Hou je echt van mij?

Hoe vaak komt het in je relatie voor, dat je je afvraagt of de ander wel echt van jou houdt? Hoe weet je of de ander, ongeacht de reden, niet slechts doet alsof? Hoe vaak is er twijfel? En hoe vaak denk jij, of denkt de ander: ‘Als je toch eens wist …’ Een verleidelijke oogopslag en een lonkend gebaar zeggen namelijk niks.

Gelukkig is de tijd van onzekerheid voorbij. Wil je zeker weten of je partner jou echt aantrekkelijk vindt, dan kunnen jullie vanaf nu een test doen, samen. Die test wijst onverbiddelijk uit of de liefde tussen jullie waar is, of niet. (Al is seksuele aantrekkingskracht wel wat anders dan houden van, maar dat terzijde.)

‘Het zijn de onzichtbare, interne signalen zoals huidgeleiding en hartslag’ die ware aantrekkingskracht verraden. Onderzoek van psycholoog Eliska Prochazkova toont aan ‘dat oude evolutionaire mechanismen nog steeds een enorme impact hebben op ons gedrag.’ En die conclusie lijkt mij dan weer een mooie onderbouwing van het gezegde dat civilisatie weinig meer is dan een dunne laag vernis.

Dus, als je absoluut zeker wilt weten dat je partner de juiste voor je is …

De belofte van Rusland in een stukje berk

Dit stukje berkenhout ligt achter prikkeldraad bovenop een houtwal. Ik passeer het regelmatig op mijn wandeling over een naburig landgoed. Al sinds het mij opviel, volg ik het trage, maar wonderschone proces van natuurlijke vergankelijkheid. Berkenschors is taai.

Misschien wel even taai als mijn wens om ooit een lange reis door Rusland te maken. Die wens bestaat nu precies 35 jaar. Bovenaan mijn verlanglijst staat een klassieke rit met de Trans Siberië Express vanuit Moskou. Het is een trein die dagenlang door de taiga en langs uitgestrekte berkenbossen rijdt.

Misschien moet je eerst wat levenservaring opdoen, voordat je toe bent aan Vladivostok.

Sneeuwwit met goud (3)

Alsof er een golf via blogs op mij afkwam, zag ik de sneeuw vanuit het zuidwesten naderen. De eerste foto’s verschenen in Frankrijk. Daarna volgde België en toen waren wij aan de beurt. Ook hier viel pas het eerste dunne laagje sneeuw in twee jaar. Daarom duurde het even voor ik een nieuwe aflevering kon toevoegen aan de serie Sneeuwwit met goud. Dit is hem geworden en de titel luidt: Mooie dooi is niet lelijk.

Heimwee naar de eindeloze snelweg

Het komt vast door alle beperkingen. ‘Reis alleen met het openbaar vervoer als dat echt nodig is.’ Zo luidt het devies. Cafés en restaurants zijn dicht. Mijn wereld is nu gereduceerd tot een cirkel van vijf kilometer. Verder daarbuiten begeef ik mij niet. Het is mijn vrije keuze, hoor, ik pas mij gewoon aan. Maar het bloed kruipt intussen wel waar het niet kan gaan.

Ik kan een poos op één plaats blijven. Geen probleem. Momenteel vind ik dat ook best aangenaam. Alleen moet zo’n toestand nooit lang duren, want dan komen de gedachteflarden. En daarmee de kriebels en het verlangen.

Vandaag overviel mij zo’n flard. Of eigenlijk was het een doorvoelde herinnering aan hoe ontzettend fijn ik het vind om heel lang onderweg te zijn. Voorin zittend op de passagiersstoel, ergens op zo’n eindeloze snelweg. De beste wegen bevinden zich Australië, want daar komt er werkelijk geen eind aan. Uren en uren kan je door blijven rijden, zonder onderbreking zo je wilt.

Ik zou kunnen léven op zo’n snelweg. Voor een tijdje dan.

(Onderweg van Derby naar Fitzroy Crossing, W. Australië, 1988.)

De nostalgie van een concerttijdperk

Het wordt tijd om te erkennen dat mijn jeugdige jaren voorbij zijn. Het ontgaat mij namelijk al langer welke artiesten nu ‘in’ zijn. Of zeg je: hip, te gek, cool, awesome, vet ziek, of zoiets? Zelfs het jargon versta ik niet meer. Een muziekrecensent schrijft lyrisch over het concert van FKA Twigs. ‘FKA who?’, denk ik dan. Géén idee. Ze is geboren in 1988. Dat zegt alles.

En dan ben ik nu naar L.A.vation en The Masterplan geweest. Twee tribute bands van respectievelijk U2 en Oasis. (Je moet wat als U2-kaartjes kopen via Ticketmaster onmogelijk blijft.) Zij geven concerten waar vooral leeftijdsgenoten op afkomen, want die groeien met de originele bandleden mee. Oasis is van begin jaren negentig en U2 begon al in de jaren zeventig. Dan weet je het wel.

De tribute bands speelden overigens heel aardig. Toch, wat The Edge en zijn gitaarsolo’s betreft: die blijven ongeëvenaard. En het was in Stompwijk, of all places. Oude tijden herleven. Ik zeg je: het is afgelopen. Schluss, finito, The End, basta. Mijn tijdperk èn dat van de grootste rockconcerten is definitief voorbij. Veertig jaar concertbezoek-geschiedenis ligt achter mij.

Vroeger, in de begintijd, zo rond mijn zestiende, was ik nog zwaar onder de indruk van al die beroemdheden. Daar kwamen ze dan, in levende lijve. Stipjes waren het, ver weg op het podium. Op het veld zag ik meestal weinig van een optreden. Daar stonden altijd lange slungels voor me met hun grote lijven. Maar op de tribune was het prima uit te houden. Kon je lekker blijven zitten tot de band ging optreden. Later kwamen er enorme beeldschermen aan weerszijde van het podium.

Plus natuurlijk indrukwekkende lichtshows en showelementen. Zoals de hellehonden van de Rolling Stones, het zwevende stoeltje van David Bowie, en Prince met zijn entourage. In die tijd was Rotterdam de stad waar je moest zijn. Kon je met de U2-express van de NS tot aan de poorten van de Kuip rijden. De Kuip zal voor mij voor eeuwig verbonden blijven met balanceren op de bovenste rij tijdens Bullet the blue sky. Geen enkel ander stadion haalt het daar bij. Oh, nostalgie.

Die tijd is voorbij. Knappe zangers worden sloom en grijs. Ze krijgen een buik en hun stem is niet meer zoals in hun glorietijd. Dergelijke pijnlijke situaties kan je beter vermijden. Dus geen Night of the Proms meer voor mij. Als vijftiger heb je al genoeg decepties te verwerken.

En de normen veranderen. Als je nu naar een concert gaat, is iedereen druk met zijn mobieltje. Zelfs tijdens een optreden. Dat bezoekers filmopnamen maken, kan ik wel begrijpen. Maar dat ze met elkaar gaan bellen en hele gesprekken staan te voeren, met hun rug naar de band toe … Nou echt zeg! Waar is het heilige ontzag voor beroemdheden gebleven? Een beetje eerbied graag. Jong en oud doet dat, hè. Ik vind dit maar rare tijden.

Die ontwikkeling is best lastig, want er resteren twee bands die ik nog live wil zien. Dat zijn U2 en Radiohead. Maar oh wee, als mensen door hun muziek heen durven te praten. Zulke heiligschennis kan ik echt niet verdragen. Misschien is het toch maar beter om voortaan thuis te blijven. Dan moet ik met cd’tjes genoegen nemen. Voor zolang als dat nog kan, want de tijd van de cd’tjes is ook al bijna passé.

Mijn eerste werkdag als ambtenaar

Tekening van mijn eerste werkdag mei 1985

Wanneer ik in mijn grote map naar mooie kalenderplaten zoek, kom ik ze tegen. De tekeningen die ik in 1985 maakte, waaronder de pentekening hierboven. Direct volgen de herinneringen en de gevoelens die daarbij horen. Het was toen zo’n totaal andere periode.

1985; een tijd van hoge (jeugd-)werkloosheid was net voorbij. Deze tekening heb ik ’s avonds gemaakt, na afloop van mijn eerste werkdag op de afdeling financiële administratie van een naburige gemeente. Dat was al mijn tweede baan. Wat je ziet, is een weergave van mijn indrukken en mijn belangrijkste taken. Facturen maken, gegevens bijhouden, volgens strakke richtlijnen werken. Alles overheersend zijn de hokjes. Ik zie nog de rijen opgestapelde bakjes voor allerhande paperassen. Die stonden op mijn bureau en in mijn kast. Zo’n grijze kast, van metaal.

Het was een periode waarin ik niet beter wist dan dat het altijd zo zou zijn. Ik droomde wel van iets anders. Want nog geen twee jaar eerder, tijdens een vakantie in Griekenland, in september 1983 om precies te zijn, had ik een Australiër ontmoet. Van het type Griekse halfgod. Hij had mij over zijn land verteld. Maar die bestemming was met mijn karige salaris schier onbereikbaar. Drie hele lange jaren zou het nog duren, voordat ik voor het eerst daarnaartoe kon gaan.

Tot die tijd maakte ik er het beste van. Werken, werken, werken, werken; half dagje werken en dan begon het weekend weer. Eindelijk. Het werk was helemaal niet onaardig hoor. Ik hou wel van gegevens beheren en structuur aanbrengen. Maar om dat nu de hele dag te doen met verder niets enerverends erbij… Man, man, man, wat héb ik mij te pletter verveeld. Ook in volgende banen. Jaar na jaar na jaar. Dagen, weken, maanden aftellen tot de volgende vakantie, één keer per jaar.

Ik had best aardige collega’s daar. Mijn chef was het type scheepskapitein: blozende wangen, dikke buik en woeste baard. Er stond altijd een longdrinkglas op zijn bureau. Gevuld met jenever, al dronk hij dat als water. Links van hem zat zijn lieftallige assistente: Sonja. Sonja had ergens nog wat Indonesische roots. Tegenover haar zat Fred. Vriendelijke man, gezinstype. Hij werkte mij in en gedroeg zich vaderlijk naar mij. Ik was dan ook de jongste van het team. Aan het volgende duoblok zaten Bert (een grote man) en nog een Fred. Bert was van de praatjes en Fred nummer twee vond ik wel leuk om te zien. Maar hij was meer met sportprestaties bezig dan met vrouwen, geloof ik.

Dan, naast onze kamerdeur, mijn bureau. Helemaal vrij, niemand tegenover mij. En iets verderop stond het bureau van de heer E. Hij was de rechterhand van de scheepskapitein. Ik weet niet meer wat de voornaam was van meneer E. Meneer E. had een tikje of twee. Vele jaren later kwam hij in het appartementencomplex achter mij wonen. Toen zag ik hem regelmatig tijdschriften uit de papierbak vissen. Hij was vermoedelijk erg alleen. Ik scheur tot op heden zorgvuldig elk adreslabel van mijn paperassen af. Dat is nog een erfenis van de heer E.

Het middelste blok werd gevormd door een heuse computer, een joekel van een groen-streepjespapierprinter én een boekhoudmachine. Dat was zo’n gevaarte waar je ponskaarten in deed. Ik had trouwens mijn eigen telefoontoestel, met draaischijf, want ik werd soms gebeld via de buitenlijn. Er was dus toch wel sprake van enig leven in de brouwerij.

Mijn collega’s gingen elke dag naar de kantine. Daar ben ik nooit geweest. Ik moest naar buiten in de pauze. Dan wandelde ik naar het overdekte winkelcentrum als het regende, of naar het park aan de overkant als de zon scheen. Sloten koffie werkte ik naar binnen op dat kantoor. Zodat ik scherp bleef. Ach, het is de minste van alle kwade verslavingen. Ik wist gewoon niet beter en op vrijdagmiddag begon het weekend weer.

Het gras is altijd groener …

Oude boerderij in de Achterhoek

Elke zomer weer doen we aan een volksverhuizing. Mensen in de stad vieren vakantie op het platteland. En anderen uit een klein dorp verlangen naar het uitgaansleven bij een strand. Dit snap ik. Maar wat zoekt iemand uit een prachtig oord veertien dagen lang in een aftands Egyptisch all-inclusive resort? Een vrouw vertelt daarover in de trein, tussen Aalten en Doetinchem. Het is haar slecht bevallen.

We zijn dan op de terugweg. Te voet hebben we zojuist 22 kilometer afgelegd van Aalten naar Winterswijk. Twee van ons komen uit idyllische Twentse dorpjes. Een derde komt uit pittoresk Zutphen. En ik, ik woon aan de rand van de Veluwe. Toch willen we allemaal wat anders zien en wandelen we elders. Zelfs als we daarvoor eerst een uur moeten reizen. Zoals voor deze wandeltocht, diep in het hart van de Achterhoek. Is het gras daar soms groener?