Er is iets aan het veranderen

Er was een aanloopje voor nodig, maar het lijkt erop dat ik een goed schrijfritme te pakken heb gekregen. Niet hier, maar op mijn andere website. Als je een massa informatie hebt verzameld, en vervolgens voor een andere wijze van presenteren kiest, dan vergt dat in praktische zin nogal een omschakeling. Het belangrijkste is wel om steeds te bedenken hoe ik het verhaal wil vertellen. Ja, chronologisch. Dat is makkelijk. Maar met welke insteek? En met welke zin begin je?

Een van de grootste hindernissen heb ik nu achter de rug. Dat was één van de hoofdonderwerpen in het verhaal waarop ik vorig jaar bijna vastliep. Het was te omvangrijk en er is al 3.200 keer door anderen in boekvorm over gepubliceerd. Vanzelfsprekend ging ik dat heel anders doen. Maar hoe? Uiteindelijk vond ik de juiste vorm. Namelijk: door exact te benoemen wat het probleem was (de onoverzichtelijkheid van de situatie). En door er letterlijk met een wijde boog omheen te gaan (qua perspectief).

Inmiddels heb ik een line-up gemaakt van onderwerpen voor de eerstvolgende twintig logjes. Die line-up is flexibel. De line-up is gebaseerd op een overkoepelend verhaal, met een tijdlijn, een logische opbouw, een aantal micro-onderwerpen die in een soort kader-logjes op een gepast moment ingevoegd worden, en een aantal kleinere verhaallijnen van personen en sub-onderwerpen die regelmatig op verschillende locaties terug zullen komen. Daarin verweven komen tussendoor ook periodieke overzichtjes. Bovendien verbind ik alles met verwijzingen naar relevante pagina’s en logberichten. De verhaallijnen heb ik in mijn hoofd.

Mijn nieuwe schrijfritme werkt als volgt. Eerst kijk ik naar het volgende onderwerp in de line-up. Dan sprokkel ik alle relevante stukjes uit mijn ‘verzameld bronmateriaal’-document bij elkaar. Die plak ik in mijn ‘website logjes’-document. Dan lees ik alle stukjes nog eens door. Daarna ga ik er een nachtje over slapen. Meestal heb ik de volgende ochtend wel globaal een idee van wat ik wil vertellen. En dan schrijf ik beetje bij beetje alle snippers informatie aan elkaar. Althans, dat is de bedoeling.

Het schrijfproces laat zich niet forceren. Ik moet in een soort ontspannen-constructieve-positieve-creatieve gemoedstoestand verkeren. Dat werkt het beste. Zo niet, dan wordt het een eindeloos gepruts met woordjes heen en weer schuiven en veel blindstaren. Maar het allerbelangrijkste is het inspiratiemoment. Het moment waarop ik een ingeving krijg voor de juiste insteek of voor de eerste zin.

Wat trouwens meehelpt, is dat anderen mijn onderzoek serieus nemen. Daardoor gaat het schrijven met de dag beter.

Even doorbijten en dan verdergaan

Vandaag heb ik een klus geklaard, waarvan ik vond dat ik die moest doen. Vooraf had ik al een vermoeden van wat mij te wachten zou staan. Namelijk iets vernemen wat ook bij sollicitaties gangbaar is. Dus 101 varianten op ‘U past niet in het profiel.’ Daarom moest ik mij mentaal wel even voorbereiden. Dat ging goed. Uiteindelijk werden het een paar varianten minder. Nu kan ik met mijn leven verdergaan.

Grappig trouwens, dat een van de organisaties streeft naar een wereld waarin iedereen meedoet.

Stukken uit het verleden van mijn identiteit

Ze gaan door mijn handen of passeren op het scherm als digitale bestanden van weleer.

  1. Toolkit Sustainable Tourism. Staat ook op internet, dus kan weg.
  2. Ondernemingsplan [bedrijfsnaam] definitief.
  3. Studiemateriaal cursus Praktische Journalistiek.
  4. Reisverslag Cambodia en Vietnam. Dit was geen vakantie, maar ter voorbereiding van een bedrijfsplan.
  5. Gezinskaarten van alle geslachten, nu overgeheveld naar de map BBB Oud.
  6. E-mails van ex-collega’s over mijn nieuwe plan. Ander plan.
  7. LOI-cursus Engels, aanvankelijk snel mee gestopt. Na Australië weer uit de kast gehaald en in aanloop naar de CPE-cursus alsnog al het huiswerk gemaakt.
  8. Trainingsmateriaal van het Centre for Safety and Development. Een van de trainers was ex-marinier en boomlang. Dat is mijn blijvende herinnering daaraan.
  9. Marketingplan, inclusief lijst met uitgevoerde activiteiten. Ongelofelijk, wat een moeite ik toen nog heb gedaan.
  10. Correspondentie 2013. Einde verhaal.
  11. Diverse hand-outs Interculturele Communicatie, Ondersteuning regio Afrika.
  12. Digitale map CV’s en resumés. Het is dat ik denk: ‘Je weet maar nooit,’ anders had ik al geklikt op ‘Delete’.
  13. Practical guide for entrepreneurs in sustainable tourism. Eigen tekst, eind april 2009 geschreven tot pagina 45. Toen wist ik dat dit het niet ging worden. Ik lees de tekst met een mengeling van ontzetting en verwondering. …
  14. Foto uit 2012, Kerstmarkt in Warmond. Ik stond daar.
  15. Voorbeeld van een kostenberekening voor boeken bij een uitgeverij. Plus meer in de map met lesmateriaal van de Vakopleiding Boekenbranche.
  16. Verslag van een functioneringsgesprek uit 1994 met Gabriella P. ‘Zeer betrouwbare, hardwerkende, sympathieke medewerkster.’, concludeerde zij. Dat schrijft tegenwoordig niemand meer over mij.
  17. Bedrijfsfolder uit 1990 met een foto van het voltallige personeel. Gaat nooit weg.
  18. NCOI-map met als inhoud een training Persoonlijke Effectiviteit. (Uit mijn PAP [Persoonlijk Aktie Plan] ‘Je eigen beste vriendje zijn.’ ‘Stem oefenen, lagere toon.’ Enzovoort.) Gedaan in Rotterdam. Heeft bar weinig effect gesorteerd, dus deze map leg ik nog even apart.
  19. Details.
  20. De vele, vele details.

Op de achtergrond passeren oude, vertrouwde bekenden in de Top 2000. Muziekstukken en namen uit een gedeeld verleden. Aanwezigen bij een andere en vroegere manier van leven. Sommigen heb ik al te lang gemist, dat besef ik nu, want zonder ben ik incompleet. Samen vormen ze de stukken waaruit mijn identiteit is opgebouwd.

Krapte op de arbeidsmarkt

Onlangs was er een nieuwsitem op het NOS-journaal over de huidige krapte op de arbeidsmarkt. Er werd een mevrouw geïnterviewd die werkte bij Randstad, de uitzendmultinational. Op de vraag hoe het toch kwam dat er zo’n krapte is, antwoordde zij: ‘Er is meer vraag dan aanbod.’ Veel meer dan dat kwam er niet uit. Wat een orakel.

Met een vriendin was ik vorige week in Deventer op stap. Het was lunchtijd en we kregen honger. Bij het restaurant van onze keuze konden we echter niet terecht, hoewel er binnen nog plaats genoeg was. Maar ze hadden te weinig personeel. Dat was ook bij andere horecagelegenheden een probleem. ‘Zal ik dan toch maar weer eens een poging doen?’, opperde ik tegen die vriendin. Tenslotte beschik ik over horeca-ervaring. ‘Het is de vraag of ze je aannemen.’, somberde zij. Ik keek eens om mij heen en dacht: ‘Nee.’ Want 20 jaar was overal de gemiddelde leeftijd van het bedienende personeel.

Ik zie het probleem niet. Klanten kunnen zelf hun hapje en drankje afhalen, net zoals in een food court. Het enige wat je daar als ondernemer voor hoeft te doen, is er ‘een beleving’ van maken. Toch?

Waar onze overheid mee bezig is, is mij onderhand een raadsel. Iets met brandjes blussen in Afghanistan of zo. Maar hoe zit het nu met de afstemming van de vraag en het aanbod op onze nationale arbeidsmarkt?

Ik zou denken: onderzoek om te beginnen waar echt vraag naar is, en stel quota op voor opleidingen in richtingen waar amper toekomst in zit. Dat scheelt een hoop tijd, geld en energie en dan verkoop je gelijk geen illusies meer.

En kijk naar degenen die tijdens vorige crises op basis van dubieuze keuringen voor de rest van hun potentieel arbeidzame leven met een WAO-uitkering of andere regeling van de arbeidsmarkt zijn weggesluisd. Daar lopen er tienduizenden van rond. Ik hoor het die ene secretaresse nog zeggen tijdens een wandeling: ‘Ik had een burn-out, maar verder geen idee waarom ik meteen volledig werd afgekeurd. ‘ Ze vond dat wel best, overigens.

Of kijk eens naar welke bedrijven we hier echt willen hebben. We halen buitenlandse bedrijven binnen met enorme distributieloodsen, terwijl die bedrijven werk bieden waarvoor nauwelijks mensen te vinden zijn, omdat kennelijk niemand hier dat werk wil doen. Hevel dat werk dan over naar landen waar de arbeidsmigranten vandaan komen die de lacunes nu vullen.

Kijk vooral ook naar werk dat er echt toe doet. In Groningen gaat het overgrote deel van het geld voor de afhandeling van de schade naar consultants en adviseurs. Wat dragen zij bij aan de maatschappij? Deze mensen slokken fondsen op waarmee bouwtechnische innovatie en oplossingen hadden kunnen worden betaald, waarmee het werken in de bouwsector meteen aantrekkelijker, duurzamer en efficiënter had kunnen worden gemaakt.

Of kijk naar al degenen, die na tal van sollicitaties ontgoocheld zijn. Die geen pogingen meer wagen, terwijl zij nog best wat willen en kunnen doen. Zie ze eindelijk eens staan. Werk aan een arbeidsmarkt die echt inclusief is, functioneel, en ruimte voor alternatieve afspraken biedt, omdat iedereen recht heeft op zelf verdiende middelen van bestaan.

Zo moeilijk kan het toch niet zijn?

Vol goede moed

‘Fijne kerstdagen en vol goede moed, vertrouwen en positiviteit het nieuwe jaar in! Groetjes, J.’ staat er op het kaartje dat een straatbewoonster eind 2020 bij mij in de bus stopt. We kennen elkaar van de feestcommissie. Toen ik bij het samenstellen van de foto-expositie op een bijzonder detail uit het verleden stuitte, was zij degene die de meeste interesse toonde in het vervolg van mijn zoektocht en het uiteindelijke verhaal.

De foto-expositie is voor mij een project van uitersten gebleken. Het was naar buiten toe een regelrecht succes. Tegelijkertijd ik heb ook meerdere hoofdpijndossiers voor mijn kiezen gekregen. En met één van die dossiers ben ik nog steeds bezig.

We worden allemaal weleens geconfronteerd met kwesties waaraan veel haken en ogen zitten. Soms loop je tegen complicerende regels aan. Daar kan je misschien creatief mee omgaan. Soms tref je iemand die dwarsligt uit volle overtuiging. Dan kan behoedzaam gemanoeuvreer en diplomatie helpen. Vooral bewust bot en onachtzaam gedrag vind ik echt storend en onverdraaglijk.

Of je behendig met hindernissen om kan gaan, hangt sterk af van je eigen vitaliteit. Voor wat dat inhoudt, grijp ik terug op een stukje tekst uit een oud log:

‘Er staat thuis al weken een mailtje in mijn inbox. Het is van een coaching bureau waarbij ik ooit een persoonlijk balanstraject heb gevolgd. Ik bewaar er goede herinneringen aan. Cees van den Eijnden is de auteur en hij schrijft over vitaliteit. Kort samengevat:

Vitaliteit omvat drie dimensies:

  • Energie: de mate waarin je je energiek, sterk en daadkrachtig voelt.
  • Motivatie: de mate waarin je doelen stelt in het leven en er naar streeft die te bereiken.
  • Veerkracht: de mate waarin je in staat bent om met de (dagelijkse) problemen en uitdagingen om te gaan.

 Vitaliteit wordt gevoed door drie bronnen:

  • Mentaal: je staat sterk in je schoenen.
  • Fysiek: je voelt je sterk en gezond.
  • Sociaal: je voelt je verbonden met je omgeving en de maatschappij.

Daarnaast word je beïnvloed door sociaal-demografische kenmerken, je omgeving en leefstijlfactoren (bewegen, voeding, ontspannen, en de balans daarin).’

Mijn vitaliteit is tegenwoordig minder dan ik zou willen. Daarom verwacht je dat de woorden van de buurtbewoonster hierboven voor mij bestemd zijn. Maar ik twijfel. Soms wensen we een ander datgene toe wat we onszelf toewensen. Goede moed, vertrouwen en positiviteit in het nieuwe jaar. Het zijn de woorden van iemand die toen wachtte op de uitslag van een test. Dit jaar zal waarschijnlijk haar laatste worden.

Ben moe

(Nog vier dagen tot de opening.)

‘Lieve God,’ schreef ik eerder deze week in mijn schrift vol dingen die ik nog moet, ‘geef mij alstublieft sneller werkende hersenen, zodat ik mijn werk als waakhond efficiënter kan doen. U weet dat ik bezig ben met die foto-expositie. Nou, wat mij nu toch weer is overkomen …’ Hier bleef het bij, omdat ik te moe was om verder te schrijven en dan worden mijn hersenen sloom.

In mijn hoofd tolde van alles rond en dat kost veel energie. Dat heb ik altijd wanneer iemand onzalige ideeën door wil drijven en zonder overleg zijn of haar eigengereide ding gaat doen. Uiteindelijk heb ik alles af kunnen wenden en daarom gaat het nu goed.

Terugblik op Israël, ruim 30 jaar later

Het is opmerkelijk hoeveel zaken vaag blijven, na herlezing van de brieven en mijn reisverslag. Wel zie ik het volunteershuisje zo weer voor me, evenals het boerenerf, de velden en de woestijn. Ik kan de winterwind voelen onder de strak blauwe hemel. De zonnestralen worden al warm. Ook hoor ik de enorme stilte, af en toe onderbroken door het geluid van een motor, een rammelend hek of de stoffige kuch van een koe.

Ik weet nog in welke richting de velden buiten het dorp lagen. Op de achtergrond was een heuvelrug. En rechts, voorbij de doorgaande weg, waren de wijngaarden. Plus de nabijgelegen bergen van Jordanië. Vele jaren later stond ik erbovenop, ter hoogte van Petra, en zag ik het vertrouwde woestijnlandschap terug. Bijna aanraakbaar, slechts gescheiden door een grens.

Ook herinner ik mij het gehotsebots op de oude tractor. Om bij de akker met tomaten te komen, moest je eerst dwars over een greppel rijden. Die tractor was een vaalrode krachtpatser. Daarmee kon ik vlot door het rulle woestijnzand heen rauzen.

Maar de gezichten zie ik nauwelijks nog voor me. Zwart haar, middelbruine ogen, gebronsde huid. Dat is wat ik nog weet. Een zachtaardige man. Zo anders dan de meesten in dat land. Hoewel die anderen onder hun rauwe imago soms ook een mildere kant verborgen hielden. Je moet daar hard en sterk zijn. Zijn vrouw leek ongelukkig op een boerderij in dat afgelegen dorp. Zouden ze nog bij elkaar zijn? Hun kinderen zijn inmiddels volwassen.

De brieven schreef ik aan familie tijdens een anderhalf jaar durende reis, ruim dertig jaar geleden. Nu lees ik ze terug, hopend op aanvullende details die ik sindsdien ben vergeten.

Het overvalt me hoezeer ik stilsta bij die (tweede) periode in Israël. Gaf het programma van Frans Bromet en Raoul Heertje soms een aanleiding? Zij onderzoeken daarin hun haat-liefde verhouding met dat land. Mijn eigen gevoelens zijn minstens even tegenstrijdig.

Zal er ooit sprake zijn van iets anders dan extremen? De taferelen en de schurende gesprekken in hun documentaire zijn zo herkenbaar. Bovendien is na ‘mijn’ tijd die monsterlijke muur gebouwd. Een splijtzwam, die de bevolkingsgroepen nog verder uiteen drijft. Een open wond in dierbare grond. Ik zou wel terug willen gaan, maar ik kan die muur niet aanzien.

In 1987, aan het begin van mijn eerste verblijf, wist ik nauwelijks iets van Israël af. Ik was 24 jaar oud, wilde op wereldreis gaan, en het liefst de winter doorbrengen in een warm oord. Onderweg ging ik in diverse landen werken, zoals backpackers dat al decennialang doen. Praktische informatie haalde ik uit Work Your Way Around The World van Susan Griffith. En de Bijbel ging naar Israël mee als geschiedenisboek en reisgids.

Israël stond in de jaren zeventig en tachtig qua werk bekend als makkelijke bestemming. Je hoefde maar langs een kantoortje in Tel Aviv te gaan en je had een baan. Bijvoorbeeld in de agrarische sector, kinderopvang of horeca. Veel reizigers waren pas afgestudeerd of ze hadden een tussenjaar. Het idee was om afwisselend een poosje te werken en dan weer wat van de wereld te zien. Op die manier kan je het rondreizen lang volhouden.

Ik had niets met politiek. Wel kwam Israël toen regelmatig in het nieuws. Maar ik had meer interesse in busdiensten naar toeristische trekpleisters, dan dat de Palestijnse kwestie mij aanging. Bovendien moet je daar echt moeite doen om zaken van meerdere kanten te zien. Veel mensen kennen slechts een kant. Als je aan de Joodse kant terecht komt, heb je nauwelijks contact met Palestijnen of Arabieren. En omgekeerd is dat dito eender.

Door mijn besluit belandde ik automatisch aan Joodse zijde. Maar dat bepaalde mijn positie niet, vond ik. Want ik ben zelf Nederlands en van oorsprong katholiek. En ik sloot mij niet af voor Palestijnen. Alleen duurde het maanden voordat ik met zo iemand sprak. Met een representant van ‘de anderen’. Op straat vond ik Arabische mannen wat opdringeriger, terwijl veel Joden zich meer als westerlingen gedroegen. Dat was in mijn beleving het voornaamste verschil.

Heel soms gedurende twee verblijfsperiodes daar, viel mij meer op. Ik schreef erover aan mijn familie.

In een brief over een uitstapje naar Akko. ‘Dat ligt ten noorden van Haifa aan de kust. Er is een oud gedeelte, wat nu een Arabische wijk is. De huizen zijn kris-kras gebouwd op een heuveltje en er zijn veel trapjes en doorkijkjes. Er lopen veel kinderen rond, die blijkbaar (in tegenstelling tot Joodse kinderen) niet naar school gaan. Eromheen, aan het water, is een enorme muur die door kruisvaarders is gebouwd.’ En zo gaat de beschrijving van het pittoreske stadje verder. Die kinderen liepen buiten op een woensdag en bij mijn weten was het geen feestdag.

En over een bezoek aan het oude deel van Jericho, waar ik een Amerikaanse vrouw ontmoette bij de opgravingen: ‘Met die Amerikaanse ben ik langs het refugeekamp naar een paleis van de één of andere sheik gelopen. We liepen langs de hoofdweg en nu tuuterden echt alle automobilisten. Ook Joden en militairen. (…) Terug naar Jerusalem kwamen we weer door het berggebied. Ik zag verschillende Bedouïnen-tentenkampen en schapenkuddes. Eigenlijk wel gek. Die mensen leven nog zowat in het stenen tijdperk terwijl boven hun hoofd militairen in supersonische straaljagers aan het oefenen waren.’

Aansluitend in de volgende alinea:
‘Wat het gevaar van rellen betreft. Dat is maar betrekkelijk. Het zijn meer incidenten en alle onlusten worden razendsnel de kop ingedrukt omdat er óvérál bewaking is. Bijvoorbeeld de toegangen naar de Klaagmuur. Daar staan op verschillende plaatsen minstens vijftig politieagenten en militairen. Iedereen die het terrein wil betreden wordt gefouilleerd.
De afgelopen dagen in Jerusalem zijn er verschillende relletjes geweest op nog geen twee kilometer afstand van mijn herberg, maar ik heb niets gemerkt. Ik heb de Dome of the Rock bezocht (Koepel van de Rots).’
Gevolgd door meer heilige en toeristische bezienswaardigheden. Yad Vashem maakte veel indruk.

Militairen waren inderdaad overal; ze hoorden bij het straatbeeld. Door hun aanwezigheid voelde ik mij veilig. In de woestijn keek niemand van zijn werk op wanneer er achter de heuvelrug militaire oefeningen waren. Dan was er een dof gerommel hoorbaar. Explosies in de verte maken hetzelfde geluid als onweer. Maanden later, toen ik al in Nederland terug was, dacht ik nog steeds bij onweer: ‘Oh, ze zijn zeker aan het oefenen.’ Zozeer was ik eraan gewend geraakt. In retrospectief vraag ik mij af of het wel altijd ‘oefeningen’ waren.

Dat ‘ik heb niets gemerkt’ in die brief was trouwens niet helemaal waar. (Mijn ouders lazen mee, vandaar.) Ik verbleef tijdens de eerste intifada enkele dagen in de christelijke wijk van Jeruzalem. Waar die intifada over ging, was mij globaal wel verteld. De traditionele winkeltjes in de oude binnenstad bleven uit protest gesloten. Dat vond ik jammer. En op een avond zei de Armeense herbergier dat het beter was om binnen te blijven. Achter de hoge muren en de gesloten poortdeur hoorde ik mensen rennen in het naastgelegen steegje.

Het heeft jaren geduurd voordat ik mij realiseerde dat je onmogelijk in zo’n land neutraal kan zijn. Bij iedere handeling maak je feitelijk keuzes tussen partijen. Ook al gebeurt dat onbewust.

Na lezing van de brieven en het reisjournaal haal ik mijn reisfotoboek tevoorschijn. En via internet zoek ik naar de twee plaatsen waarin ik verbleef. Voor het eerst zie ik er luchtfoto’s van. De omgeving rond de dorpjes is wat droger geworden; verder lijkt alles hetzelfde gebleven.

Tegelijk leer ik iets over de ontstaansgeschiedenis van beide plaatsen. De eerste ligt in het noorden en ‘was founded in 1949 by the movement on land that had belonged to the depopulated Arab village.’ Pardon? Dus dat betekent … ?

De tweede plaats ligt in de Negev-woestijn en staat vermeld in het Oude Testament. Tijdens mijn verblijf daar geniet ik vooral van de eenvoudige leefstijl. Even is mijn wereld klein. Ik ervaar er geborgenheid aan het eind van een lange reis op drie continenten. Zo wordt het een uitgelezen moment en plek voor bezinning.

Israël is geen makkelijk land om in te wonen. Iedereen betaalt een hoge prijs en de lontjes zijn kort. Pas nu vallen de passages op over inflatie en geldzorgen bij de gemeenschap in de woestijn. En ongemerkt is er altijd die dreiging. Zelfs op de luchtfoto is van grote afstand de omheining zichtbaar rond het dorp in die afgelegen vallei. De omheining is zes rijen dik en bestaat uit zes parallel geplaatste metalen hekken. Elk hek afzonderlijk is voorzien van meerdere rollen prikkeldraad boven elkaar. Dat was vast niet alleen om ’s nachts de rondzwervende woestijnwolven buiten te houden.

Desondanks voelde ik mij goed thuis in Israël. Het leven is er paradoxaal ook plezierig ongedwongen. Veel mensen zijn pragmatisch ingesteld. Het klimaat is aangenaam. Het openbaar vervoer is goed en je kan overal lekker eten. Daarbij was ik in Israël zeer welkom. (Heeft mijn nationaliteit nog altijd een streepje voor?)

Verder was het prettig en grappig dat ik er onopvallend als een local over straat kon gaan. Werkelijk iedereen dacht dat ik joods was. Qua haarkleur had het gekund, maar verder? Mijn vermeende ‘joodse’ trekken zijn eerder Frans. Wel schept de vluchtgeschiedenis van mijn Hugenoten-voorouders een soort lotsverbondenheid. Dus mogelijk is standvastigheid een gedeelde karaktertrek.

Israël heeft een belangrijke vormende rol gespeeld in mijn leven. Ik ben er mentaal gegroeid en wereldwijzer geworden. Desondanks duidt in 1989 nog weinig op een ontwakend maatschappelijk bewustzijn. Ik benoem dan vooral wensen qua concerten, werkrichting en relaties. Wel schemert er al een verlangen door naar een meer verstilde leefstijl.

Wat Israël betreft, zal ik nooit stelling nemen. Twee partijen menen evenveel recht te hebben op hetzelfde lapje grond. Grond die ook mij zeer dierbaar is. Mede daarom is het hartverscheurend om te zien waar zo’n uitzichtloze patstelling toe leidt.