Iedereen wil coach zijn

Als je in kringen van oudere werkzoekenden verkeert, kom je ze nogal eens tegen. Mensen die coach willen worden of dat al zijn. Het viel mij in 2008 al op hoeveel mensen dit beroep ambiëren. In dat jaar volgde ik een coaching traject bij een gerenommeerd bureau. Het doel was herbezinning op mijn loopbaan, om daarna elders verder te gaan.

Dat traject heb ik als een warm bad ervaren. De locatie was een prachtige oude Haagse villa waar deelnemers in een prettige sfeer ervaringen konden uitwisselen. Er waren workshops, groepssessies, individuele persoonlijke gesprekken en volop kansen om te netwerken. Veel veertigers en vijftigers in mijn ‘lichting’ hadden een interessant verhaal. Een vaste vraag was of je al wist op welk beroep je je wilde oriënteren. Opvallend veel deelnemers ambieerden de zelfstandige functie van coach. Onze eigen coaches dienden als goed voorbeeld.

Vreemd is die keuze niet. Boven de veertig heb je al heel wat lief en leed meegemaakt. Je beschikt over de nodige levenservaring. Zo weet je waarover je praat als iemand met een vergelijkbaar probleem om hulp vraagt. Dat coachen lijkt aangenaam. Je gaat samen rustig en in vertrouwen het gesprek aan. En het is fascinerend om te zien welke beweegredenen andere mensen hebben en hoe ze met elkaar omgaan. Coaching is betekenisvol werk wanneer je iemand daadwerkelijk kan helpen. Misschien geeft dat wel veel meer voldoening dan het werk wat je eerder hebt gedaan.

Als bijkomend voordeel kan je zo beginnen en tegelijk werken aan je professionele ontwikkeling. Even inschrijven bij de Kamer van Koophandel en klaar. Terwijl je nog een vakinhoudelijke cursus volgt, start je gewoon alvast een bureau. Inmiddels telt het Handelsregister 63.000 coaches. Dat is een stijging van 66% sinds 2014. (Bron cijfers: ‘Het begrip coach is uitgehold’, de Volkskrant, 12 maart 2019.) Ik durf te wedden dat de stijging tussen 2008 en 2014 zeker even hoog was.

Sinds dat traject ontmoet ik nog regelmatig coaches. Bijvoorbeeld bij de werkgroep voor en door werkzoekenden. Al vijf jaar lang wordt daar om de week een workshop gegeven door vrijwilligers. Menige trainer is zelf coach of wil coach worden. Degenen die in nog opleiding zijn, ontmoeten er mensen om hun coaching talent mee te oefenen. En de coaches die al een praktijk hebben, zoeken er naar klandizie. Ik ben heel benieuwd hoeveel van die 63.000 coaches in realiteit parttime of volledig werkloos zijn.

Brokstukken van een burn-out (2)

‘En toen, maakte je keuzes (of werden ze gemaakt) waardoor het beter werd voor jou? Wat was daarin het belangrijkste, ander werk, andere omgeving?’, vraagt Petronella onder het voorgaande logje over de brokstukken van een burn-out. (Bedankt hiervoor.) Jouw reactie komt binnen wanneer ik besef dat het laatste woord nog niet is gezegd. Want er zijn positieve en negatieve gevolgen: financieel en mentaal, voor mijn relaties, carrière en persoonlijke perspectieven. Al moet ik zelfs nu, tien jaar later, nog afwachten waar de nasleep van die burn-out uiteindelijk toe zal leiden.

Dat het inderdaad een burn-out was, is nu wel aannemelijk. In mijn geval waren de klachten direct gerelateerd aan een werksituatie vol stressfactoren. Dan lijkt de oplossing eenvoudig. Een andere functie binnen de organisatie of baan daarbuiten zoeken en weer fris verder. Want aan die stressfactoren zelf viel weinig te doen. Maar een alternatieve interne functie was niet aan de orde. En vooraf was duidelijk dat elders een baan vinden, ook heel lastig zou worden.

Mijn leeftijd en ongebruikelijke loopbaan, de crisis en de weinige vacatures binnen de sector speelden rond 2009 elk een rol. Daardoor kwam ik voor het blok te staan. Want ziek melden was geen optie. Dan had ik een zwaar frustrerend traject in gemoeten, waaraan de gedachte alleen al mij alle energie ontnam. Over de vervolgstappen heb ik zwijgplicht.

Een eigen bedrijf, waarmee ik naast mijn baan al was gestart, is niet goed van de grond gekomen. Later, toen ik na diverse tijdelijke contracten tussen alle regels in viel en geen enkel inkomen meer had, kwam de twijfel. Had ik mij toch gewoon ziek moeten melden? Dat doet tenslotte iedereen. Was ik dan beter af geweest? Op de praktische consequenties schrijf ik een beschouwing in een volgend log.

Persoonlijk vind ik de vraag of je blijvende klachten aan een burn-out overhoudt belangrijk. Wat doet het mentaal met je? En met je lichaam: hoeveel langdurige spanning door negatieve stress kan dat aan?

Volgens arbeids- en organisatiepsycholoog Wilmar Schaufeli zijn werk gerelateerde stressklachten ‘een van de belangrijkste redenen waarom mensen door het UWV worden afgekeurd.’* Hieruit blijkt al dat je jarenlang uitgerangeerd kan blijven. Periodiek krijgen uitkeringsgerechtigden een herkeuring. Dan kan een verzekeringsarts een eerdere afkeuring herzien of verlengen. Na een burn-out kan je ook gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden verklaard. Daarna verricht je met een gedeeltelijke uitkering aangepast werk of maak je minder uren. Toch zijn er evengoed mensen die er weer helemaal bovenop komen.

Wat ik bij mezelf leek te bespeuren, was dat ik achteraf mentaal minder aan kon, in allerlei opzichten. Eenmaal weg bij die organisatie zocht ik naar ander werk. Thuis ebden de spanning en de stress grotendeels weg. En daarmee verdwenen de fysieke klachten ook al snel. Maar er hoefde maar dít te gebeuren of de spanning kwam in volle omvang terug. Het minste bracht mij al uit balans en zorgde voor stress.

Terwijl ik vroeger redelijk nonchalant telefonisch naar een vacature kon informeren [gewoon even inbeelden dat je het kan], schoot ik nu bij voorbaat al compleet in een kramp. Het idee dat er weer iets van mij werd verwacht. Dat ik moest presteren. Dat mijn stem helder moest klinken. Dat ik geen enkele fout mocht maken. Dat ik moest voldoen aan het beeld dat men had van een ideale kandidaat. Whatever dat beeld ook was. Ik ging er zowat van hyperventileren. Of eigenlijk deed ik dat al.

Faalangst, echt verlammende faalangst. Terwijl ik dacht dat ik daar toch aardig overheen was. Maar er zat inmiddels een nieuwe generatie aan de andere kant van de lijn. Ineens waren de taal en voorwaarden op de arbeidsmarkt gewijzigd. Zomaar, terwijl ik even met wat andere zaken bezig was geweest. Alsof heel mijn CV plotseling waardeloos was.

Het leek ook wel alsof de prikkels van buitenaf heftiger binnenkwamen. En het leven in een studentenstad midden in de Randstad is woelig. Ik had behoefte aan echte stilte, en die was nergens meer te vinden. Zodra ik buiten kwam, ontstond er een sluimerend gevoel van onrust. Alsof je permanent alert moet zijn. Het vermoeide mij steeds meer. Daarom ben ik later verhuisd naar een dorp in een andere provincie.

Toen ik weer tijdelijk werk kreeg, bespeurde ik een ander opvallend verschil met voorheen. Want waar ik gaandeweg had geleerd om soepel met ad-hoc situaties om te gaan, leken mijn improvisatievermogen en flexibiliteit ineens deels verdwenen. Was er tijdens die burn-out iets beschadigd geraakt? Was mentaal de rek eruit? Kon ik niet langer snel genoeg denken? Waar waren mijn mentale elasticiteit en wendbaarheid gebleven?

Nu heb ik onder normale omstandigheden nergens last van. Zet mij in een hoekje, laat mij zelfstandig onderzoek doen, websites bijhouden, gegevens ordenen of teksten schrijven en alles loopt op rolletjes. Om informatie te vergaren bel ik zonder schroom met Jan en alleman. Maar zodra ik te veel druk ervaar of met complexe vragen worstel, duiken de symptomen weer op. Hoofdpijn, moeilijk in slaap komen. Tot op zekere hoogte leer je met mentale druk omgaan. Bijvoorbeeld door tijd te winnen om na te denken.

Toch heb ik uiteindelijk iets van mijn veerkracht verloren. Er valt nog wel wat aan te doen via bewuste keuzes, ontspanning en mindfulness. Maar heb je eenmaal een burn-out gehad, dan ben je vatbaarder voor een volgende. Dat is een gegeven. Daarom valt voor mij nu een aantal hectische functies af die ik eerder wel aan kon. Wordt er met reden ‘stressbestendig’ of ‘tien ballen tegelijk in de lucht houden’ vermeld in een vacature, dan pas ik. Want das war einmal. En ik moet er niet meer aan denken ook.

Voor * zie Ianthe Sahadat en Margreet Vermeulen, beschouwing Opgebrand, de Volkskrant, Sir Edmund, 5 januari 2019.

Slim bezig

Rondom de koffietafel zit Hollands welvaren. De meeste tafelgenoten hebben hard gewerkt en hun schaapjes op het droge. Hun kinderen kregen een goede opleiding en bezitten eveneens een koopwoning. Daar zit nog wel een hypotheek op. Het gaat allemaal prima. Al dringt het wereldwijde spel van vraag en aanbod sluipenderwijs hun leven binnen. Want als je slim bent, koop je je spullen op Alibaba voor een tiende van de normale prijs.

Gisteren kwam VPRO Tegenlicht met de klik- en kluseconomie op tv. Daarin laat Roland Duong zien hoe een online platform werkt. Stel, je bent tekstschrijver of websiteprogrammeur en Engels is jouw werktaal. Dan concurreer je met de hele wereld op zo’n platform. Ik heb dat ook even overwogen. Maar hoe wil je rondkomen van het bedrag waarvoor een Indiër zo’n klus uitvoert?

Ik hou mijn mond over de gevolgen van bestellen bij Alibaba. Over dergelijke onderwerpen hebben we het al vaker gehad. Veel mensen voelen zich bekocht als ze een ‘eerlijke’ prijs betalen. En de buurman doet het toch ook? Zelf sta ik bij een aankoop evengoed weleens in dubio.

Ik betwijfel daarom of de huidige vorm van democratie nog het antwoord biedt op vraagstukken over een gezamenlijke toekomst. Misschien hebben we een Commissie van Wijzen nodig en een mengvorm met een Sterke Man. Maar dan wel een m/v die zich wereldwijd inzet voor het algemeen belang.

Werkzoekende death by algorithm

Vriendin en manager E. wil weten hoe het nu staat met werk vinden. ‘Werk’ is een onderwerp waar ik verschillend op reageer. Afhankelijk van mijn gesprekspartner en stemming is dat berustend, verbolgen, bevlogen of zwaar gefrustreerd. Ik vertel over de barrières op de arbeidsmarkt en over de mitsen en maren. Zoals dat ik niet door het systeem heen kom. ‘Wat erg toch, want je kan zo veel. Daar zal toch vraag naar zijn.’, zegt zij.

Ook E. loopt als manager tegen barrières op. Want haar werkgever (de overheid) wil het aantal fte’s beperkt houden. Dus moet zij waanzinnig dure zzp’ers inhuren en voor elke flutklus een vreselijk bureaucratische aanvraag- en goedkeuringsprocedure doorwerken. Mocht er weer een klus komen, dan zouden we allebei liever kiezen voor een tijdelijk dienstverband.

Het systeem leidt tot een enorme verspilling van kwaliteiten, zowel die van haar als van mij. Want bij haar zijn de ondersteunende medewerkers wegbezuinigd. Dus moet ze zelf formuliertjes invullen. En mijn kwaliteiten kunnen bij diverse werkgevers goed worden ingezet. Maar er ontstaat geen match, omdat ze blindvaren op algoritmes voor werving- en selectie-doeleinden. Mijn CV past niet in een digitaal hokje en ikzelf evenmin. Er bestaat zelfs een uitdrukking voor deze situatie: death by algorithm.

Gelukkig begint de krapte op de arbeidsmarkt nu zodanig te wringen dat zelfs werkgevers aan introspectie doen. Zou er dan toch iets verkeerd gaan? Misschien schrijven ze wel te veel mensen bij voorbaat af. Misschien zijn de huidige algoritmes toch te beperkt. En misschien, heel misschien, is werving en selectie ook mensenwerk.

Dat er bij werkgevers iets begint te dagen, blijkt uit ‘Onze kijk op werk is gedateerd’ op pagina 15 van hun rapport Wegwerkzaamheden. Tien ideeën voor de wereld van werk. De ideeën in het rapport zijn lezenswaardig. Al zullen sommige daarvan déjà vu gevoelens oproepen bij trouwe volgers van Raam Open.

Efficiëntie verscherpt driedeling in Nederland

Een bekende van mij gaat over zes weken met pensioen. Ze kan wat eerder stoppen en kijkt daar al jaren naar uit. Op haar werk in de reclassering zit het halve team thuis met een burn-out. Daarom hebben de overgebleven collega’s dossiers overgenomen. Ze worstelt met het extra werk en de komende overdracht. ‘Maar’, relativeert ze, ‘dan heb je moeite gedaan om je in zo’n dossier te verdiepen en dan komt de cliënt niet voor zijn afspraak opdagen.’

Alles seinen staan op groen voor het bedrijfsleven. Ondanks bureaucratie werken we efficiënt. Wereldwijd gezien, leveren we per gewerkt uur op zes landen na de hoogste bijdrage aan het bruto nationaal product. (Bron: CBS) Milieu- en belastingregels zijn ten faveure van ondernemingen. En tegelijk zijn subsidies geschrapt. Er moesten keuzes worden gemaakt. Sociale werkplaatsen verdwijnen, verzorgingshuizen worden omgebouwd. Iedereen moet zelf meekomen.

Onze land beleeft gouden tijden, maar ik zie een steeds scherpere driedeling. Aan top staan degenen met een redelijk tot goed inkomen en gunstige regelingen. Vaak zijn zij hoogopgeleid en ondernemend. De middengroep heeft amper zekerheden. Bijna twee miljoen mensen werkt inmiddels op een tijdelijk contract. Anderen hebben nog wel een vast dienstverband. Maar dat zegt weinig tegenwoordig. Hoe meer je een maatschappij zakelijk en efficiënt inricht, hoe meer mensen tot de leftovers zullen behoren. Dat is de derde groep.

De werkloosheid is in Nederland nu zo laag, dat alleen nog de ‘probleem-gevallen’ thuis zitten. Mensen waar wat aan mankeert: leeftijd, afkomst, mentaliteit, een handicapje. Die willen de werkgevers niet hebben. Want in een efficiënte samenleving is geen ruimte voor afwijkingen. Er werken circa 865.000 arbeidsmigranten in Nederland. Die passen goed in het plaatje. Daartegenover staat nog altijd ruim een miljoen mensen (met of zonder uitkering) aan de kant. Het is maar net wat je onder efficiëntie verstaat in een land.

Sommige hulpverleners zijn gewoon asociaal

De Volkskrant volgt het leven van een Syrische asielzoeker. De man is duiker van beroep en inmiddels als vluchteling erkend. Hij heeft zijn gezin naar Nederland gehaald, zit op taalles en zoekt werk. Met de taal en het werk schiet het niet op. Vorig jaar kon hij wel als fruitplukker aan de slag. ‘Maar’, zei een hulpverlener, ‘dan verdien je nauwelijks meer dan wat je nu aan bijstand ontvangt.’ Hij raadde hem het werk af. Vandaag las ik in dezelfde krant dat slechts 10.5% van de Syrische statushouders hier na dertig maanden werk heeft.

Het lijkt me nogal een overgang voor Syriërs en andere asielzoekers. In veel landen van herkomst bestaat nul komma nul bijstand. Krijg je wel hulp, bijvoorbeeld van de moskee, een zakenman of een gefortuneerd familielid, dan kan je er vergif op innemen dat er een tegenprestatie wordt verwacht. In welke vorm dan ook. En is het niet meteen, dan komt dat gegarandeerd later. Kan je zelf niet presteren, dan moet je zoon dat waarschijnlijk doen. Kwestie van reciprociteit. Voor niks gaat de zon op. Trauma of geen trauma. Dat is overal zo.

En dan beland je in Nederland, waar je een verblijfsstatus krijgt. Plus een woning, geld, huisraad, kleding, scholing voor je kinderen, gezondheidszorg, en de rest. Je was in Syrië al wel een zekere welvaart gewend. Anders had je voor die hele reis onvoldoende geld gehad. Dan was je lot nu aanzienlijk erbarmelijker geweest. Dan werd je nu in een Turkse fabriek uitgebuit. Of zat je nu in een Libanees tentenkamp.

Wellicht bezit je zelfs nog een huis, dat niet is gebombardeerd. Naar verhouding gaat het je eigenlijk best goed dus. En je hebt een waardevol diploma op zak. Ook al kom je daarmee in dit land niet aan de bak. Dus als die hulpverlener zegt dat je dat fruit niet hoeft te plukken, dan ga je je toch zeker niet in het zweet werken? Dat doen de gastarbeiders en de ongeschoolden maar. In het Midden-Oosten werkt het tenslotte net zo.

Ik ken geen recent erkende vluchtelingen. Maar als ze zo denken, dan begrijp ik dat best. Wat ik minder begrijp, is waardoor zo’n hulpverlener meent dat hij namens de hele Nederlandse bevolking wetgever mag spelen. Al vindt hij dit vast heel sosijalisties van zichzelf.

Voordelen van de zeven hoofdzonden – 5 Hoogmoed

Men zegt dat hoogmoed of ijdelheid (Superbia) de ergste is van alle hoofdzonden. Ben je hoogmoedig, dan vind je jezelf belangrijker en beter dan de rest. Narcisten hebben hier flink last van; die zijn verliefd op zichzelf. En narcisten zijn hele nare mensen. Ik heb ooit voor zo iemand gewerkt. Wat kan dan een voordeel zijn van deze hoofdzonde? Want daar zoek ik naar in deze serie.

Vermoedelijk krijgen hoogmoedige mensen te weinig tegenslag. Alles gaat goed. Ze komen uit een welvarende familie of ze zien er aantrekkelijk uit (vinden ze zelf). Ze kunnen makkelijk studeren en zijn nooit erg ziek. Verder zijn ze gewend om te winnen. Wellicht werken ze hard om te slagen, maar dat lukt hen ook altijd. En zo niet, dan ligt dat aan een ander. Want zij begaan nooit een fout.

Hoogmoedige mensen kunnen zich niet voorstellen hoe het is om te leven met vette pech. Bijvoorbeeld omdat je echt niet kan leren. Of omdat je voortdurend last hebt van een slechte gezondheid. Volgens hoogmoedige mensen doe je dan niet genoeg je best. En verder zal je je wel aanstellen.

Soms gaan hoogmoedige mensen pas op de knieën wanneer ze zelf worden geconfronteerd met pech. Krijgen zij een handicap, dan leren ze eindelijk hoe belemmerend dat is. Met wat geluk krijgen ze dan meer begrip voor ‘zwakkeren’. Ik heb herhaaldelijk zulke mensen ontmoet nadat ze hun baan hadden verloren, en als 50-plusser ontdekten dat geen hond hen nog nodig had.

Volgens onderzoek heeft hoogmoed trouwens een vergelijkbaar effect als de fake it till you make it-aanpak. ‘Door onszelf te overbluffen, bluffen we anderen af.’, staat in het artikel ‘Hou jezelf voor de gek’ in de Groene Amsterdammer. Zo kan hoogmoed dus leiden tot succes. Maar of dat nu werkelijk zo’n voordeel is?