Levenslessen: (4) Met kennis sta je sterk

De vierde les in mijn persoonlijke serie belangrijke levenslessen begint met een definitie. Want wat maakt een les eigenlijk tot levensles? Veel algemeen bekende levenslessen zijn gevat in oude spreekwoorden. Zoals: ‘kennis is macht’. Blijkbaar hebben die zichzelf bewezen. Daarbij gaat een levensles dieper dan iets wat je toevallig door ervaring hebt geleerd.

Volgens mij is de definitie van een levensles: een geïnternaliseerde wetenschap die tot overtuiging is getransformeerd. Zo. En een overtuiging vergeet je niet. Daar lééf je naar. Afijn, hier komt de volgende:

Levensles 4. Met kennis sta je sterk

Kennis is ook macht, natuurlijk. Maar dat spreekwoord associeer ik met de uitoefening van macht. Dit terwijl voor mij de nadruk ligt bij persoonlijke sterkte en kracht. Je staat sterk wanneer je ergens veel van af weet. Dankzij kennis kan je de wereld om je heen doorgronden en begrijpen. Hierdoor kan je met zelfvertrouwen (een mentale vorm van kracht) een degelijk onderbouwd verhaal vertellen.

Met de juiste kennis kan je eveneens een aantrekkelijke baan verwerven. Daarnaast zullen anderen jou moeilijk onzin kunnen verkopen, want jij kent de feiten. Feiten die je van alle kanten hebt onderzocht en bewezen. Daardoor sta je met kennis sterk. Bijvoorbeeld in een rechtszaak.

Niet dat je daarmee automatisch gelijk krijgt. Dat is weer een ander verhaal. Of eigenlijk: een volgende levensles. Er bestaat evengoed verschil tussen kennis en wijsheid. Bij wijsheid gaat het vooral om wat je doet met de opgedane kennis.

Dus: kennis is handig ter verdediging of bescherming. Kennis kan je ver brengen. En sowieso is kennis vergaren leuk.

Zelfredzaamheid versus hulp accepteren

Door die bloedneus denk ik ineens terug aan de laatste dagen van mijn vader. Toen hij al in het ziekenhuis lag en heel zwak was, maar nog geen delier had. In zo’n situatie wordt je leven zo ongeveer door anderen overgenomen. Oh, iedereen praat nog wel met je. En ze vragen je wat je wilt. Alleen ben je te slap, te moe, te duf, of te veel van slag om alert te reageren. Toch moet dat wel, want de wereld blijft in het gangbare hectische tempo doordraaien. Ook in een ziekenhuis. Ook al zeggen ze dat je de tijd mag nemen. Alles moet doorgaan. Eigenlijk wil je alleen maar zo snel mogelijk naar huis terugkeren.

Na die bloedneus. In de behandelkamer van de huisartsenpost duurt het even voordat de duizeligheid over gaat. Ik wil wel opstaan, maar kan beter wat langer blijven zitten. Na een paar pogingen informeert de assistente of er iemand is die mij zou kunnen komen ophalen. Zoals ik daar zit, wil ze mij niet laten gaan. (Staat vast in het protocol: patiënt niet laten gaan indien: optie 1, 2, of 3.) Nu voel ik mij wel verplicht om iemand te noemen. Dus zeg ik: ‘De buurvrouw.’ Terwijl ik dat eigenlijk niet van plan ben.

Op de heenweg ben ik lopend en alleen naar de huisartsenpost gekomen. Dan kan ik ook wel weer zelf naar huis teruggaan. Gewoon stapje voor stapje, kalm aan. In vergelijkbare situaties heb ik dit al vaker gedaan. Soms is er namelijk geen andere mogelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer je door voedselvergiftiging geveld bent en toch het vliegtuig in moet. Bovendien ben ik graag zelfredzaam. Als het even kan, vraag ik niet om hulp.

Zelfredzaamheid hangt nauw samen met onafhankelijkheid. En onafhankelijkheid vind ik uitermate belangrijk. Maar om hulp kunnen vragen is evengoed een vorm van zelfredzaamheid. Ergens ligt het omslagpunt tussen zelfredzaam zijn en eigenwijsheid.

Alles heeft echter zijn prijs. Altruïsme of behulpzaamheid is vaak een vorm van eigenbelang. Bewust of onbewust zoeken we daarbij steeds naar een balans. Dit in de trant van: ‘Doe ik wat voor jou, dan doe jij een volgende keer wat voor mij.’ En mijn buurvrouw? Haar maak ik maar wat blij met een hulpvraag van mij.

Fysiek onderuit door een bloedneus

Rond 4:30 uur word ik wakker van vocht dat mijn keel in loopt. Dit voelt bekend aan. Snel sta ik op en loop naar de badkamer. Het is weer zover: bloedneus. Een flinke bloeding deze keer. Vorig jaar had ik daar in de winter geregeld last van. Zelfs onder de douche. Toen speelde de linkerkant op. Nu zit het rechts, voor de tweede maal binnen een week.

De klodderige details zal ik jullie besparen. Een enkel bloedbad op Raam Open is wel genoeg. Maar het bloeden valt ook nu moeilijk te stelpen. Daar sta je dan voor de spiegel in de badkamer, terwijl bijna heel Nederland nog lekker op één oor ligt. Steeds harder bibberend in je pyjamaatje. Zodra de druk op mijn neusvleugel vermindert, begint meteen het bloeden weer.

Probeer maar eens zonder bloedspatten wat warmers aan te trekken, terwijl je met een wattenschijf voortdurend tegen je neus aan moet drukken. Een dikke trui of een bh met haakjessluiting, bijvoorbeeld. Met één hand een strakke spijkerbroek dichtknopen lukt evenmin. (Hé, dat roept herinneringen op.) Er moeten nog ergens tampons rondslingeren, waarmee ik het bloeden kort zou kunnen stelpen. Maar wáár?  Nogmaals, ik zal jullie de details besparen. De badkamer is inmiddels weer helemaal schoon.

Wat ik wil zeggen, is dit. Wat kan je lichamelijk toch uit je doen raken door een simpele bloedneus. Vooral als je tot 08:00 uur wacht met de huisarts bellen, omdat de praktijk dan open gaat. En de assistente aan de telefoon zegt dat je gewoon je neusgat moet dichtduwen. Hoewel je uitsluitend wil horen dat je DIRECT mag komen. Dat mocht, na mijn reactie. Gelukkig woon ik op zeven minuten lopen afstand.

Ik heb er een uur in een behandelkamer gezeten. Oh, het bloeden hield daar natuurlijk binnen vijf minuten op. Zal je altijd zien. Maar tegen die tijd zat ik nogal te hyperventileren. Door de inspanning van de wandeling. Doordat ik voor mezelf op moest komen. En doordat ik al uren niet geweldig adem kon halen. Daarom zag ik sterretjes en werd ik er duizelig van. Trouwens, bloed in je maag heeft ook geen beste uitwerking.

Kortom: ik voelde mij zo slap als een vaatdoek. Dat schijnt normaal te zijn. Alleen komt de acceptatie van zo’n feit wat trager bij mij. Want ik had voor vandaag een wandelafspraak. En ik hield die behandelkamer in beslag, vond ik. En dat allemaal voor een bloedneus. Belachelijk. Ik wilde wel opstaan, maar ja. Je wordt vanzelf teruggefloten door je lichaam. Vandaar dat ik de rest van de dag kalm aan heb gedaan.

Aan die mannen heb je ook niks

Maandagochtend. Ik heb een afspraak met de klusser die hier vorig jaar al kwam. Vandaag gaan we de nieuwe wasmachine op zolder verplaatsen. Dan komt het apparaat precies boven twee draagbalken te staan, die (hopelijk) wèl in de stenen muur verankerd zijn. Nu staat de wasmachine namelijk op een zwevend vloerdeel. De trillingen gaan bij het centrifugeren dwars door mijn hele huis heen. Hier tob ik al weken mee.

Het is nogal een gepuzzel om de beste plek te vinden. De meeste draagbalken gaan schuil tussen vloerbedekking, planken en verlaagde plafonds. Wel is er een schuine steunbalk zichtbaar nabij het zolderdak. Die balk loopt door boven de trap. Staand in het trapgat kan ik opmeten waar een vloerdraagbalk op de overloop zich bevindt ten opzichte van die schuine balk. Eerst recht naar beneden en dan vier centimeter naar links tot de rand van de vloerbalk. De vloerbalk is zes centimeter breed. Ongeveer zestig centimeter verderop zit de volgende draagbalk.

Kortom, ik popel om de wasmachine te verplaatsen, in de hoop dat er dan minder trilling ontstaat. Vandaag dus. Echter, wie er ook komt, niet meneer de klusser. Het is weer zover. Hij is van goede wil, maar met afspraken totaal onberekenbaar. Deze keer is hij verkouden en moet hij veel hoesten. Ach gossie toch. Zeggen kerels daar nu ook al voor af?!

Oh, wat frustreert mij dit toch weer. Want wie anders kan ik nu vragen? Moet ik voor hulp naar de lokale witgoedboer gaan? Moet ik soms de timmerman bellen die hier onlangs een deur ophing? Of moet ik gelijk maar een loodgieter inschakelen en de aansluitingen in de keuken gereed laten maken? Al is het uitermate onhandig wanneer de wasmachine daar moet staan. Ik baal zo van de hele situatie dat ik er depressief van word. En vervolgens word ik nog beroerder van mijn moedeloze gevoel.

‘Nou,’ denk ik, ‘dan ga ik het zelf wel doen!’ (Nou ja, even doen …) De wasmachine weegt 75 kilo en hij staat met rubber pootjes op stroeve vloerbedekking. Ik gooi er mijn volle 56 kilo tegenaan, maar hij verroert geen vin. Dan maar slim zijn. Tenslotte heb ik al eerder hele kasten versleept op stukken karton. Deze keer blijkt laminaat het beste transportmiddel.

Eerst wurm ik twee planken onder de pootjes. Daarna zet ik mij schrap en duw ik uit alle macht, diagonaal tegen de wasmachine hangend. Het enige wat er gebeurt, is dat ik uit mijn pantoffels glij. Dus schop ik mijn pantoffels opzij om op sokken verder te gaan. Waarna ik ook uit mijn sokken glij. Dan maar helemaal naar beneden lopen, schoenen met rubber zolen aandoen, en verder duwen. Eindelijk komt er beweging in. Ik duw en sjor net zo lang tot de wasmachine op het juiste aantal centimeters van de schuine balk af staat. Tadáa!

Ach, wat heb je ook eigenlijk aan mannen?

De ontleding van mijn woning

Bij de koop van mijn huis kon ik niet bevroeden wat een ontdekkingstocht er zou volgen. Van het 106 jaar oude pand is namelijk geen bouwtekening voorhanden. Ook hebben opeenvolgende eigenaren de indeling bij herhaling aangepast. Zij hebben wel tekeningen van een schuur en de dakkapel ingediend, maar die wijken af van de werkelijkheid. Bovendien zit deze woning vol verlaagde plafonds en voorzetwanden. Die laten veel te raden over onzichtbare tussenlagen. Ik sta dus voor verrassingen bij elke bouwkundige klus. Daarom doe ik aan ontleding van mijn woning.

Die ontbrekende bouwtekeningen zijn een groot gemis. Want waar precies kan ik in muren boren? Hoe lopen de kabels, waterleidingen en afvoeren? Welke materialen zijn er gebruikt? En hoeveel draagvermogen heeft de hele constructie?

Neem mijn nieuwe wasmachine. Die staat op zolder. Hij moet voor een houten vloer geschikt zijn. Toch trilt alles bij het centrifugeren. Het is dan makkelijk om te wijzen naar de fabrikant. Maar inmiddels weet ik dat de draagconstructie van de zoldervloer in de loop der jaren aan twee kanten is veranderd.

Oorspronkelijk leunden de vloerdraagbalken aan weerszijden op stenen muren. Gisteren deed ik echter een bizarre ontdekking. De wasmachine staat deels op een zwevend stuk vloer! Een aantal draagbalken hangt namelijk op andere haaks geplaatste draagbalken. Die zijn pas later aangebracht. Aan de linkerkant bij een verruimd trapgat, en aan de rechterkant bij een half weggebroken schoorsteenschacht. Daar lopen cv-buizen doorheen en die schacht zit grotendeels achter een voorzetwand.

Eerder al kwam bij de keukenverbouwing vanachter het systeemplafond een wirwar aan kabels en pijpleidingen tevoorschijn. Sommige buizen liepen zichtbaar van niets naar nergens. Die werden jaren geleden toegevoegd en naderhand weer afgekoppeld. Maar dat moet je wel weten. Zo plaatste de vorige eigenaresse haar wasmachine bij een afvoerbuis op zolder. Helaas was de pijpleiding twee verdiepingen lager losgekoppeld door een voorganger …

Gelukkig valt er met moderne technieken veel te ontdekken. Een installateur en een rioolservice hebben camera-inspecties uitgevoerd. Hun filmbeelden bewaar ik. Ook heb ik de wand onder de douchebak eens laten verwijderen. En overal maak ik foto’s van. Gisteren bijvoorbeeld.

Er zit slechts een smalle kier tussen de zoldervloer en het restant van de oude schoorsteen. Daarom tastte ik in het duister over wat daar schuilging. Op zulke momenten is een platte smartphone met camera beslist handig. Ik kon hem net aan tussen de kier door wriemelen. Hup, flitser aan en klikken maar. Nu heb ik een soort ‘röntgenfoto’ van de schoorsteen. Nog even en dan weet ik alles van deze woning.

Bijna volleerd als bouwvakker (v)

Het is nu wel zo’n beetje klaar met de klussen in huis. Koop je een nieuwbouw appartement, dan heb je de eerste twintig jaar weinig onderhoud. Koop je een oud arbeidershuis, dan blijf je bezig. Dat vertelden mijn buren toen ik hier kwam wonen. Ze hebben gelijk gekregen. Het liep een beetje anders dan verwacht. De afgelopen jaren heb ik mij soms afgevraagd waar ik aan was begonnen. Toch ben ik vooral veel wijzer geworden.

Zo zijn er allerlei raadsels opgehelderd over hoe dit huis is gebouwd. Ik weet nu wat er onder het laminaat ligt en wat er achter de voorzetwanden schuilt. Ook is bekend waar de leidingen lopen, zo ongeveer dan. Boren blijft een risico, want opeenvolgende eigenaren hebben alle woonlagen naar eigen inzicht aangepast. Daar zijn nauwelijks bouwtekeningen van.

Voorheen had ik zelden met bouwvakkers te maken. Nu ben ik op dat gebied een ervaringsexpert. (Hoor ik ergens een diepe zucht?) Ik wil daarom meer zelf kunnen. Schuren, verven, timmeren, zagen, boren, schroeven uitdraaien, gaten dichten, kitrandjes maken en plinten aanbrengen lukt al aardig. Vandaag ben ik voor het eerst via mijn nieuwe ladder op het dak van de schuur geklommen. Alles om minder afhankelijk te zijn en om geld te besparen.

Zou er specifiek behoefte bestaan aan meedenkende, klantvriendelijke, creatieve, vakkundige, communicatief vaardige vrouwelijke bouwvakkers die ook nog eens afspraken nakomen? Zo ja, dan begin ik voor mezelf.

Echt rode klaver

Rode klaver bij een akker

We worden geboren met een sterk overlevingsinstinct. Alleen zijn we van de meest basale overlevingstechnieken vervreemd geraakt. Neem nu onze kennis van in het wild groeiende eetbare planten. Het is al mooi wanneer we er drie kunnen benoemen. Ik weet bijvoorbeeld dat je brandnetels en het loof van paardenbloemen kan eten. Verder kan je gerust de roze bloemblaadjes van klaver in je mond stoppen. Ze smaken lichtzoet.

Toch is het oppassen geblazen, want soms lijken giftige en eetbare planten op elkaar. En klaver met roze bloemetjes wordt rode klaver genoemd. Dus hoe zit het dan met deze echt rode variant?

(Het is maar weer goed dat de supermarkt morgen open gaat …)