De strijd om het riool

Vandaag heb ik gelogen. Het gebeurde niet expres; mijn geheugen is gewoon zo waardeloos. Ik vertelde tegen de jurist van de omgevingsdienst dat ik hier morgen precies vier jaar woon. Maar het jubileum was drie dagen terug, zag ik op Raam Open. Nou, morgen ga ik toch mooi gebak halen.

Vandaag moest ik die jurist weer bellen. Dat moest van mijzelf. Er was weer een deadline verstreken en een verlengde termijn. Die termijn wou ik niet laten verlengen, maar dat heeft de juriste van de buurman bewerkstelligd. Die luizige … Afijn. Zo ver is het dus gekomen. Wie had dat kunnen voorzien toen ik hier kwam wonen, vier jaar minus drie dagen geleden?

We zijn er bijna. Ik moet nog even volhouden. Alleen duurt dat ‘even’ altijd te lang. Sinds we vorig jaar november de oorzaak van de rioolproblemen ontdekten, zijn er zeven maanden verstreken. Zéven maanden.

Het vergt nogal wat van mij, deze toestand. Ik moet constructief blijven en eerlijk zijn. Ik moet strategisch denken en anticiperen. Ik moet mensen bespelen en manipuleren. ’t Is niet anders. Ook moet ik steeds afwegen: zet ik nu mijn professionele zelf in, of moet hier wat meer emotie bij?

Ik moet begrip tonen, redelijk zijn. En zorgen dat dat niet te veel doorslaat naar begrip voor de andere partij. Ik moet dicht bij mezelf blijven en elke seconde mijn belang voor ogen houden. Ik moet vasthouden, doorzetten en van mij af bijten. Ik moet opgewassen zijn tegen een juriste die minimaal vier jaar rechtenstudie heeft gedaan en ik nul.

Ik moet het hebben van mijn vernuft (waar hangt dat uit als je het nodig hebt?), en van mijn creativiteit, als het gaat om argumenten. En voortdurend moet ik in de gaten houden hoe de hazen lopen op een voor mij onbekend terrein.

Ik moet mijn hoofd koel houden, hoe kwaad ik ook ben. Want ja, ik snap waarom ze het doet. Maar tegelijk ben ik zo verontwaardigd over die andere juriste, van de tegenpartij. Hoe háált ze het in haar hoofd om vrijwillig iemand te verdedigen die bekend staat om zijn egoïsme en zijn eigenzinnigheid? Iemand die zijn buren zo heeft voorgelogen?

Een buurvrouw verderop in de straat heeft letterlijk aan mij gevraagd ‘of het voor mij wel uit te houden was naast hem.’ Nou, gek genoeg wel. Het is hier zeer goed wonen.

Nog even doorbijten dus. Dan wordt de eerste van die kwesties hopelijk eindelijk getackeld. Als alles goed gaat. Als hij niet wéér gelogen heeft en de jurist van de omgevingsdienst er in is getrapt. En als die jurist niet van mening verandert. Want je weet nooit. Ook hij wordt bespeeld door de juriste van de tegenpartij. Een vrouw. Dit is feitelijk een catfight en we zullen zien hoe dit eindigt.

De buurman zal mij nergens over informeren. Maar ik weet genoeg als de auto van de rioolserviceman voorrijdt: een zwarte Dodge RAM.

Even terug op Leidse geboortegrond

Ondanks alle wetenschappelijke kennis blijven sommige zaken onverklaarbaar. Eind jaren tachtig kreeg ik een huurwoning op de Leidse Uiterstegracht. Het was bij de Groenesteeg in het hart van de wijk Pancras Oost. Deze middeleeuwse wijk uit 1346-1355 ligt tussen de Oude en de Nieuwe Rijn, de Hooigracht en de Herengracht. Hier werd eeuwenlang het befaamde Leidse laken gemaakt. Eenmaal daar, bekroop mij het vreemde gevoel dat ik al een veel oudere band had met die wijk. Alsof mijn voorouders er hadden rondgelopen.

Het is zo’n buurt waar vroeger wevers thuis werkten op een groot getouw in de krappe voorkamer van hun ‘wevershuis’. In de negentiende eeuw verschenen de machines en fabrieken. Veel verkrotte pandjes maakten in die tijd plaats voor de vooruitgang. Na nog een periode van verval werden de resterende oude huisjes en gebouwen opgelapt. Inmiddels zijn ze zeer geliefd en worden ze gekoesterd als erfgoed.

Een paar jaar na mijn komst verhuisde ik weer en eind 1995 dook ik in mijn geschiedenis. Sindsdien begrijp ik iets beter waar dat gevoel vandaan kwam. Want inderdaad: de afgelopen eeuwen hebben nergens anders zoveel voorouders van mij op een kluitje gewerkt, geleefd en rondgelopen.

De bevolkingssamenstelling van deze buurt is intussen flink veranderd. Dat proces gaat continu door. Waarschijnlijk is ruim de helft sinds mijn vertrek nieuwkomer. Op mijn geboortegrond – een straat verder – wonen nu studenten en immigranten. Elk jaar arriveren en vertrekken mensen. Een deel blijft hangen en sommigen keren na jaren terug. Het is nooit anders geweest daar.

Bloemen voor de bijen

Sinds ik voor en achter een tuin heb, maak ik het bijen naar de zin. Deze diertjes zijn belangrijk voor onze voedselproductie. Daarom verwen ik ze extra met bloeiende planten vol nectar. Inmiddels is de blauw-lila-paarse periode aangebroken. De vlinderstruik, lavendel en kogeldistel staan in bloei. Ze zijn zeer geliefd bij insecten.

Bijen, vlinders, hommels, libellen en een eerder beschreven penseelkever zorgen voor leven in de brouwerij. Sommige insecten hebben duidelijke voorkeuren. Deze week zag ik een heuse koninginnenpage bij de roze flox. Van die kleur houdt deze vlindersoort. (Helaas heb ik nog geen foto kunnen nemen.) De penseelkever komt af op witte schermbloemen. En de rest vindt blauw, lila of paars prima.

Soms lijkt het of geen beest is geïnteresseerd in een bepaalde plant. Maar schijn bedriegt. De gele teunisbloem bijvoorbeeld, krijgt pas tegen de avond bezoek van bruine vlinders. Alleen de puntwederik staat er verweesd bij. Nee, dan de kogeldistel en de vlinderstruik. Daarop wordt om de beste plekjes gevochten.

Bij bloemen is het net als bij mensen. Degene met de grootste aantrekkingskracht sluist alle aandacht weg. Maar de wederik weet zich toch wel te verspreiden.

De dagpauwoog; een vlinder in vele gedaanten

Gisteren kon ik goed foto’s maken van de vlinders in mijn tuin. De dagpauwogen gingen er eens helemaal voor zitten. Daarnaast kwamen een bruin zandoogje, een atalanta en een citroenvlinder op bezoek. Koolwitjes had ik al. Die worden flink achterna gezeten door de dagpauwogen. Want dat zijn de ware heersers op de vlinderstruik. Ze vliegen als vleermuizen en scheren rakelings voorbij. Ook binnen de vlinderwereld domineren de groten de kleintjes. Een gamma uil op het woonkamerraam is voor later. Nu de best gelukte foto’s van de dagpauwoog; een vlinder met vele gedaanten.

(Klik desgewenst op een afbeelding voor een vergroting.)

Wheee, I can fly!

Bijna perfecte symmetrie.

Nou vooruit, nog een keertje poseren dan.

Vliegveld Lelystad: zat Gelderland te slapen?

Toen ik gisteren de kaart met de nieuwste vliegroutes vanaf Lelystad zag, schrok ik me wezenloos. Maar liefst zes routes gaan over de provincie Gelderland. Waarvan drie op vijf tot tien kilometer van mijn woning. Ook krijgt de provincie er een nieuwe wachtlus bij. Blijkbaar vooral door toedoen van het assertieve Overijssel. Dat komt nu met slechts drie armzalige vliegroutes weg. Fijne buren, zeg.

Hebben ze soms zitten slapen in ons provinciehuis? Hadden ze werkelijk het idee dat hun beschaafde brieven serieus zouden worden genomen, daar in Den Haag? In de zienswijze van Gelderland worden slechts zorgen geuit. Plus de hoopvolle verwachting dat de regering vanwege de Veluwe geen afbreuk zal doen aan paragraaf 3.5 Leefomgeving in het regeerakkoord. Onze provincie had met de vuisten op tafel mogen slaan en met voorstellen mogen komen, als je het mij vraagt.

Gelderse provinciebestuurders zijn véél te lief (of naïef). Twee routes gaan toch wel dwars over ons nationale park heen. Precies zoals de regering over de provincie en de hele Nederlandse bevolking heen walst. Met name zodra men de hijgende adem in de nek voelt van het grootkapitaal op Schiphol. Dat is nooit anders geweest. Met 22 jaar bewonerservaring onder de rook van de Kaagbaan weet ik wat beloftes waard zijn.

Ondertussen denk iederein an zèn ège, in goed Haags. De Flevopolder is boos over het uitstel. Terwijl wethouder Leon Meijer van de gemeente Ede de victorie kraait. Want twee routes zijn nu oostwaarts verlegd en gaan niet langer over zijn gemeente heen. Gefeliciteerd ermee. Wedden dat de rust in Ede van korte duur zal zijn?

Dankzij meneer Meijer mogen Wageningen, Bennekom en de gemeente Renkum straks creperen. Want die krijgen dan het tweerichtingsverkeer dat eerder boven Ede was gepland. Toevallig was ik net in 2015 naar die omgeving verhuisd. Onder meer om van Schiphol af te komen.

Volgens minister Van Nieuwenhuizen is er zoveel mogelijk geluisterd naar de wensen van de omwonenden. Dat zal best. Maar ons land is gewoon te klein voor de grootheidswaan van het bedrijfsleven. Dat is de kern van het probleem en juist daar doet niemand wat aan.

Bron: de Volkskrant/maps4news – tb/wm Bron: rijksoverheid.nl.

Prettige (tijdelijke) woonvormen

Regelmatig kijk ik naar huizen, dat is altijd leuk om te doen. Toch mis ik hier bepaalde woonvormen. Daarnaast is tijdelijke, zelfstandige woonruimte handig voor acute situaties. Je kan slechts kiezen uit: een caravan huren, in de vrije sector de hoofdprijs betalen, of op huizen van vakantiegangers passen. Daarom pleit ik voor alternatieve woningen.

Een ‘kip of ei’-kwestie. Stel dat je van de Randstad naar het oosten wil verhuizen. Woningen zijn daar voordeliger, maar er is minder werk. Dus kan je beter eerst een baan vinden. Echter, veel werkgevers willen personeel uit de buurt vanwege reiskosten- vergoeding, etc. Dan toch maar eerst verhuizen en daarna werk zoeken? Mijn collega verbleef doordeweeks op een kamertje in een kerkelijk internaat. Ook pas gescheiden mensen en remigranten vinden met moeite snel een betaalbaar huis.

Alternatief 1. Bouw meer zelfstandige kleine woonruimten voor deze groepen. Denk aan een leegstaand kantoor nabij het centrum van een stad. Dat wordt slim omgetoverd tot eenkamerwoningen met badkamer en keukentje. Een unit van 30 m2 is even groot als een gemiddelde stacaravan. Te huur voor € 350 per maand, eventueel voor maximaal twee jaar. Meubels en apparatuur zijn desgewenst apart te huur. Ik zie dit al voor me met een beheerde wasserette c.q. buurtwinkel, een restaurant à la Resto van Harte, een afleverpunt voor pakketbezorging en meer gedeelde voorzieningen.

Meestal kunnen alleen rijke mensen zich vrijstaande huizen veroorloven. Waarom moet je als doorsnee Randstedeling eerst psychiatrisch patiënt worden, voordat je hier ook omringd door weelderig groen kan wonen?

Alternatief 2. De stacaravan als permanent doch verplaatsbaar verblijf. Stel dat je in Nederland een kaveltje kan kopen waar een stacaravan op mag staan. Gewoon midden in een woonwijk, ergens langs het veld of aan een bosrand. Ik zou daaromheen een tuin aanleggen met heg, gazonnetje, bomen en bloeiende planten. Niets mis met een goed onderhouden stacaravan op eigen terrein.

Alternatief 3. Bij ruimtegebrek: wonen op het dak met weids uitzicht. In Menton zag ik bovenop een flat een bungalow. Compleet met weelderige tuin, terras en pergola. Te bereiken via de lift met een slot op de bovenste verdieping. Ideaal voor ons dichtbevolkte land.

Alternatief 4. Een goed werkend systeem voor koopwoningruil. Wat ik nu zie op internet, is onvoldoende uitgewerkt qua match van vraag en aanbod. Over uitzicht gesproken: ik zou tekenen voor appartement Utrechtseweg 145 in Arnhem. Dat stond ooit op Funda. De flat is weinig bijzonder, maar dat vergezicht!

Het wevershuis in Leiden – een persoonlijk verhaal met literatuurlijst

Heb je al eens gehoord van Museum het Leids wevershuis? Zeg maar huisje. Dit pandje staat in een Leidse lakenwerkerswijk op de Middelstegracht. Het stamt in de huidige vorm uit ongeveer 1626. Ik beschouw dit als het aandoenlijkste museumpje van de stad. Zeer bevlogen vrijwilligers heten je er welkom. Zij kunnen vertellen over de geschiedenis en over weefsels. In 2001 kwam ik er voor het eerst tijdens de Open Monumentendagen. De laatste bewoner was vertrokken en het huisje verkeerde in vervallen staat.

Vanaf de straat leidt de deur naar een lange gang in het huis. Die loopt rechts langs het voorhuis en de ommuurde binnenplaats naar het achterhuis (de keuken). Bij binnenkomst zie je links de werkkamer, waar standaard een groot weefgetouw bij het raam stond. Het huidige getouw neemt de meeste ruimte van die kamer in beslag. Hierna zie je de steile houten trap naar de vliering. Het volgende woonkamertje bevat de bedstede en een ingebouwde kast onder de trap. Er is een potkachel en een raam naar de binnenplaats.

Als je in de gang verder loopt, kijk je door ramen op dat plaatsje. Daarna kom je bij het achterhuis uit. De kamers en binnenplaats meten ongeveer 4 bij 3,5 meter. Er leefden grote gezinnen in zulke huizen. Vaak met een inwonende opa, ongetrouwde zus of  onderhuurder erbij.

In de winter worden rondom de potkachel lezingen gegeven. Dan zit je met twintig man heel knus in het kamertje met de bedstee. Steevast komen daar rasechte Leidenaren op af, die zich met de lezing bemoeien. Want ze kunnen flink tekeer gaan, maar ze zijn ook enorm trots op hun geschiedenis en stad.

Ik kan moeilijk beschrijven wat er door mij heen ging toen ik het die eerste keer betrad. Het was nog geen museum en de conservering van het huisje moest nog beginnen. Het was alsof ik een driehonderd jaar oude tijdcapsule betrad. Alles stond er verstild bij. Heel even, tot de volgende bezoekers kwamen. Een magische minuut lang was het mijn exclusieve domein.

Op de vliering zag ik de wolken door kieren bij gebroken dakpannen voorbij drijven. Er lag nog wat stro. Her en der waren andere sporen zichtbaar van vorige bewoners. Eindelijk zag ik alles glashelder voor me. Het was zelfs tastbaar. Hoe hun huisje eruit zag, hoe het er rook, hoe eenvoudig en kaal het er was. Hoe de bewoners er kookten, wasten, sliepen, aten, werkten en zich vermaakten. Waar het hok voor een varken op de binnenplaats was. Hoe ze geleefd hadden en waar ze zich gewarmd hadden. Mijn voorouders en verwanten. Een familienaam staat op de muur.

Zeven jaar lang wijdde ik zeeën van tijd aan een onderzoek naar mijn voorouders. Dat begon met een vermiste man uit diezelfde wijk in Leiden. Ik kon nog niet bevroeden hoeveel Leidse verwanten er achter hem schuil zouden gaan. Er zijn tientallen lijnen, vooral als je terugkijkt vanaf mijn moeder. Die eindigen, zoals het Leidse families betaamt, meestal in het buitenland.

Maar ik vond ook iets zeer speciaals. Want er is een ononderbroken lijn in Leiden zelf. Die gaat terug tot vóór de Spaanse belegering in 1573 – 1574. Dat kan hooguit een enkeling van binnen de singels zeggen. En ja, ik ben geboren op de Hooigracht.

Voor zover ik nu weet, is er geen andere plek ter wereld waar ik zo’n wijdvertakt wortelstelsel heb. Juist in het wijkje van het wevershuis woonden de meeste voorouders. Als je goed de sfeer in de Groenesteeg proeft, zie je een pittoresk Frans straatje verschijnen. En als je aandachtig luistert, hoor je het koeterwaals van Vlaamse en Waalse immigranten. Ooit woonde ik daar bij een kruising van voetstappen, op de Uiterstegracht. Toen nog volledig onwetend, maar omringd door de huizen van mijn voorouders.

Literatuurlijst
Voor liefhebbers voeg ik een aanbevolen literatuurlijst toe. Een aantal oude boeken is nog via antiquariaten te koop. Je vindt ze eveneens in de Leidse collectie van de Openbare Bibliotheek, in Leiden uiteraard.

  • Leidse wevershuisjes, Het wisselende lot van de 17e eeuwse Leidse arbeiderswoningen, K. van der Wiel, Primavera Pers, 2001.
  • Schering en inslag, Wandelgids langs monumenten van wonen, werken en sociale zorg in 650-jarig Pancras Oost, Stichting Het Leids Wevershuis, 2005.
  • Historische plattegronden van Nederlandse steden, deel 7 Leiden, samengesteld door S. Groenveld, R.C.J. van Maanen, W.E. Penning, m.m.v. P.J.M. de Baar, Stichting Historische Stadsplattegronden, 1997.
  • Architectuur en monumentengids Leiden, red. J. Dröge, E. de Regt, P. Vlaardinger- broek, Primavera Pers, 1996.
  • Buurthouden, De geschiedenis van burengebruiken en buurtorganisaties in Leiden
    (14e – 19e eeuw), K. Walle, uitgeverij Ginkgo, 2005.
  • In de nieuwe stad, Nieuwkomers in Leiden, 1200 – 2000, red. J. Moes, C. Smit, E. van der Vlist en IJ. Woensdregt, Dirk van Eck-Stichting, 1996.
  • Leidse wevers onder gaslicht, Schering en inslag van Zaalberg dekens onder gaslicht (1850-1915), uitgave J.C. Zaalberg en Zoon, 1952.
  • Stof uit het Leidse verleden, Zeven eeuwen textielnijverheid, red. J.K.S. Moes en B.M.A. de Vries, uitgeverij Matrijs, 1991.
  • Textielhistorische bijdragen 36 (1996), [geheel gewijd aan Leiden], red. J.L.J.M. van Gerwen et al, Stichting Textielgeschiedenis, 1996.
  • Door de wol geverfd, Herinneringen aan de Leidse textielindustrie in de twintigste eeuw, D.J. Noordam, J.K.S. Moes, J. Laurier, Walburg Pers, 1998.

Zie verder Museum De Lakenhal in Leiden, het TextielMuseum in Tilburg en het weefnetwerk.nl.