Schoonheid in verval

Men zegt dat er schoonheid schuilt in verval, ofwel in vergankelijkheid. Dat lijkt mij nogal betrekkelijk. Was het bijwonen van de instorting van het Romeinse Rijk dan zo fraai voor de inwoners van Rome? Dat verliep tergend langzaam. Of neem een stinkend en rottend karkas waar de maden zich een weg doorheen banen. Ook dat is vergankelijkheid. Ik word een beetje obstinaat van al te kleffe uitspraken. Maar het is waar. Soms schuilt er wel degelijk schoonheid in verval.

Wat maakt nu precies het verschil tussen een mooie of lelijke vorm van verval? Misschien heeft het te maken met onze cultuur en religie, met de tijdgeest, met wie we zijn, of met onze positie in de maatschappij. Als je van de VPRO-bent, zie je waarschijnlijk schoonheid in een vervallen fabriekshal. Vooral wanneer iemand zo’n hal kunstzinnig filmt. Terwijl in de jaren zeventig hele historische binnensteden voor nieuwbouw werden platgewalst. Kijk je graag naar RTL 4, dan zie je wellicht iets moois in wrecked car races. RTL is er speciaal voor mannen, dus als vrouw herken je de schoonheid van dit soort races vast niet.

Schoonheid kan schuilen in uiterlijkheden, maar evengoed in innerlijk (karakter), functie of betekenis. Maden in een karkas zijn op het oog tamelijk goor. Toch hebben zij een zeer nuttige functie. Zij zorgen ervoor dat de weke delen efficiënt verteren en als meststof in de natuur terugkeren. Zo beschouwd, maakt oneindige recycling alles wat op natuurlijke wijze kan vervallen mooi.

In onze huidige cultuur houden de meeste mensen meer van een fris begin dan van een naderend eind. Een pasgeboren puppy, een nieuwe bloem, een rozig baby’tje: ze wekken verwondering, blijdschap en vertedering op. Is het dan een teken van vervreemding, wanneer we de schoonheid van vergankelijkheid in een mens, dier of plant niet kunnen zien?

De laatste van het seizoen

Het was leuk, maar nu is het klaar. Dit wordt de laatste paddenstoelenfoto van het jaar. Onlangs schoonde ik mijn foto’s op. Daarbij merkte ik hoe sterk natuurfoto’s seizoensgebonden zijn. Een zomerse foto oogt misplaatst bij een log over de herfst. En foto’s van de droogte afgelopen zomer kan ik niet meer zien. Die beelden zijn te verontrustend. Maar goed, paddenstoelen. Sinterklaas is al in het land, dus verklaar ik het seizoen voor gesloten. Het was mooi. Bedankt en tot volgend jaar.

Het bijzondere van een fotoblog

Het lijkt zo gewoon. Je pakt je smartphone en loopt ermee naar de tuin. Je maakt een paar foto’s van mooie blaadjes en zet die op je blog. Even wat woorden toevoegen en hup, publiceren maar. Vergeleken hiermee is een blad volschrijven met een weldoordachte tekst soms een heel gezwoeg.

Zowel in woord als beeld proberen we iets vast te leggen wat vluchtig is. Een zeldzame vogel, een moment in tijd, een ervaring, een dierbare zoals hij of zij nu is. We willen het vangen, vasthouden en meedragen of veilig bewaren. We willen het bezitten.

Een lens legt soms taferelen vast die er  ogenschijnlijk niet zijn. Zoals de speling van het licht, wat een menselijk oog slechts beperkt ziet. Ook het niet tastbare verandert door fotografie in een bestaande entiteit, digitaal of op papier. Waarna het ‘is’.

Liefde is aardappelen

In ‘2Doc: Liefde is aardappelen’ keert documentairemaakster Aliona van der Horst na een sterfgeval terug naar het oude houten huis op het Russische platteland waarin haar moeder is opgegroeid. Ze heeft daarvan een/zesde deel geërfd. Aliona’s ouders wonen in Nederland. Moeder is in de tachtig en ernstig ziek. Ze heeft haar spraak al verloren. Terwijl Aliona nog met zoveel vragen over haar familieverleden rondloopt.

‘Liefde is aardappelen’ is een van de mooiste en aangrijpendste documentaires die dit jaar op tv kwamen. Niet alleen vanwege de vorm, subtiliteit, gedetailleerdheid, eenvoud en haarscherpe observaties in beeldmateriaal. Maar ook omdat ik er veel in herken. Het gaat over het intergenerationele trauma. Mijn vader overleed elf maanden geleden. Hij en mijn moeder zijn van dezelfde generatie als Aliona’s ouders.

Aliona’s moeder werd geboren in Rusland, tijdens de verschrikkingen onder Stalin. Gevechten aan het front. De constante dreiging van verraad en strafkampen. Zeer ernstige hongersnoden, terwijl ze als boeren zonder eten werden gedwongen tot zware arbeid op het land. Mijn ouders woonden in Nederland. Waar vooral bij mijn moeder de Tweede Wereldoorlog en de hongerwinter sporen hebben achtergelaten. De situatie in het westen van Nederland was onvergelijkbaar met de jarenlange toestand in Rusland. Maar toch.

We zien Aliona in het eenvoudige, maar knusse huisje, waar ’s winters het ijs binnen op de muren stond. De plee is buiten in een hok. De houten raamkozijnen hebben mooi houtsnijwerk. Alsof de familie ooit wel betere tijden heeft gekend. Haar verwanten zijn er ook. Een neef is nuchter. Begrijpt niet waarom ze alles filmt en het erg vindt dat het huis wordt gesloopt. Het is toch allemaal oude zooi.

Aliona vindt oude schoenen: koffers en koffers vol paren. Zo veel dat ze, alle paren naast elkaar uitgestald, er de vloer van een kamer mee kan vullen. Haar oma heeft winters zonder schoenen meegemaakt.

En ze vindt de brieven die haar moeder ooit vanuit Nederland schreef aan haar tante in Rusland. De documentairemaakster leest over zichzelf in het handschrift van haar moeder zinnen als: ‘Hoe kan mijn dochter mij ooit begrijpen? Zij was er niet bij en heeft het nooit meegemaakt.’ Over de honger, over de bittere armoede, over het ellendige huwelijk van Aliona’s oma. Die getrouwd was met een man die al even getraumatiseerd van het front thuiskwam.

Dit is een stukje uit de afscheidsrede voor mijn vader die mijn zus heeft voorgedragen:

‘Mijn vader was geen man van grote gebaren. Hij hield niet van opsmuk en was ook niet materialistisch ingesteld. Op zijn eigen wijze was hij een romanticus. Niet in de zin van rode rozen en champagne. Maar zoals een fuut zijn partner een visje brengt, bracht hij mama vol trots de eerste nieuwe aardappeltjes of verse worteltjes die hij met liefde voor haar had geteeld.’

Een veranderende vriendschap

Hollen, rennen, vliegen en het toch niet kunnen bijbenen. Dat gevoel had ik onlangs bij een wandeling met een vriendin. Zij is acht jaar jonger en sneller in haar doen en denken. Onze vriendschap begon toen ik nog werkte in de ontwikkelingssector. We reisden veel en woonden in naburige steden. Regelmatig gingen we naar concerten, films en exotische eetgelegenheden. Haar vriend kwam meestal mee. We moesten ons na werk wel haasten en het werd soms laat. Maar we vonden dat we volop in het leven stonden en haalden daar het maximale uit.

Er was slechts één verschil. Waar zij haar dagen van minuut tot minuut volstouwde, bouwde ik liever voldoende rust en ruimte in voor alternatieve wendingen. Zeventien jaar na onze eerste ontmoeting verkeer ik in kalmer vaarwater. Terwijl zij al die jaren een wervelwind bleef. Dat doet iets met een vriendschappelijke relatie.

We hebben precies drie uur voor onze wandeling van elf kilometer. Daarna moet zij de trein halen. Dit vanwege haar vierde afspraak die dag, aan de andere kant van het land. Bij een tempo van zo’n 4 ½ km per uur hebben we nog tijd voor horeca. We wandelen via elegant aangelegde stadsparken naar een landgoed met viersterrenhotel. Vanuit het restaurant heb je een royaal uitzicht over het gazon en een beeldentuin in het bos. Ik kom er graag. Het haardvuur knappert. De ruimte is stijlvol ingericht en het is er aangenaam. Gezeten bij het grote raam kan ik er rustig een uur lang naar buiten staren.

Maar niet nu. Al vanaf de start van onze wandeling is zij gejaagd. Enthousiast onderwerpt ze mij aan een vragen spervuur. Ondertussen moet ik tegelijk nadenken en praten (het gaat soms om emotionele zaken), de routebeschrijving lezen en op paden letten, heuveltjes beklimmen, zuurstof binnen krijgen en uitademen, snel een boterham opeten, modderige stukken ontwijken, al lopend mijn flesje water pakken en eruit drinken, het gesprek gaande houden, de dop weer op het flesje schroeven en het flesje terug stoppen, iets zinnigs antwoorden, weer naar adem happen en andersom ook eens belangstelling tonen.

Wanneer zij uit zichzelf iets vertelt, wil ik wel doorvragen. Maar voordat ik wat kan uitkramen, is zij alweer op het volgende onderwerp overgestapt, terwijl ik in gedachten nog bij het vorige ben blijven hangen. Dat gaat zo drie uur lang.

Haar de kaart laten lezen verandert hier weinig aan. Zelfs dan vraagt ze continu aandacht. Signalen van mijn vermoeidheid dringen niet tot haar door. Die negeert ze bij zichzelf ook altijd. Zeggen dat we het kalmer aan moeten doen, heeft slechts kort effect. Want dat is zij zo weer vergeten. Of ze wordt er nog onrustiger van.

In feite proberen we al een poos een gulden middenweg te vinden. Toen mijn inkomsten terugliepen, trok ik een streep door onze dure uitstapjes. Voorlopig gaan we niet meer samen op vakantie. Zij kreeg een andere vriend met jonge kinderen. Daardoor veranderden onze driehoeks-activiteiten drastisch. Hij is van de extreme sporten en daar heb ik weinig mee. Bovendien staat hij anders in het leven dan haar ex, met wie ik meer interesses en humor deel.

Het is zoeken naar nieuwe raakvlakken, zowel qua activiteiten als onze kijk op zaken. Strak geplande energie vretende uitstapjes kunnen we beter mijden. Maar gesprekken met haar gaan toch steevast over leuke onderwerpen. Zij heeft boeiende en zinnige dingen te melden en stelt prikkelende vragen. Vergeleken bij haar voel ik me regelmatig een semi-ouwe taart. Desondanks is er blijkbaar genoeg waardoor onze vriendschap standhoudt. Al is het soms flink doorstappen hard werken.

Onvoltooid voltooid verleden

In mijn hoofd is het nog een gesuis en geruis. Net terug van even terug zijn geweest. Trein in, trein uit, tram in, tram uit, Randstedelijke drukte en geluid. Gebaande paden, welbekende short cuts. De eettentjes in Haagse achterafstraatjes, van Istanbul tot Hanoi. Ze zijn mij zo vertrouwd. Stoïcijns gebleven op dezelfde locaties. Terwijl ik ondertussen een totaal ander leven heb opgebouwd. Rust, waar alles rondom doorraast. Pas op de plaats.

Ontmoetingen in gebouwen uit een gedeeld verleden. Ze zijn nooit verdwenen. Wel even uit beeld, maar altijd onderdeel gebleven van een doorlopend verleden. Tot in de toekomst van het heden.

Verhalen. Over een collega met een verloren kind. Een andere baan in Afrika. Om vroeger achter te laten? Tevergeefs misschien. In weinig gebieden wordt je identiteit zo sterk bepaald door je kinderen, als daar. Wat zeg je als ze je vragen hoeveel kinderen je hebt?

Verleden. Onverwachts terug in een gebouw waar ik 9,5 jaar heb gewerkt. De belangrijkste periode uit mijn carrière. Voor het eerst na 8,5 jaar blijft mijn gevoel neutraal. Nog bijna wekelijks krijg ik de vraag wat mijn beroep is. Pas sinds kort kan ik het antwoord in een enkele zin samenvatten.

Het is allemaal zo lang geleden. Wat draag ik nu nog mee dat er toen al was? Heel weinig, vrijwel alles is van daarna. Slechts een wollen sjaal met Noorse sterren was er toen ook al bij. De tastbare rest is achtergelaten, ergens onderweg naar het heden. En de ontastbare rest is verdwenen. Omgezet in kennis en een doorlopende levensles.

Het einde van de vaste telefoon

Je zou het niet verwachten, maar het aantal vaste telefoonaansluitingen in Nederland nam in 2015 nog toe. Daar is een eenvoudige verklaring voor. Het maakte weinig verschil of je een alles-in-1-pakket nam met of zonder vaste lijn. Ik heb dat toen overwogen. De laatste tijd vielen de rekeningen van KPN wel erg hoog uit. Dus heb ik opnieuw gecheckt of ik het bedrag omlaag kon krijgen. En ja hoor: de vaste lijn kan eruit. Het is even slikken, na zoveel jaren met een vaste telefoon in huis.

De beschikbaarheid daarvan was niet altijd vanzelfsprekend. In de jaren zeventig kregen we bij ons thuis een vaste aansluiting. Tot die tijd liep mijn moeder voor een telefoongesprek naar het postkantoor in de buurt. Dan vroeg ze aan de lokettist of ze mocht bellen. Dat kon in een van de twee of drie inpandige telefooncellen. Ze hadden houten wanden met kleine gaatjes erin. Onder een plank hing een hele serie telefoongidsen. En er stond, geloof ik, een klein krukje bij. Privacy kon je wel vergeten als je iets belangrijks wilde doorbellen.

Bij vriendinnetjes hing de telefoon in de gang aan de muur. Of hij prijkte daar op een plankje naast pen, papier en een beduimeld telefoonboek. Als je wilde bellen, moest je blijven staan. Ook daar kon het hele gezin meegenieten. Mensen gingen er heel bewust mee om en hielden gesprekken kort.

Op mijn eerste zelfstandige adres had ik evenmin een vaste telefoon. Als ik moest bellen, liep ik naar de telefooncel op de Douzastraat of naar de brug bij het Gangetje. Soms waren die cellen, met apparaat en al, gesloopt na een wilde uitgaansnacht. Dan moest ik helemaal naar het Leidse stadhuis lopen om daar een intacte telefooncel te vinden.

Op mijn volgende adres nam ik zelf een telefoon. Heel handig, ook voor anderen. Want mijn nummer scheelde maar één cijfertje met dat van een hulpinstelling. Regelmatig kreeg ik verslaafden aan de lijn, die gelijk een lang en nogal warrig verhaal afstaken. Afgezien daarvan was die eigen telefoon best fijn. Je raakt er snel aan gewend dat je altijd bereik hebt.

Daarna wisselde ik bij verhuizing een paar keer van nummer. Het laatste kon ik slecht onthouden. Het leek een beetje op een vroeger nummer van een zakelijke telefoonlijn. En ik gebruikte hem nog maar weinig. Hij kon niet op tegen de kunstjes van mijn nieuwe mobiele telefoon.

Dit jaar begon het oude toestel te haperen. De batterijen lekten en die heb ik nog een keertje vervangen. Onlangs kreeg hij weer kuren. Steeds als ik het toestel oppakte, ging het schermpje zorgwekkend knipperen. En zo kwam er een roemloos einde aan de geschiedenis van mijn vaste telefoonlijn.