De aftakeling is begonnen

Heus, ik snap dat niemand het eeuwige leven heeft, en ik begríjp dat iedereen een proces van aftakeling doormaakt. … Maar moet nu echt alles tegelijk komen? Deze week bleek dat ik een serieuze ouderdomskwaal heb, terwijl ik toch relatief gezien een jonkie ben. En vandaag stortte de afvoerpijp van de dakkapel onder luid gekletter naar beneden. Die was daar in mei aangebracht, dus nog maar zeven maanden geleden.

Vijf en een half jaar lang heb ik getracht om dit 107 jaar oude huis in goed onderhouden staat te krijgen. Nou, daar komt geen eind aan …  zolang dit pand aan de sloophamer weet te ontsnappen. Vermoedelijk is het een teken van solidariteit. Daarom beschouw ik onze gezamenlijke aftakeling als een bevestiging:

Zolang de aftakeling nog gaande is, is er leven!

In het spoor van de loopgraven

Het is nogal een caleidoscopische ervaring, dat onderzoek naar die loopgraven. Op mijn zoektocht naar informatie lees ik het ene na het andere aangrijpende ooggetuigenverhaal. Die gaan over een wirwar aan gebeurtenissen en locaties. En alles grijpt in elkaar. Samen vormen ze een relaas over mankracht en logistieke planning; over vluchtelingen en gevechtssituaties, over inventiviteit en oorlog strategieën. Ik zit met mijn neus in documenten en kaarten gelabeld: ‘top secret’. Toen, in 1944/’45, nu niet meer.

Sommige teksten zijn verwarrend. Neem dit fragment uit een krantenbericht van de Nieuwe Amsterdamsche Courant. Algemeen Handelsblad, vrijdag 8 december 1944. ‘Hoofdkwartier van den führer, 7 Dec. Het opperbevel van de Weermacht deelt mede: “De overstroomingen ten Zuidwesten van Arnhem hebben een zoodanige omvang aangenomen, dat de vijand gedwongen is steeds nieuwe deelen van zijn stellingen op den zuidelijken oever van den Beneden-Rijn ten spoedigste te ontruimen.’

Ik bedoel, dit is een Nederlandse krant, dus wie is hier de vijand? Daarna valt mijn oog op de sub-kop boven het artikel: Geallieerde stellingen nabij Arnhem door overstroomingen bedreigd.’ Daarbij moet je weten dat de Lekdijk op 2 december 1944 werd opgeblazen. Hierdoor was de Betuwe drassig geworden en half ondergelopen. Zo kon ‘de vijand’ moeilijk de Duitse frontlinie bereiken met zwaar materieel. En dat front was de rand van de stuwwal aan de overzijde van de Nederrijn.

Afijn, zo’n oorlog oude stijl was een strategische en logistieke operatie van formaat. Ik vind dat aspect nuchter beschouwd zeer interessant. Aangrijpend wordt het pas bij het lezen van de uit het leven gegrepen verhalen. Zoals in dagboeken van bewoners, die negen dagen lang midden in de gevechten zaten en daarna met 150.000 anderen hals over kop hun huis moesten verlaten. Of herinneringen van Nederlandse dwangarbeiders, die de stellingen op de frontlinie moesten bouwen en graven, terwijl ze onder ‘vijandig’ vuur lagen.

Die vijandschap blijft verwarrend. Niet alleen nu voor mij, maar ook toen voor de strijdende partijen. Ik zal een stukje citeren uit een interview met Obersturmbannführer Walther Harzer, een pas 32 jaar oude Luitenant-Kolonel van de 9 S.S. Panzer Division ‘Hohenstaufen’ tijdens de Slag om Arnhem.

‘When the British paratroopers first arrived in Arnhem there was a great deal of confusion. They did not meet with much resistance either. In the [German] soldier’s recreation centre about 80 soldiers were sitting around, drinking coffee and playing cards. Their weapons were leaning against the wall. In walked a handful of British paratroopers and ordered the German soldiers to put up their hands. Then they had a cup of coffee and went away again.’

En, midden in het ergste slagveld dat Oosterbeek toen was: ‘I spoke to Warrack [een Britse kolonel] who requested that the British wounded be evacuated from the perimeter since they no longer had the room or the supplies to take care of them. This meant calling a truce for a couple of hours. I agreed because… I liked the English. I had been in England before the war as a student and had good memories of this time. I told Warrack that I was sorry that our two countries should be fighting. Why should we fight, after all? Warrack looked very haggard and worn. He was offered some cognac but refused because he said it would make him ill. He had not eaten for some time. He was given some sandwiches.’ (Bron: Pegasusarchive.)

Trouwens, in het Arnhemse Elisabeth Gasthuis lagen de gewonde Duitse en Engelse soldaten vrijwel zij aan zij. Ze deelden gewoon hun sigaretten met elkaar.

Over de loopgraaf in onze straat kan ik weinig vinden. Daarom heb ik mijn onderzoeksgebied verruimd naar Arnhem en directe omgeving. Dat valt goed te overzien. Bovendien hoef ik slechts een korte periode door te nemen. Onze loopgraaf stamt uit de periode 17 september – 23 december 1944. En ergens tussen 15 april en 30 juni 1945 zal het naburige mijnenveldje wel zijn schoongeveegd.

Wat mij mateloos fascineert, is die tussenliggende periode, daar in dat door God en iedereen vergeten stukje niemandsland. Het hele gebied was ontruimd, maar er waren wel dwangarbeiders en soldaten. Vooralsnog is dit stukje straathistorie een mysterieus zwart gat, uniek voor de recente geschiedenis van Nederland.

Oh, en het volgende is ook wel weer frappant. 4 December 2020, Westervoortsedijk in Arnhem. Vanaf de bushalte nabij het Gelders Archief wandel ik naar de weg. Op de tweede helft staan auto’s stationair bij het stoplicht. Op de voorste lees ik: ‘… ruimingsdienst’, en: ‘Defensie’. In het voorbijgaan volgt de volledige tekst: ‘Explosievenopruimingsdienst’.

(Op de foto de Nederrijn en rechts het voormalige front ten westen van Arnhem.)

De minder zichtbare scheidslijn

Bij de voorbereiding van de expositie stel je je voor hoe het zal lopen na de opening. Je denkt na over de inhoud en de vorm van de presentatie. En je schrijft teksten die van de collages een samenhangend geheel maken. Maandenlang bekijk je foto’s door de ogen van denkbeeldige bezoekers. Je ziet hen voor je. Hoe ze halt houden bij elke collage. Hoe ze daar naar wijzen en zeggen: ‘Goh, kijk, daar staat Marietje.’ Of: ‘Weet je nog …?’

Je verwacht trouwens dat er verschillende belangstellenden zullen verschijnen. Huidige en vroegere buurtbewoners. Evenals mensen van wie hier familie heeft gewoond. Zij zijn benieuwd naar hoe hun straat zal worden getoond. Daarnaast verwacht je andere dorpsbewoners en bezoekers die in geschiedenis geïnteresseerd zijn. En je hebt mensen uitgenodigd van wie je foto’s hebt gekregen, zoals makelaars en archiefmedewerkers.

Je weet dat bepaalde zaken onzichtbaar zullen blijven. De dieper liggende onderlinge relaties en de onbenoemde situaties. Dus kleur je zorgvuldig binnen de lijntjes om overal buiten te blijven.

Je creëert voldoende publiciteit en het resultaat mag er zijn.

Toch blijft het op de eerste dagen rustig. Heel rustig. Geleidelijk aan begin je het onzichtbare te zien. Ouderen durven niet langs te komen uit angst voor corona. En de ‘arbeiders’ uit de oorspronkelijke bevolking moeten de kost verdienen. Zij hebben meer te doen. Diverse buren zijn schuchter of verlegen. Zij komen zelden buiten hun vertrouwde kring. Sommigen van hen moet je persoonlijk uitnodigen, anders komen ze niet.

Maar er speelt nog iets. Vandaag sprak ik iemand van de sportclub, die hier geboren en getogen is. Zij woont aan de overzijde van de weg die het dorp door midden snijdt. Zij woont in het welvarende deel.

De weg is een N-zoveel, met zebrapaden en stoplichten. Je kan er makkelijk oversteken. Alleen niet als je bent opgegroeid in het welvarende deel. Want dan blijft de overzijde een gebied waar je niets te zoeken hebt. Te rauw. Althans, dat is nog steeds het heersende idee.

‘Wat is er eigenlijk zo bijzonder aan jullie straat?’, vroeg zij aan mij. Nou, precies dit: ‘Dat er van oudsher arbeiders wonen en die komen hier nooit in beeld.’

Je hebt maar één leven

Franca Treur schrijft over ploeterende mensen in het tv-programma ‘Ik vertrek’: ‘Ook zij weten dat ze maar één leven hebben. Die mensen moeten precies daarmee dealen: de rommel die het werd in plaats van het gedroomde plaatje. Wordt het doorgaan of opgeven?’ De meesten van ons pakken het minder groots aan. Maar vroeg of laat komen we allemaal in het leven voor ingrijpende keuzes te staan.

Misschien schuilt er voor de kijkers een soort troost in het programma. Want ik denk dat we allemaal weleens een kans laten liggen. Daar hebben we op zo’n moment goede redenen voor. Maar ja, maar toch. Soms laat een droombeeld je niet los. Dan blijft het decennialang terugkeren. Blijf je dan wachten totdat het te laat is? Of werk je stapsgewijs toe naar de verwezenlijking ervan? Het kan lastig zijn om te beginnen, wanneer succes mede afhangt van anderen en onzekere factoren.

Mijn droombeeld en ik zijn al samen sinds 1986. Ik was in de twintig toen het ontstond. Nu zijn we 34 jaar verder en is de wereld sterk veranderd. In al die jaren groeide het droombeeld mee met mijn wensen. Het werd een vertrouwd element in mijn leven, waarvan de kern ongemoeid is gebleven. En het is altijd sluimerend aanwezig. Een half woord, een geur, een beeld of een gedachtenflits brengt mijn droom gelijk weer helemaal terug.

Dus zat ik laatst te denken: Als je nu 57 bent, hoeveel ‘goede jaren’ krijg je dan gemiddeld nog?

(Citaat: Franca Treur in Trouw, Zomertijd, zomercolumn Perfectie, 25 juli 2020.)

Een kleine beschouwing op de verhuizing

‘Het leven is risico’, zegt ze. ‘De mate waarin je leeft, is afhankelijk van de mate waarin je riskeert.’ (Liftende moeder van Pippa Bacca, Volkskrant magazine 30 mei 2020.)

Waar begin je aan, wanneer je als 52-jarige verhuist naar een plaats 100 kilometer verderop? Vandaag precies vijf jaar geleden verhuisde ik vanuit het centrum van Leiden naar de rand van een dorp bij Arnhem. Talloze malen is mij gevraagd naar de reden. Kende ik daar al mensen, was het voor de liefde, had ik hier al werk?

Zelf had ik vooraf een aantal vage verwachtingen en slechts één concrete. Ik ging hier rust en ruimte vinden in de natuurlijke omgeving. Dat was wat ik in de Randstad steeds meer miste. En zo is het ook gegaan. Ik heb slechts vage verwachtingen van wat de toekomst brengen zal. Leven is namelijk risico nemen, dat weet iedere reiziger.

(Op de foto Ierland, waar ik in 2014 het besluit nam voor deze verhuizing.)

Gevonden! De Heelsumse beek

Rondom Arnhem weet ik een heleboel mooie stukjes wandelgebied te vinden. Tenminste … als ik bij een bekend startpunt van een route kan beginnen. Ook noem ik zo de namen op van een hele serie bushaltes. Bijvoorbeeld die van lijn 352 tussen Arnhem en Wageningen. Alleen heb ik geen idee hoe je die haltes en routes aan elkaar kan knopen, terwijl ze soms parallel lopen. Ertussen ligt een waar terra incognita.

Maar nu heb ik ontdekt dat er een lijnrecht pad is van halte Kasteelweg naar de Heelsumse beek. Het werd eens tijd. Ik woon hier precies vijf jaar deze week.

Je moet ook altijd overal zelf achteraan

Dit is weer zo’n situatie. Zo een waarvan ik weet dat ik maar beter even niets kan doen. Omdat het mij heel hoog zit. Omdat ze niet terugbellen. Omdat ze mij maar laten wachten. Omdat ze hun beloftes weer niet waarmaken. Omdat ze mij niet serieus nemen, zeker? Omdat je ook nooit van die mannen op aan kan. Omdat al die bouwvakkers niet te vertrouwen zijn. Wel mooie praatjes, hè. Maar gewoon zelf die telefoon pakken en eindelijk een afspraak maken en vervolgens netjes het werk uitvoeren? Ho maar.

Ik Moet Ook Altijd Overal Zelf Achteraan.

Nee, op zulke momenten kan ik maar beter even niet bellen, mezelf kennende.

Denk aan hoe het je vroeger op kantoor deed. Denk aan die SMART-afspraak. Zet ze verbaal klem. Net zo ferm tot ze toezeggen wat je horen wil. Je kan het wel. Je hebt het voor je werk zo vaak gedaan.

Als het mij niet lukt, dan ligt het aan mij. …

Maar met zulke zelfdestructieve gedachten kom je er niet.

Eerst koffie.

Dan bellen.

Tring, tring.

[Zijn vrouw neemt de telefoon aan.] Ik doe kort mijn verhaal en laat een stilte vallen om haar een reactie te ontlokken.

‘Ja, hij komt deze week.’, zegt ze vriendelijk. ‘Op woensdag, donderdag of vrijdag. Ik wilde even wachten met bellen, want het is zo vervelend als het andere werk uitloopt en het toch een dagje later wordt.’

Slik.

Wat moet ik nou met al die opgehoopte adrenaline doen?