een ongeschreven regel. Nette mensen deden zoiets niet. Voor kinderen kon het nog net, tot een zekere leeftijd.

Dat vriendinnetje was meer bijdehand dan ik. Ze kende namelijk de exacte locatie van een ware schatkist: een enorme afvalcontainer op een nabijgelegen fabrieksterrein. Om precies te zijn: van de Fasson op de Lammenschans. Een goudmijn was dat. We konden er alleen met moeite in klauteren. Soms werden we weggejaagd door het personeel. Misschien was het wel gevaarlijk als er afval in werd gekieperd. We stonden er tot onder de zijwand in en waren van buitenaf niet te zien.

Er lagen alle mogelijke soorten plakband. Industrieel spul, onverwoestbaar. Grote rollen, kleine rollen, loeizware buizen met prachtige materialen. Sommige met rasters van textiel die aan twee zijden kleefden. Daarmee kon je een boekenplankje aan de muur bevestigen, zo’n plakkracht had dat spul. Het rook er dan ook erg chemisch.

We namen zo veel mee als we op onze fietsjes naar huis konden slepen. Ik zal een jaar of acht zijn geweest. Ik heb nog tot vijf jaar geleden plezier gehad van die kleefmaterialen. Zo lang bleven ze goed en ging de voorraad mee. Kleine stukjes hout plakken, een foto goed op een achtergrond vastzetten, etc. Vooral dat dubbelzijdige spul; daar kon je echt alles mee. Ik heb het helaas nooit in een winkel gezien.

Later ging de fabriek Fasson Avery Dennison heten en daarna alleen Avery Dennison. Het bedrijf verhuisde naar Hazerswoude. Ik heb er zelf op kantoor gewerkt, als uitzendkracht. In die periode moest ik een kast met oude ordners leegruimen. Alles kon weg. Ook de in prima staat verkerende, maar gebruikte kantoormaterialen: ordners, plastic insteekmapjes, paperclips, geperforeerde hoesjes en tabbladen.

Ik heb er van alles tussenuit gehaald. Gered van de vuilverbranding. Dat was in 1997. Die kleine kantoorartikelen gebruik ik nog steeds. Ze gaan langer mee dan de fabrieksgebouwen, want begin dit jaar werd de laatste gesloopt.

Op vakantie naar het buitenland

Bij de kassa vertelt de caissière dat ze nooit naar het buitenland op vakantie gaat. Ze blijft liever in Nederland. Dit is Gelderland anno 2018. Sinds ik hier woon, hoor ik dat vaker. Bijzonder. Want veel vrienden, familieleden en vroegere collega’s van mij passeren de grens minimaal een keer per jaar. Voor werk, studie of plezier; met de auto, camper of het vliegtuig. Alsof het de norm is. Kennelijk ligt dat toch een beetje anders.

Bij vakantievierders in eigen land dacht ik steeds: ‘Ze vinden het zeker lastig als ze midden in de nacht naar Schiphol moeten.’ Vooral buiten de Randstad speelt dit mee. Het blijft voor mij ook wennen dat de treinen hier niet 24/7 naar de luchthaven rijden. Op mijn vorige adres was dat een makkie. Van deur tot deur stond ik binnen een half uur op Schiphol. Dat gaf gemoedsrust. Alsof de nooduitgang altijd in de buurt was.

Hier ontmoet ik mensen die het echt prima vinden om in Nederland te blijven. Ze hebben geen behoefte om ver te reizen. Ik vind dat wel verfrissend. Mijn ouders namen me voor het eerst mee op vakantie toen ik twee jaar was. Dat ging zo vrijwel ieder jaar door. Later ging ik zelf graag op pad. Ik weet precies in welke jaren ik niet in het buitenland kwam. Want die jaren vormen een uitzondering.

Toch, in het dorp waarin ik ben opgegroeid waren buitenlandse vakanties niet zo gangbaar. Het was begin jaren zeventig. Veel klasgenootjes op de lagere school kwamen uit grote gezinnen en boerenfamilies. Zij logeerden in de zomer hooguit een weekje bij een oom of tante. En een katholieke jeugdclub organiseerde een zomerkamp op Brabantse boerderijen. Dat waren ontzettend leuke weekjes, compleet met kampvuur, slapen in de stal en nachtelijke droppings.

Soms vroeg onze juf na de zomervakantie wie naar het buitenland was geweest. (Doen juffen dit nog? Voordat je het weet, werkt zo’n vraag stigmatiserend.) Samen met hooguit vijf andere kinderen stak ik dan mijn vinger op. In een klas van 25. Die anderen woonden in ‘de nieuwbouw’, een wijk waar veel import was neergestreken. Onder meer uit Den Haag. Dat waren geen boerenkinderen.

Mijn ouders waren ook import, maar dan uit Leiden. Als kind van import ben je voor sommigen in je eigen dorp een halve vreemde. Dat maakt de stap naar het buitenland misschien kleiner.

Stop bebouwing in het groen!

Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken zegt dat gemeenten maar eens wat creatiever moeten ‘kijken naar het bouwen van woningen in groene gebieden rondom grote steden.’ Daarop reageert de wethouder Ruimtelijke Ordening van Zoeterwoude direct. En terecht. Want Zoeterwoude kampt al eeuwen met de landhonger van het naburige Leiden. De hele regio is inmiddels versteend. Moeten nu de laatste groenstroken van het Groene Hart wijken?

Bouwbeleid van gemeenten
Minister Ollongren toont een gebrek aan visie. Daarvoor moet je nu bij de gemeenten zijn. Die mogen met gesloten portemonnee de nationale problemen oplossen. Zie het NOS artikel Gemeenten verontwaardigd over uitspraken Ollongren meer bouwen. Dit bevat informatie over het betere bouwbeleid van gemeenten.

Visie nieuwbouw in ons land
Grootschalige nieuwbouw en ongebreidelde bevolkingsgroei roepen bij mij weerstand op. Want wat willen we nu eigenlijk met ons land? Naar welke bevolkingssamenstelling moeten we streven in het licht van toekomstige ontwikkelingen? Trouwens: wat is een wenselijke verhouding tussen bebouwing, productiegrond en natuur? Aan welke woonvormen is in de komende vijftig jaar behoefte? Waaruit moet de overige bebouwing bestaan? Hallen, zo groot als voetbalvelden, vol servers voor bitcoins? Schei uit. Ons land gaat er zo niet op vooruit.

Eerdere logjes over huisvesting: beleid en alternatieven
Prettige tijdelijke woonvormen
Tweede kans voor leeg winkelpand
Huisvesting, zorg en verpleging

Visie op economische toekomst
Ik mis een visie op een logische verdeling van bedrijfstakken en bijbehorende beroepsgroepen. In Nederland, in Europees verband en wereldwijd. Die computerhallen passen bijvoorbeeld beter in de Sahara. Daar kan men ter plekke de daken en omgeving vol zonnepanelen zetten voor energieopwekking. We hoeven er geen vruchtbare landbouwgrond in Groningen voor op te offeren. Die grond kan hard nog nodig zijn zolang de aarde opwarmt.

Visie op bevolkingssamenstelling
Momenteel groeit de bevolking in Nederland vooral door immigratie. Daar zit voor een deel weinig beleid achter. Kijk liever in Europees verband waar en hoeveel mensen met specifieke vaardigheden wenselijk zijn. Dan maken ze een betere kans om zelfstandig hun leven op te bouwen. Dit gebeurt allang bij de toelating van kenniswerkers. En dwing werkgevers om actief te investeren in omscholing van Nederlandse ingezetenen, voordat ze mensen in het buitenland werven. Misschien krijgen die Marokkaan en die 50-plusser dan eindelijk een kans.

Eerdere logjes over beleid rond immigratie en werk
Gelukzoekers in een meritocratie
Opvang in de regio
De EU, de vluchteling en de 80 miljard

Gisteren was ik in Doesburg. Daar zorgt de IJssel voor een prachtige scheiding tussen stedelijke bouw en platteland.

 

Achtergrondinformatie

Volgens Wikipedia telt het hele stadsgewest Leiden inclusief  randgemeenten totaal 348.868 inwoners. ‘Met 5.646 inwoners per vierkante kilometer is de stad Leiden sinds 2014, na Den Haag, de dichtstbevolkte gemeente van Nederland.’

Voorlopig gaat de groei door. ‘Volgens het CBS vestigden zich het afgelopen jaar 82 duizend meer mensen in Nederland dan er vertrokken. Ook werden 19 duizend meer baby’s geboren dan er mensen overleden. Naar verwachting zal de bevolkingsgroei de komende jaren aanhouden. Over vijf jaar zullen er volgens het CBS 17,5 miljoen mensen in Nederland wonen. ‘Maar van de baby’s moet de groei het niet hebben, van de migranten wel’, zegt Jan Latten van het CBS.’ (De Volkskrant,  2 januari 2018.) Lees hier het volledige artikel.

De barre winter van 1979

Anno 2017 legt één flinke sneeuwbui Nederland sneller plat dan tien computer hackers samen. Code rood luidde het gisteren. Dat hebben we geweten. 1.600 kilometer file, treinverkeer compleet ontregeld, 430 vluchten geannuleerd. In feite kunnen we dat beetje sneeuw best hebben. Er lopen hier alleen te veel mensen rond. Daarom weet je nooit of je zo’n code serieus moet nemen. Dus zat ik voornamelijk thuis, te verlangen naar buiten. Hoe anders was dat in mijn jeugd. Toen had je tenminste nog echte winters, zoals die van 1979. En we lieten ons nergens door tegenhouden.

IJzige koude, helse noordooster sneeuwstormen en spekgladde wegen. Dat was pas winters ongerief. We hadden thuis geen centrale verwarming en buiten de woonkamer liep je te bibberen. In Zoeterwoude was de hele Noord Aa bevroren. Het mooiste zwarte ijs lag daar. Er werd een ijsbaan op het bevroren meer uitgezet en schaatsen maar. Je kon er gewoon in een auto overheen rijden. Wat handig was om de baan met een schuiver sneeuwvrij te houden. Diezelfde winter maakte ik een legendarische schaatstocht van Zoeterwoude naar Leiden. Deels over bevroren sloten, maar vooral over spiegelgladde stoepen. Want die waren met een ijslaag bedekt. Je kon er onmogelijk op lopen.

In die tijd had je nauwelijks thermo-ondergoed en kleding van fleece. Er waren juist korte leren jasjes in de mode. Die ik dan ook droeg. Waardoor je op de fiets altijd een koude rug kreeg. Denk maar niet dat ik als recalcitrante puber naar de wijze raad van mijn moeder luisterde, en een hemd of wollen trui aantrok. Nee, afzien moest ik, om erbij te horen. Dat waren nog eens echte barre winters toen.

Déjà vu ontmoeting met oude buren

Het is een beetje een aparte gewaarwording. Nog niet zo lang geleden vlogen hij en ik elkaar zowat in de haren. Bij wijze van spreken dan. Hij woont hier om de hoek. Toevallig zien we elkaar weer een paar weken later. Er moet een oplossing komen. Niemand van de betrokkenen wil dat de situatie voortduurt. Deze keer probeer ik het op een andere manier. Al weet ik niet goed hoe en waar te beginnen. Hij ziet het en vreemd genoeg zorgt dat voor een doorbraak.

Prompt vertelt hij uit zichzelf een heel verhaal. Tot dan toe was hij een onbekende, van wie ik slechts vaag een indruk had. Terwijl het veel kan schelen als je raakvlakken hebt. Hij praat honderduit over wat er langer geleden is voorgevallen. Ook laat hij heel wat los over zijn leven en zijn werk. Hij noemt zelfs zijn oude adres met huisnummer en al, in Leiden. Wat!?

Het zal toch niet wáár zijn? Dat uitgerekend hij hier in het oosten de levende connectie vormt met mijn geboortestad. Het wordt nog bizarder, want hij vertelt doodgemoedereerd verder. Over zijn stiefvader, een nationale beroemdheid. Een paar nummers van diens band staan nu in de Top 2000. Deze man woonde tijdens mijn jeugd bij ons op de hoek van de straat, in het dorp waarin ik ben op gegroeid. Nou já zeg! De stiefvader is inmiddels ook hiernaartoe verhuisd.

Vandaag kwam ik ze tegen: de stiefzoon, de beroemdheid, en de vrouw die hen samenbracht. Gewoon even verderop in ons dorp, in Gelderland. Ik hoor de stiefzoon bij het naderen vertellen waar ik ooit woonde, en daarna groet hij. Gedrieën vormen ze een halve kring om mij heen. Recht tegenover me staat de beroemdheid.

Daar staan we dan als voormalige dorpsgenoten, elkaar glimlachend te monsteren. Allebei met onze handen in onze zakken. Ik herken hem direct, maar hij zal niet weten wie ik ben. We delen een stukje dorpsgeschiedenis, maar schelen twintig jaar. Toch verwacht ik het elk moment. Dat hij het gaat vragen. Zodra ik mijn achternaam heb genoemd. Of ik er eentje van Dorus ben.