Aan de rand van de afgrond

Oh, ik weet maar al te goed hoe zij zich voelen: de ondernemers, de zzp’ers, de vermeende vaste krachten en de flexwerkers. Met alle onzekerheid van de coronacrisis komt de ugly truth vanzelf tevoorschijn. Namelijk dat er geen zekerheden zijn. Al onze plannen en verworvenheden zijn gebaseerd op drijfzand. Het kan altijd zomaar afgelopen zijn. En dan? Hoe moet het dan verder met het huis en de hypotheek en de auto en de ziektekosten-verzekering?

Ik ken het gevoel en ik weet wat er ’s nachts door hun hoofden spookt. Ik heb vergelijkbare dingen gedroomd. De eerste keren waren het hevigst. Dan ben je er nog niet op voorbereid en ontwaak je met klam angstzweet.

Het was na de fusie en bedrijfsverhuizing in 1995. Toen kwamen ze. Want ik vertrok en ik verloor daarmee al mijn ‘zekerheden’. Terwijl ik net drie jaar eerder een appartement had gekocht. Die beklemmende nachtmerrie-achtige duistere doembeelden. Als ware het visioenen, voorspellers van de toekomst.

Ik kon letterlijk voelen hoe ik daar hing en mij vastklampte, aan de rand van de afgrond. De scherpe rotspunten deden zeer aan mijn handen en mijn voeten vonden geen houvast.

Zou het lukken om terug te komen in mijn oude metier, of had ik definitief mijn toekomst vergooid? De kans op succes was gering, dat wist ik. Ik deed het in het volle besef dat het mis kon gaan. Maar ik kon niet anders, zo ervoer ik dat toen.

Diezelfde nachtmerrieachtige beelden kwamen terug in 2006, bij de reorganisatie. En weer, in 2009. En opnieuw, in 2016, toen bleek dat ik geen enkele uitkering meer kreeg. Maar tegen die tijd was ik er al aan gewend. De spookachtige taferelen keerden terug als oude bekenden.

Heel even verschenen ze ook aan het begin van de coronacrisis, in maart 2020. Of eigenlijk waren de beelden anders, deze keer. Ik zag voor me wat er gebeurt als er geen enkele bescherming meer is. Met de ramen aan gruzelementen en het huis ten prooi aan plunderingen. En ik zag hoe de situatie verandert zodra er geen geld meer uit de muur komt, of dat het waardeloos wordt, zoals jaren geleden in Venezuela. Hoe moet je dan aan eten komen, terwijl de mensen om je heen in paniek raken, de sfeer steeds grimmiger wordt en de totale chaos losbarst?

Rustig blijven adem halen. Je hebt je verstand nog.

Terugblik op Israël, ruim 30 jaar later

Het is opmerkelijk hoeveel zaken vaag blijven, na herlezing van de brieven en mijn reisverslag. Wel zie ik het volunteershuisje zo weer voor me, evenals het boerenerf, de velden en de woestijn. Ik kan de winterwind voelen onder de strak blauwe hemel. De zonnestralen worden al warm. Ook hoor ik de enorme stilte, af en toe onderbroken door het geluid van een motor, een rammelend hek of de stoffige kuch van een koe.

Ik weet nog in welke richting de velden buiten het dorp lagen. Op de achtergrond was een heuvelrug. En rechts, voorbij de doorgaande weg, waren de wijngaarden. Plus de nabijgelegen bergen van Jordanië. Vele jaren later stond ik erbovenop, ter hoogte van Petra, en zag ik het vertrouwde woestijnlandschap terug. Bijna aanraakbaar, slechts gescheiden door een grens.

Ook herinner ik mij het gehotsebots op de oude tractor. Om bij de akker met tomaten te komen, moest je eerst dwars over een greppel rijden. Die tractor was een vaalrode krachtpatser. Daarmee kon ik vlot door het rulle woestijnzand heen rauzen.

Maar de gezichten zie ik nauwelijks nog voor me. Zwart haar, middelbruine ogen, gebronsde huid. Dat is wat ik nog weet. Een zachtaardige man. Zo anders dan de meesten in dat land. Hoewel die anderen onder hun rauwe imago soms ook een mildere kant verborgen hielden. Je moet daar hard en sterk zijn. Zijn vrouw leek ongelukkig op een boerderij in dat afgelegen dorp. Zouden ze nog bij elkaar zijn? Hun kinderen zijn inmiddels volwassen.

De brieven schreef ik aan familie tijdens een anderhalf jaar durende reis, ruim dertig jaar geleden. Nu lees ik ze terug, hopend op aanvullende details die ik sindsdien ben vergeten.

Het overvalt me hoezeer ik stilsta bij die (tweede) periode in Israël. Gaf het programma van Frans Bromet en Raoul Heertje soms een aanleiding? Zij onderzoeken daarin hun haat-liefde verhouding met dat land. Mijn eigen gevoelens zijn minstens even tegenstrijdig.

Zal er ooit sprake zijn van iets anders dan extremen? De taferelen en de schurende gesprekken in hun documentaire zijn zo herkenbaar. Bovendien is na ‘mijn’ tijd die monsterlijke muur gebouwd. Een splijtzwam, die de bevolkingsgroepen nog verder uiteen drijft. Een open wond in dierbare grond. Ik zou wel terug willen gaan, maar ik kan die muur niet aanzien.

In 1987, aan het begin van mijn eerste verblijf, wist ik nauwelijks iets van Israël af. Ik was 24 jaar oud, wilde op wereldreis gaan, en het liefst de winter doorbrengen in een warm oord. Onderweg ging ik in diverse landen werken, zoals backpackers dat al decennialang doen. Praktische informatie haalde ik uit Work Your Way Around The World van Susan Griffith. En de Bijbel ging naar Israël mee als geschiedenisboek en reisgids.

Israël stond in de jaren zeventig en tachtig qua werk bekend als makkelijke bestemming. Je hoefde maar langs een kantoortje in Tel Aviv te gaan en je had een baan. Bijvoorbeeld in de agrarische sector, kinderopvang of horeca. Veel reizigers waren pas afgestudeerd of ze hadden een tussenjaar. Het idee was om afwisselend een poosje te werken en dan weer wat van de wereld te zien. Op die manier kan je het rondreizen lang volhouden.

Ik had niets met politiek. Wel kwam Israël toen regelmatig in het nieuws. Maar ik had meer interesse in busdiensten naar toeristische trekpleisters, dan dat de Palestijnse kwestie mij aanging. Bovendien moet je daar echt moeite doen om zaken van meerdere kanten te zien. Veel mensen kennen slechts een kant. Als je aan de Joodse kant terecht komt, heb je nauwelijks contact met Palestijnen of Arabieren. En omgekeerd is dat dito eender.

Door mijn besluit belandde ik automatisch aan Joodse zijde. Maar dat bepaalde mijn positie niet, vond ik. Want ik ben zelf Nederlands en van oorsprong katholiek. En ik sloot mij niet af voor Palestijnen. Alleen duurde het maanden voordat ik met zo iemand sprak. Met een representant van ‘de anderen’. Op straat vond ik Arabische mannen wat opdringeriger, terwijl veel Joden zich meer als westerlingen gedroegen. Dat was in mijn beleving het voornaamste verschil.

Heel soms gedurende twee verblijfsperiodes daar, viel mij meer op. Ik schreef erover aan mijn familie.

In een brief over een uitstapje naar Akko. ‘Dat ligt ten noorden van Haifa aan de kust. Er is een oud gedeelte, wat nu een Arabische wijk is. De huizen zijn kris-kras gebouwd op een heuveltje en er zijn veel trapjes en doorkijkjes. Er lopen veel kinderen rond, die blijkbaar (in tegenstelling tot Joodse kinderen) niet naar school gaan. Eromheen, aan het water, is een enorme muur die door kruisvaarders is gebouwd.’ En zo gaat de beschrijving van het pittoreske stadje verder. Die kinderen liepen buiten op een woensdag en bij mijn weten was het geen feestdag.

En over een bezoek aan het oude deel van Jericho, waar ik een Amerikaanse vrouw ontmoette bij de opgravingen: ‘Met die Amerikaanse ben ik langs het refugeekamp naar een paleis van de één of andere sheik gelopen. We liepen langs de hoofdweg en nu tuuterden echt alle automobilisten. Ook Joden en militairen. (…) Terug naar Jerusalem kwamen we weer door het berggebied. Ik zag verschillende Bedouïnen-tentenkampen en schapenkuddes. Eigenlijk wel gek. Die mensen leven nog zowat in het stenen tijdperk terwijl boven hun hoofd militairen in supersonische straaljagers aan het oefenen waren.’

Aansluitend in de volgende alinea:
‘Wat het gevaar van rellen betreft. Dat is maar betrekkelijk. Het zijn meer incidenten en alle onlusten worden razendsnel de kop ingedrukt omdat er óvérál bewaking is. Bijvoorbeeld de toegangen naar de Klaagmuur. Daar staan op verschillende plaatsen minstens vijftig politieagenten en militairen. Iedereen die het terrein wil betreden wordt gefouilleerd.
De afgelopen dagen in Jerusalem zijn er verschillende relletjes geweest op nog geen twee kilometer afstand van mijn herberg, maar ik heb niets gemerkt. Ik heb de Dome of the Rock bezocht (Koepel van de Rots).’
Gevolgd door meer heilige en toeristische bezienswaardigheden. Yad Vashem maakte veel indruk.

Militairen waren inderdaad overal; ze hoorden bij het straatbeeld. Door hun aanwezigheid voelde ik mij veilig. In de woestijn keek niemand van zijn werk op wanneer er achter de heuvelrug militaire oefeningen waren. Dan was er een dof gerommel hoorbaar. Explosies in de verte maken hetzelfde geluid als onweer. Maanden later, toen ik al in Nederland terug was, dacht ik nog steeds bij onweer: ‘Oh, ze zijn zeker aan het oefenen.’ Zozeer was ik eraan gewend geraakt. In retrospectief vraag ik mij af of het wel altijd ‘oefeningen’ waren.

Dat ‘ik heb niets gemerkt’ in die brief was trouwens niet helemaal waar. (Mijn ouders lazen mee, vandaar.) Ik verbleef tijdens de eerste intifada enkele dagen in de christelijke wijk van Jeruzalem. Waar die intifada over ging, was mij globaal wel verteld. De traditionele winkeltjes in de oude binnenstad bleven uit protest gesloten. Dat vond ik jammer. En op een avond zei de Armeense herbergier dat het beter was om binnen te blijven. Achter de hoge muren en de gesloten poortdeur hoorde ik mensen rennen in het naastgelegen steegje.

Het heeft jaren geduurd voordat ik mij realiseerde dat je onmogelijk in zo’n land neutraal kan zijn. Bij iedere handeling maak je feitelijk keuzes tussen partijen. Ook al gebeurt dat onbewust.

Na lezing van de brieven en het reisjournaal haal ik mijn reisfotoboek tevoorschijn. En via internet zoek ik naar de twee plaatsen waarin ik verbleef. Voor het eerst zie ik er luchtfoto’s van. De omgeving rond de dorpjes is wat droger geworden; verder lijkt alles hetzelfde gebleven.

Tegelijk leer ik iets over de ontstaansgeschiedenis van beide plaatsen. De eerste ligt in het noorden en ‘was founded in 1949 by the movement on land that had belonged to the depopulated Arab village.’ Pardon? Dus dat betekent … ?

De tweede plaats ligt in de Negev-woestijn en staat vermeld in het Oude Testament. Tijdens mijn verblijf daar geniet ik vooral van de eenvoudige leefstijl. Even is mijn wereld klein. Ik ervaar er geborgenheid aan het eind van een lange reis op drie continenten. Zo wordt het een uitgelezen moment en plek voor bezinning.

Israël is geen makkelijk land om in te wonen. Iedereen betaalt een hoge prijs en de lontjes zijn kort. Pas nu vallen de passages op over inflatie en geldzorgen bij de gemeenschap in de woestijn. En ongemerkt is er altijd die dreiging. Zelfs op de luchtfoto is van grote afstand de omheining zichtbaar rond het dorp in die afgelegen vallei. De omheining is zes rijen dik en bestaat uit zes parallel geplaatste metalen hekken. Elk hek afzonderlijk is voorzien van meerdere rollen prikkeldraad boven elkaar. Dat was vast niet alleen om ’s nachts de rondzwervende woestijnwolven buiten te houden.

Desondanks voelde ik mij goed thuis in Israël. Het leven is er paradoxaal ook plezierig ongedwongen. Veel mensen zijn pragmatisch ingesteld. Het klimaat is aangenaam. Het openbaar vervoer is goed en je kan overal lekker eten. Daarbij was ik in Israël zeer welkom. (Heeft mijn nationaliteit nog altijd een streepje voor?)

Verder was het prettig en grappig dat ik er onopvallend als een local over straat kon gaan. Werkelijk iedereen dacht dat ik joods was. Qua haarkleur had het gekund, maar verder? Mijn vermeende ‘joodse’ trekken zijn eerder Frans. Wel schept de vluchtgeschiedenis van mijn Hugenoten-voorouders een soort lotsverbondenheid. Dus mogelijk is standvastigheid een gedeelde karaktertrek.

Israël heeft een belangrijke vormende rol gespeeld in mijn leven. Ik ben er mentaal gegroeid en wereldwijzer geworden. Desondanks duidt in 1989 nog weinig op een ontwakend maatschappelijk bewustzijn. Ik benoem dan vooral wensen qua concerten, werkrichting en relaties. Wel schemert er al een verlangen door naar een meer verstilde leefstijl.

Wat Israël betreft, zal ik nooit stelling nemen. Twee partijen menen evenveel recht te hebben op hetzelfde lapje grond. Grond die ook mij zeer dierbaar is. Mede daarom is het hartverscheurend om te zien waar zo’n uitzichtloze patstelling toe leidt.

Aan de slag voor het straatfeest

Onze straat is jarig en dat gaat worden gevierd. In een oproepje vragen twee buurtbewoners wat iedereen van hun voorstel vindt. Ik reageer per e-mail en raak zo onverwachts in de feestcommissie verzeild. (Nou vooruit, waarom ook niet.) Dit is tenslotte een mooie gelegenheid om mijn straatgenoten beter te leren kennen. Toch ga ik schoorvoetend naar de eerste vergadering.

Het is altijd afwachten hoe zo’n bijeenkomst verloopt. Idealiter tref je professionele en creatieve enthousiastelingen met een doe-mentaliteit. Daarmee kan je alles van de grond krijgen. Maar in mijn vorige buurt waren het steeds dezelfde mensen die het meeste werk moesten doen.

Nu zijn de voortekenen gunstig. We beginnen met ideeën verzamelen voor een feestdag en een expositie. Alle aanwezigen reageren positief op suggesties en moedigen elkaar zo aan. Daarna verdelen we alvast wat taken om opties te verkennen. Hierbij wordt gelijk helder welke rollen ieder van ons wil vervullen. We hebben onder meer een initiator, een paar uitvoerders en een regelaar. Dit samenwerkingsverband is pril. Daarom ik neem in eerste instantie een afwachtende houding aan.

Eigenlijk is het best leuk, deze vergadering. Dit doet denken aan situaties uit mijn vroegere carrière, maar dan zonder werkdruk of gedoe. Die carrière stokte vier jaar geleden, waarna ik nog drie maanden heb gewerkt.

Vandaag heb ik mijn ‘taak’ uitgevoerd en we hebben meer te doen: feestprogramma invullen, contacten leggen, foto-research, interviews houden, verhalen opschrijven, pr verzorgen, expositie samenstellen en opening regelen, enzovoort. Er is genoeg voor iedereen. Dus op naar de volgende vergadering. Dan kan ik weer mijn slag slaan bij de taakverdeling.

Categorieën en tags in WordPress

Al dagen ben ik bezig met het opschonen van mijn blog. Zes jaar en 1.060 berichten doorlopen is een monsterklus, maar wel nodig. Raam Open is een omniblog met sterk uiteenlopende onderwerpen en ieder log krijgt meerdere trefwoorden of ‘tags’. Ondanks een vroegere opruimbeurt was dat aantal flink gegroeid. Daarnaast gingen sommige titels van categorieën wringen. Ik pas het nodige aan, zodat Google de inhoud van dit blog beter kan vinden.

Neem de oude categorie ‘Mensen onder elkaar’. Die ging over hoe mensen onderling met elkaar omgaan. Veel bloggers gebruiken daar echter andere termen voor, zoals ‘Leven’ of ‘Psychologie’.  Dan kan je wel lekker tegendraads creatief en origineel gaan doen, maar daar houdt Google niet van. Dus heb ik er braaf ‘Leven’ van gemaakt. Je moet toch wat.

Verder is het voor WordPress lastig als een categorie en een trefwoord identiek zijn. Daarom staan er bij logjes in de categorie ‘Reizen’ trefwoorden als ‘reis’ en ‘reisverhalen’. Terwijl ik liever ‘reizen’ wil schrijven. Nou ja, we doen het maar.

‘Humor en genieten’ is nu ‘Plezier’ geworden. En de oude categorie ‘Plaatsen’ heet voortaan ‘Locatie’. Ik ontdekte namelijk via de WordPress Reader dat geen mens ‘plaatsen’ als tag intypt. Behalve ik dan. Echt ideaal vind ik dat ‘Locatie’ nog niet. Maar ja, je moet je op internet aan de meerderheid aanpassen. De massa wenst geen eigenzinnigheid.

Ik vind het wel jammer, hoor. Vroeger had ik een nog mooiere categorie, namelijk ‘Station to Station’ (je weet wel, die plaat van David Bowie). Dan begrijp je toch meteen wat ik bedoel? Inmiddels heb ik de verweesde berichtjes verdeeld over ‘Reizen’, ‘Leven’ en ‘Persoonlijk’. Het wordt allemaal wel erg standaard zo.

Dit lijkt net regulier werk, compleet met richtlijnen en regels, protocollen en stramienen. Sterker, voorheen werd ik betaald om grote bestanden van websites op te schonen volgens een vaste methode. Was dat maar weer zo. Ik vind deze klus nog leuk ook.

Alleen mag Google eindelijk eens aangeven wat er echt goed werkt. Daar doen ze toch zo geheimzinnig over; de meeste zoekopdrachten blijven verborgen. Wie het weet, mag het zeggen.

Ongeschikt voor de politiek

Gisteren heb ik twee fouten gemaakt bij het schrijven van Gemeenten gooien alles overboord. Namelijk: 1. Ik heb een belangrijk percentage uit een artikel verkeerd geciteerd. 2. Ik heb mijn eigen interne alarmbel genegeerd. Die alarmbel geeft aan dat ik alles moet verifiëren wat ik als feit presenteer. Altijd, zonder uitzondering. Want mijn geheugen is een ramp. Maar ik had het betreffende krantenartikel niet meer en ik heb mijn betoog toch gepubliceerd.

Als je in een debat ergens voor pleit, moet je je feiten op orde hebben. Anders kan een tegenstander je zo onderuit halen. En dan weet een toehoorder niet meer of hij je nog kan geloven. Even aangenomen dat de feiten voor de toehoorder nieuw zijn. Als de tegenstander vervolgens met een goed geformuleerd argument komt, maak je met de rest van je feiten geen kans meer bij de toehoorder. En die toehoorder is bij een debat het belangrijkst.

Wat veel mensen zich niet realiseren, is dat het in een (politiek) debat minder om de feiten gaat, dan om de retorica. Dus om wie het best en mooist zijn standpunten verwoordt. In een debat gaat het dus niet om wie er gelijk heeft. Het gaat evenmin per sé om het beste voor het algemeen belang. Een politiek debat draait vooral om wie de meeste toehoorders weet te overtuigen. Dat zijn mede-politici of dat ben jij als kiezer. Voor mij zijn de feiten en de ‘beste’ oplossing echter het belangrijkst.

Mensen vragen mij weleens of ik in de politiek wil, want ik denk graag na over maatschappelijke onderwerpen. Dat doe ik uit betrokkenheid en daar praat ik dan over. Meestal ben ik goed geïnformeerd voordat ik een genuanceerde mening vorm. Zo kan ik vaak ook wel uitleggen hoe het zit. Mensen houden daarvan: helderheid en een menselijke kijk. Want ‘die lui daar in Den Haag’ vinden ze maar niks.

Ik begrijp wel waarom ze teleurgesteld raken in de politiek. Want de debatten op tv laten ons zien hoe politici elkaar met argumenten onderuit proberen te halen. Er wachten zoveel urgente onderwerpen op concreet beleid en zij staan daar maar te praten. Allemaal zitten ze vast in hun eigen gelijk.

Wat de tv minder vaak toont, is dat de grootste tegenstanders soms best goed met elkaar overweg kunnen. Gisteren nog had Wilders zo te zien een gemoedelijk onderonsje met Jesse Klaver. (NOS Journaal.) Dat verwacht je toch niet. Maar dit is politiek. Want achter de schermen en binnenskamers worden er ook deals gesloten. Doe jij dit voor ons, dan doen wij dat voor jullie. Partijpolitiek. Voordat je het weet als kiezer, zijn ze ineens van standpunt veranderd. Want de feiten zijn in de politiek niet altijd het belangrijkst. Dus voelen we ons genaaid.

Intussen blijven de grote onderwerpen maar etteren. Hoe lang trekken docenten, zorgmedewerkers, natuurorganisaties, boeren, burgers en buitenlui al aan de bel? Eerst binnen de eigen organisatie of bij de betreffende instantie. Daarna regionaal of landelijk, bij belangenorganisaties en politici. We zien dagelijks waar het knelt en we voelen ons al jaren niet gehoord. Zelfs al luisteren politici naar ons, dan zijn ze in gedachten toch vaak bezig met het belang van hun eigen partij. Of met de haalbaarheid van een idee.

Mijn persoonlijke ervaringen met politici zijn beperkt. Ik ga weleens naar informatiebijeenkomsten; ik spreek weleens iemand. Je denkt misschien dat ik tegen politici opgewassen ben. Tenslotte weet ik meestal goed waarover ik praat en ik kan mijn mening verwoorden. Dat vinden politici wel prettig, want zo kunnen ze hun eigen standpunt toetsen en aanscherpen. In bepaalde situaties hebben anderen mijn kennelijk originele gedachten zelfs overgenomen.

Maar politici moeten zich richten op uiteenlopende belangen, terwijl ik vooral focus op logische oplossingen. En politici zijn gewend aan debatteren; ik niet. Daarom voel ik mij steevast door politici verbaal overweldigd. Het gevolg is dat ik mij niet werkelijk gehoord voel. Erger nog: ik voel mij soms gebruikt en weggezet.

In de politiek gaat het niet om mijn zorgen en om wat ik denk. Het gaat evenmin om mijn feitenkennis of om mijn argumenten. Politiek bedrijven is niet hetzelfde als aan een vergadertafel zitten, iedere deskundige en beleidsmaker inspraak geven en samen werken aan de beste optie in het algemeen belang op de lange termijn.

Zo’n constructieve samenwerkingsvorm is mogelijk. Ik heb dit meegemaakt bij een bedrijf en een ontwikkelingsorganisatie. Het was ideaal. In ons land echter, wordt politiek voor het oog van de bevolking vooral bedreven via strijd, en via handjeklap in plaats van samenwerking.

Was er maar een Raad van Wijzen, die onafhankelijk en objectief het hoofdpad uitstippelt en het laatste woord heeft. Dan zou ik graag op de achtergrond een inhoudelijke bijdrage leveren. Maar zo’n raad is er niet, dus is de politiek niets voor mij.

Bijna volleerd als bouwvakker (v)

Het is nu wel zo’n beetje klaar met de klussen in huis. Koop je een nieuwbouw appartement, dan heb je de eerste twintig jaar weinig onderhoud. Koop je een oud arbeidershuis, dan blijf je bezig. Dat vertelden mijn buren toen ik hier kwam wonen. Ze hebben gelijk gekregen. Het liep een beetje anders dan verwacht. De afgelopen jaren heb ik mij soms afgevraagd waar ik aan was begonnen. Toch ben ik vooral veel wijzer geworden.

Zo zijn er allerlei raadsels opgehelderd over hoe dit huis is gebouwd. Ik weet nu wat er onder het laminaat ligt en wat er achter de voorzetwanden schuilt. Ook is bekend waar de leidingen lopen, zo ongeveer dan. Boren blijft een risico, want opeenvolgende eigenaren hebben alle woonlagen naar eigen inzicht aangepast. Daar zijn nauwelijks bouwtekeningen van.

Voorheen had ik zelden met bouwvakkers te maken. Nu ben ik op dat gebied een ervaringsexpert. (Hoor ik ergens een diepe zucht?) Ik wil daarom meer zelf kunnen. Schuren, verven, timmeren, zagen, boren, schroeven uitdraaien, gaten dichten, kitrandjes maken en plinten aanbrengen lukt al aardig. Vandaag ben ik voor het eerst via mijn nieuwe ladder op het dak van de schuur geklommen. Alles om minder afhankelijk te zijn en om geld te besparen.

Zou er specifiek behoefte bestaan aan meedenkende, klantvriendelijke, creatieve, vakkundige, communicatief vaardige vrouwelijke bouwvakkers die ook nog eens afspraken nakomen? Zo ja, dan begin ik voor mezelf.

Ingesnoerd door paternalisme

door stikstof woekerende braam ingesnoerde paddenstoel

Op twee wandelingen vertellen vier mensen mij onafhankelijk van elkaar precies hetzelfde over hun werk. Regels hebben hun eigen inbreng, en daarmee hun bevlogenheid, steeds verder ingeperkt. Twee van hen werken al jaren in de zorg en in het onderwijs. Een ander, een gepensioneerde man, was theoretisch fysicus. Hij had nog de tijd meegemaakt waarin ‘er van alles mogelijk was’. En iemands dochter liep stage bij mijn vroegere werkgever in de internationale ontwikkelingssector. Zij was onaangenaam verrast door het ‘paternalisme’.

Paternalisme. Dat hadden we toch achter ons gelaten in mijn tijd, toen ik daar werkte? Er was gezamenlijk een benadering ontwikkeld, gebaseerd op decennia van lessons learned. Hierdoor werd zo veel mogelijk ruimte voor eigen inbreng gelaten aan de mensen dáár: in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Maar er kwam een reorganisatie, en nog een daarna. Toen moest er meer EU-financiering worden binnengehaald. Dat was het nieuwe streven. En daarmee kwam kennelijk ook het paard van Troje.

Is het paternalisme? Ik ben geen insider meer, maar kan wel raden hoezeer de formaliteiten zijn toegenomen. Formaliteiten om te standaardiseren en om alles meetbaar te maken. En vooral: om risico’s uit te sluiten. Daarbij: hoe vooruitstrevend is de Europese Unie werkelijk?

En toch. Wellicht is het paternalisme ook bij ons terug van nooit weggeweest. Voor ons aller bestwil, volgens degenen die de regels bepalen. Dan is dat waar al die systemen voor dienen. Dan moeten we daarom de hoogste diploma’s halen, aan ISO-normen voldoen, en tot wel 30% van onze werktijd besteden aan het invullen van formulieren. Terwijl wij denken dat het gaat om verbetering van dienstverlening en meer klanttevredenheid.

PS: De afgebeelde paddenstoel groeit vlakbij akkers in de vrije natuur, maar wordt in zijn groei beperkt door een braam. Dat komt er nu van al die stikstof hier.