Echt een kind van mijn vader

Vandaag moest ik sterk aan mijn vader denken, die vijf en een half jaar geleden overleed. Ik heb namelijk iets gemaakt waaraan je goed kan zien dat ik een kind van hem ben. Mijn vader was van de generatie die met weinig tevreden moest zijn. Spullen waren duur in zijn jeugd. Dus als er iets kapot ging, dan repareerde je dat, en het liefst met materiaal dat je ergens van bewaard had. Je gooide nooit zomaar iets weg. Mijn vader heeft een paar jaar technische scholing gehad. Hij was veertien toen hij aan zijn eerste fulltime baan begon. Vijf en een halve dag in de week.

Ik denk dat ik iets van zijn praktische creativiteit en inventiviteit meegekregen heb. Plus de wil om zelfredzaam te zijn. Daarnaast ga ik ook zorgvuldig met mijn (weinige) spullen om. Wat nog goed is, gaat nooit zomaar weg. Desnoods breng ik het naar de kringloopwinkel of zet ik het te koop op Marktplaats.

Mijn vader is een paar maal in het huis geweest waarin ik nu woon. Bij een van zijn bezoeken bracht hij enkele zelf opgekweekte tomatenplanten mee. Hij had ze opgebonden aan een paar oude bamboe stokken. Stokken die ongetwijfeld al talloze malen in de tuin waren gebruikt. De tomaten hielden het in mijn zanderige tuin niet zo lang uit. Wat overbleef, waren die twee bamboe stokken.

Fast forward naar nu, zeven jaar later. Gisteren is de allerlaatste klus op de ellenlange klussenlijst (vanaf juni 2015) geklaard. De dakkapel achter is geverfd. Het houtwerk ziet er weer helemaal fris en glanzend uit. Er zitten enkel nog wat vettige vlekken buiten op een ruit. Dus moeten de ramen op de eerste verdieping worden gezeemd. Ik weet niet hoe andere mensen dat doen, maar zelf kan ik er nooit zo makkelijk bij.

Ik kan op een wiebelig tafeltje gaan staan, ver voorover hangen en dan met een spons in de hand de ramen zemen. Of ik kan op de vloer van mijn slaapkamer blijven staan en dan met een spons aan een veel te lange stok met hoekige en houterige bewegingen, al stotend tegen het plafond / de middenbalk / het andere raam proberen het raam aan de buitenkant schoon te maken. Gevolgd door dezelfde capriolen met een handwisser op een te kort stokje of een wisser op een veel te lange steel waarmee ik ook weer overal tegenaan stoot.

Daarom zoek ik al jaren naar een tussenmaatje voor die steel. Een spons op een lichtgewicht steel van ongeveer een meter lang, plus een wisser met even lange steel.

Je zou toch denken dat ik niet bepaald de enige ben met dit probleem. Er zijn toch wel meer huizen waar ramen zemen op de eerste/tweede/etc verdieping een ingewikkelde bedoening is. Maar iets handzaams op een steeltje van een meter lang is er niet. Zelfs niet op internet.

Ooit vond ik iets wat erop leek in een bouwmarkt in een koopjesgrabbelbak. Dat was een soort sponsdoekje op een plastic plaatje aan een stokje met een scharnier. Waarschijnlijk was het voor het wassen van autoruiten bedoeld. Maar toen ik later vanuit het zolderraam met een bergklimmerstouw op het dak van mijn dakkapel geklommen was, en bengelend over de rand de wang (= dakdekkersvaktaal) van mijn dakkapel aan het schoonmaken was, brak het sponsgedeelte van het handzame steeltje af.

Ik ben nog terug gegaan naar diezelfde bouwmarkt met precies diezelfde koopjesgrabbelbak, maar wat er ook allemaal in lag, geen autoruitenwassersponsjeopsteel. Sindsdien is ramen wassen op de eerste verdieping weer een probleem.

Totdat ik vandaag dus een ingeving kreeg, die mij dochter van mijn vader waardig maakt. (Overigens had ik al eerder een gerelateerde uitvinding gedaan die behoorlijk gelijkwaardig was.)

Want wat ik nog niet heb verteld, is dat ik die tweede keer iets anders vond in die koopjesgrabbelbak. Namelijk: een verfroller met korte steel, maar dan wel een met een telescopisch deel. Kijk. Daar kan ik wat mee.

Men neme een verfroller en men neme een rol ducttape. Met een stuk tape zet je de roller vast, zodat die niet meer draait. Et voilà! Een sponsachtige ding met korte telescopische stang dat in gefixeerde stand niet rolt maar keurig over het glas veegt.

Alleen die ruitenwisser ontbrak nog. Gelukkig kwam vandaag het eureka-moment. Want wie wat bewaart, heeft wat. Een oud wissertje met korte steel, bijvoorbeeld. Plus een oude bamboe tomatenstok. Laat die stok nu precies passen in het holle steeltje van dat ding. Stukje bamboe eraf gezaagd om de steel op maat te maken en stukje ducttape erop om de boel te fixeren. Tadà!

Ruitenwisser met medium bamboesteel; verfroller als spons op medium telescoopsteel

Nu alleen nog even een patent aanvragen voor mijn prototypes.

Mijn vaders’ man cave

man cave

Mijn vader overleed 2 ½ jaar geleden, maar zijn man cave bestaat nog steeds. De geur van de ruimte heeft iets ondefinieerbaars. Metaal, hout, olie, stof, boenwas, vermengd met een vleug van een gedragen jas. Hij heeft er van alles gerepareerd en gefabriceerd: fietsen, fotolijsten, losgeraakte hengsels, meubels, noem maar op. Het was de plek waar hij rustig zijn sigaartje stond te roken en zijn ding kon doen.

In een mandje liggen boeken en paperassen. Een ‘Rijkskleding boekje’ van zijn werk, met notities over uitgereikte werkkleding, in 1961. Een ‘Handleiding ten behoeve van de opleiding voor V.E.V.-examens’ over elektrotechniek, uit 1957. Daar heeft hij altijd zijn brood mee verdiend.

Plus een boekje voor doe-het-zelvers. In het voorwoord: ‘Nu het door de hoge kosten en het gebrek aan arbeidskrachten voor vele mensen onmogelijk is geworden kleine karweitjes in huis door een vakman te laten opknappen en velen meer vrije tijd hebben gekregen, is het gewoonte geworden in huis en tuin zoveel mogelijk zelf iets te repareren of zelfs iets te maken.’ Uitgeverij Het Spectrum, 1961.

De dingen die hij naliet, waren ordentelijk gesorteerd: zijn gereedschap (nog van zijn vader geërfd en nieuw), tuinspullen en materialen. Alles per soort bij elkaar. Ik tref vakken vol bewaarde losse onderdeeltjes aan. Hij had ze vast nog ergens voor kunnen gebruiken.

Her en der staan en hangen enkele meer persoonlijke versieringen en aandenkens. Een onverwacht Boeddhabeeldje tussen blikken en oliekannetjes op een plankje. Een foto van zijn collega’s en van het huis in Noordwolde. Een knus oudhollands huiselijk tafereeltje. En een rood plastic bloemetje tussen de losse boren. Misschien zeggen ze meer over hem dan woorden.

Vrouwendag – Vaders dag

Het was me bijna ontgaan dat het Vrouwendag is. Dat komt omdat 8 maart de verjaardag van mijn overleden vader was. Zijn foto staat op tafel. Vanachter de laptop gezien is hij altijd dichtbij. Mijn vader was niet nadrukkelijk met zijn man-zijn bezig. Ik betwijfel of hij mij wezenlijk anders zou hebben behandeld indien ik een zoon was geweest. Waarschijnlijk vond mijn vader het vooral belangrijk dat ik mezelf kon zijn. Het vrouwen-bewustzijn komt van mijn moederskant. En dan met name het daaraan verbonden onrecht.

Ik doe mijn eigen ding en wat een ander daar van vindt, moet die ander maar weten. Mijn vader accepteerde mij meer zoals ik ben. Dit in tegenstelling tot mijn moeder, die van alles van mij vindt.

Mannen hebben mij zelden in de weg gezeten; vrouwen daarentegen vaker. Neem econome Heleen Mees, die maar blijft drammen dat vrouwen fulltime moeten willen werken. Of neem feministen, die het belachelijk vinden dat een man van mij best kostwinnaar mag zijn. Alsof je rol als vrouw dan per definitie minder voorstelt. Vrouwen die zo doorschieten in hun mening, nemen dezelfde houding aan als ouderwetse, belerende mannen doen.

Volgens mij is slechts één opvatting belangrijk, namelijk dat vrouwen binnen de algemene grenzen van vrijheid ongehinderd zichzelf mogen zijn.

Over hoe mannen denken

Op een zondagmiddag geven mijn buren verderop een borrel. Wij, hun buren en aanverwanten uit twee huizenblokken, zitten bij elkaar. Sommigen van ons wonen hier pas kort en ontmoeten anderen voor het eerst. Er klinkt gezellig geroezemoes in de woonkamer. Terwijl diverse gesprekken gaande zijn, begint een oudere vader over de zorg voor kinderen. ‘Nou’, concludeert hij, ‘een kwartiertje plezier en dan zit je er de rest van je leven aan vast.’ ‘Wat?’ antwoordt een jongere vader meteen, ‘Vijf minuten, meer is het niet.’ Een paar seconden lang valt iedereen stil; daarna begint het geroezemoes weer.

Kijk, zoiets fascineert mij. Want dit is een gemêleerd gezelschap. Jong en oud, hoog- en laagopgeleid, ieder uit een ander deel van het land. En die twee kennen elkaar niet. Dan is het afwachten hoe zulke opmerkingen vallen. Als ze bij het voetbalveld hadden gestaan, was het vast anders gegaan. Maar hier zitten (voor zover ik weet) keurig nette vrouwen bij. Of in elk geval mensen die voorlopig de schijn ophouden.

Ik probeer mij voor te stellen hoe deze mannen denken. Die ene van dat kwartiertje plezier is een levensgenieter. Hem zie ik wel met een biertje in de hand sappige café-verhalen vertellen. Die ander is een pas gescheiden man met een nieuwe vriendin. Hij lijkt mij meer van de wijnproeverijen op een bescheiden chateau in Frankrijk. Zonder twijfel is hij hoger opgeleid. Toch trapt hij er vol in.

Oh, ik begrijp wel hoe zoiets gaat. Die café-ganger is woont hier al jaren, terwijl die chateau-man als passant toevallig in de buurt is. Dus die met het biertje van het kwartiertje staat op vertrouwde grond. Hij kent iedereen en alle buren kennen hem. Hij is gewoon zichzelf en zegt wat hij zeggen wil. Hij is het mannetje hier. (Een sympathieke vent, trouwens, ik mag hem wel.) En die wijnman mag dan nieuw zijn, hij gaat echt niet voor hem onder doen. Dus die gaat eroverheen. Hij is nóg sneller.

Nou, gefeliciteerd ermee. Zou hij het zich gerealiseerd hebben, in die seconden durende stilte? Dat less niet more is, in dit geval. Of zou hij alleen maar gedacht hebben: ‘Parbleu, dit soort praatjes hoort niet bij wat men van mij verwacht hier.’ Of zou hij gedacht hebben: ‘Hoe moet H. dit nu vinden? Die hier net is komen wonen en waarvan iedereen dit nu over haar seksleven weet.’ Of zag hij zich ineens met zichzelf geconfronteerd? Dat hij ondanks zijn amoureuze escapades helemaal niet zo’n Latin Lover is. Omdat het maar vijf minuten duurde per keer. Shit.

Eerlijk gezegd volg ik nog steeds amper hoe mannen denken. Ik snap wel dat ze stoer willen zijn en graag over techniek praten. Over telelenzen en computers, en over de levels die ze met games gehaald hebben. Ook weet ik dat de breedste en luidruchtigste gasten meestal de kleinste hartjes hebben. Maar verder begrijp ik er nog altijd weinig van. Daarom lees ik graag blogs van mannen. Misschien dat ik er nog wat van kan leren.

PS1: Voor de heren is er op dezelfde site ook een rubriek over hoe vrouwen denken.

Toen opa en oma vijftig waren

Er is een foto van mijn grootouders waarop zij met een dochter en hun jongste zoontje poseren. Dat kleintje is mijn vader, dan een jaar of vier oud. Ze staan achter hun huis op het platje en kijken geamuseerd naar de fotograaf. Een volwassen buurjongen heeft het prentje genomen. Het is eind jaren dertig. Ze staan erbij alsof ze even snel naar buiten zijn gekomen. Opa heeft zijn stoffen werkjas aan. Hun kleren zijn netjes, maar sober. Alleen de trui van mijn tante heeft een speels kabelpatroon.

Toch is er iets bevreemdends. Het lijkt alsof opa en oma de zeventig al zijn gepasseerd, terwijl mijn vader nog een kleuter is. Hij kan hun kleinkind wel zijn. Logisch, want het is al geen jong paar meer. Op die foto zijn opa en oma bijna vijftig jaar oud. En dan daalt het in: dat is vijf jaar jonger dan ik nu ben. Wat een verschil, vooral qua uiterlijk. Want ik zie er zeker 25 jaar jonger uit dan zij toen.

Mijn grootouders en ik schelen 75 jaar en die tussenliggende periode maakt een wereld van verschil. Oma was vier jaar toen zij haar moeder verloor en opa kwam uit een gezin dat door ziekten was verarmd. Ze moesten allebei kort na hun twaalfde verjaardag fulltime aan de slag. En fulltime betekende zes dagen per week en zeker tien uur per dag. Sociale zekerheid ontbrak.

De Eerste Wereldoorlog kwam tussendoor. Nederland bleef neutraal, maar dit moet hun leven hebben beïnvloed. Tien jaar later begonnen de crisisjaren. Opa deed alles wat zijn handen konden: smeden, fietsen repareren, timmeren, en een stoomwals bedienen. Intussen kreeg oma het ene na het ander kind, tien maar liefst. Bovendien verhuisden ze jarenlang om de zoveel maanden, omdat ze opa’s werk in de wegenbouw achterna gingen. In die periode was een woonwagen hun huis.

Later gingen ze in het huis wonen waar de foto is genomen. Daar bleven ze het langst. Oma moest wel het hele huishouden met de hand doen, tot de was aan toe. En met zo veel kinderen ging het werk natuurlijk altijd door. Wanneer ik denk aan al hun verantwoordelijkheden, is het geen wonder dat mijn grootouders er al vroeg oud uitzagen.

Behoefte aan erkenning en waardering

‘Is dat belangrijk voor je?’, vraag ik wanneer het woord ‘erkenning’ valt. Dat blijkt inderdaad het geval. Ze wil op haar bescheiden manier iets doen voor mensen; een rol vervullen in de maatschappij. Zoals ze ook heeft gedaan tijdens haar succesvolle loopbaan. Maar die is sinds een paar jaar voorbij. ‘En’, ze zegt het er letterlijk bij: ‘ik wil dat anderen het zien en mijn bijdrage waarderen. Dat ze dit uitspreken en mij complimenteren.’ Als het er echt toe doet, heeft ze zelf moeite met complimentjes uitdelen. Haar vader zaliger was daar evenmin royaal mee.

Misschien is er een verband met een ander. Iemand die als jongste dochter in een gezin opgroeit met verder alleen broers. Hun moeder wil het meisje niet als vanzelfsprekend met huishoudelijk werk opzadelen. Dus wordt de dochter van taken vrijgesteld, terwijl de moeder het wel erg druk heeft. Zou je je erdoor overbodig gaan voelen? Alsof je bestaan er wezenlijk niet toe doet. Ben je ook al geen uitblinker in het een of ander, dat kan je jezelf slechts een zelfbedachte rol toedelen. Zodat je toch belangrijk bent en wordt gezien.

Nog enkele voorbeelden. Een kind dat precies doet wat haar vader wil, ook al heeft ze allang een flitsende carrière opgebouwd. Of iemand die van een concullega krijgt toegebeten dat ze iets vast niet kan. Waarna ze denkt ‘Oh nee, kan ik dat niet?’ Om vervolgens vastberaden alles op alles te zetten en wél dat hoog gegrepen diploma behaalt. De behoefte aan erkenning kan ons ver brengen. En ver laten zinken. Want iemand die op negatieve wijze aandacht vraagt, wil evengoed worden gezien.

De persoon uit het eerste voorbeeld is uitermate kwetsbaar. Zij is voor haar levensgeluk volkomen afhankelijk van anderen. Wat nu als je erkenning bij jezelf kan vinden? Gewoon, door iets te doen waar je met tevredenheid aan terug kan denken. Niet omdat een ander je complimenteert. Maar omdat je zelf in staat bent om te erkennen dat het goed is zo. Dat lijkt mij veel gezonder. Maar ik heb dan ook absoluut niets met ‘jezelf wegcijferen’ en ander calvinistisch gedoe.

Liefde is aardappelen

In ‘2Doc: Liefde is aardappelen’ keert documentairemaakster Aliona van der Horst na een sterfgeval terug naar het oude houten huis op het Russische platteland waarin haar moeder is opgegroeid. Ze heeft daarvan een/zesde deel geërfd. Aliona’s ouders wonen in Nederland. Moeder is in de tachtig en ernstig ziek. Ze heeft haar spraak al verloren. Terwijl Aliona nog met zoveel vragen over haar familieverleden rondloopt.

‘Liefde is aardappelen’ is een van de mooiste en aangrijpendste documentaires die dit jaar op tv kwamen. Niet alleen vanwege de vorm, subtiliteit, gedetailleerdheid, eenvoud en haarscherpe observaties in beeldmateriaal. Maar ook omdat ik er veel in herken. Het gaat over het intergenerationele trauma. Mijn vader overleed elf maanden geleden. Hij en mijn moeder zijn van dezelfde generatie als Aliona’s ouders.

Aliona’s moeder werd geboren in Rusland, tijdens de verschrikkingen onder Stalin. Gevechten aan het front. De constante dreiging van verraad en strafkampen. Zeer ernstige hongersnoden, terwijl ze als boeren zonder eten werden gedwongen tot zware arbeid op het land. Mijn ouders woonden in Nederland. Waar vooral bij mijn moeder de Tweede Wereldoorlog en de hongerwinter sporen hebben achtergelaten. De situatie in het westen van Nederland was onvergelijkbaar met de jarenlange toestand in Rusland. Maar toch.

We zien Aliona in het eenvoudige, maar knusse huisje, waar ’s winters het ijs binnen op de muren stond. De plee is buiten in een hok. De houten raamkozijnen hebben mooi houtsnijwerk. Alsof de familie ooit wel betere tijden heeft gekend. Haar verwanten zijn er ook. Een neef is nuchter. Begrijpt niet waarom ze alles filmt en het erg vindt dat het huis wordt gesloopt. Het is toch allemaal oude zooi.

Aliona vindt oude schoenen: koffers en koffers vol paren. Zo veel dat ze, alle paren naast elkaar uitgestald, er de vloer van een kamer mee kan vullen. Haar oma heeft winters zonder schoenen meegemaakt.

En ze vindt de brieven die haar moeder ooit vanuit Nederland schreef aan haar tante in Rusland. De documentairemaakster leest over zichzelf in het handschrift van haar moeder zinnen als: ‘Hoe kan mijn dochter mij ooit begrijpen? Zij was er niet bij en heeft het nooit meegemaakt.’ Over de honger, over de bittere armoede, over het ellendige huwelijk van Aliona’s oma. Die getrouwd was met een man die al even getraumatiseerd van het front thuiskwam.

Dit is een stukje uit de afscheidsrede voor mijn vader die mijn zus heeft voorgedragen:

‘Mijn vader was geen man van grote gebaren. Hij hield niet van opsmuk en was ook niet materialistisch ingesteld. Op zijn eigen wijze was hij een romanticus. Niet in de zin van rode rozen en champagne. Maar zoals een fuut zijn partner een visje brengt, bracht hij mama vol trots de eerste nieuwe aardappeltjes of verse worteltjes die hij met liefde voor haar had geteeld.’