Beste Lilianne Ploumen

Stem met je hart en met je verstand

Beste Lilianne,

Als zwevende kiezer zag ik je gisteren in de finale van het lijsttrekkersdebat. Wij kennen elkaar, we hebben voor dezelfde organisatie gewerkt. Ik onder meer als programmamedewerker en jij als directeur. We spraken elkaar soms bij de koffieautomaat in de hal. Nadat ik vlak bij ons kantoor door een auto op een zebrapad was geschept, informeerde je oprecht bezorgd hoe het nu ging met mijn hand. Diezelfde oprechte betrokkenheid zag ik gisteren bij je terug in het debat. Die is er dus nog. Ik heb even getwijfeld of ik toch weer zou stemmen op jouw partij.

Veertig jaar geleden mocht ik als achttienjarige voor het eerst stemmen en toen koos ik voor de PvdA. Het was 1981 en de tijd van de massale jeugdwerkeloosheid. Joop den Uyl was lijsttrekker en beloofde dat hij daar wat aan ging doen. Ik geloofde hem, maar werd door hem teleurgesteld. In mijn ogen maakte hij zijn belofte onvoldoende waar. Ik nam mij toen heilig voor om nooit meer te stemmen op de PvdA. Dat heb ik al die jaren ook niet meer gedaan.

Natuurlijk ben ik sindsdien wel wat wijzer geworden. Politiek bedrijven is een onderhandelingsspel. Je moet als kiezer zelf realistisch zijn. Tijdens verkiezingen worden er droomplannen voorgelegd. Met de beste bedoelingen weliswaar, maar pas daarna volgt in de Tweede Kamer het echte gevecht.

Kiezers die geloven dat politici doen wat ze tijdens de verkiezingen beloven, zijn gewoon naïef. Want hoezeer zo’n politicus ook voor zijn standpunt opkomt, hij heeft het nooit alleen voor het zeggen. Dat proces, dat zouden ze weleens wat beter aan beginnende stemmers mogen uitleggen. Maar ja, ik kwam in 1980 van de lagere huishoudschool en betwijfel ten zeerste of we het daar überhaupt over het politieke systeem hebben gehad.

Lilianne, ik zag je daar staan, gisteren. Ik bedoel: ik zag jou, als collega, als mens. Ik zag je terug in je oude rol, die mij zo vertrouwd was. De rol die je had binnen de internationale ontwikkelingssector. Ik zag het woord ‘VERBINDING’ in hoofdletters voor me.

Ik moest terugdenken aan alles wat we bij die organisatie heb mogen doen en leren. Ik herinner mij nog zo goed hoe we met ‘partnerorganisaties’ wilden omgaan. Respectvol. De ander in zijn waarde latend. Zoekend naar gedeelde belangen en werkend vanuit vertrouwen. Ook al hadden wij de grote zak met geld in handen; wij waren evengoed van hen afhankelijk voor de lokale kennis en goede uitvoering van plannen.

Lilianne, ik zag je gisteren terug in je nieuwe rol. Daarbij viel mij ineens de positie op, die je nu hebt ten opzichte van de anderen. De lijsttrekkers van de grootste partijen, bedoel ik. Je hebt absoluut lef, want het is me nogal een slangenkuil. Maar ik denk dat je hiervoor hebt gekozen uit volle overtuiging. Omdat er nog zulke scheve verhoudingen zijn en je wilt opkomen voor de zwakkeren. Omdat we niet mogen weglopen voor de grote en urgente vraagstukken. Omdat er nog veel valt te verbeteren en jij in deze positie echt wat kan betekenen.

En ik geloof in jou. In het debat zocht je toenadering en hield je op een sympathieke manier aan je standpunten vast. Ik kon aan de gezichts-uitdrukkingen van de andere lijsttrekkers zien dat je ontwapenend bezig was. Dat is zo belangrijk.

Want, mijn God zeg, wat ben je toch op een apenrots beland. Neem nu die zelfingenomen VVD’ers, vertegenwoordigd door zo’n gladde prater als Mark Rutte. De arrogàntie van iemand die meent dat hij toch wel wint. Ik werd er onpasselijk van. Hij nam niet eens de moeite om wat rustiger te praten, zodat de gewone man hem ook kan verstaan. Maar ja, hij is voor de middenklasse en de ondernemers. De rest en de natuur kunnen verrekken. Hij zal de verdeeldheid alleen maar groter maken.

Lilianne, misschien ervaar jij je huidige positie nu net zo als ik mijn positie bij mijn laatste werkgever heb ervaren. Daar werkte ik te midden van een stel super intelligente jonge honden. Ik was aangenomen op basis van mijn kennis en uitgebreide werkervaring. Ze hadden er waardering voor, maar ik kon onmogelijk aan hen tippen. En ik kon ze niet meer bijbenen. Het werd mij pijnlijk duidelijk dat ik links en rechts was ingehaald. Dat mijn jarenlange bijscholing weinig meer uitmaakte.

Hier stond een nieuwe generatie. Bovendien waren mijn werkgevers strategisch zo veel gehaaider dan ik. Wat wil je ook: zij behoren tot de absolute top in de debatwereld. Maar toch. Ik kon er niet meer tegenop en ik zie dat het nu ook jou enige moeite kost.

Als ik het mij goed herinner, was jij al weg bij onze werkgever toen de reorganisatie werd doorgevoerd. Je hebt niet meegekregen hoe het mij daarna is vergaan. Over ons werk heb ik tientallen logjes geschreven op Raam Open. Omdat ik de kennis en inzichten die ik bij onze organisatie heb opgedaan, wilde blijven delen en gebruiken. Ik wilde ze inzetten om verandering te bewerkstelligen, hoe gering ook. In het onrecht dat mensen en de natuur overal ter wereld wordt aangedaan.

Heel even heb ik getwijfeld of ik toch weer zal stemmen op de PvdA. Niet voor die partij, nee, voor jou. Omdat ik in je geloof en je ook wil steunen. Maar ik heb toch te veel moeite met jouw partij. Ik ben oud genoeg om te beseffen dat je niet eindeloos vast moet houden aan een bezwering van veertig jaar geleden. Maar ik heb recent wel weer een zeer schofferende ervaring opgedaan. Als vrijwilliger, nota bene, wiens maandenlange inzet niet als waarde werd gezien.

Ik heb het over de foto-expositie, waarvan de penningmeester publiekelijk verkondigde dat de donor met zijn paar honderd euro een grotere bijdrage had geleverd dan ik. We hebben er drie maal over gesproken. Hij is onvermurwbaar in zijn standpunt. In zijn e-mail noemde hij mijn wens en voorstel ‘onfatsoenlijk’. Is het onfatsoenlijk, als ik het materiaal aan het provinciale archief wil doneren, in plaats van aan de financier van het printwerk en een paar lijsten? Deze meneer woont in het grootste huis van onze straat en voor zijn raam hangt een poster van jouw partij.

Maar als een voormalige lokale representant van de PvdA uitsluitend oog heeft voor het geld, en mijn vrijwillige arbeid voor lief neemt, dan is en blijft het voor mij een waardeloze partij.

Dus stem ik op een andere vrouw. Iemand achter wiens partij ik evenmin volledig sta. Zij heeft, net als jij en ik, ervaring opgedaan in een aan de ontwikkelingssector gerelateerde werkkring. Wat ik van haar in een documentaire over haar diplomatieke werk in moeilijke omstandigheden heb gezien, boezemt mij ontzag in. Ze lijkt mij wat harder dan jij bent, en dat zal nodig zijn. Strategisch gezien lijkt zij nu de beste keuze voor mij.

Wel overweeg ik om haar persoonlijk te schrijven, aangezien mensen in mijn positie niet worden genoemd in haar programma. Oh, wacht, ik zal je nog kort vertellen over mijn huidige situatie: geen werk, geen uitkering en geen inkomen. En dit, op een zzp-klus van drie maanden na, duurt al ruim vier jaar. Maar de onzichtbaarheid van mensen zoals ik speelt bij letterlijk iedere partij.

Lilianne, ik wens je alle succes. En als het niet leuk meer is, stop er dan mee. Je gezondheid is veel belangrijker dan die partij met de hele apenrots er bij.

Hartelijke groet,

Karin

Writer’s block opgelost

Had ik al verteld dat ik bezig ben met het schrijven van een boek? Ja, echt. Ik heb genoeg materiaal verzameld tijdens het onderzoek. Non-fictie schrijven is alleen wel wat anders dan vrije stijl stukjes publiceren op een blog.

Om te beginnen helpt het als je boven de materie staat. Dat vergt kennis van zaken op basis van betrouwbare informatie. In mijn geval betreft het een klein deelonderwerp uit het grote geschiedenisverhaal over de Tweede Wereldoorlog. Nu zijn er nogal wat mensen (99% mannen) die zich expert wanen op dat gebied. Dus moet alles kloppen en verifieerbaar zijn.

Verder moet je een logische structuur kunnen aanbrengen in een massa informatie. Dat ben ik bij uitstek goed in. Check. Eerst heb ik een globale indeling gemaakt op basis van de tijdlijn. Hierdoor kwamen als vanzelf de belangrijkste hoofdstukken tevoorschijn. Vervolgens ben ik twee weken zoet geweest met het verdelen van alle brokstukken informatie, die uit tientallen bronnen afkomstig zijn. (En nog dagelijks volgen er nieuwe feiten.)

Dan kan eindelijk het echte schrijfproces beginnen.

Uhm, ja.

Zoals gezegd: je moet boven de materie staan en daarvoor moet je een kenner zijn. Ik daarentegen, was er niet bij in 1944/’45. Ik moet mijn verhaal baseren op wat anderen hebben geschreven. Vaak geven zij verschillende versies van dezelfde situaties met allemaal wat extra’s er bij. Dat hoeft geen probleem te zijn. Zij het dat ik hun stemmen uit mijn hoofd moet krijgen, voordat ik in mijn eigen woorden en in mijn eigen stijl over precies die zaken kan vertellen waaruit mijn eigenste verhaal ontstaat.

De afgelopen anderhalve week ben ik met andere dingen bezig geweest en dat is funest gebleken. Want als je iets schrijft op pagina 8, dan moet je uit je hoofd weten wat er volgt op pagina 83. Zo niet, dan raak je de draad van je verhaal kwijt of ga je dingen dubbel schrijven. Terwijl hier nu juist een heleboel losse feiten samenhangen en nauwkeurig in elkaar moeten grijpen.

Een paar uur lang zag ik het heel somber in. Dit ging mij toch niet weer gebeuren, hè? Dat ik aan iets was begonnen, wat te groot voor mij zou worden. Of dat ik aan iets was begonnen, wat ik niet goed af kon ronden. Om welke reden dan ook.

Uiteindelijk heb ik de imminente blokkade zelf losgewrongen. Door afstand te nemen. Door terug te keren naar de structuur. Door aan te vangen met een logisch detail. Een detail dat precies paste op pagina 8 in het verhaal. Waarna de rest vanzelf kwam.

De kunst van het formulieren invullen

Hoe je formulieren moet invullen, is een van de nuttigste vaardigheden die ik bij mijn eerste werkgever heb opgedaan. Wordt hier tegenwoordig op school aandacht aan besteed? In mijn jeugd heb ik het helaas niet meegekregen, terwijl het toch zeer belangrijk is voor zelfredzaamheid in deze maatschappij.

Begrijp je eenmaal hoe ingevulde gegevens op een formulier worden verwerkt, dan blijft dat een voordeel gedurende de rest van je leven. Zelf heb ik deze cruciale kennis vooral opgedaan met het summum der bureaucratie: onze belastingdienst. Als je daar eenmaal goed mee om weet te gaan, kan je alles aan.

Aangiften inkomstenbelasting, vermogensbelasting, omzetbelasting en loonbelasting: honderden heb ik er op het accountantskantoor ingevuld. De aangiften vennootschapsbelasting waren voor de gevorderden onder mijn collega’s, maar die mocht ik na een paar jaar ook ‘doen’.

In het dagelijkse leven vullen we allemaal regelmatig formulieren in. Wanneer we een bankrekening openen, bijvoorbeeld, maar ook gewoon bij een online bestelling. Of denk aan het regelen van een lidmaatschap en het afsluiten van een verzekering. Dat kan je maar beter goed en volledig doen, anders loop je het risico dat je voor fraudeur wordt aangezien. De ouders van de toeslagenaffaire weten daar alles van.

Gisteren herbeleefde ik oude tijden bij het papierwerk voor de afkoop van een lijfrenteverzekering. Het werd een klassieke sessie met alles er op en er aan. Gegevens verzamelen, met pen formulier invullen (zie ook ommezijde!), papieren kopieën van bewijzen toevoegen, op alle documenten polis-nummer en relatienummer vermelden, datum invullen en handtekening plaatsen, alles nog eens goed controleren (niets vergeten, kloppen de cijfers en staat het BSN-nummer er wel bij?), de hele bundel in de envelop met antwoordnummer stoppen en tot slot deze voor de zekerheid met twee extra plakbandjes stevig dichtplakken. Heerlijk!

Ik kreeg er terstond heimwee van. Want ik hou van post en papier en de smaak van ouderwetse plakstroken op de klep van enveloppen. Van de meeste plakstroken althans; sommigen smaken ronduit goor. Bij mijn eerste werkgever hadden we daar in de typekamer kussentjes met natte sponsjes voor. Anders kon je wel blijven likken, zoveel post als er daar de deur uit ging.

Ik was dan ook zeer bedreven in het vouwen van vellen postzegels en het afscheuren in stroken, zodat de zegels zich handzaam en snel één voor één op enveloppen lieten plakken. Echt, er is met de komst van het internet heel wat verloren gegaan.

Over vrijwillig werk, salaris en een booreiland

Allerlei herinneringen borrelen op na die opmerking over wie ‘financieel de grootste bijdrage’ aan de expositie heeft geleverd. Ik heb al het werk verricht en ‘vrijwillig’ betekent niet ‘gratis’. Daarom stuur ik onze fondsen-werver de componenten toe voor een rekensom: aantal weken x aantal uren x mijn oude zzp-tarief. Als voorbeeld. Zodat het tot hem doordringt wat mijn vrijwillige inzet waard is.

Natuurlijk speelt er meer. Veertig jaar geleden betrad ik de arbeidsmarkt met een waardeloze startkwalificatie, zoals dat nu heet. Vervolgens bleef mijn salaris jarenlang achter bij dat van collega’s die hetzelfde werk deden. Gewoon, omdat zij hoger waren opgeleid of al meer werkervaring hadden. Je kan om- en bijscholen zoveel als je wilt. Meestal begin je toch op een lagere salaristrede dan collega’s van dezelfde leeftijd. Het maakt weinig uit of je beter bent in je werk dan zij. In veertig jaar tijd heb ik, op enkele korte periodes na, nooit de hoogste trede van de functieschaal bereikt.

Vandaag hebben de fondsenwerver en ik elkaar weer ontmoet. Ondanks onze verschillende standpunten en communicatiestijlen, komt het wel goed.

Ineens schiet mij een ‘situatie’ bij een vroegere werkgever te binnen. Dat was een uitzendbureau voor wereldwijd inzetbaar offshore personeel. Vrijwel altijd zijn dit mannen en ze verdienen geld als water. (Ik werkte op de financiële administratie.) Voor dat geld moeten ze wel keihard werken, op elk moment inzetbaar zijn en velen leven permanent uit een koffer. Het is eenzaamheid troef en menig huwelijk gaat er aan.

Zo’n man (een Engelsman) werd ingehuurd voor een opdracht op een booreiland voor de kust van Zuid-Amerika. De planner op ons Nederlandse kantoor had het er maar druk mee. Hij moest de reis telefonisch simultaan in goede banen leiden. Want de technicus moest direct bij aankomst op het vliegveld in zijn kraag worden gevat en naar een taxi worden gebracht, zodat hij linea recta naar de haven toe reed waar het bevoorradingsschip klaarlag dat eens in de veertien dagen naar het booreiland voer. Anders zou hij meteen het eerste het beste café in duiken. Dat heb je met sommige mannen die geld verdienen als water.

Een zelfredzaam blog van een zelfredzame blogster

Sta je weleens stil bij wat er gebeurt met je blog, wanneer je er zelf even niet bent? De afgelopen weken kwam ik weinig aan logjes schrijven toe. Dit vanwege de samenstelling en voorbereiding van de foto-expositie, die ik namens ons buurtje organiseer. Toch blijven er bezoekers komen op Raam Open. Kennelijk staat hier al genoeg leesvoer. Sommige berichtjes, zoals ‘Ideale beroepen voor introverte mensen’ trekken de kar. Vanaf nu ga ik achterover leunen, want ik hoef niets meer te doen.

(Grapje.)

Het is best een ervaring; zo’n expositie samenstellen en organiseren. Ik ben mezelf ook meteen weer keihard tegengekomen. Want jawel: perfectio- nistisch. En jazeker: een doorzetter. Blijft net zo lang doorgaan tot alles compleet is en er goed op staat. Dit alles uiteraard tot vervelens toe. Of liever: tot ik zelf zo moe ben dat ik er letterlijk misselijk van word.

Maar ja, dit is wel een droomklus natuurlijk. De kaders zijn duidelijk. Ik kan putten uit mijn gevarieerde en 35 jaar lange werkervaring. Het vergt creativiteit, én ik mag het allemaal zelf doen. Wat iets anders is dan op een eilandje zitten. Het is juist leuk om met onbekenden contact te leggen. Als het maar ergens over gáát. En echt iedereen werkt hier graag aan mee. Dus ontmoet ik boeiende mensen en kan ik naar eigen inzicht te werk gaan.

Het gaat trouwens goed. De lijsten zijn binnen en morgen haal ik de collages op. Ik heb een persbericht geschreven en een aankondiging voor op prikborden gemaakt. De andere leden van het feest-comité zijn onder de indruk van de collages en zij vinden mijn schrijfsels leuk.

Niet dat ik mij persoonlijk aan het bewijzen ben, hoor. Welnee, helemaal niet. Ik weet allang wat ik kan. Maar professioneel gezien is dit toch een behoorlijk grote middelvinger naar honderden werkgevers toe. Naar degenen die de afgelopen jaren schreven: ‘u past niet in ons profiel’.

Jammer hoor, voor die werkgevers dan.

Zo druk je die plannen er wel door

Vergaderen lijkt zo eenvoudig. Je zit met wat mensen om tafel en bespreekt een aantal zaken. Daarbij volg je een agenda. Om de beurt vertel je wat je doet en lever je professionele input. Wanneer iemand spreekt, luisteren de anderen. Daarna neem je gezamenlijk besluiten. Je verdeelt nieuwe taken en noteert belangrijke afspraken. Dat is alles. De vergaderingen van ons vrijwilligersclubje echter, verlopen een beetje anders. Wat zeg ik? Het is totale chaos!

Persoonlijk vind ik dat je eerst een opleiding psychologie moet doen, voordat je aan vergaderingen begint. Want je denkt misschien dat het over de agendapunten gaat, maar dat is niet altijd zo. Het draait evenzeer om belangen, om gevoelens en om onuitgesproken verwachtingen. Bovendien brengt iedere deelnemer zijn eigenaardigheden mee. In dat opzicht helpt de Belbin test, en het bestuderen van de Roos van Leary.

Daarnaast vind ik dat een studie politicologie vereist is. Tenminste, wanneer je met door de wol geverfde types in een vergadering zit. Je zou het bij onze gemoedelijke vergadering niet verwachten, maar hier speelt de hogere kunst van het plannen erdoor duwen. En het gaat er soms behoorlijk slinks aan toe.

Wat bijvoorbeeld goed werkt, is een onrustige sfeer creëren. Sta midden in de bespreking van een agendapunt op om voor iedereen koffie te gaan halen. Of beter: hou met een of twee deelnemers onderonsjes, terwijl de vergadering gaande is. Dat leidt af en zorgt later voor twijfel. Dan kan je de volgende keer zeggen: ‘Oh, maar dat hebben we de vorige keer al besproken.’ Hoe chaotischer, hoe beter. Met wat geluk mist de notulist dan precies de besluiten die jou minder goed uitkomen.

Beter nog is om zaken voor te bespreken met een invloedrijk persoon. Je merkt snel genoeg wie dat is. En verwacht je van iemand een tegenstem, zorg dan dat de dwarsligger pas tijdens de vergadering informatie krijgt, terwijl de rest al op de hoogte is. Moffel kritieke punten diep weg in een tekst. Wellicht lukt het om je document meteen al in stemming te brengen.

Wat ook helpt, is dit. Benader een enthousiaste trainer en hou die een wortel voor. Beloof bijvoorbeeld ruimte voor exposure, ook al ga jij daar niet over. Vervolgens laat je de trainer met verve een workshopvoorstel presenteren. Dat vergroot de gunfactor. Degene die dan bezwaren uit, wordt vanzelf gezien als spelbreker.

Maar de beste manier is structureel elk tegengeluid negeren, en steeds opnieuw hetzelfde oude voorstel indienen. Desnoods drie keer. Stuur het gauw per ongeluk ongewijzigd naar een fonds voor subsidie. Dan kan je achteraf zeggen: ‘Oeps, het stond nog in het plan. En ze hebben het al goedgekeurd. Nu moeten we het wel zo uitvoeren.’

Mijn eerste werkdag als ambtenaar

Tekening van mijn eerste werkdag mei 1985

Wanneer ik in mijn grote map naar mooie kalenderplaten zoek, kom ik ze tegen. De tekeningen die ik in 1985 maakte, waaronder de pentekening hierboven. Direct volgen de herinneringen en de gevoelens die daarbij horen. Het was toen zo’n totaal andere periode.

1985; een tijd van hoge (jeugd-)werkloosheid was net voorbij. Deze tekening heb ik ’s avonds gemaakt, na afloop van mijn eerste werkdag op de afdeling financiële administratie van een naburige gemeente. Dat was al mijn tweede baan. Wat je ziet, is een weergave van mijn indrukken en mijn belangrijkste taken. Facturen maken, gegevens bijhouden, volgens strakke richtlijnen werken. Alles overheersend zijn de hokjes. Ik zie nog de rijen opgestapelde bakjes voor allerhande paperassen. Die stonden op mijn bureau en in mijn kast. Zo’n grijze kast, van metaal.

Het was een periode waarin ik niet beter wist dan dat het altijd zo zou zijn. Ik droomde wel van iets anders. Want nog geen twee jaar eerder, tijdens een vakantie in Griekenland, in september 1983 om precies te zijn, had ik een Australiër ontmoet. Van het type Griekse halfgod. Hij had mij over zijn land verteld. Maar die bestemming was met mijn karige salaris schier onbereikbaar. Drie hele lange jaren zou het nog duren, voordat ik voor het eerst daarnaartoe kon gaan.

Tot die tijd maakte ik er het beste van. Werken, werken, werken, werken; half dagje werken en dan begon het weekend weer. Eindelijk. Het werk was helemaal niet onaardig hoor. Ik hou wel van gegevens beheren en structuur aanbrengen. Maar om dat nu de hele dag te doen met verder niets enerverends erbij… Man, man, man, wat héb ik mij te pletter verveeld. Ook in volgende banen. Jaar na jaar na jaar. Dagen, weken, maanden aftellen tot de volgende vakantie, één keer per jaar.

Ik had best aardige collega’s daar. Mijn chef was het type scheepskapitein: blozende wangen, dikke buik en woeste baard. Er stond altijd een longdrinkglas op zijn bureau. Gevuld met jenever, al dronk hij dat als water. Links van hem zat zijn lieftallige assistente: Sonja. Sonja had ergens nog wat Indonesische roots. Tegenover haar zat Fred. Vriendelijke man, gezinstype. Hij werkte mij in en gedroeg zich vaderlijk naar mij. Ik was dan ook de jongste van het team. Aan het volgende duoblok zaten Bert (een grote man) en nog een Fred. Bert was van de praatjes en Fred nummer twee vond ik wel leuk om te zien. Maar hij was meer met sportprestaties bezig dan met vrouwen, geloof ik.

Dan, naast onze kamerdeur, mijn bureau. Helemaal vrij, niemand tegenover mij. En iets verderop stond het bureau van de heer E. Hij was de rechterhand van de scheepskapitein. Ik weet niet meer wat de voornaam was van meneer E. Meneer E. had een tikje of twee. Vele jaren later kwam hij in het appartementencomplex achter mij wonen. Toen zag ik hem regelmatig tijdschriften uit de papierbak vissen. Hij was vermoedelijk erg alleen. Ik scheur tot op heden zorgvuldig elk adreslabel van mijn paperassen af. Dat is nog een erfenis van de heer E.

Het middelste blok werd gevormd door een heuse computer, een joekel van een groen-streepjespapierprinter én een boekhoudmachine. Dat was zo’n gevaarte waar je ponskaarten in deed. Ik had trouwens mijn eigen telefoontoestel, met draaischijf, want ik werd soms gebeld via de buitenlijn. Er was dus toch wel sprake van enig leven in de brouwerij.

Mijn collega’s gingen elke dag naar de kantine. Daar ben ik nooit geweest. Ik moest naar buiten in de pauze. Dan wandelde ik naar het overdekte winkelcentrum als het regende, of naar het park aan de overkant als de zon scheen. Sloten koffie werkte ik naar binnen op dat kantoor. Zodat ik scherp bleef. Ach, het is de minste van alle kwade verslavingen. Ik wist gewoon niet beter en op vrijdagmiddag begon het weekend weer.