De minder zichtbare scheidslijn

Bij de voorbereiding van de expositie stel je je voor hoe het zal lopen na de opening. Je denkt na over de inhoud en de vorm van de presentatie. En je schrijft teksten die van de collages een samenhangend geheel maken. Maandenlang bekijk je foto’s door de ogen van denkbeeldige bezoekers. Je ziet hen voor je. Hoe ze halt houden bij elke collage. Hoe ze daar naar wijzen en zeggen: ‘Goh, kijk, daar staat Marietje.’ Of: ‘Weet je nog …?’

Je verwacht trouwens dat er verschillende belangstellenden zullen verschijnen. Huidige en vroegere buurtbewoners. Evenals mensen van wie hier familie heeft gewoond. Zij zijn benieuwd naar hoe hun straat zal worden getoond. Daarnaast verwacht je andere dorpsbewoners en bezoekers die in geschiedenis geïnteresseerd zijn. En je hebt mensen uitgenodigd van wie je foto’s hebt gekregen, zoals makelaars en archiefmedewerkers.

Je weet dat bepaalde zaken onzichtbaar zullen blijven. De dieper liggende onderlinge relaties en de onbenoemde situaties. Dus kleur je zorgvuldig binnen de lijntjes om overal buiten te blijven.

Je creëert voldoende publiciteit en het resultaat mag er zijn.

Toch blijft het op de eerste dagen rustig. Heel rustig. Geleidelijk aan begin je het onzichtbare te zien. Ouderen durven niet langs te komen uit angst voor corona. En de ‘arbeiders’ uit de oorspronkelijke bevolking moeten de kost verdienen. Zij hebben meer te doen. Diverse buren zijn schuchter of verlegen. Zij komen zelden buiten hun vertrouwde kring. Sommigen van hen moet je persoonlijk uitnodigen, anders komen ze niet.

Maar er speelt nog iets. Vandaag sprak ik iemand van de sportclub, die hier geboren en getogen is. Zij woont aan de overzijde van de weg die het dorp door midden snijdt. Zij woont in het welvarende deel.

De weg is een N-zoveel, met zebrapaden en stoplichten. Je kan er makkelijk oversteken. Alleen niet als je bent opgegroeid in het welvarende deel. Want dan blijft de overzijde een gebied waar je niets te zoeken hebt. Te rauw. Althans, dat is nog steeds het heersende idee.

‘Wat is er eigenlijk zo bijzonder aan jullie straat?’, vroeg zij aan mij. Nou, precies dit: ‘Dat er van oudsher arbeiders wonen en die komen hier nooit in beeld.’

Een zelfredzaam blog van een zelfredzame blogster

Sta je weleens stil bij wat er gebeurt met je blog, wanneer je er zelf even niet bent? De afgelopen weken kwam ik weinig aan logjes schrijven toe. Dit vanwege de samenstelling en voorbereiding van de foto-expositie, die ik namens ons buurtje organiseer. Toch blijven er bezoekers komen op Raam Open. Kennelijk staat hier al genoeg leesvoer. Sommige berichtjes, zoals ‘Ideale beroepen voor introverte mensen’ trekken de kar. Vanaf nu ga ik achterover leunen, want ik hoef niets meer te doen.

(Grapje.)

Het is best een ervaring; zo’n expositie samenstellen en organiseren. Ik ben mezelf ook meteen weer keihard tegengekomen. Want jawel: perfectio- nistisch. En jazeker: een doorzetter. En inderdaad: geeft niet op. Blijft net zo lang doorgaan tot alles compleet is en het er goed op staat. Dit alles uiteraard tot vervelens toe. Of liever: tot ik zelf zo moe ben dat ik er letterlijk misselijk van word.

Maar ja, dit is wel een droomklus natuurlijk. De kaders zijn duidelijk. Ik kan putten uit mijn gevarieerde en 35 jaar lange werkervaring. Het vergt creativiteit, én ik mag het allemaal zelf doen. Wat iets anders is dan op een eilandje zitten. Het is juist leuk om met onbekenden contact te leggen. Als het maar ergens over gáát. En echt iedereen werkt hier graag aan mee. Dus ontmoet ik boeiende mensen en kan ik naar eigen inzicht te werk gaan.

Het gaat trouwens goed. De lijsten zijn binnen en morgen haal ik de collages op. Ik heb een persbericht geschreven en een aankondiging voor op prikborden gemaakt. De andere leden van het feest-comité zijn onder de indruk van de collages en zij vinden mijn schrijfsels leuk.

Niet dat ik mij persoonlijk aan het bewijzen ben, hoor. Welnee, helemaal niet. Ik weet allang wat ik kan. Maar professioneel gezien is dit toch een behoorlijk grote middelvinger naar honderden werkgevers toe. Naar degenen die de afgelopen jaren schreven: ‘u past niet in ons profiel’.

Jammer hoor, voor die werkgevers dan.

Doet AH aan profiling?

Bij de zelfscankassa van Albert Heijn is het voor de vijfde keer raak sinds corona uitbrak. Op het display verschijnt een melding dat ik moet wachten op een medewerker. Kort daarna staat er iemand naast mij: tassencontrole. Er is niets aan de hand, maar ik voel mij ongemakkelijk. Want hoe komt het dat ik er zo vaak wordt uitgepikt?

‘Ik’ is hier misschien te persoonlijk opgevat. Het is logisch dat er af en toe controles zijn. Waarschijnlijk verschijnen die meldingen willekeurig om de zoveel klanten en dan is deze frequentie gewoon toeval. Alleen … is dat wel zo?

Bij de tweede keer vertel ik de medewerkster dat het opmerkelijk wordt. Het is een vaste medewerkster, afkomstig uit Oost-Europa. Volgens haar ligt het ‘aan het systeem’. Oei. Zo’n standaardreden, uit de mond van iemand uit een voormalige communistische regio. Daar krijg ik acuut onaangename associaties bij.

Bovendien bestaat er niet zoiets als een neutraal systeem. Achter elk systeem gaan algoritmes schuil die door mensen van vlees en bloed ontwikkeld zijn. Dus welke criteria zijn er van hogerhand ingevoerd? Zij wijst op het toeval van een selectie ‘at random’.

Bij de derde keer vertelt een andere medewerkster dat het kan liggen aan mijn bonuskaart. Heb ik daar iets aan gekoppeld? Jawel, een Air Miles kaart. Zij raadt aan om een nieuwe bonuskaart te gebruiken, omdat er soms problemen zijn wanneer er airmiles gekoppeld zijn. Hier wacht ik nog even mee. Thuis check ik eerst wat Albert Heijn weet over mij. Voornaam, e-mailadres en woonadres. Dat is alles wat mijn klant‘profiel’ op internet laat zien.

Bij de vierde keer ben ik het zat en doe ik mijn beklag bij de servicebalie. Een medewerkster geeft mij het telefoonnummer van de filiaalmanager. Wanneer ik hem bel, weet hij niet hoe snel hij mij moet doorverbinden met een kassamedewerker. Deze medewerker vertelt na enig aandringen dat iemand vaker kan worden geselecteerd in geval van een eerdere ‘foutieve controle’. Hm, nu wordt het interessant. Ik heb nooit een ‘foutieve controle’ gehad. Bij mijn weten, althans.

Volgens diverse winkelmedewerkers kunnen zij niets doen om het probleem te verhelpen. Daarvoor moet ik contact opnemen met de klantenservice van Albert Heijn. Ik vraag aan enkele kennissen of zij regelmatig controle krijgen. Dat blijkt niet het geval. Enkele dagen verstrijken en prompt krijg ik bij het eerstvolgende winkelbezoek wéér controle!

Na die vijfde keer bel ik alsnog met de klantenservice van Albert Heijn. De medewerkster hoort mij aan en wijst eveneens op de willekeur van het systeem. Volgens haar kan niemand in de winkel via mijn bonuskaart mijn gegevens zien. En de zelfscankassa kan dat evenmin.

Nu is er één probleem: dit geloof ik niet meer. Ik denk dat Albert Heijn aan ‘profiling’ doet en mijn straat te min vindt. Zo ver is het nu dus al gekomen.

Of zou het toch aan die gekoppelde Air Miles kaart liggen? (Maar als dat een algemeen bekend probleem is, waarom lossen ze het dan niet op? En waarom krijg ik regelmatig de standaardvraag of ik airmiles wil verzilveren, waarna ik op ‘Ja’ klik en dan lees dat er onvoldoende saldo is? Volgens de kassamedewerker is dat ‘normaal’ in het systeem. Hier kunnen de winkelmedewerkers ook niets aan veranderen.)

Of zou ik te veel ‘ongebruikelijke’ bewegingen maken bij de zelfscankassa? Zoals: een lege tas uit een lege tas halen. Of: de bonuskaart uit mijn portemonnee vissen en daarna diezelfde portemonnee in mijn jaszak stoppen. Of, nog gekker: met een struikje broccoli naar de weegschaal lopen voor een prijskaartje met een streepjescode. Camera’s registreren tenslotte alles. Hoeveel ‘unauthorised movements’ zou je mogen maken bij de zelfscankassa voordat je als ‘suspect object’ wordt aangemerkt?

Echt, na vijf meldingen ga je de raarste dingen verzinnen. Maar ik heb inmiddels wel van de klantenservice begrepen dat de winkelmanager de ‘strengheid’ van het controlesysteem zelf kan instellen.

Sta je samen sterker?

De afgelopen week raakte ik een beetje uit balans. Het had te maken met langs elkaar heen praten. Met weinig inlevingsvermogen; vermoedelijk door desinteresse voor de persoon zelf. Zoiets schuurt. Het betrof mensen met wie ik een goede verstandhouding wil hebben, hoewel ze geen grote rol in mijn leven spelen. Er stond wel iets positiefs tegenover, maar het negatieve gaf de doorslag.

In de documentaire Zweden doen het anders zag ik dat Zweden gereserveerder zijn dan wij. Daar is weinig voor nodig, want Nederlanders gedragen zich tamelijk vrij. Ik begreep dat Zweden zich al jong onafhankelijk opstellen. Ze doppen hun eigen boontjes en kunnen zich kennelijk zonder anderen goed redden. In hun eentje ingesneeuwd in een afgelegen blokhut vermaken ze zich wel. Dat werk. Misschien hebben ze daar minder ‘huidhonger’ (het nieuwe modewoord). Dan is de mate daarvan deels aangeleerd en cultureel bepaald.

Met zijn tweeën sta je steviger dan alleen, dat is bij ons het idee. Leef je samen met een zielsverwant, dan is je basis zo stabiel, dat vrijwel niets of niemand je nog uit balans brengt. (Behalve natuurlijk die zielsverwant zelf.) In goed gezelschap verwerk je tegenslagen sneller. Ik ben benieuwd hoe zielsverwantschap past binnen het Zweedse model.

Persoonlijk ben ik selectief gereserveerd. Soms denk ik: ‘Ik kan er wel over praten, maar uiteindelijk moet ik het toch zelf oplossen.’ Bij de meeste mensen, echter, komt het hier op neer: ‘Ik kan er wel met jou over praten, maar het enige wat jij gaat doen, is mijn probleem gebruiken als kapstok voor je eigen verhaal. Dus laat dan maar.’

Waarschijnlijk kan ik het heel goed uithouden in Zweden.

Hou dat ongevraagde advies maar

Een van de vrijwilligers voor werkzoekenden twijfelt al jaren welke kant zij op wil met haar carrière. Het lijkt voortdurend alsof zij om advies verlegen zit door de weifelende manier waarop zij praat. Dus is er altijd wel iemand die haar voorziet van goedbedoelde raad. Alleen dat is niet de bedoeling. ‘Advies is als een klap in mijn gezicht’. Zo ervaart zij dat. Ze beseft nauwelijks hoezeer haar houding bij anderen de behoefte oproept om advies te geven.

Ongevraagd advies geven is een riskante bezigheid. Toegegeven; ik maak mij er soms ook schuldig aan. Het wordt je vaak niet in dank afgenomen. Op de ontvanger komt het namelijk al gauw dominant, betuttelend en bemoeizuchtig over.

Zelf zit ik evenmin te wachten op ongevraagd advies. Toch denken anderen kennelijk dat ik daar behoefte aan heb. Een goede verstaander zou aan mijn toon of vertelstijl best kunnen afleiden dat advies onwenselijk is. Dan wil ik slechts mijn verhaal kwijt, meer niet. Maar veel raadgevers beginnen eerder met praten dan met luisteren, vandaar.

Ben jij ook zo iemand die ongevraagd advies wil geven? Vraag jezelf dan eerst af waarom je dat wil. Want wat zijn je achterliggende beweeg-redenen? Wil je de ander werkelijk helpen? Of wil je jezelf bewijzen? Wil je de ander afhankelijk maken? Voel je je soms superieur? Zie je de ander wel staan? Misschien wil je die ander vooral corrigeren op basis van je eigen normen en waarden. Deze zouden weleens kunnen afwijken van wat de adviesontvanger belangrijk vindt.

En als je beslist advies wil geven, vraag jezelf dan ook eerst af of je goed hebt geluisterd naar de ander. Klopt het wat je denkt dat je begrepen hebt? Verifieer dit gewoon. Want voordat je het weet, ontstaat er een misverstand.

En als je dan toch per sé advies moet geven, weet dan dat de ander volledig vrij is om het advies naast zich neer te leggen. Want die ander heeft helemaal niet om jouw advies gevraagd. En het gaat tenslotte om zijn of haar eigen leven.

Voor de goede orde: ik heb niemand gedwongen om tot hier te lezen. Daarom volgt hier mijn welgemeende raad over advies geven. 😉

Wees oprecht belangstellend. Luister. Leef je in. Begin niet gelijk over jezelf. (Nee, ook niet met voorbeelden uit je eigen leven.) Toon begrip en vel geen oordeel. En tot besluit: check of de ander advies wenst. Dan help je iemand echt.

Bedgeheimen en een levensvraag

Het is zo’n beddenzaak van de luxere soort, waar ik naar binnen stap. Zachte sfeerverlichting. De boxsprings en ledikanten zijn smaakvol opgemaakt met kwalitatief goed linnen. Levensgrote foto’s van kasteelachtige interieurs en natuurtaferelen op de tussenwanden. Elk bed komt mooi tot zijn recht in een eigen hoekje. Discreet staan enkele aanbiedingen vermeld. Het zijn er slechts een paar; ze doen hier onnadrukkelijk mee aan de wintersales.

Dit is de eerste van drie winkels die ik vandaag wil bezoeken. Elders is nog een andere woonboulevard met beddenzaken. Ik wil een weloverwogen keuze maken; een goed bed luistert nauw. En een degelijk bed gaat lang mee. Zo lang, dat dit weleens het laatste bed in mijn leven kan worden. Misschien slaap ik er nog op wanneer ik al hoogbejaard ben. Het is een wat vreemde gedachte.

Die lange levensduur plaatst mij wel voor een acuut dilemma. Daar is die prangende vraag: blijf ik alleen wonen, of komt er in de toekomst een partner? Da’s toch handig om vooraf te weten. Ik moet namelijk kiezen tussen een éénpersoons- of een tweepersoonsbed en gelijk de gewenste maten doorgeven. Bovendien is een goed bed nu meer dan ooit maatwerk. Dat blijkt even later.

Bij het betreden van de winkel verkeer ik nog in de oriënterende fase. ‘Eens kijken wat er allemaal te koop is.’, denk ik. Nou, elk bed biedt een scala aan mogelijkheden. Wil je een bed met of zonder hoofdbord en/of voetenbord? En welke van de drie soorten pootjes (desgewenst op aangepaste hoogte) in welke van de acht kleuren mag het worden? Ook de bekleding is in verschillende stoffen verkrijgbaar. Het aanbod bestaat uit zestig kleuren.

De winkelier laat mij rustig rondwandelen. Hij heeft feilloos door hoe en wanneer hij mij moet benaderen. Juist als ik wat langer om een specifiek bed heen draai. Dan staat hij ineens naast me. En dan begint het keuzeproces pas echt.

Voor een passende bedbodem en het matras wordt eerst je slaap-DNA in kaart gebracht. Ja heus, dat is een persoonlijk slaapprofiel. De winkel heeft hiervoor speciale cabines met bedden beschikbaar. Het is best vermakelijk en comfortabel allemaal, terwijl ik liggend de video-instructies opvolg. Ondertussen doen de sensoren hun meetkundige werk. Ze registreren precies waar en hoe groot de drukverdeling is op het matras.

‘Dit zien we niet vaak’, zegt de winkelier achteraf, als hij mij de uitgeprinte details overhandigt. Ik heb weer eens een uitzonderlijk profiel.

Oh, en ik heb wat moois gezien, waardoor ik gelijk niets anders meer wil. Vanzelfsprekend valt mijn keuze in de hoogste prijscategorie. Deze keer speelt er nog iets mee. Want heb je eenmaal het comfort ervaren van een speciaal op jouw profiel ingestelde lattenbodem met meebuigend matras, volledig afgestemd op jouw hoogsteigen slaap-DNA, dan wil je echt geen standaard bed meer. Dus.

Nu moet ik kiezen tussen een één- of een tweepersoonsbed. Het maakt qua prijs opvallend weinig verschil. Maar bij een tweepersoonsbed horen een extra bodem, matras en dekbed. Alles meegerekend, tikt het flink aan. (En welke maten hou je aan voor een nog onbekende eventueel toekomstige partner?)

Bij bedden werkt het net zoals bij hotelovernachtingen. Neem je een éénpersoonskamer, dan betaal je vrijwel evenveel als een echtpaar. Soms vind ik dergelijke situaties gênant. Het lijkt wel alsof een alleenstaande niet serieus meetelt. Alsof je een soort tweederangsburger bent. Of nog niet helemaal volwassen. Alleenstaanden moeten kiezen tussen een kinderbed of een bed voor hoogbejaarden. Tot deze twee opties blijft het assortiment éénpersoonsbedden beperkt. Dat is vreemd.

Volgens het CBS telt Nederland wel 2,8 miljoen alleenstaanden en hun aantal groeit. Blijkbaar is deze ontwikkeling nauwelijks tot de beddenbranche doorgedrongen. Slapen alle alleenstaanden dan in een tweepersoonsbed? Rekenen ze na een scheiding weer op een nieuwe partner? Vermoedelijk kopen weinig mensen tussen de 21 en 75 jaar oud een éénpersoonsbed. Volgens mij bepaalt het aanbod hier de vraag. Of is er sprake van een taboe dat angstvallig wordt verzwegen?

Over man/vrouw-prestaties gesproken

Geef drie voorbeelden van iets wat niet is gelukt in je leven. Dat vroeg Elizabeth Day aan succesvolle mensen. Zij is auteur van het boek Durf te falen. Volgens haar kijken mannen wezenlijk anders naar het concept ‘falen’ dan vrouwen.

Vrijwel alle vrouwen ‘zeiden ze dat ze zo veel mislukkingen hadden gekend dat ze geen idee hadden hoe ze die tot de vereiste drie moesten terugbrengen.’ De meeste (maar zeker niet alle) mannen daarentegen ‘antwoordden dat ze zich afvroegen of ze wel echt ergens in mislukt waren en dat ze wellicht niet helemaal de juiste gast voor haar podcast waren.’ (Artikel Succes met falen, VPRO-gids # 4.)

Vrouwen wijten mislukkingen vaak aan zichzelf, terwijl mannen sneller wijzen naar anderen of omstandigheden. Ook kunnen vrouwen falen doordat zij zich onvoldoende profileren. Vroeger was bescheidenheid een vrouwelijke deugd; nu is dat een probleem. Je moet zichtbaar maken wat je presteert, anders worden je daden over het hoofd gezien.

Sommige mannen gaan nog een stap verder. Die beweren al dat ze wat presteren voordat ze ook maar iets hebben gedaan.