Een persoonlijke muziekcatalogus

De afgelopen veertig jaar veranderde er veel voor wie thuis naar favoriete muziek luistert. Na de platenspeler verschenen bandrecorders, cassettebandjes, cd’s, mp3-spelers, iPods en muziek streaming services. Een deel daarvan sloeg ik zelf over. Voorlopig ben ik geëindigd bij cd’s en YouTube. Met elke verandering rijst echter de vraag wat je aan moet met al die muziek op verouderde geluidsdragers.

Mijn platencollectie en bandrecorder gingen al eerder de deur uit. Steeds zette ik de beste nummers over op bandjes via het krakkemikkige microfoontje van mijn cassetterecorder. Maar elke volgende recorder en walkman had een iets andere snelheid. Vandaar dat het beluisteren van die bandjes een tenenkrommende ervaring wordt. Na schifting bewaar ik nog ruim 100 cassettebandjes met 90 minuten elk. Ik heb ze al jaren niet meer aangeraakt, terwijl er toch geweldige muziek op staat. Dus moet ik weer een keuze maken.

Het merendeel van de muziek bestaat uit radio-opnamen. Vaak zijn de artiesten en titels wel bekend. Maar er staan ook nummers tussen waarvan ik geen flauw idee heb van wie ze zijn. Dan schreef ik een zinnetje op waarvan ik dacht dat dat de titel was. Vooral wanneer dat telkens terugkwam in het refrein. En als ik de taal niet beheerste, maakte ik fonetische aantekeningen. Daarom vormen de Arabische en Afrikaanse liedjes een probleem.

Natuurlijk is er Shazam. Maar ik kom de gekste dingen tegen. Sowieso dj’s die overal doorheen ratelen. (Wat vindt die beroepsgroep zichzelf toch interessant.) Maar ook stukjes Franse les. Het bijzonderst is de oproep tot het gebed van de muezzin van de Kaäba in Mekka. Dat vond ik namelijk mooi klinken. Vermoedelijk is het een opname van voor 9/11. Je kan je toch nauwelijks voorstellen dat zoiets nu nog op een Nederlandse radiozender te horen is.

Inmiddels weten we allemaal hoe vergankelijk geluidsdragers zijn. Daarom grijp ik terug naar een beproefd ouderwets middel. In een ordinair Word-document verzamel ik chronologisch de namen van alle artiesten en bands die ik goed vind. Daarbij noteer ik de titels van hun beste nummers en plak ik de betreffende link naar YouTube. Van dat document maak ik periodiek een back-up.

Maar ja, nu nog die 100 cassettebandjes doorploegen. Je moet toch wat om de pareltjes er tussenuit te vissen.

YouTube als bron voor nieuwe muziek

Qua muziek leef ik momenteel in een vacuüm. Van jongs af aan leer je muziek kennen via familie en vrienden. Afhankelijk van hun voorkeuren kom je in aanraking met pop, jazz, rock of klassieke muziek. Hierbij is natuurlijk wel sprake van voorselectie. Verder hoorde ik in mijn jeugd de nieuwste platen op radiozenders en in het uitgaanscircuit. Nu ga ik nog zelden uit en luister ik steeds naar dezelfde zender. Zonder jonge huisgenoten mis ik de laatste ontwikkelingen op muziekgebied. Maar redding komt uit onverwachte hoek.

De krant mag een archaïsch medium zijn, er staan wel recensies in van nieuwe albums en concerten. Als die veelbelovend klinken, zoek ik naar de betreffende bands en artiesten op YouTube. Heb je daar eenmaal iets naar je zin gevonden, dan schotelt YouTube je een eindeloze stroom vergelijkbare platen voor. Ook van andere artiesten. Ik vind het ideaal.

Want zoals ik mijn smartphone heb gekocht vanwege de camera, zo heb ik mijn laptop gekozen vanwege de goede speakers. Ik heb al menig log geschreven met YouTube video’s op de achtergrond. Regelmatig komt er iets moois voorbij dat ik nog niet ken. Dan check ik even welke band het betreft. De afgelopen weken luisterde ik veel naar muziek van Radiohead op YouTube: Daydreaming, Nice Dream Lyrics, Pyramid songs en The Numbers, bijvoorbeeld. Allemaal gratis en voor niets.

Vandaag heb ik eindelijk eens wat teruggedaan. Ik ben naar de platenzaak gegaan en heb de cd A Moon Shaped Pool gekocht. Heel ouderwets. Veel leeftijdgenoten stonden daar trouwens cd-bakken door te spitten. Mannen vooral. Zij hebben kennelijk ook allemaal de boot gemist. Ach ja. A Moon Shaped Pool van Radiohead, dus. Een aanrader!

Waar luister jij graag naar?

Schoon haar/vies haar

Het is verbazingwekkend hoe snel onze waardering kan omslaan. Neem nu hoofdhaar. Je gaat naar de kapper en wast het regelmatig. Het zit in een mooi model dat past bij je gezichtsvorm. Goed verzorgd is je haar een sieraad, zogezegd.

Maar dan. Je staat op, kijkt in de spiegel en ziet die warrige bos op je hoofd. Daar moet nodig een kam door. Je stapt onder de douche en er weer onder vandaan. En dan zie je die gore dot natte haren op het rooster van de afvoer. ‘Getver’, denk je. Want plotseling is je hoogsteigen haar tot iets smerigs verworden. Hoe kan dat?

Als WordPress blogger reageren op een Blogspot blog

In bloggersland bestaan twee kampen. Te weten: zij die met Blogspot van Google werken, en zij die voor WordPress hebben gekozen. Raam Open hoort bij WordPress. De reden is puur esthetisch. Blogs van WordPress zijn doorgaans mooier (vind ik). Maar echt doorslaggevend is het logo van Blogspot. Dat is oranje en dat is mijn kleur niet. Volgens mij hebben ze dit in de gaten, daar bij Google (Blogspot). Want sjonge jonge, wat maken ze het reageren voor mij als WordPresser moeilijk.

Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat Blogspot Google acuut in de contramine gaat, zodra ik mij als WordPresser aanmeld. En dat moet, hè, als je herkenbaar wil reageren. Een eenvoudige like plaatsen, kan evenmin. Google wil mijn Gravatar (met glas-in-loodramen) niet bij Blogspot zien. En omdat ik geen Google account gebruik, gaat Google extra dwarsliggen.

Het is hoogst irritant. Er zitten namelijk goede bloggers tussen, daar bij Blogspot. Bij hen wil ik soms complimentjes achterlaten. Maar telkens moet ik door een eindeloze aanmeldprocedure heen. Eerst naam invullen: Karin van Raam Open. Dat is geen probleem. Vervolgens een e-mailadres en de url van Raam Open intypen. Nou, dát is foute boel. Dan gaan er bij Google direct alarmbellen rinkelen. Want die url is er één van WordPress. De concurrent ja.

Dus zet Google zijn geheime wapen in: verificatie! Alsof ik een robot ben. Maar goed, wat doe je in zo’n situatie? Je vinkt aan dat je geen robot bent. Daarna denk je toch dat je klaar bent. Nou, forget it. Want vanaf dat moment gaat Google helemaal vol in de aanval.

Eerst krijg je zo’n rasterschermpje te zien met een foto van een autoweg. Daarop moet je alle vakjes met verkeersborden aanklikken. Daarna verschijnt er een andere foto van een andere weg. Daarop moet je alle vrachtauto’s aanklikken. Dan verschijnt er weer een foto, nu van een groot huis. Daarop moet je alle schoorstenen aanklikken. Daarna verschijnt er nóg een foto van weer een ander huis. Daarop moet je alle ramen aanklikken. Dan verschijnt er ….

Bent u daar nog?

Denk maar niet dat ik ooit in mijn leven overstap op Blogspot. Zelfs niet als het logo groen wordt. WordPress is tenminste gebruiksvriendelijk, ook voor bloggers van de concurrent. Geen wonder dat WordPress zulke mooie groeicijfers kent.

Een goede afronding van zaken

We gaan allemaal verschillend met klussen om. De een wil vooral meters maken en de afwerking overslaan. De ander heeft geen gemoedsrust voordat de boel mooi is afgerond. Deze twee persoonlijkheden werken soms lastig samen. Toch vullen ze elkaar aan. Zelf ben ik ook van de meters, maar nadrukkelijker van de afronding.

Onlangs sprak ik via Marktplaats af met een man die (gratis) tegels bij mij kwam ophalen. Het was een poos geleden dat ik dat via Marktplaats had gedaan. De man verscheen en nam de tegels mee. Even later logde ik in om de advertentie weg te halen. Bleek dat de man een beoordeling over mij als ‘verkoopster’ had achtergelaten. Die optie is nieuw zeker?

Nu ben ik niet happig op beoordelingssystemen, maar vooruit. Hij had de moeite genomen om het in te vullen en ik had een positieve indruk van hem. Dus wilde ik hem vijf sterren geven. Alleen haperde het systeem. Waar ik ook op klikte, er verschenen geen sterren. Wel volgde stap twee, waarin je trefwoorden kan aanklikken, en daarna stap drie. Maar de helft bleef leeg.

Wat nu? Het zo laten? Dan heeft hij een beoordeling zonder die sterren van mij. Terwijl ik hem aardig vond en betrouwbaar bovendien. Het is nog een vrij jonge man. Hoe moet het nu verder met zijn leven? Misschien heb ik voorgoed zijn reputatie op internet verpest. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben.

Daarom heb ik de helpdesk gemaild. Helaas is de zaak nog niet opgelost. Hier maak ik mij echt zorgen over. Dit gaat me achtervolgen, dat is zeker. Tot overmaat van ramp heb ik onze correspondentie al verwijderd, dus mis ik zijn contactgegevens. Hopelijk kom ik hem ooit nog tegen. Dan kan ik het uitleggen.

Als hij nu maar niet in de goot belandt door mijn toedoen.

Beoordelen, oordeel, veroordelen

Esther Gerritsen is voor mij als denker een groot voorbeeld. Zij schrijft deze week in de VPRO-gids over een nieuw fenomeen. Bij Uber is ze namelijk als klant beoordeeld. ‘… nu heb ik dus ook een beoordeling gekregen van mijn chauffeurs. Passagiersbeoordeling: 4.89 uit vijf. ‘Je doet het geweldig,’ stond erbij in de mail. Zelfs als passagier kun je falen en slagen.’ Vertwijfeld vraagt Esther zich af hoe zij die 0.11 punten heeft verloren. ‘Hoe word je een perfecte klant? Moet je een perfecte klant willen zijn?

Een kernteamlid van de werkgroep voor en door werkzoekenden stuurt een tip door. Op LinkedIn is een recruiter aan het woord. Motivatiebrieven worden nauwelijks gelezen, vertelt zij. Recruiters kijken hoofdzakelijk naar CV’s. Eigenlijk is een motivatiebrief passé. Je moet een videosollicitatie insturen, daar maak je kans mee.

Natuurlijk, de recruiters van nu zijn hooguit 25 jaar oud. Die zijn met internet vertrouwd. Zij zijn het gewend om zich, naar Amerikaans voorbeeld, continu voor het oog van de lens te presenteren. Is er überhaupt iets veranderd? We beoordelen en veroordelen elkaar toch altijd al doorlopend. Vergeleken met dertig jaar geleden zijn hooguit de middelen veranderd. Maar ik verdom het. Hier ga ik niet meer in mee.

Zal ik dan eens vertellen over mijn laatste sollicitatiegesprek, nu anderhalf jaar geleden? Het ging om een baan als projectondersteuner waarvoor ik door een uitzendbureau was voorgedragen. De intercedent had zowel mij als de potentiële werkgever nog nooit ontmoet. Ik had vooraf wel vragen, maar die kon zij niet beantwoorden. Ik moest maar gewoon op gesprek gaan.

Op de afgesproken tijd kom ik bij het bedrijf aan. De persoon met wie ik de afspraak heb, staat mij al bij de ingang op te wachten. Het kantoor zit in zo’n bedrijfsverzamelgebouw waarvan de receptionist is wegbezuinigd. We lopen de trap op naar de tweede verdieping en daarna een lange gang door naar een vergaderkamer. Hij vraagt wat ik wil drinken (koffie) en gaat naar een andere ruimte om dat te halen.

Het duurt wel een minuut of vijf voordat hij terugkomt. Terwijl ik wacht, denk ik dat hij nog wat documenten moet verzamelen. Redelijk kalm geniet ik intussen van het uitzicht. Maar wanneer hij terugkomt, blijkt dat hij zijn conclusie al heeft getrokken. Hij zegt meteen dat hij heeft besloten dat het niets wordt. Voordat ik een slok van de koffie heb kunnen nemen, kan ik weer gaan.

Alleen doe ik dat niet. Daarvoor heb ik al veel te veel sollicitatieprocedures moeten doorstaan. Veel te veel. Veel meer dan mij door voorbarige oordelen van anderen had moeten worden aangedaan.

Dus blijf ik zitten en maak ik rustig een belangstellend praatje. Hij mag dan de directeur zijn van een internationaal opererend bedrijf, hij zit zichtbaar met de situatie in zijn maag. Uiteindelijk ontspant hij een beetje en wordt de sfeer best aangenaam. Nadat ik mijn koffie heb opgedronken, pak ik mijn tas en neem ik vriendelijk afscheid. Daarna ben ik opgestaan en weggegaan.

Kraakwagendag en de schatkist van de Fasson

‘Grofvuil is fantastisch: dat je iets ouds hebt, het wegdoet, en dat een ander dat dan misschien blij meeneemt. Het oude principe van dingen je hol inslepen. Of het nieuwe principe van upcycling. Of het oeroude principe  van lekker gratis.’ Aaf Brandt Corstius haalt in haar Volkskrant column van 22 juni 2018 zoete herinneringen op. Tegenwoordig moet je een afspraak maken met het gemeentelijke afvalstation. Op vastgestelde tijden dien je je oude spullen buiten te zetten en dan komen ze het ophalen. De romantiek is er wel af. Van mij mag het gouden era terugkeren van kraakwagendag.

Op kraakwagendag struinde ik als kind met een vriendinnetje in de buurt alle straten af. Er stond dan van alles op de stoep. Kapotte koelkasten, bankstellen, sapcentrifuges, bijzettafeltjes, zakken met oude kleding, bakken met boeken en gesloopte troep. We waren bepaald niet de enigen.

De professionals, zoals ze nu zouden heten, waren dan al langs geweest. Allerlei ruwe, groezelige mannen met gemotoriseerde bakfietsen haalden bruikbare spullen op. De oud-ijzerboeren. De tweedehands spullen handelaren. Hen zag je vervolgens staan op de Leidse markt. Daar hadden ze op woensdagen voor hun uitgestalde waren een vaste plek op de Koornbeursbrug.

Waarschijnlijk was er een ongeschreven regel. Nette mensen deden zoiets niet. Voor kinderen kon het nog net, tot een zekere leeftijd.

Dat vriendinnetje was meer bijdehand dan ik. Ze kende namelijk de exacte locatie van een ware schatkist: een enorme afvalcontainer op een nabijgelegen fabrieksterrein. Om precies te zijn: van de Fasson op de Lammenschans. Een goudmijn was dat. We konden er alleen met moeite in klauteren. Soms werden we weggejaagd door het personeel. Misschien was het wel gevaarlijk als er afval in werd gekieperd. We stonden er tot onder de zijwand in en waren van buitenaf niet te zien.

Er lagen alle mogelijke soorten plakband. Industrieel spul, onverwoestbaar. Grote rollen, kleine rollen, loeizware buizen met prachtige materialen. Sommige met rasters van textiel die aan twee zijden kleefden. Daarmee kon je een boekenplankje aan de muur bevestigen, zo’n plakkracht had dat spul. Het rook er dan ook erg chemisch.

We namen zo veel mee als we op onze fietsjes naar huis konden slepen. Ik zal een jaar of acht zijn geweest. Ik heb nog tot vijf jaar geleden plezier gehad van die kleefmaterialen. Zo lang bleven ze goed en ging de voorraad mee. Kleine stukjes hout plakken, een foto goed op een achtergrond vastzetten, etc. Vooral dat dubbelzijdige spul; daar kon je echt alles mee. Ik heb het helaas nooit in een winkel gezien.

Later ging de fabriek Fasson Avery Dennison heten en daarna alleen Avery Dennison. Het bedrijf verhuisde naar Hazerswoude. Ik heb er zelf op kantoor gewerkt, als uitzendkracht. In die periode moest ik een kast met oude ordners leegruimen. Alles kon weg. Ook de in prima staat verkerende, maar gebruikte kantoormaterialen: ordners, plastic insteekmapjes, paperclips, geperforeerde hoesjes en tabbladen.

Ik heb er van alles tussenuit gehaald. Gered van de vuilverbranding. Dat was in 1997. Die kleine kantoorartikelen gebruik ik nog steeds. Ze gaan langer mee dan de fabrieksgebouwen, want begin dit jaar werd de laatste gesloopt.