De visverkoopster op de markt

Bij de luxe marktwagen van de visverkopers is het druk. Ze verkopen verse en gebakken vis, plus kant en klare gerechten. De mannen staan bij de frituur of de werkbank waar ze hun handelswaar schoonmaken en fileren. De vrouwen staan op de voorgrond. Ze babbelen veel met klanten en onderling met elkaar. Allemaal van het type blond met blauwe ogen, afkomstig uit een streng gereformeerd dorp aan het IJsselmeer. Zoals de meeste visverkopers hier. Een van die vrouwen is de populairste. Ze weten het allemaal.

Terwijl ik op mijn bestelling wacht, komt er verderop een man bij de vitrine. Die ene vrouw heeft hem direct in de gaten. Ze loopt naar hem toe en leunt ver voorover. En ze spreekt hem aan op een professioneel-verleidelijke manier. Alsof ze elkaar goed kennen. Voelt hij mijn ogen op zich gericht? Hij toont in elk geval geen enkele emotie. Ik kan aan zijn uiterlijk niets aantrekkelijks ontdekken, maar hij staat met zijn zware lijf wel precies bij de duurste delicatessen. Daar bestelt hij wat van.

‘s Avonds zie ik een vroegere collega in een programma over ambassadeurs in den vreemde. We spraken elkaar zo’n 15 jaar geleden voor het laatst. Zij is geen haar veranderd. Nog altijd even vriendelijk, koket en charmant. In haar strakke jurkje zal ze er voor mannen uitzien als om op te vreten. Daarna volgt de documentaire Hallo, met Kyoko, over een vrouw die telefoonseks verkoopt.

Ik vraag me af wat de verschillen zijn met ons eigen gedrag, en wat de overeenkomsten. Gewoon in het dagelijkse leven. Om geld te verdienen of te besparen. En om dingen gedaan te krijgen.

Hand in hand over straat

Een man en vrouw van middelbare leeftijd staan hand in hand in de hal van Arnhem Centraal. Je ziet dat vaker hier en ik vind het mooi. Hoe anders is dit in de Randstad. In mijn herinnering lopen volwassenen daar nog maar zelden hand in hand. Waardoor komt dat?

Voor kinderen is het normaal om hand in hand over straat te gaan. Je leert het van je ouders die je bij de hand nemen zodra je kan lopen. Ook met mijn schoolvriendinnetje liep ik hand in hand naar de kleuterschool. Daarna werd het langzaam minder. Spelende kinderen hebben nog veelvuldig lichamelijk contact, maar de Nederlandse cultuur is fysiek afstandelijk. Zo rond je tiende is het er wel aardig af.

We leren van jongs af aan hoe het hoort. Bij een eerste kennismaking geven we elkaar een hand, in formele situaties tenminste. Anders zeggen we gewoon ‘hoi’ of ‘hallo’ tegen een groep en maken we met onze hand een begroetingsgebaar. Bij vertrek volgt er een kleine zwaai ter afscheid achteraan. De gewoonte om vrienden ter begroeting of afscheid te zoenen is geïmporteerd uit Amerika. Want van oudsher deden we dat niet. En als we in Frankrijk waren, lachten we soms besmuikt. Die rare Fransen zoenen zelfs hun collega’s en hun baas.

Rond de pubertijd was ik het hand in hand lopen aardig verleerd. Daarom ging het eerst zo onhandig, toen ik vriendjes kreeg. Het is ook maar net wat je van huis uit gewend bent. Hou je je hand met de palm naar voren of naar achteren? Mijn moeder hield altijd haar hand naar achteren, dus hield ik mijn hand met de palm naar voren. Andersom voelde raar. Vandaar dat de eerste hand-in-hand-wandeling met een vriendje begon met handen- gedraai.

Achteraf heb ik mij wel afgevraagd of er een betekenis in schuilt: wie zijn hand met de palm naar voren houdt en wie naar achteren. Is degene met de palm naar achteren de ‘leider’ en degene met de palm naar voren de ‘volger’? Vanuit welke positie kan je het beste aansturen en richting bepalen? Dat moet ik nog eens uitproberen.

Het onwennige zat hem ook in de verschillen. Het fijnste is om hand in hand te lopen met iemand die ongeveer even lang is en hetzelfde tempo heeft. Daarnaast maken de lengte van de stappen wat uit, en of de ander rekening met je houdt. Bij het oversteken bijvoorbeeld. Als de ander voor een snel naderende auto begint te lopen, terwijl jij niets doorhebt en wordt meegesleurd, is dat toch een beetje gevaarlijk.

En dan die handen zelf. Zonder overdrijven kan ik stellen dat ik op iemand afknap als hij of zij geen prettige hand geeft. Een slap handje bijvoorbeeld, of zo een waarbij je hand wordt fijngeknepen. Dan zijn er nog de plakhandjes, de fragiele handjes, de knokige handen, de vuile handen en de koude handen. Sinds er bouwvakkers over mijn vloer komen, heb ik vooral veel vlezige en warme handdrukken gehad. Die zijn toch een stuk aangenamer.

Vroeger zag je ook vaker paren arm in arm of met de armen om elkaars middel stappen. Dat vergt een nog preciezere afstemming wil het geen schokkerige bedoening worden. Volgens mijn moeder flaneerden verloofden in haar jeugd zo door bepaalde straten in de stad. Ouderen lopen tegenwoordig nog wel gearmd. Uit gewoonte, of omdat één van hen bij gebrek aan steun nu makkelijk omvalt. In dat opzicht is de rollator een stoorzender die individualisme in de hand werkt. Of onafhankelijkheid, natuurlijk. Het is maar hoe je dit bekijkt.

Ongetwijfeld beïnvloedt hand in hand lopen ons gemoed. We zijn tenslotte sociale dieren voor wie fysiek contact belangrijk is. Hand in hand lopen versterkt in een goede relatie het gevoel van binding, geborgenheid en veiligheid. En het werkt geruststellend in uitdagende omstandigheden. Een mooi voorbeeld daarvan is mijn ervaring met een Chinese vrouw bij de inktzwarte Grand Canyon.

Hand in hand lopen straalt uit: wij zijn samen, wij zijn één. Zie maar eens tussen ons te komen. Wij horen bij elkaar. Dat heeft voor- en nadelen. Want het is altijd link wanneer mensen zich buitengesloten voelen.

In het Midden-Oosten is het normaal dat heteroseksuele mannen als vrienden hand in hand lopen. Tegelijkertijd is dat een regio waar men elkaar regelmatig de hersens in slaat. Dat is logisch. Het tribale denken is er namelijk heel sterk. Dus degene met wie je niet hand in hand loopt, hoort er duidelijk niet bij. Die voelt zich buitengesloten en zit dan al gauw in het kamp van de vijand.

Waarschijnlijk kunnen we toch heel wat problemen voorkomen als we wat vaker hand in hand gaan lopen. Vooral volwassenen zouden dat vaker moeten doen. Juist ook met degenen die ze naar het leven staan.

(Bron afbeelding: TNK Photo op Unsplash.)

Grenzen aan de fantasie

‘Mensen zijn vleesgeworden robots met een telefoon eraan vast.’ Dat zegt de Rotterdamse Now&Wow-clubdirecteur Ted Langenbach in het Volkskrant Magazine van 24 november 2018. ‘Vroeger maakten we er nog wat van. … Mensen zitten gevangen in een keurslijf van sociale media, iedereen controleert elkaar. Er is een soort nieuwe burgerlijkheid gaande in de feestcultuur.’ Burgerlijkheid is zijn ding niet. ‘Pleur op joh, denk ik dan, laten we lekker gaan dansen.’ En daar mag een flinke doses porno bij.

Hij doet mij terugdenken aan het uitgaansleven van medio jaren zeventig tot eind jaren tachtig. Ik heb toen heel wat discotheken van binnen gezien. En ja, daar kon het er best groezelig aan toe gaan. Sowieso waren de man/vrouw-verhoudingen ouderwetser en rommeliger. Kijk naar een film uit die periode of luister naar een songtekst. Vrouwen moesten vooral lief en aantrekkelijk zijn, en mannen hadden het meer voor het zeggen. Want zij hadden het meeste geld.

Voor een creatieve clubdirecteur was het een gouden tijd. Denk aan de vroege David Bowie die op vergelijkbare wijze kon experimenteren. Ik kan me voorstellen dat iemand als Ted Langenbach Nederland anno 2018 een brave bedoening vindt. De man heeft gelijk.

Neem nu het fenomeen tiny houses, of zoiets als een food market. Het lijkt alsof iedereen iets origineels bedenkt, maar alles past binnen hetzelfde concept. Een food market hier is identiek aan een food market in San Francisco of Londen. Ik hou van huisjes op wielen, maar die tiny houses zijn het niet. Je móet duurzaam materiaal gebruiken en zonnepanelen hebben. Wat nou als ik een stacaravan wil met een dieselgenerator? Dan wijk ik af en dat mag niet.

Afwijken van de massa, dat is wat mensen als Ted Langenbach doen. Zulke vrije geesten houden ons een spiegel voor. Je hoeft het niet met hen eens te zijn, maar zij blazen wel lucht in de boel. Ik betwijfel overigens of hij echt zo origineel is. Porno is toch net zo goed een uitgekauwd thema. Er zijn altijd weer grenzen aan onze fantasieën en onze opvattingen.

We kunnen eindeloos experimenteren en nieuwe leefstijlen creëren. Maar misschien is er gewoon geen ontsnappen aan; aan die burgerlijkheid. Als je dat beseft en er niet mee zit, ervaar je ook een vorm van vrijheid.

Verknipte mannen en een gestoorde hond

Deze week dacht ik even aan Anne Faber. Anne werd ruim een jaar geleden door een psychisch gestoorde man verkracht en vermoord. Dergelijk geweld tegen vrouwen vindt helaas continu plaats. Overal ter wereld, 24/7, fysiek en mentaal. Op elke denkbare manier. Binnen gedwongen huwelijken is geweld tegen vrouwen ‘normaal’. Zulke verbintenissen zijn in grote delen van de wereld gangbaar. En slavernij tiert nog welig in het Midden-Oosten, Azië en Afrika. Alleen is de naam van deze arbeidsverhouding nu anders.

In ons liefelijke landje is verkrachting aan de orde van de dag. Dat gebeurt onder de noemer van (betaalde) seks, maar wel met vrouwen die hier onder valse voorwendselen naartoe zijn gebracht. In de VS kan zogenaamd ‘white trash’ binnen dat land als sekswerker worden ‘verkocht’. Het levert veel geld op, dus deze verdienmodellen blijven.

Ook mannen met psychische stoornissen blijven nog wel even. Evenals mannen met een beroerde opvoeding of iets teveel drugs in hun bloed. Het probleem is dat sommigen van hen minder goed kunnen omgaan met vrouwen. Diep in hun hart zijn ze er misschien bang voor. Dus moeten vrouwen eronder worden gehouden.

Op een dag fotografeer ik paddenstoelen op een bebost landgoed. Het park grenst aan Arnhem en er wandelen mensen met loslopende honden rond. De meesten zijn goed opgevoed. Maar niet allemaal. Daarom zit ik met een vraag. Wat denkt een hond als hij aanvoelt dat zijn verknipte baasje bang is, of minachting voelt, voor iedere loslopende vrouw die hij daar tegenkomt?

Witte muizen in het riool

Het rioolverhaal gaat nog een lang staartje krijgen. Dat zit zo. Ik deel een rioleringssysteem met de buurvrouw links en de bejaarde buurman rechts. Kort na mijn verhuizing ging ik langs bij de buren om kennis te maken. Ze nodigden mij uit voor koffie en daarbij kwamen de verhalen. Verhalen over ons straatje vroeger en over de vorige eigenaren van mijn pand. Buurman had het niet zo op mijn voorgangster.

Tijdens dat eerste bezoek vertelde hij meteen hoe het zat met de riolering. Want er was jaren geleden een verstopping geweest. Daarom hadden ze toen de put onder zijn uitbouw moeten open maken. Wat dáár uit tevoorschijn kwam? Allemaal witte muizen! Hij liet een welbewuste stilte vallen en wachtte mijn reactie af. Ik snapte er niets van. Scharrelen er behalve ratten ook muizen in een riool? Zoiets had ik nog nooit gehoord.

Buurman vond zichzelf enorm gevat. Want wat was de clou? Die witte muizen, dat waren de tampons van mijn voorgangster. Nou, nou. Uiteraard heb ik dit verhaal bij latere bezoeken nog minimaal drie keer aangehoord. Ik durf al nauwelijks op de wc te poepen. (Maar ja, waar moet ik het anders doen?) Ik hoop maar dat mijn hoopjes volledig desintegreren voordat ze zijn put bereiken. Anders moet de boel onder zijn keuken weer open.

Nu is dat laatste waarschijnlijk toch nodig. Vandaag hebben de buurvrouw en ik overleg gepleegd. Voor het geval er straks een strategie vereist is om zijn medewerking te krijgen. Gelukkig heeft de rioolmeneer ook al zijn speciale diensten aangeboden. Hij maakt deel uit van onze samenzwering. En hij is een man. Daarom heb ik er alle vertrouwen in dat het goed gaat komen.

Toch vraag ik me een ding af. Buurman is bijna 85 en mankeert van alles. Elke dag kan zijn laatste zijn. En dan? Hoe moeten wij ons hem dan herinneren? Als de man die telkens weer over zijn witte muizen begon?

Heren, vertel eens, hoe zouden jullie als man zijnde willen worden herinnerd?

‘Ja’ zeggen, maar ‘nee’ bedoelen

Tijdens de groepswandeling pak ik mijn smartphone om foto’s te nemen. Een vrouw naast me vraagt of ik ze op een website ga zetten. Zij heeft eens foto’s via sociale media gedeeld en zo komen we bij het onderwerp likes terecht. Op Facebook ziet zij van alles voorbijkomen. ‘Ik geef heel vaak likes, zelfs als ik een foto of bericht totaal niet waardeer.’ Dat verbaast mij zeer. ‘Waarom doe je dat eigenlijk?’, vraag ik haar. ‘Omdat ik die anderen dan wil supporten.

Misschien is haar handelswijze wel logisch als je familie en vrienden op Facebook volgt. Een like is dan een soort teken van leven. Zo van: ‘leuk dat jij er ook weer bent’. Meer niet. Maar evengoed is het tegenstrijdig. Wat zij doet, is in feite ‘ja’ zeggen, maar ‘nee’ bedoelen. Dat zou ik nou nooit doen onder een log.

Onder een log niet, nee, maar wel in het echt. Want in een gesprek kan mijn ‘ja’ een hele reeks verschillende betekenissen hebben, afhankelijk van de situatie en mijn intonatie. ‘Ja’ wil bijvoorbeeld zeggen:

  • Ik heb je gehoord, vertel verder.
  • Goh, is het echt?
  • Nee zeg, dat méén je niet!
  • Ik ben aan het nadenken.
  • Misschien. (Mogelijk of waarschijnlijk: ‘nee’.)
  • Het wordt wel erg langdradig. Schiet nou eens op met dat verhaal.
  • Ja, doei. (Vast en zeker: ‘nee’.)
  • Het zal wel. (Dus: ‘echt niet’.)
  • … [verveling]
  • Meid, wat erg voor je.
  • Schandalig!
  • Nee.
  • Wat denk je nu zelf? (‘Nee’ dus.)
  • En zo voort, en zo verder.

Misschien heb ik ook nog een typisch Leidse ‘ja’ in mijn repertoire, als die bestaat. Daar zal ik hier in gesprekken met echte Gelderlanders eens op letten.

Nu ik er goed over nadenk: al deze betekenissen gebruik ik voornamelijk in gesprekken met vrouwen. Bij mannen ben ik meteen al een stuk duidelijker, want anders snappen ze mijn ‘ja’ niet. Vreemd toch. Je moet ze ook alles uitleggen.

Een vraagje over de vakantie

Onderweg in Australië, dertig jaar geleden. Ik correspondeer regelmatig met vrienden en familie. Hun brieven worden poste restante bezorgd in plaatsen waar ik kom. In Nederland is het voorjaar. Daarom vraag ik aan X of zij en haar man dat jaar op vakantie gaan.

Doorgaans wil zij graag op pad, hij wat minder. Ze schrijft terug, maar geeft geen antwoord op die vraag. Kort daarna schrijf ik weer en informeer nogmaals naar hun plannen. Ze gaan ieder jaar minimaal een week op pad. Maar in de volgende brief ontbreekt wederom een antwoord.

Het is mij een raadsel waarom ze er niets over rept. Als ze thuis blijven, kan ze dat toch melden? Mij maakt het weinig uit wat ze doen. Maar juist omdat ze over de vakantie zwijgt, blijf ik er nieuwsgierig naar vragen.

Inmiddels is het hartje zomer. Nog heb ik niets over hun plan vernomen. Dan laat ik het er bij. Het is tenslotte een vraagstuk van niets. Toch, omdat het nooit werd opgehelderd, is deze situatie mij altijd blijven verwonderen.

Onlangs las ik die oude brieven opnieuw en toen viel eindelijk het kwartje. Want X liet mijn brieven ook door haar man lezen. Zo werd hij steeds geconfronteerd met haar eigen vraag, zonder dat ze over haar vakantiewens hoefde te beginnen.