Het spoortalud in herfsttooi

Voor deze foto heb ik moeten zoeken naar de juiste bewoording. Want hoe noem je deze situatie? Rijdt de trein hier door een dal, door een geul, of door een kuil? De zogenoemde Spoorkuil in Nijmegen zou ik eerder een vallei noemen, terwijl ik een dal associeer met iets wat gevormd is door de natuur. Dat is hier niet het geval, dus blijft over: een geul. Maar ‘spoorgeul’ komt op het internet nauwelijks voor. Het gaat mij specifiek om de schuin oplopende hellingen; die heten officieel ‘taluds’. Ook deze meervoudsvorm heb ik opgezocht, want hoe vaak gebruik je nu zo’n woord? Ik nooit.

Lang verhaal kort: Wikipedia weet raad. Het talud (van het Franse talus = helling), ook wel: beloop, is het bouwkundig aangelegde schuine vlak langs een weg, spoor, watergang, dijk, naar een brug of tunnel waarmee een hoogteverschil wordt overwonnen tussen bouwwerk en maaiveld. Een talud kan een ophoging zijn of een ingraving.

Een ingraving dus. Klaar.

(Klik desgewenst op de foto voor een vergroting.)

Duel op het spoor

Langzaam nadert hij de rivier. In de verte komt de spoorbrug in beeld. Het is een riskante oversteek en misschien wacht hem een hinderlaag. Hier stoppen is ook gevaarlijk. Aarzelend komt hij tot stilstand. Een langgerekte sis ontsnapt hem.

Turend naar de overkant voorbij de brug ontwaart hij iets geels. Dus toch!
Is zijn tegenstander langer en zwaarder dan hijzelf? Het is van hieraf niet te zien.

Wat nu? Terug gaan of vooruit? Wie beweegt het eerst?

Seconden lang gebeurt er niets; dan neemt hij een besluit.
Traag tilt hij een voorwiel op, buigt zijn kop en schraapt met zijn stalen hoef over de rail.

Zijn tegenstander ontgaat het gebaar, maar voelt de trilling wel in het metaal. Een siddering gaat door hem heen.

Dan vermant hij zich, zet zich schrap en komt geruisloos in beweging …

 

(Geïnspireerd door ‘Duel’, blockbuster graffiti onderop de brugpijler.)

De belofte van Rusland in een stukje berk

Dit stukje berkenhout ligt achter prikkeldraad bovenop een houtwal. Ik passeer het regelmatig op mijn wandeling over een naburig landgoed. Al sinds het mij opviel, volg ik het trage, maar wonderschone proces van natuurlijke vergankelijkheid. Berkenschors is taai.

Misschien wel even taai als mijn wens om ooit een lange reis door Rusland te maken. Die wens bestaat nu precies 35 jaar. Bovenaan mijn verlanglijst staat een klassieke rit met de Trans Siberië Express vanuit Moskou. Het is een trein die dagenlang door de taiga en langs uitgestrekte berkenbossen rijdt.

Misschien moet je eerst wat levenservaring opdoen, voordat je toe bent aan Vladivostok.

Ineens zie je het

Vriendin F en ik volgen het Marskramerpad over de Veluwe. ‘De natuur is zo mooi dit jaar.’, merkt zij op. Meestal ontgaat haar zoiets. Enkele jaren geleden ging ze vervroegd met pensioen. Nu ontstaat er langzaamaan meer ruimte in haar blikveld. ‘Vanmorgen viel mij ineens op dat ik de grote kerk kan zien vanaf de Singel bij mij om de hoek.’ Ze woont daar veertig jaar. Maar wie ben ik om hier wat van te zeggen?

Onlangs zat ik in de trein van Arnhem naar Zutphen. Het was zo’n coupé als waarin ik tien jaar lang heb geforensd tussen Leiden en Den Haag. In het spitsuur. Standaard zat de coupé bomvol. Maar ik weet nog dat die specifieke treinstellen voor het eerst werden ingezet, een jaar of vijftien geleden. De zittingen en rugleuningen bevielen mij wel.

In die trein van Arnhem naar Zutphen was het rustig. En ineens zag ik het. Dat gezichtje op de zijkant van de armleuning. Het lijkt wel zo’n hoofd als van de beelden op Paaseiland.

Paaseiland gezichtjes in de trein

Over hoge nood en toiletperikelen

Tja, hoe kom je er op? Het is tenslotte eerste kerstdag. We zitten met z’n allen aan een lange tafel. Het is nog ruim voor het kerstdiner. Misschien speelt de aardse omgeving mee: een stil hoekje van het uitgestrekte Drentse platteland. Duitsland ligt op vijf kilometer afstand. Ons gezelschap bestaat onder meer uit twee paarden, vier honden, twee konijnen, tientallen cavia’s, wat kippen in een plantenkas en rivierkreeften in een mortelbak. De meeste beesten lopen overigens buiten. Ineens moet ik denken aan hoge nood en toiletbezoek. Heel logisch.

Vrouwen herkennen dit vast. Je bent buiten, of lang onderweg in de bus of de trein. Of je zit tussen anderen ingeklemd tijdens een concert. En je moet erg nodig naar de wc. Maar dat komt nu even niet uit. Dus hou je het maar op. Als je dan eindelijk naar het toilet toe kan, (in de pauze, of zodra de bus na vier uur rijden stopt bij een wegrestaurant), stort de hele meute zich daar tegelijk op. Waardoor je nog langer voor de gesloten deurtjes moet wachten. En als je éindelijk zelf naar het toilet kan … dan kan je niet meer. Ongeacht wat je doet. Daar zit je dan. Verkrampt, of gewoon te veel afgeleid door alle geluiden om je heen. Soms kan één andere aanwezige al genoeg zijn.

Andere variant. Ik herinner me een bijzonder hoge nood na een strandwandeling. Het was januari 1986. Er stond storm kracht 10 en de temperatuur lag rond het vriespunt. Ik wandelde van Katwijk naar Scheveningen, tegen de wind in. Want daar lag het aangespoelde schip de Rio Grande. Van heinde en verre kwamen mensen naar de zee om dat spectaculaire fenomeen te zien. (Mind you, jaren tachtig, er was nog geen Netflix of internet.) Bij het schip stonden heuse dranghekken in het zand. Veiligheid voor alles. Alleen waren ze vergeten een paar mobiele toiletten neer te zetten.

Kort na het trotseren van de zuidwesterstorm, de zandstraling en de ijzige kou keerde ik huiswaarts. Ondertussen moest ik wel héél erg nodig. Maar bij windkracht 10 en een temperatuur van 0 graden zit je zelfs in een duinpannetje ietwat onrustig. Dus hield ik het maar op. Het was nog een hele tocht naar huis. Eerst kilometers teruglopen, daarna verkleumd wachten op een bus en vervolgens het laatste stuk fietsen.

Tegen de tijd dat ik thuis kwam, waren mijn vingers totaal verstijfd. Ik kon nog net met de grootste moeite mijn huissleutels uit mijn broekzak halen. Echt beetpakken ging niet meer. Mijn vingers wilden namelijk niet meer buigen. De sleutel moest ik tussen beide handen klemmen en dan in het slot draaien. Eenmaal bij het toilet, ontstond het grootste probleem. Want met bevroren vingers krijg je de knoop van een strakke broek niet los en geen gulp open. Moest ik dan maar naar mijn buurman gaan en hem om hulp vragen?

De IJssel is nog geen Wolga

Mijn vader was niet zo van het op vakantie gaan. Hij bleef het liefste thuis. Dan kon hij dagelijks naar zijn moestuin gaan. Op aandringen van mijn moeder gingen we jaarlijks toch op vakantie. Maar al na tien dagen werd hij dan onrustig. Hoe aangenaam het ook was in Duitsland, Frankrijk of waar in Europa we ook zaten. Die tuin had op hem steevast een grotere aantrekkingskracht.

Want de andijvie was bijna goed en de boontjes moesten er nodig af. En als de bessen niet gauw werden geplukt, hadden de vogels er een feestmaal aan. Vaak konden we ons verblijf dan nog met een paar dagen rekken. Maar mijn vader was de enige van ons gezin met een rijbewijs. Dus moesten we wel mee als hij terugging.

Was er dan geen enkel land waar hij heen wou? Toch wel. Er was iets waarover mijn vader sprak met twinkelende ogen en een kwajongensblik. Namelijk het moment waarop in het voorjaar het ijs breekt op de rivier de Wolga in Rusland. Dat gaat blijkbaar gepaard met zeer imposant geknal en natuurgeweld. Uiteindelijk heeft hij het nooit zelf meegemaakt. Ik heb hem wel aangeboden om er samen heen te gaan. Maar hij bleef toch altijd liever thuis.

Al sinds 1986 heb ik zelf het plan om ooit met de Trans Siberië Express van Moskou naar Vladivostok te gaan. Het was er dat jaar bijna van gekomen. De reisgidsen lagen al in huis. Maar bij de voorbereiding trok ik de lijn denkbeeldig door en belandde ik in Australië. Daar ben ik vervolgens vijf keer naartoe gegaan. Dat Rusland kwam er vast nog een keer van, dat liep niet weg.

Maar sinds 1986 is er wel het een en ander veranderd. De muur tussen Oost en West verdween. Russische leiders kwamen en gingen. De laatste jaren wordt de sfeer daar, naar verluid, steeds grimmiger. Vooral ten opzichte van alles wat niet etnisch Russisch is. En dat is mij direct aan te zien. Misschien valt het mee. Ik heb op een exportafdeling met Russen te maken gehad, en dat waren opvallend warme mensen. Totaal niet zoals je op basis van hun imago in het Westen verwacht.

Zolang de Wolga een toekomstplan blijft, stel ik mij tevreden met de IJssel. Die kan evengoed indruk maken. Vooral wanneer die buiten haar oevers treedt en over kades en uiterwaarden spoelt. Zoals gisteren in Deventer:

En zoals gezien vanuit een trein met vuile ramen op de spoorbrug bij Zutphen. Afgelopen zomer wandelde ik nog waar je nu slechts kan waden.

 

Breeduit zitten in volle trein

Je mag als man in Madrileense bussen tegenwoordig niet meer met je benen gespreid zitten. Dat komt door die vermaledijde feministen. Die zien daar natuurlijk machogedrag in. Hele studies gaan over het verschil tussen mannen en vrouwen in lichaamshouding. Mannen maken zich breed; vrouwen maken zich klein. Dat is het idee. Ik vraag het me af. Volgens mij hebben breeduit zittende mannen het gewoon warm.

Als voormalig forens tussen Leiden en Den Haag ben ik een ware ervaringsexpert. Niet alleen weet ik precies hoe je zo dicht mogelijk bij de deur kunt komen. (Zonder gedrang en nog voor de trein stil staat.) Ik schat ook binnen een milliseconde in naast wie ik wel of juist niet moet gaan zitten. Vooral wanneer het erg druk is en warm. Dan zorgt mijn expertise voor het verschil tussen een verpeste reis of een ontspannen tocht.

Mannen, bijvoorbeeld, voelen gewoonlijk erg warm aan. Hoe steviger en breder, hoe meer je klem zit op zo’n krap bankje. Dus hoe benauwder het wordt. Daar wil je vandaan blijven wanneer de coupé-temperatuur de 30 graden bereikt. Vooral in de zomer, dan ontbreken jassen als isolatiemateriaal. In de winter kan je zeker je voordeel doen met hun warmte, maar nu even niet. Bij voorkeur zit ik dezer dagen naast een slanke vrouw of niet al te grote man. Als hij zijn benen tenminste niet in de spreidstand houdt. Want ook die benen zijn warm.

Vrouwen kunnen trouwens ook erg warm aanvoelen. Het punt met stevige vrouwen is dat ze minstens evenveel ruimte innemen als brede mannen. Als vrouw zit je overigens wel liever naast een stevige allochtone man dan naast een stevige allochtone vrouw. Want die vrouw heeft zeker geen moeite met lichaamscontact met jou. Veel Nederlanders vinden dat vreemd. In Arabische en Mediterrane landen is dat normaal. En zij verdragen de extra warmte beter dan wij, meestal. Moslimmannen maken doorgaans netjes een beetje ruimte voor vrouwen. Dat moet van Allah.

In drukke coupés mijd je iedereen die afwijkend of verwaarloosd lijkt. Vaak is dat een man, maar soms is het een vrouw. Zo iemand kan jouw kant op zakken als hij in slaap valt, wild om zich heen gebaren of keihard gaan praten. Ook met jou. Een alcohollucht? Wegwezen. Worden ze niet lastig, dan is er toch misschien iets met hygiëne. Je zit tenslotte hutje mutje op elkaar. Van drugs worden mensen vaak rustig. Daar valt goed mee te leven in een warme trein. Kinderen en honden in een volle coupé zijn weer een ander verhaal.

Toch zit ook ik weleens klem naast een man die aan manspreading doet. (Zo heet dat als hij met zijn benen wijd zit.) Dan vraag ik of hij een beetje ruimte kan maken. Doet hij gewoonlijk wel. Al is het soms met een klagelijke zucht en denkt hij misschien: ‘stomme trut’. Daar zit ik niet mee, in een volle coupé.

Vrouwen daarentegen, die hardnekkig aan womenspreading blijven doen met hun pinnige ellenbogen en grote schoudertassen, die vormen pas echt een probleem. Als je daar vriendelijk aan vraagt of ze een beetje ruimte willen maken, weet je bijna zeker dat je de rest van de rit in oorlogssfeer zal doorbrengen. Heerlijk vind ik dat. Dan mag ik graag wat extra stangen.