Schoonheid in verval

Men zegt dat er schoonheid schuilt in verval, ofwel in vergankelijkheid. Dat lijkt mij nogal betrekkelijk. Was het bijwonen van de instorting van het Romeinse Rijk dan zo fraai voor de inwoners van Rome? Dat verliep tergend langzaam. Of neem een stinkend en rottend karkas waar de maden zich een weg doorheen banen. Ook dat is vergankelijkheid. Ik word een beetje obstinaat van al te kleffe uitspraken. Maar het is waar. Soms schuilt er wel degelijk schoonheid in verval.

Wat maakt nu precies het verschil tussen een mooie of lelijke vorm van verval? Misschien heeft het te maken met onze cultuur en religie, met de tijdgeest, met wie we zijn, of met onze positie in de maatschappij. Als je van de VPRO-bent, zie je waarschijnlijk schoonheid in een vervallen fabriekshal. Vooral wanneer iemand zo’n hal kunstzinnig filmt. Terwijl in de jaren zeventig hele historische binnensteden voor nieuwbouw werden platgewalst. Kijk je graag naar RTL 4, dan zie je wellicht iets moois in wrecked car races. RTL is er speciaal voor mannen, dus als vrouw herken je de schoonheid van dit soort races vast niet.

Schoonheid kan schuilen in uiterlijkheden, maar evengoed in innerlijk (karakter), functie of betekenis. Maden in een karkas zijn op het oog tamelijk goor. Toch hebben zij een zeer nuttige functie. Zij zorgen ervoor dat de weke delen efficiënt verteren en als meststof in de natuur terugkeren. Zo beschouwd, maakt oneindige recycling alles wat op natuurlijke wijze kan vervallen mooi.

In onze huidige cultuur houden de meeste mensen meer van een fris begin dan van een naderend eind. Een pasgeboren puppy, een nieuwe bloem, een rozig baby’tje: ze wekken verwondering, blijdschap en vertedering op. Is het dan een teken van vervreemding, wanneer we de schoonheid van vergankelijkheid in een mens, dier of plant niet kunnen zien?

Zo zonde van de tijd

Uiterwaard Ewijk wandeltocht

We ontmoeten elkaar in 2015 voor het eerst tijdens een wandeling. Ik woon hier dan zes maanden. Haar huis staat op dat moment al jaren te koop. De woningmarkt zit op slot en de verkoop schiet niet op. Deze situatie beheerst haar. Want de verkoop hangt samen met haar scheiding. Ze wil weg daar. Weg van die plek met al die herinneringen.

Daarna zien we elkaar regelmatig en praten we steevast over onze woonsituaties. Ik ben blij dat ik hier terecht ben gekomen. Zij wacht nog steeds. Jaren later volgt de doorbraak en verhuist ook zij eindelijk.

Onlangs sprak ik haar weer. Het was tijdens die wandeling in de uiterwaard bij Ewijk. Daar woonde zij tot voor kort vlakbij. Nu blikt ze terug. 7 ½ jaar. Zéven-en-een-half-jaar. Zo lang heeft haar leven gevoelsmatig stilgestaan. Zo lang heeft het geduurd voordat zij weer verder kon gaan, dankzij de verkoop van haar woning.

Ik ken dergelijke fases. Wachttoestanden of voortslepende situaties waarin maar geen verbetering komt. Intussen verstrijkt de tijd. Leef-tijd. Wat kan je er aan doen? Soms is er geen ontkomen aan.

De les van een verloren gouden armband

Een paar weken geleden verloor ik mijn gouden schakelarmband. Dat was gouden armband nummer twee. Ik ontdekte het pas toen ik na een wandeling bij de voordeur stond. Ineens voelde mijn pols ‘kaal’ aan. Voor de zekerheid waren er al eerder vier schakels tussenuit gehaald, omdat hij anders zo van mijn hand af kon rollen. Deze armband kocht ik in 1998, kort nadat ik die eerste had verloren.

Vreemd genoeg mis ik vooral de aanwezigheid van mijn armband. Het vertrouwde gevoel van het gladde metaal op mijn huid. Bij elke beweging rolden de schakeltjes omhoog of omlaag langs mijn pols. De afgelopen twintig jaar droeg ik hem continu bij me. Alleen tijdens een half jaar in Kenia liet ik mijn gouden sieraden thuis.

Toch was er steeds het risico van verlies. Wanneer ik mijn rugtas afdeed, trok ik die armband soms tegelijk met het hengsel van mijn arm. En met handschoenen afdoen moest ik ook opletten. Een enkele keer rolde hij dan mee van mijn pols.

Na de ontdekking heb ik direct op de fiets nog eens het wandeltraject afgelegd. Maar de route lag bezaaid met opdwarrelende blaadjes en het werd vroeg donker. Nu is ook deze gouden armband verdwenen.

De pijn zit niet in de financiële waarde. Al is het een verlies, want ik heb in goud een oeroud vertrouwen. Wanneer alles instort, zijn die gouden sieraden er tenminste nog. Daarvan weet je dat ze onder alle omstandigheden een zekere waarde behouden. Je kan ze makkelijk meenemen en verkopen. Goud is ideaal bij noodtoestanden.

Het verlies van deze armband hoort wel bij een natuurlijke gang van zaken. Want vanaf onze geboorte zijn we bezig met opbouwen en vergaren. Vervolgens pieken we tijdens onze middelbare jaren. En daarna gaat het allemaal weer bergafwaarts. Denk aan de trap des ouderdoms. Alleen wij ijdele 21ste eeuwers willen de achterliggende filosofie niet accepteren. ‘Des menschen op- en nedergangh, valt d’ene soet en d’ander bangh.’ Dat is alles.

De laatste van het seizoen

Het was leuk, maar nu is het klaar. Dit wordt de laatste paddenstoelenfoto van het jaar. Onlangs schoonde ik mijn foto’s op. Daarbij merkte ik hoe sterk natuurfoto’s seizoensgebonden zijn. Een zomerse foto oogt misplaatst bij een log over de herfst. En foto’s van de droogte afgelopen zomer kan ik niet meer zien. Die beelden zijn te verontrustend. Maar goed, paddenstoelen. Sinterklaas is al in het land, dus verklaar ik het seizoen voor gesloten. Het was mooi. Bedankt en tot volgend jaar.

Het bijzondere van een fotoblog

Het lijkt zo gewoon. Je pakt je smartphone en loopt ermee naar de tuin. Je maakt een paar foto’s van mooie blaadjes en zet die op je blog. Even wat woorden toevoegen en hup, publiceren maar. Vergeleken hiermee is een blad volschrijven met een weldoordachte tekst soms een heel gezwoeg.

Zowel in woord als beeld proberen we iets vast te leggen wat vluchtig is. Een zeldzame vogel, een moment in tijd, een ervaring, een dierbare zoals hij of zij nu is. We willen het vangen, vasthouden en meedragen of veilig bewaren. We willen het bezitten.

Een lens legt soms taferelen vast die er  ogenschijnlijk niet zijn. Zoals de speling van het licht, wat een menselijk oog slechts beperkt ziet. Ook het niet tastbare verandert door fotografie in een bestaande entiteit, digitaal of op papier. Waarna het ‘is’.

Selfies van haar zelf

Vandaag heb ik selfies gemaakt van mijn grijzer wordende haar. Ja, boeie. Toch laat ik me graag door deze onbenullige selfie-operatie afleiden. Want alles is beter dan het nieuws van de laatste tijd.

Grijs haar lijkt zo symbolisch voor vergankelijkheid. Daarom even voor de duidelijkheid: we zijn al lang niet meer wie we ooit waren. Ons lichaam vernieuwt continu de cellen waaruit het is opgebouwd. Dus is het haar dat we als kind hadden vervangen door ander materie. Ditzelfde geldt voor onze botten en onze huid. Daarvan zijn de oude versies ook al lang ingeruild.

Verandering van haarkleur ben ik wel gewend. Behalve zwart, passeerde al elke haartint. Als peuter was ik een blondine met spierwitte lokken. Daarna werd mijn haar geleidelijk lichtbruin. In de pubertijd was het kastanje-kleurig. En in mijn volwassen periode ben ik al jaren donkerbruin. Zonlicht haalt nog altijd een koperrode gloed tevoorschijn. En sinds een aantal jaren komt daar glinsterend zilver bij. Gewoon, van nature.

Dat laatste kan je niet zeggen van alle verf die er in is gesmeerd. Was het donker, dan moest het blonder. En was het door de zon gebleekt, dan wilde ik er meer bruin bij. Als je je haar lange tijd verft, vergeet je op het laatst welke kleur je zelf hebt. Bij de eerste grijze haren ging ik even in de ontkenning, maar die fase is voorbij. De huidige kleurschakering mag er zijn.

Alleen krijg ik de juiste bruintint onmogelijkheid op de foto. Mijn haar staat er steeds te licht op. Of te donker, of te grijzig. Met welk programma ik het ook bijwerk. En hoeveel selfies ik ook neem. Dit is pas echt dramatisch. Want waar kunnen we in deze tijd van leugens en nepnieuws nog op bouwen, als we zelfs onze eigen selfies niet meer kunnen vertrouwen?

Goed tot na de dood

Mijn bestelling hand- en theedoeken van Bunzlau Castle is binnen. Ik wilde iets moois, want die doeken hangen goed zichtbaar in de keuken. De oude worden vaal, maar blijven onverslijtbaar. Ik heb ze al zo’n 25 jaar. Stel nu dat de nieuwe doeken even lang meegaan. Dan ben ik tegen die tijd al bijna tachtig jaar. Misschien is dit wel het laatste nieuwe keukenlinnengoed dat hier komt.

Ho, wacht even. Prompt beschouw ik alle huisraad met andere ogen. Doe dat zelf ook eens in je eigen woning. Wat zal daarvan nog aanwezig zijn indien je minimaal tachtig wordt?

Mijn oudste spullen doorstonden al meerdere opruimsessies. Die blijven vast wel bij me tot het einde. In theorie tenminste, want wie kan er 25 jaar of langer in de toekomst kijken? Afijn, koop ik nieuw linnengoed; denk ik meteen aan mijn eigen sterfelijkheid. En de mevrouw van de webwinkel had er nog wel zo’n feestelijk pakketje van gemaakt.

(25-01-2017. Een meegestuurd geurkaarsje brandt vandaag voor mijn vader.)