Echt rode klaver

Rode klaver bij een akker

We worden geboren met een sterk overlevingsinstinct. Alleen zijn we van de meest basale overlevingstechnieken vervreemd geraakt. Neem nu onze kennis van in het wild groeiende eetbare planten. Het is al mooi wanneer we er drie kunnen benoemen. Ik weet bijvoorbeeld dat je brandnetels en het loof van paardenbloemen kan eten. Verder kan je gerust de roze bloemblaadjes van klaver in je mond stoppen. Ze smaken lichtzoet.

Toch is het oppassen geblazen, want soms lijken giftige en eetbare planten op elkaar. En klaver met roze bloemetjes wordt rode klaver genoemd. Dus hoe zit het dan met deze echt rode variant?

(Het is maar weer goed dat de supermarkt morgen open gaat …)

Verstandskies zorgt voor bloedbad

Een waarschuwing vooraf. Kan je niet tegen bloed, sla deze longread dan over. Maar hou je wel van een gruwelverhaaltje op zijn tijd, dan zit je hier prima.

Gisteren moest ik naar de kaakchirurg voor het trekken van mijn laatste verstandskies. De tandarts durfde deze ingreep zelf niet aan. Op foto’s kon ze namelijk zien dat de wortel eronder krom was. Ik heb eerder meegemaakt dat het een (vrouwelijke) tandarts bijna niet lukte om een kies te trekken. Die dingen zitten muurvast. Het werd toen zo een gesjor en gekraak, dat ik serieus vreesde voor een ontwrichte kaak.

Dus toen mijn huidige tandarts haar twijfel uitsprak, zei ik meteen dat een voorgangster er ook al zo’n moeite mee had gehad. Dit om haar over de streep te trekken. Want ze vreesde dat de kaakchirurg haar uit zou lachen vanwege de doorverwijzing voor een kleine ingreep. Maar na mijn opmerking was de keuze snel gemaakt. Vandaar dat ik gisteren voor het eerst het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem betrad.

Sinds mijn verhuizing, nu vier jaar geleden, wil ik al weten hoe dit ziekenhuis van binnen is. Qua doolhof is het vergelijkbaar met het LUMC in Leiden. En ook hier is een restaurant; altijd handig. Ik moet nog wel ontdekken of ze even lekkere pecanbroodjes hebben als in Leiden. Dat kwam er deze keer niet van. Je gaat tenslotte met een schoon gebit naar de kaakchirurg en na de ingreep had ik wat anders aan mijn hoofd.

Het trekken zelf valt mee. Je wordt verdoofd, en goed ook. Mijn andere drie verstandskiezen werden circa veertig jaar geleden getrokken. Toen ging het er nog Spartaans aan toe. Ik kan mij uit die tijd geen verdoving herinneren en ben dus wel wat gewend. Toch heeft zelfs een kleine lichamelijke ingreep impact. Het voelt achteraf alsof je bent gemangeld. Dat merk je vooral wanneer direct daarna iets wordt uitgelegd. Probeer je aandacht er dan maar eens bij te houden.

In rap tempo gaat de uitleg over een dikke wang en ijsblokjes en er is iets met pijnstillers. Ook krijg ik een spuitje met een krom tuitje mee. Dat laten ze even zien voordat het in een envelop gaat en daar moet ik de wond mee uitspuiten. Alleen: vanaf wanneer ook al weer? Verder moet ik spoelen, want er kunnen etensresten in de wond komen. Hier mag ik echter niet meteen mee beginnen. Iets met stolsels en een genezend wondje, even een dagje wachten en dan een week lang ongeveer. En ik krijg een receptje mee voor twee dingen plus een foldertje waar alles in staat, dus kan ik het thuis rustig nalezen allemaal. Nu eerst op dit watje bijten en dat een half uur laten zitten. Iets met de druk erop houden, het is nu tien uur dus om half elf mag het er weer uit.

Zo, klaar, handje geven maar. De kaakchirurg in opleiding veegt nog snel een paar bloedspetters van mijn gezicht voordat ik de deur uitga.

Eenmaal buiten voel ik mij licht in het hoofd. Mijn wang is nog goed verdoofd, maar ik proef bloed. Ook kan ik het stugge watje met mijn tong voelen. Ik hou mijn kaken stijf op elkaar en mijn mond dicht wanneer de bus arriveert. Meer dan een knikje naar de chauffeur zit er niet in. Gelukkig is er eten genoeg in huis en hoef ik slechts langs de apotheek, want de linkerkant van mijn gezicht is dik en strak van de verdoving. Zodra de verdoving uitwerkt, zal het pijn gaan doen.

Thuis gaat dat bloed doordrenkte watje er gelijk uit en zet ik meteen koffie. Wat ben ik daar aan toe, zeg. Met kleine nipjes probeer ik de vieze bloedsmaak zo goed mogelijk uit mijn mond te spoelen, zonder dat de koffie de pas gehechte wond raakt.

Er hangt iets rubberachtigs in mijn wang bij het gat dat de kies achterliet. Ik kan erop kauwen zonder dat het loskomt. Misschien is er tijdens de behandeling een stuk huid van mijn wang geschaafd. Door gevoelloosheid en de stijfheid van mijn kaak kan ik moeilijk nagaan wat het is. Maar wanneer ik voorover buig, voel ik nieuw bloed mijn mond in stromen. Oei.

Vanaf dat moment verandert de dag in een lange hindernissenbaan. Want er moet gegeten worden. Het is inmiddels half twaalf en ik lunch graag warm. Ook wil ik het meeste van mijn dagelijkse eten vroeg binnen krijgen. Dan kan de rauwe wond de rest van de dag ongestoord genezen. Soep laat ik staan; daar zit te veel bijtend zout in. Maar een smeuïg stamppotje van aardappels, peen, snijbonen en stukjes hamburger gaat prima. En het verdringt de overheersende smaak van bloed enigszins.

Tijdens de afwas sijpelt er opnieuw bloed in mijn mond en weer voel ik die rubberachtige sliert. Wat is dat toch? Inmiddels kan ik mijn kaken wat verder open doen, dus loop ik naar de spiegel. Wat ik daarin zie, is een werkelijk gore bedoening.

Die rubber flubber is een langgerekt stuk bloedstolsel dat over mijn kiezen hangt. Langs mijn wang en over mijn tanden slingeren taaie bloederige slierten en vliezen. En mijn hele mond is rood. Alsof je een vraatzuchtig monster in de bloed besmeurde bek kijkt. Nu smaakt dat bloed nóg viezer.

Ik word enigszins onpasselijk en wil acuut van die troep in mijn mond af. Maar in het foldertje staat dat je op de behandeldag geen wond mag uitspoelen. Wat nu? Nogmaals probeer ik die flubber door te kauwen, maar het spul is te flexibel. Het alternatief is doorknippen met een schaar. Dat blijkt makkelijker gezegd dan gedaan.

Ga maar eens in een bloed doordrenkte mond naar een glibber glad aanhangsel graaien terwijl je je kaken nog niet ver uit elkaar kan houden. Voor de zekerheid doe ik het boven een grote wasbak. Het wordt namelijk een erg bloederige toestand en ik wil de vloer schoon houden. Mijn kleding en de rest van de badkamer trouwens ook. Uiteindelijk lukt het om een flink stuk van die flubber af te knippen. Verder moet ik direct na het eten mijn tanden poetsen, zo staat er in het foldertje. Daarvan zal ik je de details besparen. (De badkamer is weer grondig schoon geboend.)

Gelukkig stopt het bloeden. Nu kan ik rustig naar de apotheek wandelen, al durf ik mijn mond niet open te doen. Zonder verder bloedvergieten maak ik gelijk een ommetje. ‘s middags voel ik nogmaals wat bloed mijn mond in sijpelen. Waarschijnlijk omdat ik toch een beetje heb gespoeld. De nare smaak blijft en de flubbertjes komen steeds terug. Na twee boterhammen gedrenkt in warme melk plus een poetsbeurt voel ik opnieuw wat bloed vloeien. Ook dat gaat voorbij.

Later, het is intussen half tien ’s avonds, gaat de wond alwéér bloeden, en sneller ook. Echt, dit is een klassieker. Mijn lichamelijke klachten worden altijd erger op vrijdagmiddag, ’s avonds of in het weekend. Ik kan dus niet meer naar de huisarts toe. Wat nu? Bij eerder getrokken kiezen had ik dit probleem niet en het foldertje zwijgt over bloedingen. Daarom raadpleeg ik internet. En ja hoor, nabloedingen komen vaker voor. Het advies: dertig minuten op een gaasje bijten of de dokter bellen.

Ik ga voor het gaasje. Alleen heb ik enkel oude gaasjes; weliswaar in originele verpakking. Hopelijk zijn ze schoon genoeg. Het gaasje bevat vermoedelijk ontsmettingsmiddel en dat smaakt eveneens goor. Nu proef ik dus twee soorten goor; eentje links en eentje rechts. Als het maar niet giftig is bij inwendig gebruik … Gatver, wat is dit allemaal naar. Het bloeden lijkt in elk geval te stelpen. Onderhand ben ik het helemaal zat en wil ik naar bed toe.

Helaas. Wanneer het half uur voorbij is en ik het gaasje weg haal, trek ik iets los en bloedt de wond weer! Daar word je toch niet goed van? Weer die vieze smaak, weer die walgelijke bloedstolsels, weer dat gore gedoe. Ik weet wel dat ik nooit bokser ga worden, met al dat bloed. En voorlopig hoef ik ook geen gebakken bloedworst meer.

Half elf ’s avonds. Ik vraag me ernstig af wat te doen. Mijn moeder heeft me bijgebracht dat dit soort dingen meestal vanzelf over gaan. We gingen vroeger niet snel naar de dokter toe. Oké, even rustig aan doen dan.

Ik ga in bed liggen, op mijn rug. Zo blijft het bloed goed binnen. Scheelt weer een extra was. Door de liggende houding stroomt het bloed wel vlotter naar mijn hoofd. Toch opzitten maar, al is dat minder prettig. Langzaam neemt het sijpelen af. En langzaam worden de stolsels groter. Ik word er gewoon misselijk van.

Nu breekt het uur van de duisterste gedachten aan. Ik denk aan verhalen over popsterren, die dronken stikten in hun eigen braaksel. Of waren het criminelen, die stikten in hun eigen bloedstolsels? Kan ik zo wel gaan slapen? Wat als dit onschuldig lijkt, maar straks helemaal misgaat? Hoeveel bloed verlies ik eigenlijk? Ik moet het elke minuut wegslikken. Heel voorzichtig probeer ik de langste bloedslijmdraden toch weg te knippen, waar dat kan.

Half twaalf  ’s avonds. Het vloeien is minder, maar nog steeds niet volledig gestopt. In de gemeentegids staat waar ik eventueel terecht kan voor spoedhulp. Het ziekenhuis in Arnhem. Dat betekent twee bussen nemen via het Centraal Station. De laatste bus uit ons dorp vertrekt nu. Bij de buurvrouw brandt nog licht. Zal ik naar haar toe gaan? Of zal ik toch maar rustig blijven liggen, met mijn hoofd hoog op een kussen? Ik wil haar de rompslomp van een semi-nachtelijk ziekenhuisbezoek niet aandoen.

Afijn, om een lang verhaal kort te houden: het is nu de volgende dag en ik leef nog steeds. Ook is het bloeden gestopt. Er zit alleen zo’n vieze gore flubberige bloedprop in mijn mond. Straks moet ik eten. Als mij dat fataal wordt, merk je het vanzelf aan de stilte op dit blog.

Een kolonie stenen in het bos

a colony of stones in the wood

Deze kolonie stenen ligt op een wandelroute van Otterlo naar station Ede-Wageningen via de Mossel en de Ginkelse heide. Het is een tocht door bossen en over open vlaktes. Negentien kilometer lang, vooral rul zand. De stenen vormen een welkome pleisterplaats. Ze zijn van grijs graniet en gemaakt door Adri Verhoeven in opdracht van de gemeente Ede.

sitting stone resting place

Ze horen bij elkaar, die stenen, maar ze liggen apart. Ook bij mensen in een groep bestaat niet altijd samenhang.

We liepen later over een militair oefenterrein. De kogelhulzen lagen er voor het oprapen. Ik heb een glanzende koperen huls meegenomen. Verderop werd geoefend en geschoten met klappertjespistolen. Daarom kan ik het navertellen. Vertrouw nooit op een kaartlezer zonder oorlogservaring. Dat is de les van vandaag.

Later moest ik even de bosjes in duiken. Daardoor zag ik een wezeltje zitten. Hij keek mij recht aan en ik hem, seconden lang. Altijd fascinerend, oogcontact met een wild dier.

Verder weinig beleefd vandaag. De mensen spraken langs elkaar heen, zoals wel vaker. Doe mij dan liever die mooie stenen kolonie maar.

Aha, dat zit natuurlijk zo!

Meningen op basis van veronderstellingen hebben we allemaal. Naarmate onze levenservaring uitbreidt, denken we het steeds beter te weten. Veel situaties hebben we tenslotte al eerder voorbij zien komen. We zien de acties van een ander en vinden al gauw een verklaring binnen ons referentiekader. Dus combineren we handeling A met gegeven B en veronderstellen we dat daar C uit zal komen. Hebben we de uitkomst te pakken, dan zijn we content. ‘Dat zit natuurlijk zo.’, denken we. Daarna gaan we achteloos verder.

Ik betrap mezelf soms op veronderstellingen, terwijl ik heilig geloof in de ‘Is dat zo?’-vraag. Neem mijn buurvrouw. Toen ze de sleutel kreeg van haar woning, stuitte ze op grote verborgen tekortkomingen. Ze was net gescheiden, het werd winter en noodgedwongen bivakkeerde ze in een stacaravan. Toch bleef zij de vrolijkheid zelve. Ze bood elk probleem moedig het hoofd en klaagde nooit.

Toen dacht ik: ‘Wat kan je anders? Je kan wel gaan janken, maar wat helpt dat? Trouwens, als je net een nieuwe woning hebt, zit je op een roze wolk. Valt het zwaar tegen, dan wordt je nog door een soort verliefdheid beschermd. En anders laat je je toch niet kennen. Zeker niet tegenover je nieuwe buurvrouw.’

Voor mij was al duidelijk hoe het zat. Maar onlangs deed ik een bakkie bij haar en daarbij kwam haar jeugd ter sprake. Ze vertelde dat ze negen jaar van haar kindertijd heeft doorgebracht in de brousse van Zaïre (nu Congo-Kinshasa). Had ze kiespijn, dan moesten ze over onbegaanbare wegen naar de tandarts in buurland Oeganda. En ik dacht: ‘Donker Afrika in de jaren zestig/zeventig! Als je ergens flexibel leerde omgaan met tegenslag, was het daar en toen wel. Dit verklaart alles.’

Hardop legde ik de link met haar begintijd hier en haar jeugdjaren daar. En inderdaad beaamde ze dat haar pragmatische levenshouding daaruit voortkwam. Echt, we kunnen nog zo veel leren; ook van het leven in Afrika.

Vrouwendag – Vaders dag

Het was me bijna ontgaan dat het Vrouwendag is. Dat komt omdat 8 maart de verjaardag van mijn overleden vader was. Zijn foto staat op tafel. Vanachter de laptop gezien is hij altijd dichtbij. Mijn vader was niet nadrukkelijk met zijn man-zijn bezig. Ik betwijfel of hij mij wezenlijk anders zou hebben behandeld indien ik een zoon was geweest. Waarschijnlijk vond mijn vader het vooral belangrijk dat ik mezelf kon zijn. Het vrouwen-bewustzijn komt van mijn moederskant. En dan met name het daaraan verbonden onrecht.

Ik doe mijn eigen ding en wat een ander daar van vindt, moet die ander maar weten. Mijn vader accepteerde mij meer zoals ik ben. Dit in tegenstelling tot mijn moeder, die van alles van mij vindt.

Mannen hebben mij zelden in de weg gezeten; vrouwen daarentegen vaker. Neem econome Heleen Mees, die maar blijft drammen dat vrouwen fulltime moeten willen werken. Of neem feministen, die het belachelijk vinden dat een man van mij best kostwinnaar mag zijn. Alsof je rol als vrouw dan per definitie minder voorstelt. Vrouwen die zo doorschieten in hun mening, nemen dezelfde houding aan als ouderwetse, belerende mannen doen.

Volgens mij is slechts één opvatting belangrijk, namelijk dat vrouwen binnen de algemene grenzen van vrijheid ongehinderd zichzelf mogen zijn.

Bomen met opvallende vergroeiingen

Wist je dat bomen vastgespijkerde bordjes kunnen verzwelgen? Geef ze eens ongelijk. Hoe zou jij het vinden als iemand zo’n bordje in je lijf vastnagelt, dwars door schors en bast heen? De open wonden maken je vatbaar voor infecties en doen pijn. Bovendien hinderen die spijkers de doorstroom van voedsel, water en groeistoffen. Daarom hebben bomen lak aan bordjes met boodschappen. Opengesteld? Verboden toegang? Wat nou, weg ermee!

‘Bomen gebruiken hun bast en de laag hout daar net onder, het xyleem, voor transport. Water en nutriënten worden uit de wortels omhoog getransporteerd. De bouwstoffen die de bladeren produceren onder invloed van zonlicht komen weer naar beneden, opgelost in water. Een flink gat in de bast en het xyleem kan de transportvaten beschadigen.’ (Bron: NRC.)

Met het groeihormoon auxine herstellen bomen hun wonden. Hierbij ontstaan opvallende vergroeiingen die soms erg mooi zijn. Op deze foto’s staan enkele voorbeelden.

Boom slokt bordje ‘verboden toegang’ op.

Beuk likt zijn schotwond. (Zie voor de andere zijde Plog – De reuzen onder de bomen.)

Ochtendritueel zonder water

De wekker rinkelt vroeg, want ik moet op tijd naar een bijeenkomst. Ik ga naar het toilet en daarna klinkt er een vreemd gorgelend geluid. Even later komen er slechts enkele druppels uit de kraan. Hm, geen water. Ik wil me toch wel graag wassen. Niet dat ik zo vies ben, maar ik voel me evenmin helemaal fris. In het toiletkastje ligt gelukkig nog een aangebroken pakje vochtige doekjes. Althans, een jaar geleden waren ze vochtig. Nu zijn ze opgedroogd. Verder staat er weinig meer dan een bijna leeg flesje ontsmettingsgel. Dat stamt uit 2005. Zou het nog werken?

Zonder stromend kraanwater ziet het leven er plotseling heel anders uit. We zijn zo gewend geraakt aan de beschikbaarheid daarvan en ik ben duidelijk onvoorbereid. Vroeger bewaarde ik twee flessen water in de keuken, voor het geval dat. Alleen nu niet. En schone kleren op een ongewassen lichaam voelen toch wat ongemakkelijk. Een boterhammetje smeren gaat wel. Maar deze keer mag ik beslist geen kip-satésalade aan mijn handen krijgen, want dan worden ze plakkerig. Trouwens, koffie zetten zonder water is een hele uitdaging. Al kom je ver met Nescafé en gekookte melk.

So far, so good. Maar dan. Er zal voor vertrek een grote boodschap uit moeten en verder wil ik mijn contactlenzen in doen. Deze handelingen gaan bijzonder slecht samen zonder schoon water. Toevallig heb ik wel twee toiletten, waarvan één met een nog gevuld reservoir. (Helaas ingebouwd, ik kan er dus geen druppel uit scheppen.) Met de boodschap gaat het in ieder geval goed komen. Alleen zijn voor die lenzen brandschone handen nodig. En lenzen indoen met ontsmettingsgel aan je vingers is een waagstuk. Wie weet bijt dat spul.

Zucht. Wat een dilemma’s op de vroege ochtend. En dan te bedenken dat ik ooit zes dagen zonder douche in een woestijn heb doorgebracht. Intussen moet ik trouwens wel heel erg dringend naar het toilet. Maar wanneer de nood het hoogst is, is de redding nabij. Echt waar. Want net als ik overweeg om het ijs in de tuingieter te smelten, begint de kraan te lopen. Vijf minuten later ben ik het ongemak alweer vergeten. Alsof stromend water zo vanzelfsprekend is.