Mijn eerste werkdag als ambtenaar

Tekening van mijn eerste werkdag mei 1985

Wanneer ik in mijn grote map naar mooie kalenderplaten zoek, kom ik ze tegen. De tekeningen die ik in 1985 maakte, waaronder de pentekening hierboven. Direct volgen de herinneringen en de gevoelens die daarbij horen. Het was toen zo’n totaal andere periode.

1985; een tijd van hoge (jeugd-)werkloosheid was net voorbij. Deze tekening heb ik ’s avonds gemaakt, na afloop van mijn eerste werkdag op de afdeling financiële administratie van een naburige gemeente. Dat was al mijn tweede baan. Wat je ziet, is een weergave van mijn indrukken en mijn belangrijkste taken. Facturen maken, gegevens bijhouden, volgens strakke richtlijnen werken. Alles overheersend zijn de hokjes. Ik zie nog de rijen opgestapelde bakjes voor allerhande paperassen. Die stonden op mijn bureau en in mijn kast. Zo’n grijze kast, van metaal.

Het was een periode waarin ik niet beter wist dan dat het altijd zo zou zijn. Ik droomde wel van iets anders. Want nog geen twee jaar eerder, tijdens een vakantie in Griekenland, in september 1983 om precies te zijn, had ik een Australiër ontmoet. Van het type Griekse halfgod. Hij had mij over zijn land verteld. Maar die bestemming was met mijn karige salaris schier onbereikbaar. Drie hele lange jaren zou het nog duren, voordat ik voor het eerst daarnaartoe kon gaan.

Tot die tijd maakte ik er het beste van. Werken, werken, werken, werken; half dagje werken en dan begon het weekend weer. Eindelijk. Het werk was helemaal niet onaardig hoor. Ik hou wel van gegevens beheren en structuur aanbrengen. Maar om dat nu de hele dag te doen met verder niets enerverends erbij… Man, man, man, wat héb ik mij te pletter verveeld. Ook in volgende banen. Jaar na jaar na jaar. Dagen, weken, maanden aftellen tot de volgende vakantie, één keer per jaar.

Ik had best aardige collega’s daar. Mijn chef was het type scheepskapitein: blozende wangen, dikke buik en woeste baard. Er stond altijd een longdrinkglas op zijn bureau. Gevuld met jenever, al dronk hij dat als water. Links van hem zat zijn lieftallige assistente: Sonja. Sonja had ergens nog wat Indonesische roots. Tegenover haar zat Fred. Vriendelijke man, gezinstype. Hij werkte mij in en gedroeg zich vaderlijk naar mij. Ik was dan ook de jongste van het team. Aan het volgende duoblok zaten Bert (een grote man) en nog een Fred. Bert was van de praatjes en Fred nummer twee vond ik wel leuk om te zien. Maar hij was meer met sportprestaties bezig dan met vrouwen, geloof ik.

Dan, naast onze kamerdeur, mijn bureau. Helemaal vrij, niemand tegenover mij. En iets verderop stond het bureau van de heer E. Hij was de rechterhand van de scheepskapitein. Ik weet niet meer wat de voornaam was van meneer E. Meneer E. had een tikje of twee. Vele jaren later kwam hij in het appartementencomplex achter mij wonen. Toen zag ik hem regelmatig tijdschriften uit de papierbak vissen. Hij was vermoedelijk erg alleen. Ik scheur tot op heden zorgvuldig elk adreslabel van mijn paperassen af. Dat is nog een erfenis van de heer E.

Het middelste blok werd gevormd door een heuse computer, een joekel van een groen-streepjespapierprinter én een boekhoudmachine. Dat was zo’n gevaarte waar je ponskaarten in deed. Ik had trouwens mijn eigen telefoontoestel, met draaischijf, want ik werd soms gebeld via de buitenlijn. Er was dus toch wel sprake van enig leven in de brouwerij.

Mijn collega’s gingen elke dag naar de kantine. Daar ben ik nooit geweest. Ik moest naar buiten in de pauze. Dan wandelde ik naar het overdekte winkelcentrum als het regende, of naar het park aan de overkant als de zon scheen. Sloten koffie werkte ik naar binnen op dat kantoor. Zodat ik scherp bleef. Ach, het is de minste van alle kwade verslavingen. Ik wist gewoon niet beter en op vrijdagmiddag begon het weekend weer.

Zoektocht naar herkenning

Bij aanmelding voor een wandeling vanuit Geldrop, maak ik mezelf wijs dat ik wil wandelen in onbekend gebied. ‘Toevallig’ is Geldrop ook de plaats waar een verre verwant woont. We weten pas sinds kort van elkaars bestaan af. Het contact kwam via mijn familiewebsite tot stand. Ik ben mild nieuwsgierig, maar wil zij mij wel ontmoeten? Terloops vermeld ik mijn geplande bezoek en ja hoor: zij reageert direct enthousiast. We spreken af in een restaurant.

Wat verwachten we eigenlijk? Dat we uiterlijk op elkaar lijken? Dat we iets in elkaars gedrag herkennen? Dat we overeenkomstige normen en waarden hebben? Onze verwantschap gaat acht generaties terug. Acht generaties boven ons trouwden twee mensen in het jaar 1732. Vervolgens kregen zij zestien kinderen. Mijn verre verwant en ik stammen elk van een andere zoon af.

We delen weinig genen. Want gerekend vanaf onszelf hebben we allebei 2 (ouders) + 4 (grootouders) + 8 (overgrootouders) + 16 + 32 + 64 + 128 + 254 = 508 voorouders tot in de achtste generatie. Dus samen 1.016 voorouders minus onze 2 gezamenlijke voorouders = 1.014 andere voorouders. Wat heb je dan nog gemeen? Toch is het aardig om deze vrouw en haar man te ontmoeten. Haar nog levende familie is klein.

Zoekt zij daarom zo hard naar iets herkenbaars in mij? Foto’s komen tevoorschijn. Mijn rechte neus, die ziet zij terug bij haar dochter. Vind ik dat nu ook niet? Ze toont een foto op haar smartphone. Bij haar zitten er veel dansliefhebbers in de familie. Heeft mijn kant ook gevoel voor ritme? Uhm, nou … En zijn wij ondernemend? Een paar verwanten wel, ja. (Maar wat zegt dat?)

De meeste herkenning komt wanneer zij vertellen over hun vroegere leven als expats. Dat ken ik. Zij verkeerden in het welvarende wereldje van de oliewinning. Haar man deed aan ‘gaatjes boren’ in Oman. Sinds kort zijn ze terug in Nederland, met pensioen en aangewezen op elkaar. Vooral dat laatste valt haar zwaar, is mijn indruk. Misschien ervaart zij nu een leegte. Ook dat is mij namelijk bekend uit oliekringen. Keek ze daarom hoopvol uit naar onze ontmoeting?

Mijn vaders’ man cave

man cave

Mijn vader overleed 2 ½ jaar geleden, maar zijn man cave bestaat nog steeds. De geur van de ruimte heeft iets ondefinieerbaars. Metaal, hout, olie, stof, boenwas, vermengd met een vleug van een gedragen jas. Hij heeft er van alles gerepareerd en gefabriceerd: fietsen, fotolijsten, losgeraakte hengsels, meubels, noem maar op. Het was de plek waar hij rustig zijn sigaartje stond te roken en zijn ding kon doen.

In een mandje liggen boeken en paperassen. Een ‘Rijkskleding boekje’ van zijn werk, met notities over uitgereikte werkkleding, in 1961. Een ‘Handleiding ten behoeve van de opleiding voor V.E.V.-examens’ over elektrotechniek, uit 1957. Daar heeft hij altijd zijn brood mee verdiend.

Plus een boekje voor doe-het-zelvers. In het voorwoord: ‘Nu het door de hoge kosten en het gebrek aan arbeidskrachten voor vele mensen onmogelijk is geworden kleine karweitjes in huis door een vakman te laten opknappen en velen meer vrije tijd hebben gekregen, is het gewoonte geworden in huis en tuin zoveel mogelijk zelf iets te repareren of zelfs iets te maken.’ Uitgeverij Het Spectrum, 1961.

De dingen die hij naliet, waren ordentelijk gesorteerd: zijn gereedschap (nog van zijn vader geërfd en nieuw), tuinspullen en materialen. Alles per soort bij elkaar. Ik tref vakken vol bewaarde losse onderdeeltjes aan. Hij had ze vast nog ergens voor kunnen gebruiken.

Her en der staan en hangen enkele meer persoonlijke versieringen en aandenkens. Een onverwacht Boeddhabeeldje tussen blikken en oliekannetjes op een plankje. Een foto van zijn collega’s en van het huis in Noordwolde. Een knus oudhollands huiselijk tafereeltje. En een rood plastic bloemetje tussen de losse boren. Misschien zeggen ze meer over hem dan woorden.

Misschien heb ik hem gevonden

Zou het karma zijn? Mijn zoektocht naar een goede, betaalbare bouwvakker die tijd heeft en multi-inzetbaar is, verloopt moeizaam. Eigenlijk word ik er een beetje wanhopig van. Mijn ervaringen van de laatste jaren waren vaak ontmoedigend. Terwijl er toch diverse klusjes wachten en een boeideel dringend moet worden vervangen. Dat boeideel heb ik al zeven maanden uitgesteld. Dit omdat het rioolgedoe eerder ook nog speelde.

Op goed geluk kies ik een timmerman en vraag een offerte aan. Die pakt hoger uit dan verwacht. Daarna plaats ik een oproep in de buurtapp en een aanbevolen man komt langs. Hij maakt er een zeer ingewikkeld verhaal van. In gedachten zie ik de totaalprijs verdubbelen. Gelukkig heeft er nog iemand gereageerd. Volgens LinkedIn is het een verkoper en hij prijst zijn broer aan.

De broer komt langs. Er is iets met hem aan de hand. Hij heeft alle tijd en dat is tegenwoordig verdacht. Via Google word ik niets wijzer, maar ik zie iets in hem. Hij is van goede wil en iemand die graag aanpakt. Een beetje onzeker komt hij over. Beschadigd, misschien, op de een of andere manier. ‘Afgekeurd’, zegt hij zelf. Waarom, hoef ik nog niet te weten. Want hij geeft concreet genoeg aan wat hij wel en niet kan. En heldere communicatie, daar hou ik van.

Vandaag kwam hij even langs. In een half uur tijd heeft hij al drie problemen opgelost. Vond hij leuk om te doen. Nu is het wachten op een droge dag. Dan kan hij met de buitenklussen aan de slag.

Het ultieme uitstelgedrag

Er kunnen een heleboel redenen zijn waarom je een bepaalde activiteit steeds uitstelt. Bijvoorbeeld:

  • Je hebt er geen zin in, het is moeilijk.
  • Het líjkt je moeilijk. Je vindt het spannend en een beetje eng.
  • Het is een rotklus.
  • Je doet het altijd al en nu moet een ander het maar doen.
  • Je hebt de juiste spullen niet in huis.
  • Het regent, de zon schijnt, het waait, het is koud, het is ver weg.
  • Je hebt net de bus gemist en nu hoeft het voor jou ook niet meer.
  • Je voelt je een beetje zwakjes, je bent moe.
  • Je bent eindelijk thuis (mag jij ook eens lekker op de bank hangen?)
  • Je wil eerst nog even dit doen en je moet ook nog even dat andere doen, en verder …
  • (Waarom lost het zich trouwens niet vanzelf op?)
  • En nee, je doet het nu niet, want anders gaat je humeur naar de knoppen.
  • Je moet er voor in de stemming zijn, Echt, je merkt vanzelf wel wanneer de tijd daar rijp voor is. (Nu nog even niet, dus.)
  • Et cetera, et cetera, ad invinitum.

Uitstelgedrag, daar ben ik soms extreem goed in.

Vandaag was het weer zover. Eigenlijk moet ik een stukje raamkozijn verven. De verf staat al twee maanden op tafel. De kwast ligt ernaast. Er ligt zelfs al een krantje bij, om een paar tegels mee te bedekken. Maar ja.

Voor vandaag had ik het in mijn agenda gezet. Met potlood, dat wel. Ik had deze activiteit namelijk al twee keer eerder verschoven en als ik het dan met pen in mijn agenda heb gezet, wordt het zo’n zooitje.

Vandaag wou ik dus weer niet. Mijn ‘geen zin hebben’ was zo erg dat ik mij in allerlei bochten begon te wringen. Zo erg zelfs, dat ik iets heb gedaan wat ik al twee jaar lang heb afgehouden. Zo’n klus waarvoor ik mezelf letterlijk aan de haren naar mijn laptop moet slepen en waarbij ik tegen mezelf moet zeggen: ‘Zo, en nú ga jij die brief schrijven. En je mag niet van je plek af voordat die brief klaar is.’

Vandaag heb ik niet geverfd, maar wel gebeld. Want ik zag zowaar iets aardigs. Ik heb zelfs de brief geschreven en verstuurd. De sollicitatiebrief. De eerste weer in ruim twee jaar tijd.

Zó ontzettend erg was mijn ‘geen zin hebben’ in die verfklus dus.

Cao’s en al die andere rotzooi

Vlakbij het bos komt ze mij wandelend tegemoet. Een vrouw met een grote, bazige middelbruine hond. Zelf draagt ze kniehoge leren laarzen over haar pantalon. Ze matchen qua kleur; de hond en de laarzen. De vrouw spreekt geaffecteerd. Type golfclub, Rotary misschien. Haar stem heeft het volume van een misthoorn. Ze praat in haar eentje. Oh nee, ze heeft een smartphone.

Het woord ‘uitzendbureaus’ valt en ik spits mijn oren. Ze lijkt mij niet het type dat werk zoekt via een uitzendbureau. En inderdaad. ‘Het is zo een gedoe’, gaat ze verder, ‘met cao’s en al die andere rotzooi. ‘Ik wil ervan af’, heb ik tegen Ronald gezegd.’

Ronald zal het wel weer moeten opknappen, vermoed ik. Deze mevrouw houdt zich niet bezig met wetjes en personeel. Zij geeft enkel orders.

Ik vergeet het soms, wanneer ik genietend van mijn lommerrijke omgeving rondwandel. Dat er in die mooie kapitale villa’s hier zeer onaangename mensen kunnen wonen. Het geld moet tenslotte ergens vandaan komen.

Over bullshit jobs en nuttig bezig zijn

Afgelopen zondag was er een heerlijke aflevering van VPRO Tegenlicht: Mijn bullshitbaan. Onzinbanen zijn functies waarvan werknemers zelf zeggen dat die geen maatschappelijke meerwaarde hebben. De marketingsector scoort hoog en de managementlaag doet het ook bijzonder goed. In zijn boek telt antropoloog David Graeber vijf soorten onzinfuncties, namelijk: wachters, bullebakken, oplapwerkers, afvinkers en opzichters. Als je leest wat hij hiermee bedoelt, zal je er vast wat in herkennen. Ik tenminste wel.

Een wachter is bijvoorbeeld een frontdeskmedewerker, die binnenkomende telefoontjes doorverbindt hoewel dat een onnodige tussenstap is. Zo ben ik aan mijn carrière begonnen: als receptioniste op een kantoor dat nauwelijks bezoekers ontving. Wel kwamen er telefoontjes binnen. Bij deze baan heb ik geleerd hoe belangrijk het is om te doen alsof je het enorm druk hebt.

Een bullebak is iemand die agressief nutteloze dingen doet. En jawel, daar is ’ie: de telefonische verkoper. Gelukkig ben ik voor dat werk afgewezen. Mijn stem viel namelijk weg tijdens het telefonische sollicitatiegesprek. Thank goodness!

Oplapwerkers lappen de schade op ‘die door slordige of incompetente superieuren is aangericht.’ (Ik zeg niets. Nee, ik zeg helemaal niets.) Of ze besteden een groot deel van hun werkzame tijd aan het overtypen van getypte teksten die niet digitaal zijn opgeslagen. Boy, oh boy! Ik heb duizenden gedrukte pagina’s overgetypt. Daar had ik een bijna fulltime baan aan. Ze waren zo slecht gekopieerd, dat geen scanner er raad mee wist. Ik ben trouwens best goed in typen.

De categorie afvinkers bezorgt mij een zekere gewetensnood. Dit zijn ‘banen die voornamelijk bestaan ‘zodat een organisatie kan beweren dat ze voor de vorm aan een bepaalde eis heeft voldaan’.’ Oei. Ik heb aan de kant gezeten van de opdrachtgever die vanwege financiering eisen moest stellen. Wel probeerde ik het geturf te beperken tot nuttige gegevens waar de afvinkende organisatie zelf wat aan had. Maar ik ken ook de andere kant die een mens tot wanhoop kan drijven. Zoals in een strak geautomatiseerd systeem formuliertjes invullen, terwijl onduidelijk is waartoe deze dienen.

Tot besluit zijn er opzichters, de overbodige superieuren. Denk aan de zorgsector, denk aan het onderwijs. Zij zorgen voor extra veel formulieren en bureaucratie. Hm, ik heb weleens een formulier ontwikkeld. Maar dat was slechts kort in gebruik, dus dat telt niet.

Ik ontmoet nogal wat oudere werkzoekenden die vrijwilligerswerk doen. Bijvoorbeeld op het vlak van zorg en welzijn, als taalmaatje voor een asielzoeker of als natuurbeheerder. Veelal hebben zij een lange loopbaan achter de rug. Sommigen van hen hebben nu pas het gevoel dat ze nuttig bezig zijn.