Voorsorteren op je volgende baan

‘Eén van de nuttigste tips die ik ooit kreeg, veel belangrijker dan je kleding of hoe je praat, was: je moet voorsorteren binnen je baan, door de ingrediënten uit te zoeken die je interesseren en extra taken naar je toe te trekken. Dan … zorg je wel dat je al aan de kant zit die jou interesseert, zodat, als de kans dan komt, iedereen denkt: zij is de beste kandidaat!’ Dit zegt Judith Kamalski, directeur academische zaken bij de Universiteit Maastricht, in een interview over het boek Nice girls don’t get the corner office. (Volkskrant Magazine, 9 februari 2019.)

Voor een sollicitatiegesprek blijft het goed om je kleding op de werkgever af te stemmen. En vrouwen met een hoog stemmetje kunnen inderdaad beter op een lagere toon praten, willen ze door sommige mannen serieus worden genomen. Maar kleine ‘tekortkomingen’ worden vanzelf ondergeschikt als je aantoont dat je de juiste expertise hebt.

Dat is precies waarop ik hoop. Onlangs heb ik visitekaartjes c.q. business cards laten drukken. Gewoon op mijn eigen naam, zonder dat ik een bedrijf heb of voor een organisatie werk. Want als passieve werkzoekende voelde ik mij een beetje niksig, zo zonder business card. Bij vorige banen had ik tenslotte ook kaartjes met mijn naam en functie erop. Ik bleef ze maar missen. Vooral als ik iemand sprak die zakelijke interesse had voor wat ik te bieden heb.

Natuurlijk is er LinkedIn, maar vorig jaar heb ik welbewust mijn account gewist. Als alternatief verwees ik sindsdien naar mijn website met familiegeschiedenis. Want daarop komt alles samen: mijn vaardigheden, expertise en interessegebieden. What you see is what you get; indachtig aan het idee uit bovenstaand citaat. En er staat een tekst op over mezelf. Toch was het niet ideaal.

Daarom heb ik maatregelen getroffen. Mijn familiewebsite is nu reclamevrij. Verder heb ik de url ingekort, zodat je hem goed kan onthouden. En voor geïnteresseerden zijn er nu die visitekaartjes. Behalve mijn naam en contactgegevens, staan daar de werkzaamheden op die ik het liefste verricht. Namelijk: onderzoek, gegevensbeheer, informatieve teksten schrijven en projectadministratie.

Dus als het zo uitkomt, kan ik kort vertellen wat ik doe, voor voorbeelden naar de website verwijzen en gelijk een kaartje overhandigen. Bij de kring voor werkzoekenden vonden ze dit een goed en origineel idee.

Geld aannemen of niet?

Na een wandeling rolt er een knoop van mijn oude winterjas af. Ik naai hem weer vast. Die jas kocht ik in 2009, zes maanden na het einde van mijn laatste vaste baan. Het was toen een welbewuste aanschaf. Want ik voorvoelde dat ik mogelijk geen vast werk meer zou vinden. Laat staan werk dat inhoudelijk evenveel voldoening gaf.

Uit voorzorg verving ik overtollige spullen door goederen die jarenlang hun waarde behouden. Zoals degelijke huishoudelijke apparaten. Een paar stevige laarzen. Die warme winterjas waarmee ik overal goed voor de dag kom. Klassieke kledingstukken van kwaliteitsmateriaal. En later, op mijn nieuwe adres, liet ik gelijk al het onderhoud plegen dat nodig was. Zodat ik nog jaren vooruit kon.

Met vriendin F wandel ik van Amersfoort naar Hoevelaken. Ook zij is na een reorganisatie weg gegaan. Het verschil is dat zij als hooggeplaatste provincieambtenaar een riante regeling kreeg. Financieel gezien gaat het haar uitstekend. Feitelijk weet ze niet wat ze met al haar geld aan moet.

Meer vrienden en vriendinnen staan er zo voor. We hebben allemaal een huis in eigendom. Of twee. Of zelfs drie. Dat krijg je met vijftigers en zestigers die het tij jarenlang mee hebben gehad. Een aantal van hen kon tijdig de dans ontspringen op de arbeidsmarkt.

Buiten de stadsmuren van Amersfoort vertelt vriendin F over actuele tentoonstellingen. Ze noemt die over Nubië en vraagt of ik er naartoe ga. Maar Nubië ligt in het huidige Soedan. En Soedan raakt nog altijd een enigszins gevoelige snaar. Want Soedan staat gelijk aan een niet doorgegane dienstreis die het begin van het einde van mijn carrière heeft ingeluid.

Pas jaren later heb ik beseft dat het een hoe dan ook aflopende zaak was. Alleen ben ik degene bij wie alles anders is gegaan.

Vriendin F kan hard zijn. ‘Het was je eigen keus’, zegt zij weleens. Daarmee bedoelt ze dat ik mij uiteindelijk bij een noodgedwongen vertrek heb neergelegd. Dat is waar, maar hier kleeft wel een geschiedenis aan. En mijn gezondheid ging eraan. Dat is een nuancering waar niemand omheen kan.

Vriendin F weet hoe ver ik mijn uitgavenpatroon heb teruggeschroefd. Ze werd er vanzelf mee geconfronteerd, omdat ik niet langer dezelfde leefstijl aanhield. Enkele anderen kregen daar moeite mee en hebben me mijn ‘keuze’ verweten. Hen hoef ik niet meer te zien. Vriendin F doet stevige uitspraken, maar zij is wel voor rede vatbaar en gaat beter met de situatie om.

Vlakbij Hoevelaken biedt ze het voor de tweede keer aan. Als ik dat wil, kan ik zo geld van haar krijgen. Maar ik wil dat niet. Ik heb nog genoeg en mede daardoor kan ik zonder afgunst naar de welvaart van anderen kijken.

Of naar het geluk dat ze toevallig hebben. Want neem nu de kinderen van mijn buurvrouw. Zij krijgen als startkapitaal alles mee aan intellect, contacten, mensenkennis en opleiding. Het is meer dan zo veel anderen ontvangen op de drempel naar volwassenheid.

Ik zou pas geld willen aannemen als het echt niet anders kon. En dan nog op uitdrukkelijke voorwaarde dat er geen enkele voorwaarde aan wordt verbonden.

Hoe denk jij over geld aannemen van vrienden?

Zwart geld

Binnenkort heb ik een familiereünie. Dat is erg leuk. Er komen allemaal mensen die ik goed ken. En er komen mensen die ik normaal gesproken straal voorbij zou lopen. Gewoon, omdat ik geen idee heb wie het zijn. Hoe dan ook, ik verheug mij op de ontmoeting. Alleen is er een klein probleem en dat is die ene vraag. Een vraag die mij al honderdduizend keer is gesteld. Een vraag die ik, afhankelijk van de toestand der zaken, meestal háát.

Het is een heel onschuldige vraag, hoor. Namelijk: ‘Wat doe jij eigenlijk?’ En dan bedoelen ze: voor de kost. Nou, momenteel niet zo veel. Maar dat kan ik natuurlijk niet zeggen. Of in elk geval: niet tegen iedereen. Sommigen weten af van mijn ‘toestand’. Dat zijn de intimi die er (vermoedelijk, hopelijk) begrip voor hebben. Daarnaast zijn er mensen van wie het mij weinig kan schelen wat ze denken. Maar nu gaat het om de diffuse groep er tussenin.

Uiteraard heb ik geoefend op antwoorden. Ze veranderen continu, afhankelijk van de actuele situatie, de vraagsteller en mijn humeur. Meestal heb ik mijn antwoord dus klaar. Sterker, ik kan kiezen uit een heel repertoire. Deze keer is er een complicerende factor. Want familie, daar is niets vrijblijvends aan. Voordat je het weet, gaan er verhalen rond waar je niet meer van af komt.

Dus wat moet ik nou? Het beste is een antwoord dat dicht bij de waarheid blijft. Daarmee loop ik weinig risico dat ik door een verspreking de mist in ga. En dat antwoord moet ik goed afstemmen op die onbekende neven van mij.

Ik moet zeggen, als de nood het hoogst is, is de redding echt nabij. Want vandaag er kwam een berichtje binnen van het organiserende comité. Dat zit in Brabant. U weet wel, the narco state of the Netherlands. En wat staat er in dat bericht? Jazeker, iets over zwart geld.

Nou, ik ben er uit hoor. Als ze mij vragen wat ik doe, dan zeg ik: ‘Iets met zwart geld. En dat ik verder geen details geef, dat begrijp je zeker wel.’ Blink, blink. Goed he?

Sommige hulpverleners zijn gewoon asociaal

De Volkskrant volgt het leven van een Syrische asielzoeker. De man is duiker van beroep en inmiddels als vluchteling erkend. Hij heeft zijn gezin naar Nederland gehaald, zit op taalles en zoekt werk. Met de taal en het werk schiet het niet op. Vorig jaar kon hij wel als fruitplukker aan de slag. ‘Maar’, zei een hulpverlener, ‘dan verdien je nauwelijks meer dan wat je nu aan bijstand ontvangt.’ Hij raadde hem het werk af. Vandaag las ik in dezelfde krant dat slechts 10.5% van de Syrische statushouders hier na dertig maanden werk heeft.

Het lijkt me nogal een overgang voor Syriërs en andere asielzoekers. In veel landen van herkomst bestaat nul komma nul bijstand. Krijg je wel hulp, bijvoorbeeld van de moskee, een zakenman of een gefortuneerd familielid, dan kan je er vergif op innemen dat er een tegenprestatie wordt verwacht. In welke vorm dan ook. En is het niet meteen, dan komt dat gegarandeerd later. Kan je zelf niet presteren, dan moet je zoon dat waarschijnlijk doen. Kwestie van reciprociteit. Voor niks gaat de zon op. Trauma of geen trauma. Dat is overal zo.

En dan beland je in Nederland, waar je een verblijfsstatus krijgt. Plus een woning, geld, huisraad, kleding, scholing voor je kinderen, gezondheidszorg, en de rest. Je was in Syrië al wel een zekere welvaart gewend. Anders had je voor die hele reis onvoldoende geld gehad. Dan was je lot nu aanzienlijk erbarmelijker geweest. Dan werd je nu in een Turkse fabriek uitgebuit. Of zat je nu in een Libanees tentenkamp.

Wellicht bezit je zelfs nog een huis, dat niet is gebombardeerd. Naar verhouding gaat het je eigenlijk best goed dus. En je hebt een waardevol diploma op zak. Ook al kom je daarmee in dit land niet aan de bak. Dus als die hulpverlener zegt dat je dat fruit niet hoeft te plukken, dan ga je je toch zeker niet in het zweet werken? Dat doen de gastarbeiders en de ongeschoolden maar. In het Midden-Oosten werkt het tenslotte net zo.

Ik ken geen recent erkende vluchtelingen. Maar als ze zo denken, dan begrijp ik dat best. Wat ik minder begrijp, is waardoor zo’n hulpverlener meent dat hij namens de hele Nederlandse bevolking wetgever mag spelen. Al vindt hij dit vast heel sosijalisties van zichzelf.

Jij zit toch maar niks te doen (2)

Het beeld dat werkzoekenden thuis niets zitten te doen, is vrij hardnekkig. Daar ben ik nu wel achter. Regelmatig word ik ermee geconfronteerd, direct of indirect. Deze indruk leeft vooral onder werkenden. En specifiek bij mensen die zelf nooit in mijn situatie hebben gezeten. Toch wil ik dat clichébeeld wel even bevestigen.

Ik kies namelijk al jaren welbewust voor parttime werk. Van 24 uur per week kan ik prima leven bij een normaal salaris. Dus hou ik doorgaans zeeën van tijd over om op de bank te hangen. Als werkzoekende besteed ik nu 15 uur per week aan een bezigheid vinden waarmee ik mijn kostje kan verdienen. Naar verhouding is 15 uur zoektijd voor 24 uur werk onevenredig veel. Vind ik dan.

struik met rode besjesDaarom neem ik verder alle tijd om te genieten van de geneugten des levens. Bijvoorbeeld wandelen zodra de zon schijnt en het winterlandschap extra mooi is. Bij grote voorkeur op doordeweekse dagen. Dan geniet ik er nog meer van. Want ik herinner mij maar al te goed hoe het voelde als ik vast zat op kantoor en niet naar buiten mocht.

Ik heb nooit gekozen voor onze dolgedraaide consumptiemaatschappij en 24-uurs economie. Degenen die daarin verstrikt raken, hoeven mij niets te verwijten. Integendeel, ze kunnen beter solidair zijn met mij als ze een prettiger leven willen.

Jij zit toch maar niks te doen (1)

In de supermarkt ontmoet ik een bekende van het netwerkgroepje voor werkzoekenden. Zij werkt als coach, maar mist de benodigde klanten. ‘Hoe gaat het nu met solliciteren?’, vraagt ze belangstellend. Ik vertel beknopt over mijn ervaringen van de afgelopen acht maanden. Ook geef ik een korte analyse van de algemene situatie. En ik besluit met de zes ontvangen afwijzingen in een week tijd, eerder deze maand. Dat is het moment om iets over mijn plan te vertellen. Het is nog heel pril, ik heb nog geen idee of het genoeg zal opleveren. Maar alleen al ermee bezig zijn, stemt hoopvol en positief.

Mijn gesprekspartner heeft een detail bewust of onbewust niet gehoord en vertaalt mijn dienstenaanbod naar iets wat in haar straatje past. Want zij heeft moeite om haar website goed te krijgen. Dus zou het wel handig zijn als ik … Ze verwacht dat ik wel even help op basis van een gesloten portemonnee. ‘Want jij zit nu toch maar thuis niks te doen. Ha ha ha.’

Meid, het is vreselijk

Toevallig dacht ik deze week aan een tekening van Peter van Straaten. Bij de werkgroep voor en door werkzoekenden heeft iemand van ons een flinke dip. Dat kan gebeuren. We maken het vroeg of laat allemaal mee. Ze zoekt al jaren naar werk. Het wil maar niet lukken en haar dochter is deze week erg nukkig. Dan moet ze ook nog fris en fruitig werkgevers benaderen. ‘Je moet er steeds maar op af gaan. Je moet jezelf telkens over de drempel krijgen. Je moet iedere keer weer bellen.’, verzucht ze.

‘Ja,’ beaam ik ‘af en toe word je er doodmoe van. Steeds weer die lijsten met vacatures doorspitten en pakkende brieven schrijven.’ Want als werkzoekende kan je makkelijk zwelgen in zelfbeklag. En dat mag. Alleen helpt het je niet verder. Ik wil haar graag een beetje oppeppen. Daarom vertel ik over diverse strategieën om jezelf te motiveren. Bijvoorbeeld: niet plichtmatig solliciteren, maar eerst dingen doen die je leuk vindt. Dat geeft namelijk inspiratie en energie. In mijn geval werkt bloggen goed. Daarna kan ik ook wel weer zo’n sollicitatie aan.

Ik vertel haar over mijn gebruikelijke werk ter relativering. ‘In mijn functies als secretaresse, planner en programmamedewerker werkt het net zo. Dan moet ik er ook steeds op af. Mensen achter hun vodden aan zitten, zorgen dan dingen gedaan worden, keer op keer nabellen en alles zelf regelen. Want daar werd ik juist voor aangenomen. Als ik daaraan denk, is solliciteren slechts een klusje op mijn takenlijst. Na gedane arbeid streep ik dat tevreden af.’

Toch baalden ik en mijn collega’s soms evenzeer van zulk werk. De management assistente van een vroegere werkgever had een toepasselijk plaatje gevonden. Het hing ter ooghoogte op haar deur. Toen ik later het secretaressehandboek voor onze afdeling schreef, scande ik het prominent op het voorblad.

Peter van Straaten, meid, het is vreselijkPeter, bedankt!