Naar de sportschool

Het jaar is net begonnen en er wordt een interessante activiteit aangekondigd. Zo’n sportactiviteit waarvan je denkt: ‘Dat zou ik nu eindelijk eens moeten proberen.’ Vol goede moed geef je je op en daarna vergeet je het weer. Totdat je een bladzijde in je agenda omslaat en ineens de betreffende datum ziet. ‘S**t,’ denk je dan, ‘heb ik mij dáár voor aangemeld? In een spòrtschool …? Ik? Dat kan niet waar zijn!’ Maar het is echt zo.

Wat een ellende. Ik heb er gewoon slecht van geslapen. Wie meldt zich nu aan voor een fitheidstest op zondagochtend? Het moet gezegd: bij aanmelding leek het best aanlokkelijk. Vanuit de gemeente wordt dit speciaal voor 50-plussers georganiseerd. Wel was een minpuntje dat die test zou plaatsvinden in een sportcomplex in een ander dorp. Maar dat is met twee buslijnen bereikbaar, dus dat mocht geen bezwaar zijn.

Zoiets is dan wel buiten mezelf gerekend, want ik maak elke sportactiviteit vanzelf ingewikkeld. In de bevestigingsbrief staat namelijk dat ze soepele kleding aanbevelen. En je mag de sporthal alleen met schone schoenen betreden. Die moeten bovendien lichte zolen hebben. Kijk, dat is een probleem. Want ik heb wel vijf paar wandelschoenen voor alle weersomstandigheden en ondergronden. Maar de vloer van een sportzaal zit daar niet bij. En ik hou van zwart, hè. Enkel mijn crèmekleurige ballerina’s kunnen er enigszins mee door. Alleen zijn die bedoeld voor stadswandelingen.

Dan de kleding. Als je zo van de voordeur hop in je auto stapt, kan je gerust je badpak aantrekken. Handdoekje omslaan en klaar. Maar ik moet met openbaar vervoer. En de enige bus die op het juiste moment daar bij de sporthal aankomt, stopt aan de andere kant van ons dorp. De halte is wel een kilometer lopen. Daar worden schoenen vuil van.

Even terug naar de kleding. Ik laat mijn spullen niet graag onbewaakt achter. Dus waar stop je je smartphone? (Nodig voor de route en de bustijden.) Waar laat je je huissleutel? Is het beter om portemonnee en pasjes etui thuis te laten? (Dan wel het pasje voor openbaar vervoer meenemen.) Zouden er kluisjes zijn? Zo ja, gaat daar een euro in? (In dat geval muntgeld meenemen, en wat papiergeld voor de zekerheid.) Of krijg je het sleuteltje zo mee? (Nogmaals: waar laat je dat?) Ik wil graag iets aantrekken met zakken waar sleutels in passen. Alleen hebben mijn leggings geen zakken, terwijl leggings in alle opzichten ideaal zijn.

Et cetera.

En wat denk je van de weersverwachting? Dat is ook een complicerende factor. Want ’s nachts in bed kan ik het gekletter al horen. Er wordt zeer veel regen en wind voorspeld. Voordat ik straks de bushalte bereik, ben ik al verwaaid en doorweekt. Zo wil je toch niet verschijnen?

Nou ja, ik ben dus geweest. Het was best aardig. Op een gegeven moment zat ik met een rijtje vijftigers op een bankje herinneringen op te halen aan de gymlessen uit onze jeugd. ‘Apenkooien’ was het sleutelwoord. Dat vonden we allemaal leuk.

Mijn aversie tegen sportscholen is direct herleidbaar naar de middelbare-schooltijd. Die periode waarin je als de dood bent dat je afwijkt. Afwijkt waarvan, weet ik niet. Het gemiddelde of zo? Ik heb geen idee hoe dat gemiddelde er uit ziet.

Daarom kon het mij vandaag weinig schelen. En plein public ben ik in mijn legging en korte rokje helemaal vanaf de halte aan de andere kant van het dorp terug naar huis gewandeld. Geen mens dat onderweg raar naar mijn benen keek. Ze zien er toch wel normaal uit, geloof ik.

Van oorzaak en gevolg naar reactie

‘Je laat hem over je heen lopen’, zegt de buurvrouw. Ze doelt op de buurman wanneer we bijpraten over de stand van de rioolzaken. Oppervlakkig gezien heeft ze gelijk. Ik heb te lang geduld opgebracht. Toen we in november crisisberaad hielden terwijl de mannen van de rioolservice bezig waren, zei ze dat ook al. En ze demonstreerde hoe het anders moest, volgens haar. Ze keek mij strak aan en kwam dreigend steeds dichter bij mij staan. Tot haar gezicht het mijne bijna raakte. Inwendig kon ik er wel om lachen, want zo’n oefening heb ik al eens in een assertiviteitstraining gedaan.

En ik laat mensen niet over mij heen lopen. Dat bleek al op mijn veertiende. Toen kwamen per toeval mijn enorme vastberadenheid en doorzettings-vermogen tevoorschijn. Het enige waar ik soms nog moeite mee heb, is het moment kiezen waarop ik deze kenmerken vol of juist gedoseerd inzet. Kijk naar gezonde jonge mannen. Zij moeten hun fysieke kracht leren beheersen. Op vergelijkbare wijze moet ik met de macht achter mijn wilskracht omgaan.

Maar mijn buurvrouw dan, waar komt die herhaalde opmerking vandaan? Wat zegt het over háár, dat zij zo’n uitspraak doet? Ze is beslist aardig en een paar jaar jonger dan ik. Wel is ze ook moeder van drie jongvolwassen kinderen. Is die opmerking daarom onwillekeurig bedoeld als stukje opvoeding? Of praat ze vanuit haar rol op het werk? Ze is namelijk zelfstandige in het onderwijs. Ik heb al heel wat mensen uit die sector ontmoet die het beter weten dan de rest. Ook al is het goedbedoeld.

Of gaat dit dieper en zit het sowieso in haar karakter? Dan draait dit misschien om onze onderlinge positie. Wil zij de leider zijn of een autoriteit, en zitten we dan in een top-down situatie? Dan zie ik een redelijk logische link met haar beroepskeuze. Of sta ik hier gewoon buiten en speelt de scheiding van haar man een rol? Die is nog redelijk vers. En ook die gebeurtenis kan verband houden met haar karakter. Of, het is een long shot, breekt onzekerheid haar op?

Want ik ben het meest autonoom van ons tweeën. Ook bij de rioolperikelen heb ik mijn daadkracht en probleemoplossende vermogen al bewezen. Morgen stuur ik het hele dossier volgens afspraak naar mijn inmiddels vaste contactpersoon bij Bouwzaken. Buurman kan zijn borst natmaken, want dan gaat Handhaving ermee aan de slag.

Iedereen wil serieus worden genomen, ook de buurman. Zijn grootste probleem is niet financieel van aard. Zijn probleem is dat hij maling heeft aan iedereen, dus ook aan mij. Maar juist bij onrecht komt al mijn vastberadenheid en doorzettingsvermogen naar boven. Dat kan ik linea recta terugleiden naar een groep voorouders. Zij gingen vanwege onrecht ook voor de dood of de gladiolen.

Soms laat ik mensen in hun waan. Misschien voelt buurvrouw dat toch goed aan.

Een alternatieve kijk op homoseksualiteit

Nashville, here we come, voor de brandstapel of voor de rozen.

‘Biologen weten al decennia dat zaadcellen geen actieve, heldhaftige zwemkampioenen zijn, maar eerder halfsneue spartelaars met in hun midden wat mazzelaars. En de eicel ligt niet passief te wachten; ze lokt en leidt de zaadjes met chemische signalen en vloeistofstromen. Er zijn zelfs aanwijzingen dat ze kiest welk zaadje haar mag bevruchten. Een eitje is geen trofee voor de stoerste zaadcel; ze is een zakenpartner, en misschien zelfs wel de baas.’

Deze woorden, vooral die over de baas na de komma, zijn van Asha ten Broeke, wetenschapsjournalist voor de Volkskrant in haar column van 11 januari 2019. Laten we het nu eens hebben over die Nashville-verklaring.

Bij twijfel baseer ik mijn visie graag op de wetenschap. Weg met alle onzin; op zoek naar de kern. De ‘waarheid’ zo je wil. Wel vooropgesteld: ik was ff bezig met andere zaken en had geen tijd om die verklaring te lezen. Maar dat maakt niets uit, toch? Homoseksualiteit is een vrouwelijk woord met als betekenis: ‘seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht’ (dus toch mannen en vrouwen, maar dan per soort).

Mijn stelling is als volgt: we weten nog niet goed waar homoseksualiteit vandaan komt.

Dit kan ik onderbouwen. Als bronnen gebruik ik mijn eigen referentiekader, zoals daar zijn: ouders en andere familieleden, vrienden, buren en collega’s. Verder heb ik weleens wat gelezen en toevallig ook nog iets met gender-studies gedaan. Dat laatste in het kader van man/vrouw-verhoudingen in de Arabische wereld en Afrika. Gewoon wat literatuur door gevlooid en ‘in het veld’ mijn ogen en oren open gehouden. Meer was het eigenlijk niet. O wacht, toch wel. Ik vergeet een onderzoekje naar vormen van polygamie wereldwijd. Interessant onderwerp, trouwens.

Een van mijn vroegere collega’s is een lesbische vrouw. Dat vernam ik pas vijftien jaar na vertrek bij onze werkgever, hoewel we steeds contact hadden gehouden. Ook zijzelf had het pas net ontdekt. Op het moment dat zij het vertelde, vielen ineens alle puzzelstukjes samen.

Want deze vrouw was voor mij een raadsel. Of liever, ik begreep maar niet waarom zij geen vriend had. Ze is sportief, zeer sympathiek, intelligent, leuk om te zien en bovendien heeft ze humor. Daar moeten mannen toch als vliegen op afkomen?

Ze is ook gevoelig en heeft mededogen. Zij ziet mensen voor wie ze zijn, beter dan menigeen. We leerden elkaar kennen toen we allebei in onze reisfase zaten. Met vrienden had ze in een oud barrel maandenlang door de VS gereisd. En voor haar afstudeerscriptie deed ze daar onderzoek naar een bekende regisseur. Op kantoor werkten wij intensief samen en dat ging prima.

Toch er was ook een intens duistere kant aan haar. Iets waar ze zelden, en dan nog slechts vaag, iets over liet doorschemeren. Pas veel later kwam het ogenschijnlijk en passant ter sprake. Zo van ‘Oh dat wist je toch wel, dat ene, met die buurman.’ Dat ene was jarenlang kindermisbruik in haar jeugd, door de buurman.

Ik kan mij voorstellen dat je het dan voorlopig even hebt gehad met mannen. En ja, seks met mannen werd een probleem voor haar, later, toen ze er wel de leeftijd voor had. Op een gegeven moment kreeg zij een vriend die veel van haar hield, en zij ook van hem. Maar meer dan platonisch werd het niet. Het ging gewoon niet, ze schoot finaal in een kramp. Een intieme relatie opbouwen met een man was onmogelijk geworden voor haar. Na een poos samenwonen gingen ze weer uit elkaar.

Nog weer later vertelde ze dus dat ze lesbisch was en een vriendin had. En ik dacht: ‘Daar geloof ik niets van.’ En nog steeds heb ik hevige twijfels bij haar. Dat ze ook op vrouwen kan vallen: ja. Alleen dat ze uitsluitend lesbisch is, kan ik zeer moeilijk aannemen. Het is een verschrikkelijk cliché idee, maar ik geloof oprecht dat dit anders was gelopen als ze in haar jeugd niet zo erg de verkeerde was tegengekomen.

Ik geloof niet dat zij lesbisch is geboren, maar dat zij lesbisch is geworden. Namelijk door een traumatische ervaring waar ze nooit meer overheen is gekomen. En dan toch, neem nu die wetenschap van dat eitje en die zaadcellen. Wat weten we inmiddels werkelijk over de chemische processen van aantrekkingskracht tussen mannen en vrouwen? Of tussen mannen en mannen? Of tussen vrouwen en vrouwen?

Uit het gekrakeel over die Nashville-verklaring maak ik op dat het een nogal conservatief Hill Billy-gedoe is. Heisa van een roedel achtergebleven white angry men and women. De laatste stuiptrekkingen, misschien, gevoed door angst voor de toekomst. Zogenaamd Christelijk tegenwicht voor de oprukkende Islam, wellicht. Of voor het gevaar uit China, want daar zijn ze ook bang voor. Wat mij betreft kunnen ze zich beter richten op hun eigen zonden, want er ligt vast nog wel wat onder het vloerkleed verborgen.

Jammer dat ze daar in country-minnend Nashville zo zelden luisteren naar Radiohead: I Might be Wrong.

Modern + man + vrouw = androgeen

Mijn vader had grote handen en voeten. Voor zijn schoenen moest hij in speciaalzaken zijn. Dus toen ik als pubermeisje een groeispurtje kreeg, vreesde ik dat mijn handen en voeten als die van hem zouden worden. In die levensfase wil je vooral normaal blijven en niet van de vrouwelijke norm afwijken. Wat die norm op enig moment ook moge zijn. Uiteindelijk viel het mee. Ik ben zeer tevreden met mijn schoenmaat 37, al heb ik wel iets grotere handen dan veel gendergenoten.

Want dat doen we natuurlijk: vergelijken. En niet alleen wanneer we pubers zijn. Gisteren schreef ik over hoe mannen denken. Dat logje staat bol van de clichés, inclusief opmerkingen over seks. Ingrid reageerde direct met: ‘Ik herken mezelf wel in zo’n opmerking (maar ik heb ook nogal wat mannelijke trekjes). Hoe meer ad-rem, hoe meer je erbij hoort tegenwoordig.’

Dat brengt mij bij Mack. Niet dat dat hij zo androgeen is, vermoedelijk. Maar hij schreef eerder dat hij moeite heeft om bloggers te volgen die hij niet persoonlijk kent. Dat maakt zeker verschil. Want Ingrid en ik kennen elkaar al jaren via een werkgever. Dus heb ik voorkennis bij haar zin over die opmerking. En ondanks mijn zandlopermodel en haar bescheidenheid hebben wij allebei licht androgene trekjes in uiterlijk en karakter.

Inderdaad hoor ik Ingrid meteen zo’n opmerking droppen. Waarna anderen even denken van: ‘Huh? Komt dat uit de mond van een vrouw?’ Als je daarna vraagt wat zij bedoelt, volgt er steevast een nuchtere afweging. Die zomaar kan indruisen tegen wat je verwacht van een tenger iemand als zij. Van een moeder, van een vrouw met haar achtergrond en baan. Achter haar ad-rem gedrag gaat een weldoordachte levensvisie schuil. Daarbij doorbreekt zij onder andere rolmodellen voor mannen en vrouwen. Ook haar man is anders dan de meeste mannen die ik ken uit zijn land. Geen macho. Maar is hij daarom minder mannelijk? En is zij dan minder vrouwelijk?

Het feminisme kan ik af en toe wel schieten. Want mannen en vrouwen zijn soms echt in verwarring over hoe ze met het andere geslacht ‘moeten’ omgaan. Zelf ben ik nog opgevoed met het idee dat de man de kostwinnaar wordt. Nu zorg ik voor mezelf en twijfel ik eveneens welke houding ik tegenover mannen moet aannemen. Want wat zijn ze: conservatief, modern, of een mix daarvan? Vooral zo’n gemixte man geeft signalen af die alle kanten op gaan. Ik wring mij dan in bochten om goed contact te maken en aansluiting te vinden.

We worden steeds meer androgeen in uiterlijk en gedrag. Die verandering zie je het best bij opeenvolgende generaties. Vaders die openlijker hun zachtere kanten tonen in de opvoeding van hun kinderen. Moeders die stoere dingen doen. Ouders die hun kroost veel vrijer laten in hun beroepskeuze, ongeacht of dat metier ‘hoort’ bij een man of een vrouw.

Veranderende genderrollen dragen bij aan de algehele verwarring in deze toch al woelige tijd. Maar er zullen altijd behoudende en vrijdenkende mensen blijven. Qua man-vrouwverhoudingen zijn deze groepen in Nederland wat dichter naar elkaar toe gegroeid. Van mij mogen er uiterlijk duidelijke verschillen blijven; en clichés eveneens. Maar meer begrip voor, en inzicht in het andere geslacht, juich ik toe. Of deze ontwikkeling doorzet, zal blijken. We zijn er wel zelf bij.

PS: Van alle bloggers die ik volg, is Bentenge voor mij de meest raadselachtige man. Vooral vanwege die foto dan. 😉

Mag die foto hier blijven?

Over hoe mannen denken

Op een zondagmiddag geven mijn buren verderop een borrel. Wij, hun buren en aanverwanten uit twee huizenblokken, zitten bij elkaar. Sommigen van ons wonen hier pas kort en ontmoeten anderen voor het eerst. Er klinkt gezellig geroezemoes in de woonkamer. Terwijl diverse gesprekken gaande zijn, begint een oudere vader over de zorg voor kinderen. ‘Nou’, concludeert hij, ‘een kwartiertje plezier en dan zit je er de rest van je leven aan vast.’ ‘Wat?’ antwoordt een jongere vader meteen, ‘Vijf minuten, meer is het niet.’ Een paar seconden lang valt iedereen stil; daarna begint het geroezemoes weer.

Kijk, zoiets fascineert mij. Want dit is een gemêleerd gezelschap. Jong en oud, hoog- en laagopgeleid, ieder uit een ander deel van het land. En die twee kennen elkaar niet. Dan is het afwachten hoe zulke opmerkingen vallen. Als ze bij het voetbalveld hadden gestaan, was het vast anders gegaan. Maar hier zitten (voor zover ik weet) keurig nette vrouwen bij. Of in elk geval mensen die voorlopig de schijn ophouden.

Ik probeer mij voor te stellen hoe deze mannen denken. Die ene van dat kwartiertje plezier is een levensgenieter. Hem zie ik wel met een biertje in de hand sappige café-verhalen vertellen. Die ander is een pas gescheiden man met een nieuwe vriendin. Hij lijkt mij meer van de wijnproeverijen op een bescheiden chateau in Frankrijk. Zonder twijfel is hij hoger opgeleid. Toch trapt hij er vol in.

Oh, ik begrijp wel hoe zoiets gaat. Die café-ganger is woont hier al jaren, terwijl die chateau-man als passant toevallig in de buurt is. Dus die met het biertje van het kwartiertje staat op vertrouwde grond. Hij kent iedereen en alle buren kennen hem. Hij is gewoon zichzelf en zegt wat hij zeggen wil. Hij is het mannetje hier. (Een sympathieke vent, trouwens, ik mag hem wel.) En die wijnman mag dan nieuw zijn, hij gaat echt niet voor hem onder doen. Dus die gaat eroverheen. Hij is nóg sneller.

Nou, gefeliciteerd ermee. Zou hij het zich gerealiseerd hebben, in die seconden durende stilte? Dat less niet more is, in dit geval. Of zou hij alleen maar gedacht hebben: ‘Parbleu, dit soort praatjes hoort niet bij wat men van mij verwacht hier.’ Of zou hij gedacht hebben: ‘Hoe moet H. dit nu vinden? Die hier net is komen wonen en waarvan iedereen dit nu over haar seksleven weet.’ Of zag hij zich ineens met zichzelf geconfronteerd? Dat hij ondanks zijn amoureuze escapades helemaal niet zo’n Latin Lover is. Omdat het maar vijf minuten duurde per keer. Shit.

Eerlijk gezegd volg ik nog steeds amper hoe mannen denken. Ik snap wel dat ze stoer willen zijn en graag over techniek praten. Over telelenzen en computers, en over de levels die ze met games gehaald hebben. Ook weet ik dat de breedste en luidruchtigste gasten meestal de kleinste hartjes hebben. Maar verder begrijp ik er nog altijd weinig van. Daarom lees ik graag blogs van mannen. Misschien dat ik er nog wat van kan leren.

PS1: Voor de heren is er op dezelfde site ook een rubriek over hoe vrouwen denken.

PS2: Kijk, dìt vond ik een leuke man (toen-ie jong was en zijn vrouw nog niet verlaten had.)

Foto: screen shot uit Mad Max II, The Road Warrior, 1981.

De visverkoopster op de markt

Bij de luxe marktwagen van de visverkopers is het druk. Ze verkopen verse en gebakken vis, plus kant en klare gerechten. De mannen staan bij de frituur of de werkbank waar ze hun handelswaar schoonmaken en fileren. De vrouwen staan op de voorgrond. Ze babbelen veel met klanten en onderling met elkaar. Allemaal van het type blond met blauwe ogen, afkomstig uit een streng gereformeerd dorp aan het IJsselmeer. Zoals de meeste visverkopers hier. Een van die vrouwen is de populairste. Ze weten het allemaal.

Terwijl ik op mijn bestelling wacht, komt er verderop een man bij de vitrine. Die ene vrouw heeft hem direct in de gaten. Ze loopt naar hem toe en leunt ver voorover. En ze spreekt hem aan op een professioneel-verleidelijke manier. Alsof ze elkaar goed kennen. Voelt hij mijn ogen op zich gericht? Hij toont in elk geval geen enkele emotie. Ik kan aan zijn uiterlijk niets aantrekkelijks ontdekken, maar hij staat met zijn zware lijf wel precies bij de duurste delicatessen. Daar bestelt hij wat van.

‘s Avonds zie ik een vroegere collega in een programma over ambassadeurs in den vreemde. We spraken elkaar zo’n 15 jaar geleden voor het laatst. Zij is geen haar veranderd. Nog altijd even vriendelijk, koket en charmant. In haar strakke jurkje zal ze er voor mannen uitzien als om op te vreten. Daarna volgt de documentaire Hallo, met Kyoko, over een vrouw die telefoonseks verkoopt.

Ik vraag me af wat de verschillen zijn met ons eigen gedrag, en wat de overeenkomsten. Gewoon in het dagelijkse leven. Om geld te verdienen of te besparen. En om dingen gedaan te krijgen.

Hand in hand over straat

Een man en vrouw van middelbare leeftijd staan hand in hand in de hal van Arnhem Centraal. Je ziet dat vaker hier en ik vind het mooi. Hoe anders is dit in de Randstad. In mijn herinnering lopen volwassenen daar nog maar zelden hand in hand. Waardoor komt dat?

Voor kinderen is het normaal om hand in hand over straat te gaan. Je leert het van je ouders die je bij de hand nemen zodra je kan lopen. Ook met mijn schoolvriendinnetje liep ik hand in hand naar de kleuterschool. Daarna werd het langzaam minder. Spelende kinderen hebben nog veelvuldig lichamelijk contact, maar de Nederlandse cultuur is fysiek afstandelijk. Zo rond je tiende is het er wel aardig af.

We leren van jongs af aan hoe het hoort. Bij een eerste kennismaking geven we elkaar een hand, in formele situaties tenminste. Anders zeggen we gewoon ‘hoi’ of ‘hallo’ tegen een groep en maken we met onze hand een begroetingsgebaar. Bij vertrek volgt er een kleine zwaai ter afscheid achteraan. De gewoonte om vrienden ter begroeting of afscheid te zoenen is geïmporteerd uit Amerika. Want van oudsher deden we dat niet. En als we in Frankrijk waren, lachten we soms besmuikt. Die rare Fransen zoenen zelfs hun collega’s en hun baas.

Rond de pubertijd was ik het hand in hand lopen aardig verleerd. Daarom ging het eerst zo onhandig, toen ik vriendjes kreeg. Het is ook maar net wat je van huis uit gewend bent. Hou je je hand met de palm naar voren of naar achteren? Mijn moeder hield altijd haar hand naar achteren, dus hield ik mijn hand met de palm naar voren. Andersom voelde raar. Vandaar dat de eerste hand-in-hand-wandeling met een vriendje begon met handen- gedraai.

Achteraf heb ik mij wel afgevraagd of er een betekenis in schuilt: wie zijn hand met de palm naar voren houdt en wie naar achteren. Is degene met de palm naar achteren de ‘leider’ en degene met de palm naar voren de ‘volger’? Vanuit welke positie kan je het beste aansturen en richting bepalen? Dat moet ik nog eens uitproberen.

Het onwennige zat hem ook in de verschillen. Het fijnste is om hand in hand te lopen met iemand die ongeveer even lang is en hetzelfde tempo heeft. Daarnaast maken de lengte van de stappen wat uit, en of de ander rekening met je houdt. Bij het oversteken bijvoorbeeld. Als de ander voor een snel naderende auto begint te lopen, terwijl jij niets doorhebt en wordt meegesleurd, is dat toch een beetje gevaarlijk.

En dan die handen zelf. Zonder overdrijven kan ik stellen dat ik op iemand afknap als hij of zij geen prettige hand geeft. Een slap handje bijvoorbeeld, of zo een waarbij je hand wordt fijngeknepen. Dan zijn er nog de plakhandjes, de fragiele handjes, de knokige handen, de vuile handen en de koude handen. Sinds er bouwvakkers over mijn vloer komen, heb ik vooral veel vlezige en warme handdrukken gehad. Die zijn toch een stuk aangenamer.

Vroeger zag je ook vaker paren arm in arm of met de armen om elkaars middel stappen. Dat vergt een nog preciezere afstemming wil het geen schokkerige bedoening worden. Volgens mijn moeder flaneerden verloofden in haar jeugd zo door bepaalde straten in de stad. Ouderen lopen tegenwoordig nog wel gearmd. Uit gewoonte, of omdat één van hen bij gebrek aan steun nu makkelijk omvalt. In dat opzicht is de rollator een stoorzender die individualisme in de hand werkt. Of onafhankelijkheid, natuurlijk. Het is maar hoe je dit bekijkt.

Ongetwijfeld beïnvloedt hand in hand lopen ons gemoed. We zijn tenslotte sociale dieren voor wie fysiek contact belangrijk is. Hand in hand lopen versterkt in een goede relatie het gevoel van binding, geborgenheid en veiligheid. En het werkt geruststellend in uitdagende omstandigheden. Een mooi voorbeeld daarvan is mijn ervaring met een Chinese vrouw bij de inktzwarte Grand Canyon.

Hand in hand lopen straalt uit: wij zijn samen, wij zijn één. Zie maar eens tussen ons te komen. Wij horen bij elkaar. Dat heeft voor- en nadelen. Want het is altijd link wanneer mensen zich buitengesloten voelen.

In het Midden-Oosten is het normaal dat heteroseksuele mannen als vrienden hand in hand lopen. Tegelijkertijd is dat een regio waar men elkaar regelmatig de hersens in slaat. Dat is logisch. Het tribale denken is er namelijk heel sterk. Dus degene met wie je niet hand in hand loopt, hoort er duidelijk niet bij. Die voelt zich buitengesloten en zit dan al gauw in het kamp van de vijand.

Waarschijnlijk kunnen we toch heel wat problemen voorkomen als we wat vaker hand in hand gaan lopen. Vooral volwassenen zouden dat vaker moeten doen. Juist ook met degenen die ze naar het leven staan.

(Bron afbeelding: TNK Photo op Unsplash.)