Even terug op Leidse geboortegrond

Ondanks alle wetenschappelijke kennis blijven sommige zaken onverklaarbaar. Eind jaren tachtig kreeg ik een huurwoning op de Leidse Uiterstegracht. Het was bij de Groenesteeg in het hart van de wijk Pancras Oost. Deze middeleeuwse wijk uit 1346-1355 ligt tussen de Oude en de Nieuwe Rijn, de Hooigracht en de Herengracht. Hier werd eeuwenlang het befaamde Leidse laken gemaakt. Eenmaal daar, bekroop mij het vreemde gevoel dat ik al een veel oudere band had met die wijk. Alsof mijn voorouders er hadden rondgelopen.

Het is zo’n buurt waar vroeger wevers thuis werkten op een groot getouw in de krappe voorkamer van hun ‘wevershuis’. In de negentiende eeuw verschenen de machines en fabrieken. Veel verkrotte pandjes maakten in die tijd plaats voor de vooruitgang. Na nog een periode van verval werden de resterende oude huisjes en gebouwen opgelapt. Inmiddels zijn ze zeer geliefd en worden ze gekoesterd als erfgoed.

Een paar jaar na mijn komst verhuisde ik weer en eind 1995 dook ik in mijn geschiedenis. Sindsdien begrijp ik iets beter waar dat gevoel vandaan kwam. Want inderdaad: de afgelopen eeuwen hebben nergens anders zoveel voorouders van mij op een kluitje gewerkt, geleefd en rondgelopen.

De bevolkingssamenstelling van deze buurt is intussen flink veranderd. Dat proces gaat continu door. Waarschijnlijk is ruim de helft sinds mijn vertrek nieuwkomer. Op mijn geboortegrond – een straat verder – wonen nu studenten en immigranten. Elk jaar arriveren en vertrekken mensen. Een deel blijft hangen en sommigen keren na jaren terug. Het is nooit anders geweest daar.

Nieuw asfalt op de N324 bij Schaijk

Vandaag precies 130 jaar geleden is mijn oma van vaderskant geboren. Daar wilde ik deze week even bij stilstaan. Maar hoe? Teruggaan naar haar geboortedorp? Een bezoek brengen aan haar begraafplaats? Naar het huis gaan waar ze het langst heeft gewoond? Of iets bijzonders doen? Ik besluit om eindelijk terug te keren naar Schaijk.

Schaijk is een dorp in Brabant waar zowel mijn oma als ik ooit per toeval zijn beland. Afzonderlijk van elkaar en met een tussenpose van zo’n 43 jaar. Zij bewaarde er mooie herinneringen aan. Ik ook. Lang verhaal.

Nu, nog eens 43 jaar later, ben ik terug. In het dorp staan nog gebouwen die mijn oma moet hebben gezien. Ook is er veel nieuwbouw. Hiervoor had ik mezelf al gewaarschuwd.

En dáár ligt de weg waar alles om draait. De weg die mijn opa 86 jaar geleden heeft bedekt met de eerste asfaltlaag. Het is ongelofelijk, maar de splinternieuwe laag is net klaar! Zelfs de tijdelijke gele werkborden staan er nog.

Etymologie peekaboo – kiekeboe


Soms weet ik het echt beter dan degenen die ervoor hebben doorgeleerd. Neem nu het Nederlandse ‘kiekeboe’ en het Engelse ‘peekaboo’. Je kent het wel. Dat spelletje, waarbij je plotseling je gezicht toont of ergens achter tevoorschijn komt en ‘boe’ roept. Kleine kinderen zijn er dol op. Op etymonline.com staat bij peekaboo: ‘as a children’s game attested from 1590s; as an adjective meaning ‘see-through, open,’ it dates from 1895. From peek + boo.’ Attested from 1590s! Kijk, dan heb je mij.

Al jaren geleden stelden taalkundigen zich de vraag of er verwantschap was. Niet alleen de klanken komen overeen. Ook de woorden ‘kiek’ en ‘peek’ hebben een vergelijkbare betekenis. En ‘boe’ in het Nederlands komt overeen met ‘boo’ in het Engels. De Leidse wetenschappelijke uitgeverij Brill wijdde er in gewichtige taal een hoofdstukje aan. (Zie deze tekst uit 1942 in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde op pagina 215-216 ‘Over eenige werkwoorden die ‘kijken’ beteekenen’.)

Ik geloof het wel. Maar er wordt met geen woord gerept over die ontstaansperiode: de jaren ’90 van de zestiende eeuw. Nu wil het geval dat ik mijn familiegeschiedenis ken. En toevallig heb ik een paar voorouders uit Engeland. Tenminste, daar zijn ze op de boot gestapt toen ze naar Holland kwamen. Maar voordat ze in Engeland woonden, kwamen ze uit Vlaanderen. Dat was zo ongeveer tussen 1565 en 1580. En daar spreken ze een soort Nederlands. Kortom, vul de rest maar in.

Ik durf te wedden dat de exacte oorsprong van ‘peekaboo’ in Colchester ligt. En anders wel in Norwich of Hastings.
Afijn, dit allemaal vanwege bovenstaande foto, die ik vanmorgen nam. Dat komt er nou van.

De Lagewaard in Koudekerk aan den Rijn

Op een half uurtje rijden van Den Haag en Amsterdam liggen oer-Hollandse dorpen waar geen toerist komt. Middenin de Randstad en middenin het Groene Hart. De veeteelt en de kaasmakerij brachten er eeuwenlang welvaart. Dat zie je aan de zomerhuizen naast elke pronte boerderij. Koudekerk aan de Rijn is zo’n agrarisch dorp. En met een landweggetje als de Lagewaard doet het niet onder voor Giethoorn. Zulke mooie plekjes zijn bij het grote publiek onbekend.

Rond 1600 bezat een zoon van mijn voorouders er stukken grond, een steenbakkerij en ander onroerend goed. Het was toen nog deels onontgonnen terrein. In 1613 werd ‘lant noch dagelicx van wegen den voorn. A.J.F. ontgront ende de cleij­aerde foe langer foe meer uijtgedolven ende wech gevoert.’ Het moet er ruig en drassig zijn geweest. De boeren sloten stammen uit die periode.

Voor mij is dit welbekend terrein. Ik ben opgegroeid in een naburig dorp, waar vergelijkbare polderweggetjes zijn. Ze bestaan uit een enkele rijstrook voor tweerichtingsverkeer. Als er een tegenligger komt, moet je uitwijken naar een brug. Want ze hebben meestal smalle, steile bermen en modder-sloten aan weerszijden. Geen buitenlandse toerist durft daar te rijden.

In mijn Leidse tijd fietste ik bij mooi weer regelmatig naar deze polder. Het is een overgang van rumoer en hoge stenen muren naar relatieve stilte en weids grasland. Dit gebied grenst aan de noordzijde van de Oude Rijn. Voorbij Leiderdorp fiets je over een smal pad zo de Achthovenerpolder in. Na een half rondje bereik je de Lagewaard, nabij de rivier. De bebouwing rukt aan alle kanten op, maar hier ligt het land nog open.

Sinds de verhuizing naar Gelderland bekijk ik mijn voormalige woongebied met de ogen van een toerist.

Je eigen stad in woord en beeld vastleggen

Waarschijnlijk ben je een echt goede fotograaf wanneer je foto’s maakt die iemand niet loslaten. Hetzelfde geldt voor het werk van een auteur. Mijn zus leende me het boek De acht bergen van de Italiaanse schrijver en documentairemaker Paolo Cognetti. Zijn verhaal bevat rake observaties over familierelaties, vriendschap, reizen, leefwijzen en het verstrijken der tijd. Vaak terloops verwoord, tussen de regels door. Ze getuigen van levenswijsheid, herkenbaar voor iedereen die al een tijdje rondloopt. Zulke stukjes komen regelrecht binnen.

Iets dergelijks gebeurt wanneer ik kijk naar de Nijmeegse foto’s van Han Dekker. Nijmegen is voor mij een bijzondere stad, om puur sentimentele redenen. Iets met het verleden. Wat resteert, zijn een gevoel en fragmentarisch herinnerde beelden. Nu ik in de buurt woon, komt daar een nieuwe laag overheen. Het zal nog jaren duren voordat ik de juiste woorden over die stad heb verzameld. Als dat ooit lukt.

Want met Leiden, ongeacht waar ik woon mijn eigen stad, is er helemaal geen beginnen aan. Ik kan onmogelijk de beelden fotograferen die in mijn herinnering zitten. Toch, bij deze foto van Han Dekker komt er direct iets boven. Iets wat ik nooit in Leiden heb gezien. Maar het had er zo kunnen zijn. Omdat het in een andere vorm ooit wel onderdeel van het straatbeeld was. Misschien bij een studentenhuis, of tijdens een 3 oktober optocht. Of veel langer geleden, op het plein voor het Gravensteen.

Dan nog, is het wel wat ik erin zie? Is de sfeer onder studenten in Nijmegen dezelfde als in Leiden? Mis ik een betekenis, die ze in Nijmegen wel kennen, maar in Leiden niet? We kijken allemaal vanuit onze eigen achtergrond naar beelden. En we herkennen passages uit teksten vooral vanuit onze eigen herinneringen. Mijn zus haalt vermoedelijk andere details uit het boek van Paolo Cognetti dan ik. Omdat we een deel van elkaars geschiedenis delen, maar een ander deel alleen kennen door observatie of van horen zeggen.

Het is weer bijna 3 oktober

Rond deze tijd van het jaar voel ik mij sterk verwant met de eerste generatie Turk of Marokkaan. Vroeger zag je ze ’s zomers altijd in een volgestouwde Mercedes naar hun vaderland afreizen. Terwijl ik begin oktober steevast naar Leiden terug moet gaan. Net zoals bij hen, blijven de banden met mijn oude geboortestad levenslang bestaan.

In den vreemde (regio Arnhem) ontvang nog ik wekelijks nieuwsbrieven van Leidse organisaties. Van de Hortus bijvoorbeeld, en van het Leids Wevershuis. Ook de Universiteitsbibliotheek stuurt regelmatig een bericht, waarin bijzondere stukken uit de collectie worden belicht. Af en toe bezoek ik de website van het Afrika-Studiecentrum, dat ook al in de Sleutelstad gevestigd is. En ik lees nieuwtjes van de 3-October Vereeniging, plus de universitaire nieuwsbrief. Tot besluit schrijven het Leidsch Dagblad en Leidse bloggers over uiterst herkenbare zaken. Hoe snel de stad ook mag veranderen.

Aan het feestprogramma van 3 oktober verandert trouwens zelden iets. Al ontstaat er soms wel wat nieuws. Naast de reveille, de uitreiking van haring en wittebrood, koraalzang, kermis, optocht en feestelijke warenmarkt, is er sinds een paar jaar de 3 October University. Want Leiden is al tijden fabrieksstad af. Voor buitenstaanders mag 3 oktober dan een plat volksfeest lijken. De gentrification is hier ook al jaren aan de gang.

 

Na rouw volgt berusting

Het lijkt erg snel, zo vlak na het overlijden van mijn vader. Maar op de dag van zijn uitvaart ontstond al het begin van berusting. De gebruikelijke fasen van rouw heb ik feitelijk al eerder doorgemaakt. Die begonnen drie jaar geleden, toen bleek dat hij longkanker had. En die ziekte kwam niet onverwacht.

Mijn hele leven heb ik geweten dat mijn vader een minder goede conditie had dan de meeste andere mannen. Hij komt uit een gezin dat in de jaren veertig en vijftig zeer zwaar door TBC getroffen werd. Zes van de negen kinderen kregen die ziekte. Hij ook, tot drie keer toe. Uiteindelijk moest hij een in die tijd riskante operatie ondergaan. Na jaren tobben werd een longkwab verwijderd en genas hij. Maar zwaar fysiek werk kon hij nooit aan. Terwijl hij toch best sterk was.

Zoals veel mannen van zijn generatie, heeft hij jarenlang gerookt als een ketter. Zware Van Nelle shag doordeweeks en dikke sigaren op zondag. Dan kon je blokken hakken uit het rookgordijn dat in onze woonkamer hing. Bij het accountantskantoor waar ik in 1981 mijn eerste baan kreeg, wat dat trouwens net zo. Dat was toen heel gewoon.

Op verjaardagen bij ooms en tantes stonden er vaak glazen met rookwaren op tafel. Niet bij ons. Mijn moeder heeft gedurende haar hele huwelijk bezwaar gemaakt tegen roken. Niet dat het hielp. Al moest mijn vader buiten staan of in zijn schuurtje paffen, hij deed het toch. Ach, ik heb zelf gerookt. Je stopt alleen wanneer je er 100% achter staat.

Na de longkanker en -operatie van drie jaar geleden was hij wel gestopt (voor zover ik weet). Maar voor die tijd was hij al mager en daarna kreeg hij zijn eten nog minder goed weg. Zijn maag was nog een ander verhaal.

Kortom, al drie jaar lang zagen we hem heel geleidelijk achteruit gaan. En hij had dat zelf feilloos in de gaten. Want hij moest steeds meer dingen loslaten. Een e-bike hielp nog wel om lange fietstochten te kunnen blijven maken. Maar zijn reactievermogen ging achteruit. En hoewel hij technisch perfect reed in zijn auto, werd autorijden toch wat gevaarlijk. Zijn laatste auto wegdoen, dat is een proces geweest van jaren. En zijn rouwproces, na die definitieve stap, was ook een beetje het mijne.

Ik had namelijk een soort Pipi-Langkousvader. In mijn ogen dan. Want mijn vader kon alles. Het heeft ook bij mij wel even geduurd voordat ik accepteren kon dat dat niet langer het geval was.