Terugblik op Israël, ruim 30 jaar later

Het is opmerkelijk hoeveel zaken vaag blijven, na herlezing van de brieven en mijn reisverslag. Wel zie ik het volunteershuisje zo weer voor me, evenals het boerenerf, de velden en de woestijn. Ik kan de winterwind voelen onder de strak blauwe hemel. De zonnestralen worden al warm. Ook hoor ik de enorme stilte, af en toe onderbroken door het geluid van een motor, een rammelend hek of de stoffige kuch van een koe.

Ik weet nog in welke richting de velden buiten het dorp lagen. Op de achtergrond was een heuvelrug. En rechts, voorbij de doorgaande weg, waren de wijngaarden. Plus de nabijgelegen bergen van Jordanië. Vele jaren later stond ik erbovenop, ter hoogte van Petra, en zag ik het vertrouwde woestijnlandschap terug. Bijna aanraakbaar, slechts gescheiden door een grens.

Ook herinner ik mij het gehotsebots op de oude tractor. Om bij de akker met tomaten te komen, moest je eerst dwars over een greppel rijden. Die tractor was een vaalrode krachtpatser. Daarmee kon ik vlot door het rulle woestijnzand heen rauzen.

Maar de gezichten zie ik nauwelijks nog voor me. Zwart haar, middelbruine ogen, gebronsde huid. Dat is wat ik nog weet. Een zachtaardige man. Zo anders dan de meesten in dat land. Hoewel die anderen onder hun rauwe imago soms ook een mildere kant verborgen hielden. Je moet daar hard en sterk zijn. Zijn vrouw leek ongelukkig op een boerderij in dat afgelegen dorp. Zouden ze nog bij elkaar zijn? Hun kinderen zijn inmiddels volwassen.

De brieven schreef ik aan familie tijdens een anderhalf jaar durende reis, ruim dertig jaar geleden. Nu lees ik ze terug, hopend op aanvullende details die ik sindsdien ben vergeten.

Het overvalt me hoezeer ik stilsta bij die (tweede) periode in Israël. Gaf het programma van Frans Bromet en Raoul Heertje soms een aanleiding? Zij onderzoeken daarin hun haat-liefde verhouding met dat land. Mijn eigen gevoelens zijn minstens even tegenstrijdig.

Zal er ooit sprake zijn van iets anders dan extremen? De taferelen en de schurende gesprekken in hun documentaire zijn zo herkenbaar. Bovendien is na ‘mijn’ tijd die monsterlijke muur gebouwd. Een splijtzwam, die de bevolkingsgroepen nog verder uiteen drijft. Een open wond in dierbare grond. Ik zou wel terug willen gaan, maar ik kan die muur niet aanzien.

In 1987, aan het begin van mijn eerste verblijf, wist ik nauwelijks iets van Israël af. Ik was 24 jaar oud, wilde op wereldreis gaan, en het liefst de winter doorbrengen in een warm oord. Onderweg ging ik in diverse landen werken, zoals backpackers dat al decennialang doen. Praktische informatie haalde ik uit Work Your Way Around The World van Susan Griffith. En de Bijbel ging naar Israël mee als geschiedenisboek en reisgids.

Israël stond in de jaren zeventig en tachtig qua werk bekend als makkelijke bestemming. Je hoefde maar langs een kantoortje in Tel Aviv te gaan en je had een baan. Bijvoorbeeld in de agrarische sector, kinderopvang of horeca. Veel reizigers waren pas afgestudeerd of ze hadden een tussenjaar. Het idee was om afwisselend een poosje te werken en dan weer wat van de wereld te zien. Op die manier kan je het rondreizen lang volhouden.

Ik had niets met politiek. Wel kwam Israël toen regelmatig in het nieuws. Maar ik had meer interesse in busdiensten naar toeristische trekpleisters, dan dat de Palestijnse kwestie mij aanging. Bovendien moet je daar echt moeite doen om zaken van meerdere kanten te zien. Veel mensen kennen slechts een kant. Als je aan de Joodse kant terecht komt, heb je nauwelijks contact met Palestijnen of Arabieren. En omgekeerd is dat dito eender.

Door mijn besluit belandde ik automatisch aan Joodse zijde. Maar dat bepaalde mijn positie niet, vond ik. Want ik ben zelf Nederlands en van oorsprong katholiek. En ik sloot mij niet af voor Palestijnen. Alleen duurde het maanden voordat ik met zo iemand sprak. Met een representant van ‘de anderen’. Op straat vond ik Arabische mannen wat opdringeriger, terwijl veel Joden zich meer als westerlingen gedroegen. Dat was in mijn beleving het voornaamste verschil.

Heel soms gedurende twee verblijfsperiodes daar, viel mij meer op. Ik schreef erover aan mijn familie.

In een brief over een uitstapje naar Akko. ‘Dat ligt ten noorden van Haifa aan de kust. Er is een oud gedeelte, wat nu een Arabische wijk is. De huizen zijn kris-kras gebouwd op een heuveltje en er zijn veel trapjes en doorkijkjes. Er lopen veel kinderen rond, die blijkbaar (in tegenstelling tot Joodse kinderen) niet naar school gaan. Eromheen, aan het water, is een enorme muur die door kruisvaarders is gebouwd.’ En zo gaat de beschrijving van het pittoreske stadje verder. Die kinderen liepen buiten op een woensdag en bij mijn weten was het geen feestdag.

En over een bezoek aan het oude deel van Jericho, waar ik een Amerikaanse vrouw ontmoette bij de opgravingen: ‘Met die Amerikaanse ben ik langs het refugeekamp naar een paleis van de één of andere sheik gelopen. We liepen langs de hoofdweg en nu tuuterden echt alle automobilisten. Ook Joden en militairen. (…) Terug naar Jerusalem kwamen we weer door het berggebied. Ik zag verschillende Bedouïnen-tentenkampen en schapenkuddes. Eigenlijk wel gek. Die mensen leven nog zowat in het stenen tijdperk terwijl boven hun hoofd militairen in supersonische straaljagers aan het oefenen waren.’

Aansluitend in de volgende alinea:
‘Wat het gevaar van rellen betreft. Dat is maar betrekkelijk. Het zijn meer incidenten en alle onlusten worden razendsnel de kop ingedrukt omdat er óvérál bewaking is. Bijvoorbeeld de toegangen naar de Klaagmuur. Daar staan op verschillende plaatsen minstens vijftig politieagenten en militairen. Iedereen die het terrein wil betreden wordt gefouilleerd.
De afgelopen dagen in Jerusalem zijn er verschillende relletjes geweest op nog geen twee kilometer afstand van mijn herberg, maar ik heb niets gemerkt. Ik heb de Dome of the Rock bezocht (Koepel van de Rots).’
Gevolgd door meer heilige en toeristische bezienswaardigheden. Yad Vashem maakte veel indruk.

Militairen waren inderdaad overal; ze hoorden bij het straatbeeld. Door hun aanwezigheid voelde ik mij veilig. In de woestijn keek niemand van zijn werk op wanneer er achter de heuvelrug militaire oefeningen waren. Dan was er een dof gerommel hoorbaar. Explosies in de verte maken hetzelfde geluid als onweer. Maanden later, toen ik al in Nederland terug was, dacht ik nog steeds bij onweer: ‘Oh, ze zijn zeker aan het oefenen.’ Zozeer was ik eraan gewend geraakt. In retrospectief vraag ik mij af of het wel altijd ‘oefeningen’ waren.

Dat ‘ik heb niets gemerkt’ in die brief was trouwens niet helemaal waar. (Mijn ouders lazen mee, vandaar.) Ik verbleef tijdens de eerste intifada enkele dagen in de christelijke wijk van Jeruzalem. Waar die intifada over ging, was mij globaal wel verteld. De traditionele winkeltjes in de oude binnenstad bleven uit protest gesloten. Dat vond ik jammer. En op een avond zei de Armeense herbergier dat het beter was om binnen te blijven. Achter de hoge muren en de gesloten poortdeur hoorde ik mensen rennen in het naastgelegen steegje.

Het heeft jaren geduurd voordat ik mij realiseerde dat je onmogelijk in zo’n land neutraal kan zijn. Bij iedere handeling maak je feitelijk keuzes tussen partijen. Ook al gebeurt dat onbewust.

Na lezing van de brieven en het reisjournaal haal ik mijn reisfotoboek tevoorschijn. En via internet zoek ik naar de twee plaatsen waarin ik verbleef. Voor het eerst zie ik er luchtfoto’s van. De omgeving rond de dorpjes is wat droger geworden; verder lijkt alles hetzelfde gebleven.

Tegelijk leer ik iets over de ontstaansgeschiedenis van beide plaatsen. De eerste ligt in het noorden en ‘was founded in 1949 by the movement on land that had belonged to the depopulated Arab village.’ Pardon? Dus dat betekent … ?

De tweede plaats ligt in de Negev-woestijn en staat vermeld in het Oude Testament. Tijdens mijn verblijf daar geniet ik vooral van de eenvoudige leefstijl. Even is mijn wereld klein. Ik ervaar er geborgenheid aan het eind van een lange reis op drie continenten. Zo wordt het een uitgelezen moment en plek voor bezinning.

Israël is geen makkelijk land om in te wonen. Iedereen betaalt een hoge prijs en de lontjes zijn kort. Pas nu vallen de passages op over inflatie en geldzorgen bij de gemeenschap in de woestijn. En ongemerkt is er altijd die dreiging. Zelfs op de luchtfoto is van grote afstand de omheining zichtbaar rond het dorp in die afgelegen vallei. De omheining is zes rijen dik en bestaat uit zes parallel geplaatste metalen hekken. Elk hek afzonderlijk is voorzien van meerdere rollen prikkeldraad boven elkaar. Dat was vast niet alleen om ’s nachts de rondzwervende woestijnwolven buiten te houden.

Desondanks voelde ik mij goed thuis in Israël. Het leven is er paradoxaal ook plezierig ongedwongen. Veel mensen zijn pragmatisch ingesteld. Het klimaat is aangenaam. Het openbaar vervoer is goed en je kan overal lekker eten. Daarbij was ik in Israël zeer welkom. (Heeft mijn nationaliteit nog altijd een streepje voor?)

Verder was het prettig en grappig dat ik er onopvallend als een local over straat kon gaan. Werkelijk iedereen dacht dat ik joods was. Qua haarkleur had het gekund, maar verder? Mijn vermeende ‘joodse’ trekken zijn eerder Frans. Wel schept de vluchtgeschiedenis van mijn Hugenoten-voorouders een soort lotsverbondenheid. Dus mogelijk is standvastigheid een gedeelde karaktertrek.

Israël heeft een belangrijke vormende rol gespeeld in mijn leven. Ik ben er mentaal gegroeid en wereldwijzer geworden. Desondanks duidt in 1989 nog weinig op een ontwakend maatschappelijk bewustzijn. Ik benoem dan vooral wensen qua concerten, werkrichting en relaties. Wel schemert er al een verlangen door naar een meer verstilde leefstijl.

Wat Israël betreft, zal ik nooit stelling nemen. Twee partijen menen evenveel recht te hebben op hetzelfde lapje grond. Grond die ook mij zeer dierbaar is. Mede daarom is het hartverscheurend om te zien waar zo’n uitzichtloze patstelling toe leidt.

Voettocht door de Australische woestijn

Gisteren zag ik op Canvas de film Tracks over Robyn Davidson’s fenomenale tocht door de Australische woestijn. In 1977 wandelde zij met haar hond en vier dromedarissen 2.700 km van Alice Springs naar de Indische Oceaan. Dat is zo’n beetje het droogste en dunst bevolkte deel van de outback. Het gebied is genadeloos. Zonder voorbereiding kan je er binnen een dag dood zijn. Maar ieder heeft zo zijn eigen reden om daarheen te gaan. Robyn zocht vooral de eenzaamheid op om tot zichzelf te komen.

Deze film heeft alle klassieke Australische elementen. De onmetelijke leegte van de overweldigende natuur speelt een hoofdrol. Je voelt de eenzaamheid en verlatenheid, zodra Robyn zich buiten de bewoonde wereld waagt. Het leven is hard, net als het klimaat. Robyn moet en wil alles zelf doen. Zeuren is voor losers, klagen doet ze niet. Woestijnbewoners gebruiken weinig woorden, die verspillen geen energie.

In Australische films krijgt ‘de goede’ het zwaar. Robyn moet inventief zijn en met onverwachtse uitdagingen omgaan. Niet alleen vanwege de dieren en de droogte. Maar ook omdat het onduidelijk is wie ze kan vertrouwen. Juist als het in de woestijn helemaal hopeloos wordt, duiken er vanuit het niets mensen op. Types ruwe bolster, blanke pit. Die bieden hulp en vangen haar op. Tussendoor is er humor. En o ja, uiteindelijk komt het allemaal goed. Ook met Robyn, die haar verdere leven aan reizen en nomaden wijdt.

In deze film herken ik situaties uit mijn eigen motorreis door Australië, dertig jaar geleden. Sommige scenes lijken overtrokken, maar dat hele land is nu eenmaal extreem. Zoals er bij Robyn ineens een motorrijder opduikt, ontmoette ik onderweg een Japanse wandelaar met een filmploeg achter zich aan. Als Robyn weken alleen in stilte is geweest, moet zij wennen aan de drukte van passanten. En dan zo’n lief ouder echtpaar in een knus huis te midden van grote verlatenheid (Glenayle homestead). Ze zijn er. Anno 2018 komen nieuwe woestijnbewoners vooral af op de hoge verdiensten in de mijnen.

Op de website van de Engelse Telegraph staan boeiende extracten uit het boek van Robyn Davidson over haar ervaringen. Petje af.

Onze toekomst staat in de sterren

Na publicatie van ‘BlackRock lost klimaatprobleem op’ volgt een reactie van Vuurklip. Het maakt niet uit wat we doen, schrijft hij, die klimaatverandering gaat toch door. Dat komt vooral door de zon en hoe de aarde daaromheen beweegt. Ik kijk op Wikipedia en besef het. Dat de mensheid als soort zeker zal verdwijnen. Alsof we er nooit zijn geweest. We kunnen dat moment hooguit een paar milliseconden uitstellen.

Ik moet denken aan de taferelen op de zijpanelen van Jeroen Bosch’ Laatste Oordeel. Hemel en hellevuur. Ze houden ons een toekomst voor na dit aardse leven. Dit gaat om meer dan onze eigen toekomst of de keuzes die onze kinderen krijgen. De hemel toont de mogelijkheden binnen ons aardse bestaan. Maar het hellevuur is de plek waar onze planeet uiteindelijk heen zal gaan.

Klimaatverandering maakt ons bang. Als het zeer geleidelijk gebeurt, behappen we het nog wel. En wij niet alleen. Ook veel planten- en diersoorten passen zich over lange periodes aan. Maar verandert onze leefwereld relatief snel, dan zal dat gepaard gaan met chaos en geweld.

Misschien zagen wij, aardse krabbelaars, de komende ondergang al eeuwenlang. Gewoon in de sterren van het heelal.

Binnen een milliseconde in eeuwigheid volgen nu razendsnel veranderingen. Eerst een bevolkingsexplosie in Afrika. Vervuiling en roofbouw op natuurlijke middelen gaan voorlopig nog versneld door. Dan ontstaat droogte waar nu water is en kou waar het nu warm is. En andersom. Wat leidt tot massale volksverhuizingen. Toekomstige woestenijen worden de nieuwe wildernis. Huidige woestijnen zullen na regenval weer vruchtbaar blijken. Indien er dan nog bijen zijn. Want de uitdaging is om deze veranderingen samen met flora en fauna te overbruggen.

Wat in vele millennia daarna volgt, is een grijs gebied. Maar dat hellepaneel van Jeroen Bosch wordt ooit werkelijkheid. Namelijk wanneer de zon de aarde droog kookt. Dat is onze verre toekomst. Dus zou ik zeggen: maak er tot dan het beste van.

In de woestijn, Libië, 29 december 2005

auto in woestijnOm verder te kunnen rijden, vervolgen we de reis in four wheel drives. De bestuurders daarvan zijn vertrouwd met de woestijn. Samen met enkele groepsleden stap ik op goed geluk bij één van hen in. Wat zijn auto betreft, is dat misschien geen beste keus. Het raam naast mij is half geblindeerd met ondoorzichtig zwart plastic. Maar in andere opzichten ben ik heel tevreden. Hamza is duidelijk een slimme, ervaren chauffeur met flair. Over zijn lange broek draagt hij een zwarte wollen djellaba. Het vriest hier ’s nachts flink.

Uit de speakers klinkt erg goede Arabische muziek. Hamza houdt zichtbaar van stevig doorrijden in dit gebied. Wat ik prachtig vind, is dat zijn auto behoorlijk afgeragd is. De voorruit is gebroken. Alles zit los en is versleten. In plaats van glas, is de achterruit een hardboard plaat. En, geheel zoals het hoort, ligt er een bontje op het dashboard. Kortom, die auto is hier helemaal thuis.

(Na zes dagen in de woestijn vertelde degene die meestal naast hem zat, dat de rem al die tijd kapot was. Afremmen deed Hamza op zijn koppeling en met de handrem. Ach, er was toch vaak geen weg en verkeer zagen we amper.)

De hele dag zijn we onderweg naar Ghat. De woestijn is hier vrij eentonig. Slechts af en toe zien we een groene wadi. Eenmaal aangekomen, zetten we eerst onze tenten op. Het blijkt dat we met onze neus in de boter zijn gevallen. Want er is juist nu een groot Toeareg festival in de stad. Toearegs uit alle windstreken en van over de grens komen daarop af. Hele groepen hebben dagenlang op kamelen gereisd. We gaan er ’s avonds heen en deze keer zit ik naast de chauffeur. Die zet gelijk zijn meest smachtende habibi-cassettebandje op. Ha, ha. Ik ben zeker twintig jaar ouder dan hij.

Toeareg hoofddoekIk heb al veel islamitische en Arabische landen bezocht, maar in Ghat kijk ik echt nog mijn ogen uit. Overal lopen mannen in lange gewaden met hoofddoeken. Daarvan hebben ze een deel voor hun gezicht omgeslagen. Hun kamelen hebben prachtig bewerkte leren zadels. Ook tassen, zweepjes en zwaarden zijn bijzonder fraai versierd. Veel Toeareg zijn zwart, maar hebben wel scherpere trekken dan sub-Sahara Afrikanen. Vrouwen zijn grotendeels afwezig, behalve op het festivalterrein. Daar dragen ze de felgekleurde glitterjurken die van Iran tot in Marokko geliefd zijn. Sommigen zien er Arabisch uit en hebben een heel lichte huid.

Toeareg vrouwenBuiten staat een podium aan de voet van de rots met het kasteel. Onze lokale gids uit Tripoli loopt weer eens gewichtig te doen in zijn beste berberkostuum. Hij weet wel mooi van alles te regelen. Zoals een interview voor de Libische tv met onze Nederlandse gids. Ook krijgen wij plaatsen op de eerste gewone rij toegewezen. Direct achter de leren fauteuils voor de hoogwaardigheidsbekleders. We nemen plaats onder luid protest van een groep Belgen die daardoor hun geprivilegieerde positie verliezen. Na (zoals gewoonlijk) erg lang wachten, arriveren de belangrijkste gasten. Wanneer die eindelijk op hun leren stoelen gaan zitten, barst het festival echt los. De ene na de andere zingende en dansende groep treedt op. Allemaal strikt gescheiden naar geslacht en schitterend uitgedost. Het gaat de hele nacht door.

Vlucht over Soedan

‘… augustus 2005 dus, een zondag, was de dag van mijn vertrek. … Het begon met bewolking, maar bij Italië (oostelijke kustlijn) vlogen we in stralend weer. Toen volgde de Middellandse Zee en daar doemden de blakerende kust en het achterland van Afrika op. Dat was ter hoogte van Benghazi in Libië. In onze capsule vol goede voorzieningen en allerlei soorten hapjes en drankjes vlogen we over een gebied zonder leven, althans zo leek het. Er was alleen bijna wit geblakerd zand, en kale crèmekleurige rotsen staken er tussenuit. Maar opeens verschenen er cirkels met donkere ondergrond in een spoor van wat op een onderaards watersysteem zoals in Marokko leek. Dat bleken geïrrigeerde stukken grond te zijn. Ook waren er plaatsen waar ogenschijnlijk niets was, maar waar uit alle richtingen autosporen naartoe liepen. Nog verder landinwaarts was, afgezien van een schone asfaltweg met een pijplijn (?) ernaast, echt helemaal geen teken van leven meer. 

Bij de rechter onderhoek in de met liniaal getrokken grens tussen Libië en Soedan vlogen we het luchtruim boven mijn nieuwe ‘concentratie’ land binnen. De aarde werd eerst zachtroze, daarna iets meer oranje en er waren sporen van rivieren, maar nog steeds zag ik niets wat op de aanwezigheid van mensen duidde, en evenmin op begroeiing. Dit was voor mij toch een heel nieuw landschap. Opeens zag ik allemaal stipjes langs de droge wadi’s en ineens drong het door dat dat bomen of struiken waren. Nu kwamen er ook stukken grond in beeld die geheel verlaten leken, maar waar duidelijk akkerbouw had plaatsgevonden. Alsof het restanten van een oude verdwenen beschaving waren.

Gezichtsbedrog, want nog weer verder verschenen de eerste wazig groene stukken gecultiveerde grond en iets wat op een huttendorp leek. We vlogen bijna recht diagonaal naar het rechter puntje van Oeganda en kwamen over puur, ongerept oerwoud. En toen het steeds neveliger en donkerder werd, over een enorm moerasgebied vol kronkelende rivieren. Nog had ik hoegenaamd geen bewoond gebied gezien. Waarom vechten ze toch zo als ze zo’n overvloed aan ruimte hebben? Waarom trekken vluchtelingen niet massaal het oerwoud in? Is het daar nog gevaarlijker of is dat bos vergeven van de spirits? In elk geval kreeg ik letterlijk een dwarsdoorsnede van Soedan te zien. Tegen de tijd dat wij boven Kenia vlogen, was het al donker. Totdat de lichten van Nairobi onder ons verschenen. …’

Zomaar een stukje uit mijn reis- en verblijfsverslag naar en in Kenia-Nederland-Libië-Kenia-Ethiopië-Kenia. De grote ontbrekende was Soedan. And that has made all the difference.

Kaart overgenomen van http://afrika-kaart.blogspot.nl/2011/10/kaart-afrika-reizen.html.

De ring

Tijdens een vakantie koop ik twee opalen in Coober Pedy, Australië. Daarna liggen ze opgesloten in een kistje te wachten. Al mijn geld gaat naar twee vervolgreizen door hun land. Zes jaar later bezoek ik thuis eindelijk een goudsmid. Ik vertel hem exact wat ik wil hebben en hoop dat het duidelijk overkomt. Een geelgouden ring waarvan het oppervlak net zo grof is als een deels afgebroken steen. Want op een ruwe achtergrond komen deze opalen het mooist tot hun recht.

Opaal bevat water en zit in zandsteen. Ik wil de grillige muren van de mijn nabootsen waar deze edelstenen vandaan komen. Op vakantie heb ik zo’n mijn bezocht. Als basis zal de goudsmid een trouwring gebruiken. Dat is van symbolische waarde vanwege mijn band met het land. Verwachtingsvol kijk ik uit naar het moment waarop ik hem aan mijn vinger kan doen.

Het resultaat pakt een beetje anders uit dan gedacht. Eerst ben ik teleurgesteld. Het ziet er veel gladder uit dan ik wilde. Maar dan maakt de vrouw van de goudsmid een aanprijzende opmerking. Een opmerking die fouter is dan fout. Ze noemt de ring ‘schattig’. Schattig? Schattig? Mens, weet je wel waar die stenen voor staan?

Ze komen uit een gebied waar mijnwerkers letterlijk in een caravan boven het gat van hun mijn bivakkeren. Zij dragen dag en nacht een pistool en laten de ingang geen moment alleen. Het krioelt er van de maffiose Italianen en andere bonte figuren. Ze werken bij een temperatuur van 40 graden Celsius in een stoffige woestijn. In een afgelegen gebied waar de sfeer niet onderdoet voor het oude Wilde Westen. Alsof het binnenland van Australië schattig is!

Ik kijk nog eens goed naar de ring en dan zie ik ze. Twee glimmende slangenogen die mysterieus van kleur verschieten bij elke beweging. Blauw, groen, geel, oranje en een vuurflits rood. Gevaar, aantrekkingskracht en a real beaut ineen. Precies Australië. Wat wil ik nog meer?

Wachten op de foodtruck

Foodtrucks, zo lees ik, zijn mobiele verkoopwagens die van de ene naar de andere vaste locatie rijden en daar goed voedsel verkopen. Ik heb heel andere herinneringen aan dit woord.

Ze duiken regelmatig op bij hippe markten en trendy gelegenheden. Mensen die zelf een bestelbus of bouwkeet omtoveren tot restaurant of minibakkerij. De een maakt ecologische quiche taartjes, de ander schenkt heel speciale koffie. Je hebt er met biofriet of met fushion salades. Dat kan je ter plekke aan een bijzettafeltje verorberen. De doorsnee patatwagen, ijsboer en Vietnamese loempiaman tellen niet mee.

Ik woonde eens in een woestijn. Ons dorpje lag twee kilometer van een doorgaande weg af. Daarop passeerde af en toe een auto. Eromheen slechts zand, steen en stof. De meest nabije stad lag vijftig kilometer zuidwaarts. In het noorden was een benzinestation, tien kilometer verderop. Ons dorp telde één winkel. Die had een koelkast, een vriezer en planken aan de muur. De rest van de schamele koopwaar stond in dozen op de grond.

De foodtruck kwam eens per week naar de winkel met nieuwe voorraad. Dan moest je er als de kippen bij zijn. Had de chauffeur geen aardappelen gebracht, dan at je de rest van de week rijst. Meer smaken basisvoedsel waren ze niet. Was hij te laat, dan kwam je de dag daarna maar terug. Na vijf maanden was ik weer in Nederland. Ik zal het eerstvolgende bezoek aan de supermarkt nooit meer vergeten. Wat een overvloed!

En wat wen je daar weer gauw aan. Toch was het een prima ervaring. Je bent al snel rijk wanneer je niet zo hecht aan een westerse leefstijl.