Duel op het spoor

Langzaam nadert hij de rivier. In de verte komt de spoorbrug in beeld. Het is een riskante oversteek en misschien wacht hem een hinderlaag. Hier stoppen is ook gevaarlijk. Aarzelend komt hij tot stilstand. Een langgerekte sis ontsnapt hem.

Turend naar de overkant voorbij de brug ontwaart hij iets geels. Dus toch!
Is zijn tegenstander langer en zwaarder dan hijzelf? Het is van hieraf niet te zien.

Wat nu? Terug gaan of vooruit? Wie beweegt het eerst?

Seconden lang gebeurt er niets; dan neemt hij een besluit.
Traag tilt hij een voorwiel op, buigt zijn kop en schraapt met zijn stalen hoef over de rail.

Zijn tegenstander ontgaat het gebaar, maar voelt de trilling wel in het metaal. Een siddering gaat door hem heen.

Dan vermant hij zich, zet zich schrap en komt geruisloos in beweging …

 

(Geïnspireerd door ‘Duel’, blockbuster graffiti onderop de brugpijler.)

Glooiingen en rechte spoorlijnen

Denkend aan het Nederlandse landschap zie ik al snel strakke lijnen voor me. In de groene polders van mijn jeugd werden de kaarsrechte sloten tussen de weilanden al in de zestiende eeuw gegraven. Daar hoefde bij de ruilverkaveling weinig meer aan te worden gedaan. Zelfs het nabijgelegen kustgebied is nogal rechttoe rechtaan. Alleen tussen de duinen met hun zachte glooiingen waan je je in een natuurgebied. Al zijn ook die duinen gedeeltelijk het resultaat van menselijk ingrijpen.

De Veluwe kende ik als een bosgebied waar kaarsrechte spoorwegen doorheen liepen. Pas toen ik vijftien jaar geleden vaker ging wandelen, ontdekte ik dat ons land meer variatie biedt. Limburg, Twente en de Achterhoek staan om hun afwisselende landschap bekend.

Waar je minder gauw aan denkt, zijn de overloopgebieden langs de grote rivieren. Op verschillende plaatsen heeft het water sinds 1995 weer ruimte teruggekregen. Daar zie je een redelijk geslaagde nabootsing van het oorspronkelijke rivierlandschap.

Bij de Oosterbeekse spoorbrug over de Nederrijn lijkt het een strakke boel. Toch hadden de spoorbouwers hier iets extra’s aan hun hoofd. Vlak voor de brug daalt de spoorlijn vanuit Arnhem naar Nijmegen met een bocht af op een stuwwal. Hiervoor is een diepe geul in de helling uitgegraven. En om te voorkomen dat de treinen vervolgens door een ondergelopen uiterwaard moeten waden, zijn er honderden meters aan de brug vastgeknoopt. Wel 336, om precies te zijn, verdeeld over zes zogeheten aanbruggen. En dat terwijl de boogbrug over de rivier ‘slechts’ 132 meter lang is.

Zo, dan weet u dit ook weer. Ik heb het even opgezocht naar aanleiding van bovenstaande foto. Een winters plaatje van dezelfde brug staat hier.

De belofte van Rusland in een stukje berk

Dit stukje berkenhout ligt achter prikkeldraad bovenop een houtwal. Ik passeer het regelmatig op mijn wandeling over een naburig landgoed. Al sinds het mij opviel, volg ik het trage, maar wonderschone proces van natuurlijke vergankelijkheid. Berkenschors is taai.

Misschien wel even taai als mijn wens om ooit een lange reis door Rusland te maken. Die wens bestaat nu precies 35 jaar. Bovenaan mijn verlanglijst staat een klassieke rit met de Trans Siberië Express vanuit Moskou. Het is een trein die dagenlang door de taiga en langs uitgestrekte berkenbossen rijdt.

Misschien moet je eerst wat levenservaring opdoen, voordat je toe bent aan Vladivostok.

Het heen en weer in Nijmegen

Vandaag heb ik zo’n beetje alle Nijmeegse bruggen gezien, want dit was de route:

  1. Rij eerst met de trein vanuit Arnhem zuidwaarts over de Spoorbrug bij Nijmegen.
  2. Wandel daarna via de Waalbrug noordwaarts naar het stadseiland Veur-Lent. Koffiestop.
  3. Ga verder over de Lentloper, dat is een bijzondere brug. Stukje naar het westen.
  4. Weer zuidwaarts naar het stadseiland over de Snelbinder en loop daarna opnieuw richting het westen.
  5. Terug noordwaarts via de Zaligebrug. Verder naar het westen aan de kant van Lent.
  6. Zo kom je uit bij de Oversteek en via die brug wandel je weer naar Nijmegen in het zuiden terug.
  7. Loop vervolgens naar het oosten. Sla voorbij Loetje en het spoorviaduct rechtsaf. Dan kom je uit bij het station. Neem daar de trein die weer over de Spoorbrug naar het noorden rijdt. Terug naar huis.

(Klik desgewenst op een foto voor een vergroting.)

‘Moeten we dit jaar echt twee keer op vakantie gaan?’

Bij Driebergen-Zeist nemen ze naast en tegenover plaats mij in de trein. Het zoontje is verdiept in Donald Duck dubbelpocket 59 en schurkt gezellig tegen zijn vader aan. Het meisje heeft mooi rood haar. Zij is een jaar of twaalf en zit rustig met een e-reader naast mij. Bij Ede-Wageningen vraagt ze aan vader hoe laat het is en wanneer ze er zullen zijn. Ze moeten eerst naar Nijmegen en dan met een boemeltje verder reizen. Die term kent ze niet, maar zodra vader uitlegt dat een boemel op elektriciteit rijdt, begint zij over het milieu.

Ze zegt dat elektrisch rijden evengoed vervuilend is. En waarom gaan ze altijd met de auto op vakantie? De auto is nog meer vervuilend dan de trein. ‘Moeten we dit jaar echt twee keer op vakantie gaan?’ Vader kijkt haar bijna getergd aan. ‘Zullen we daar thuis verder over praten en niet hier in de trein?, antwoordt hij. Daarna blijft het weer stil naast mij.

Ach, kínd toch. Zo jong al zulke grote wereldproblemen op je schouders nemen.

Nog niet eerder heb ik dit van zo dichtbij meegemaakt. Er is waarlijk iets gaande als de jongste generatie dergelijke vragen stelt. En gelijk heeft zij. De oude garde, op een klein groepje na, rotzooit maar aan en blijft daar mee doorgaan.

‘Moeten we dit jaar echt twee keer op vakantie gaan?’ Deze vraag stellen op je twaalfde, omdat je het te vervuilend vindt … Het was onbestáánbaar dat ik zoiets in 1975 zou kunnen bedenken. Ik ben wel benieuwd wat haar vader eenmaal thuis heeft gezegd.

Een vorm van beknibbelen

Als ik ergens geen zin in heb, kan ik prima smoezen bedenken waarom iets niet hoeft. Geld besparen is hierbij een perfect excuus. Voor vandaag stond er een lezing gepland bij een gerenommeerd instituut in Amsterdam. Bij aanmelding leek het onderwerp mij echt interessant. Er liggen al NS-dagkaartjes klaar à € 14,50. De reis is dus goedkoop en vooruitbetaald. Daarnaast is Amsterdam af en toe best een bezoek waard.

De dag van de lezing breekt aan en dan begint het. ‘Eigenlijk kan ik net zo goed op internet lezen over dit onderwerp. Dan hoef ik niet helemaal naar Amsterdam. Scheelt ook financieel, want dat NS-kaartje is vanwege de reistijd doordeweeks toch onhandig. Met een OV-kaart ben ik alsnog € 25 kwijt. En dat instituut zit in het Red Light District. Dat is geen buurt waar ik graag rondloop te midden van ranzige wietwalmen en het achenebbisj volk dat er op afkomt.’ 

Uiteindelijk valt het besluit en blijf ik thuis. Maar dan begint de ellende pas echt. Want weinig ondernemen bezorgt mij zo’n ontevreden gevoel. Dus ga ik compenseren. Eerst het hele huis schoonmaken. Dat geeft tenminste voldoening. Daarna afspraken maken. Want het is altijd fijn wanneer er weer wat zaken geregeld zijn.

Dus: CV-ketel onderhoud à € 65: check. (Hoeft eigenlijk niet, maar doe maar voor de zekerheid.) En dat college à € 15 volgende week in Arnhem: check. (Hier komen nog wel consumpties en reisgeld bij.)

Om nu te zeggen dat ik zo geld heb bespaard …

Prietpraat in de trein

treinen bij station Arnhem Centraal

De leraren staken, dus zitten er opa’s en oma’s met kinderen in de trein. Ze gaan naar Leiden toe. Corpus, Naturalis, Volkenkunde of het Museum van Oudheden misschien. Een van de kleintjes benoemt wat hij ziet.

‘Politietrein.’ We passeren een trein met gele en blauwe lijnen.

‘Racetrein.’ Een intercitytrein rijdt met hoge snelheid voorbij.

‘Ik kan niet goed hard lopen, want als ik hard loop, word ik moe.’