Zoektocht naar herkenning

Bij aanmelding voor een wandeling vanuit Geldrop, maak ik mezelf wijs dat ik wil wandelen in onbekend gebied. ‘Toevallig’ is Geldrop ook de plaats waar een verre verwant woont. We weten pas sinds kort van elkaars bestaan af. Het contact kwam via mijn familiewebsite tot stand. Ik ben mild nieuwsgierig, maar wil zij mij wel ontmoeten? Terloops vermeld ik mijn geplande bezoek en ja hoor: zij reageert direct enthousiast. We spreken af in een restaurant.

Wat verwachten we eigenlijk? Dat we uiterlijk op elkaar lijken? Dat we iets in elkaars gedrag herkennen? Dat we overeenkomstige normen en waarden hebben? Onze verwantschap gaat acht generaties terug. Acht generaties boven ons trouwden twee mensen in het jaar 1732. Vervolgens kregen zij zestien kinderen. Mijn verre verwant en ik stammen elk van een andere zoon af.

We delen weinig genen. Want gerekend vanaf onszelf hebben we allebei 2 (ouders) + 4 (grootouders) + 8 (overgrootouders) + 16 + 32 + 64 + 128 + 254 = 508 voorouders tot in de achtste generatie. Dus samen 1.016 voorouders minus onze 2 gezamenlijke voorouders = 1.014 andere voorouders. Wat heb je dan nog gemeen? Toch is het aardig om deze vrouw en haar man te ontmoeten. Haar nog levende familie is klein.

Zoekt zij daarom zo hard naar iets herkenbaars in mij? Foto’s komen tevoorschijn. Mijn rechte neus, die ziet zij terug bij haar dochter. Vind ik dat nu ook niet? Ze toont een foto op haar smartphone. Bij haar zitten er veel dansliefhebbers in de familie. Heeft mijn kant ook gevoel voor ritme? Uhm, nou … En zijn wij ondernemend? Een paar verwanten wel, ja. (Maar wat zegt dat?)

De meeste herkenning komt wanneer zij vertellen over hun vroegere leven als expats. Dat ken ik. Zij verkeerden in het welvarende wereldje van de oliewinning. Haar man deed aan ‘gaatjes boren’ in Oman. Sinds kort zijn ze terug in Nederland, met pensioen en aangewezen op elkaar. Vooral dat laatste valt haar zwaar, is mijn indruk. Misschien ervaart zij nu een leegte. Ook dat is mij namelijk bekend uit oliekringen. Keek ze daarom hoopvol uit naar onze ontmoeting?

Een vorm van dagbesteding

Het is een manier om je brood te verdienen: in weer en wind geulen graven, grond verzetten, oude rioolbuizen wegbreken en schone buizen ervoor in de plaats leggen. Of nou ja, schoon … Alles is vuil wat deze mannen beetpakken. Hun werkkleding komt ’s morgens gewassen uit de kast en zelf ogen ze fris bij aankomst. Maar ik weet dat zelfs dat een illusie is. Elk stuk gereedschap dat zij hanteren, elk stuur dat zij vasthouden, is goor. Je moet er tegen kunnen. Ik zou meteen onder de huiduitslag zitten. Waarschijnlijk ontdekken nieuwelingen al binnen een dag of ze dit vak volhouden.

Je zou verwachten dat het personeelsverloop groot is bij riolerings-bedrijven. Toch valt dat mee in het familiebedrijf dat hier nu aan de slag is. Natuurlijk, die familieband blijft. Maar diverse mannen zag ik afgelopen november al en nu weer. Er is een onnadrukkelijke hiërarchie. Mijn contactpersoon, ‘De man van de rioolservice’, is een zoon in de firma. Hij stuurt het team aan en werkt mee. De rest lijkt een allegaartje van vaste krachten, los volk, en vrienden die op afroep hand-en-spandiensten verlenen. Zoals: ff snel in een Mercedes wat onderdelen langs brengen.

Wat ik niet had bedacht, is dat dit werk ook een vorm van dagbesteding kan zijn. Bij dagbesteding denk ik aan demente ouderen die een dagje gezellig knutselen in een kringetje. Of ik denk aan een zorgboerderij, waar jongeren met psychische klachten werk, rust en regelmaat vinden.

Toch ving ik vanmorgen de volgende flard op van een telefoongesprek: ‘Ik kan dat brommertje nu niet ophalen, want ik zit met dagbesteding. Ben afgelopen vrijdag uit detentie gekomen.’ Tja, nu snap ik waarom hij maandagochtend eerst met zijn baas moest overleggen of hij al koffie mocht drinken toen ik hem dat aanbood. Hij is overigens beleefd en gedraagt zich netjes. Zolang hij datgene doet waarvoor hij is ingehuurd, vind ik het prima.

Triomferen is triomf vieren

Zwarte Dodge RAM 1500

Eigenlijk zou ik mijn tas alvast moeten pakken om naar sport te gaan. Normaal zou ik nu een hapje eten, een trainingslegging aantrekken en dan het huis verlaten. Maar alles verloopt ineens anders vandaag. Dit is volkomen onverwacht de dag geworden waar ik maanden op heb gewacht.

Die dag waar ik zo veel moeite voor heb gedaan. Waarvoor ik heb moeten strijden en met de stelligste vasthoudendheid heb moeten doorbijten. Laat dit een lesje zijn voor eigenzinnige en autoritaire heren: never underestimate a pitbull in dameskleren. Want vandaag behaal ik eindelijk mijn grootste triomf in tijden.

Van deze triomf laat ik geen seconde onopgemerkt voorbij gaan. Elk moment wil ik uitgebreid vieren.

Oh, wat klinkt dat toch heerlijk; het geluid van die ronkende graafmachine. Zucht, wat kan ik intens genieten wanneer twee mannen voor mij aan het werk gaan. En ze mogen er wezen ook. Die twee in het zwart geklede stoere kerels. En het is warm vandaag, dus wordt de kleding almaar schaarser.

Ach, het genoegen dat het mij doet, om ze met elkaar te horen praten. Over hoe diep die put ligt. En over hoe ver ze voor de nieuwe buis moeten graven. Zelfs de diesellucht komt mij tegemoet als ware het een vleugje van het zoetste parfum. Geen seconde hiervan wil ik missen.

Hmmm. 😉

De strijd om het riool

Vandaag heb ik gelogen. Het gebeurde niet expres; mijn geheugen is gewoon zo waardeloos. Ik vertelde tegen de jurist van de omgevingsdienst dat ik hier morgen precies vier jaar woon. Maar het jubileum was drie dagen terug, zag ik op Raam Open. Nou, morgen ga ik toch mooi gebak halen.

Vandaag moest ik die jurist weer bellen. Dat moest van mijzelf. Er was weer een deadline verstreken en een verlengde termijn. Die termijn wou ik niet laten verlengen, maar dat heeft de juriste van de buurman bewerkstelligd. Die luizige … Afijn. Zo ver is het dus gekomen. Wie had dat kunnen voorzien toen ik hier kwam wonen, vier jaar minus drie dagen geleden?

We zijn er bijna. Ik moet nog even volhouden. Alleen duurt dat ‘even’ altijd te lang. Sinds we vorig jaar november de oorzaak van de rioolproblemen ontdekten, zijn er zeven maanden verstreken. Zéven maanden.

Het vergt nogal wat van mij, deze toestand. Ik moet constructief blijven en eerlijk zijn. Ik moet strategisch denken en anticiperen. Ik moet mensen bespelen en manipuleren. ’t Is niet anders. Ook moet ik steeds afwegen: zet ik nu mijn professionele zelf in, of moet hier wat meer emotie bij?

Ik moet begrip tonen, redelijk zijn. En zorgen dat dat niet te veel doorslaat naar begrip voor de andere partij. Ik moet dicht bij mezelf blijven en elke seconde mijn belang voor ogen houden. Ik moet vasthouden, doorzetten en van mij af bijten. Ik moet opgewassen zijn tegen een juriste die minimaal vier jaar rechtenstudie heeft gedaan en ik nul.

Ik moet het hebben van mijn vernuft (waar hangt dat uit als je het nodig hebt?), en van mijn creativiteit, als het gaat om argumenten. En voortdurend moet ik in de gaten houden hoe de hazen lopen op een voor mij onbekend terrein.

Ik moet mijn hoofd koel houden, hoe kwaad ik ook ben. Want ja, ik snap waarom ze het doet. Maar tegelijk ben ik zo verontwaardigd over die andere juriste, van de tegenpartij. Hoe háált ze het in haar hoofd om vrijwillig iemand te verdedigen die bekend staat om zijn egoïsme en zijn eigenzinnigheid? Iemand die zijn buren zo heeft voorgelogen?

Een buurvrouw verderop in de straat heeft letterlijk aan mij gevraagd ‘of het voor mij wel uit te houden was naast hem.’ Nou, gek genoeg wel. Het is hier zeer goed wonen.

Nog even doorbijten dus. Dan wordt de eerste van die kwesties hopelijk eindelijk getackeld. Als alles goed gaat. Als hij niet wéér gelogen heeft en de jurist van de omgevingsdienst er in is getrapt. En als die jurist niet van mening verandert. Want je weet nooit. Ook hij wordt bespeeld door de juriste van de tegenpartij. Een vrouw. Dit is feitelijk een catfight en we zullen zien hoe dit eindigt.

De buurman zal mij nergens over informeren. Maar ik weet genoeg als de auto van de rioolserviceman voorrijdt: een zwarte Dodge RAM.

Overerfelijk verlangen naar Gelders Arcadië

Ansichtkaart ca 1910 bedriegertjes kasteel Rosendael

Mijn moeder begint steeds over kasteel Rosendael, sinds ik vanuit Leiden ben verhuisd naar een dorp bij Arnhem. Ze praat dan vol verlangen. Waarom, was mij lange tijd een raadsel. Met een damesclubje bezoekt ze al regelmatig kastelen en musea. En volgens mij is kasteel Rosendael niet specialer dan die andere buitenplaatsen. Maar nu snap ik het, vermoedelijk, dankzij het ansichtkaartenboek van mijn oudtante.

Dat ansichtkaartenboek is van rond 1910. Het bevat tientallen afbeeldingen van bevallige dames, schattige kindertjes en gedistingeerde heren die hun geliefde romantisch een bloemetje aanbieden. Verder zijn er kaartjes van kustdorpen, plattelandstafereeltjes, steden en voorname buitenplaatsen.

Ik weet niet of mijn oudtante ooit in de buurt van Arnhem is geweest. Haar zus stuurde wel een ansichtkaart van een villapark in Berg en Dal. En er zijn ansichtkaarten van buitens in Oosterbeek, Heelsum, Wageningen, Beekhuizen, Velp en … Rozendaal.

Mijn moeder heeft als kind deze contreien bezocht; een andere oudtante woonde in Arnhem. Daar is ze in de oorlog naartoe geweest. Soms vertelt ze er nog over, want dat bezoek heeft grote indruk gemaakt. Het was in 1944 en er kwam een berg eten op tafel. Maar of mijn moeder toen ook het nabij gelegen Rozendaal heeft bezocht? Dat moet ik eens navragen.

Waarschijnlijk ontstond mijn moeders verlangen naar kasteel Rosendael toen zij voor het eerst dat ansichtkaartenboek zag. Ze zal met haar ouders op visite zijn geweest bij oom en tante in Wassenaar. Die woonden ook al op zo’n idyllische locatie in het groen. Als klein meisje moest mijn moeder zoet zijn en braaf opzitten. Misschien mocht ze voorzichtig door het album bladeren en vertelde tante er verhaaltjes bij. Dit plaatjesboek heeft vast het magische effect gehad als van een toverlantaarn.

Blijkbaar heeft ze het toen opgewekte verlangen op mij overgedragen. Want na een eerste wandeling hier wilde ik eveneens steeds terugkomen. Vanwege het landschap, de ruimte en de bossen. Maar ook vanwege de prachtige fin de siècle huizen. Gelders Arcadië telt wel 103 buitenplaatsen. Per seizoen bezoek ik er een paar. Kortom, er valt voorlopig nog genoeg te ontdekken.

Ze zijn er weer: paddenstoelen

Denk je net dat het paddenstoelenseizoen is afgelopen; duiken ze toch weer op. En in veelvoud ook.

Sommigen willen bewust alleen staan; anderen schurken liever gezellig tegen anderen aan. Toch zijn ze allemaal via onzichtbare draadjes met elkaar verbonden.

In de soap die het dagelijkse leven heet, komen we steeds een stapje verder. Samen staan we sterk. Verhalen in wording. Ze volgen zodra het perspectief van boven komt. Dat geeft een betere achtergrond. Geduld.

Alles sal reg kom

‘Alles sal reg kom as ons almal ons plig doen.’ Verder gaat mijn Afrikaans niet, maar deze uitspraak is toepasselijk. Het leven lacht snelle denkers toe. En zijn ze sociaal vaardig, dan hebben ze altijd een voorsprong. Ze kunnen mensen goed inschatten en emoties doorzien. Zo laveren ze vlot om valkuilen heen in overlegsituaties met onvoorspelbare gesprekspartners en uiteenlopende belangen. Want zij weten waar ze naartoe willen en hebben hun woordje klaar.

Ik kan goed observeren en signalen oppikken die anderen missen. Alleen verloopt de informatieverwerking bij mij wat trager, omdat er meer tegelijkertijd binnen komt. Ik ontrafel elk stukje informatie en volg het terug naar waar het vandaan komt. Ook plak ik labeltjes en wil ik kunnen zeggen: ‘Kijk: dit betekenen al die afzonderlijke deeltjes en zo staan ze met elkaar in verbinding.’ Ik heb geleerd hiermee om te gaan. Want er komt een keuzemoment en strategie is alles.

Problemen ontstaan wanneer je elkaar niet verstaat. Wanneer je geen gebruiksaanwijzing van de ander hebt. Wanneer je zijn of haar emoties nog niet kan interpreteren, omdat je nog met informatieverwerking bezig bent.

Van alles wat we wilden zeggen, hebben we geen woord uitgesproken. En van alle emoties die we wilden tonen, hebben we er niet één laten zien. Daarom sal alles reg kom.