Ineens zie je het

Vriendin F en ik volgen het Marskramerpad over de Veluwe. ‘De natuur is zo mooi dit jaar.’, merkt zij op. Meestal ontgaat haar zoiets. Enkele jaren geleden ging ze vervroegd met pensioen. Nu ontstaat er langzaamaan meer ruimte in haar blikveld. ‘Vanmorgen viel mij ineens op dat ik de grote kerk kan zien vanaf de Singel bij mij om de hoek.’ Ze woont daar veertig jaar. Maar wie ben ik om hier wat van te zeggen?

Onlangs zat ik in de trein van Arnhem naar Zutphen. Het was zo’n coupé als waarin ik tien jaar lang heb geforensd tussen Leiden en Den Haag. In het spitsuur. Standaard zat de coupé bomvol. Maar ik weet nog dat die specifieke treinstellen voor het eerst werden ingezet, een jaar of vijftien geleden. De zittingen en rugleuningen bevielen mij wel.

In die trein van Arnhem naar Zutphen was het rustig. En ineens zag ik het. Dat gezichtje op de zijkant van de armleuning. Het lijkt wel zo’n hoofd als van de beelden op Paaseiland.

Paaseiland gezicht in de trein

Onder is boven langs dit spoor bij Arnhem

Al decennialang vind ik de regio rond Arnhem bijzonder. Vanuit Leiden kwam ik er weleens met de trein. Onderweg verandert het uitzicht geleidelijk van weilanden-met-slootjes in velden-met-bosgrond. Na Ede-Wageningen begint het glooiende terrein. Hier verschijnen grote aaneengesloten bospercelen. Helemaal buitenlands wordt het voordat je in Arnhem aankomt. Want daar moet de trein eigenlijk een stuwwal op. Hij verdwijnt echter in een diepe aardenwallen sleuf, min of meer ondergronds. Die sleuf is zo diep, dat je als passagier geen buitenlucht meer ziet. Vervolgens komt de trein vlak voor het station weer boven.

Tegenwoordig wandel ik af en toe om die aardenwallen sleuf heen. Twee spoorbruggen verbinden de wallen, zodat je een rondje kan maken van brug naar brug. Je passeert er een woonwijk, een speelweide, een laan met vrijstaande huizen en de Airborne begraafplaats. Maar het mooiste vind ik de rand van landgoed Boschveld met akkers en bospaden. Op het hoogste punt ligt het spoor hier circa vijftien meter diep. Daarvoor is in de negentiende eeuw met schep en kruiwagen een enorme berg grond uitgegraven.

Op deze foto’s is de ondergrond boven en het spoor beneden. Een rondje van spoorbrug naar spoorbrug in Oosterbeek. Nu de bomen kaal zijn, kan je zelfs de overzijde zien.

Geen geld voor vakantie, of geen zin

Volgens onderzoek van het Nibud gaat een kwart van de Nederlanders tussen 18 – 65 jaar niet op vakantie. De reden: vakantie is te duur en het vakantiegeld is nodig voor grote aankopen of voor aflossing van schulden. Vooral mensen met wisselende inkomsten blijven vaker thuis. Als persoon zonder inkomen bewaar ik spaargeld ook liever voor noodzakelijke uitgaven. En met een keuze voor thuisblijven valt goed te leven.

Decennialang vierde ik royaal vakantie. Drie of vier vakanties per jaar waren normaal. Wellicht willen ‘echte reizigers’ eindeloos op ontdekking blijven gaan. Maar voor mij kwam het keerpunt in 2010. Ik was al mijn hele leven vrijwel elk jaar weggeweest. Soms maandenlang. Inmiddels had ik op alle continenten een verlanglijst met bestemmingen afgewerkt.

In 2010 was ik voor de tweede keer in Indonesië en bespeurde ik verzadiging. Verveling zelfs. Onmiskenbaar. Weer Azië, weer dezelfde tropische vegetatie, weer die hitte en weer die lange vluchten. En dan dat hectische gekrioel op Schiphol. Die luchthaven, daar had ik helemaal genoeg van. De glans was er af. Ik was klaar met die verre reizen. Eigenlijk bleef ik veel liever in Europa en wilde ik gewoon wandelen. Meer niet.

Toen ik in 1992 mijn vorige woning kocht, heb ik uitgerekend hoeveel geld ik op dat moment had kunnen inleggen als ik het niet in de voorgaande 12 jaar aan reizen had besteed. Om precies te zijn: de helft van het aankoopbedrag. Toch, op een enkele mislukte vakantie na, zou ik het zo weer hebben gedaan.

Nu woon ik in een ideaal wandelgebied en hoef ik niet ver te gaan. Hierdoor bespaar ik jaarlijks duizenden euro’s door wekelijks een dagje op wandelvakantie te gaan. Daarnaast kijk ik met tevredenheid terug op wat ik al heb gezien en beleefd. Hopelijk wordt het internationale treinverkeer binnen Europa snel verbeterd. Dit als goed en comfortabel alternatief voor vliegverkeer. Dan wandel ik ook graag weer over de grens.

Het OV; vaak valt het toch mee

Het is warm en vroeg in de nacht wanneer ik ontwaak. Ik verheug me niet zo op de komende dag. Er staat een reis van oost naar west op het programma, plus een ritje noord – zuid. Normaal gesproken is dat best te doen voor wie van treinen houdt. Maar nu ligt het streekvervoer weer grotendeels plat.

Daarom moet ik eerst de gebruikelijke drie treinen nemen. Dan bij gebrek aan busvervoer in de bloedhitte een uur heen én een uur terug wandelen. Dit alles voor een bezoekje in mijn oude dorp. Daarna met drie andere treinen een omweg maken voor een house warming party twee dorpen verderop. (Normaal is dat een busritje van dertig minuten.) Om tot besluit met vier treinen terug te keren. Het is waardeloos.

Maar vlak voor aankomst krijg ik een briljant idee. In plaats van wandelen, kan ik een OV-fiets nemen! Even lijkt het mis te gaan. Voor een OV-fiets moet je je OV-pas speciaal activeren en dat heb ik niet gedaan. Maar de beheerder is een Hindoestaan en die doet niet moeilijk over regels. Met het pasje als borg krijg ik de fiets zo mee, gratis.

Zo komt het dat ik op een toeristen ros door mijn oude leefgebied fiets. Dat heb ik al lang niet meer gedaan. Daarom neem ik gelijk de recreatieve route. Een poldergebied waar stadsmensen, sporters en honden lekker in het groen rondbanjeren. Het is een onverwacht genoegen.

De volgende omweg met drie treinen blijft weinig aanlokkelijk. Maar ook dat valt uiteindelijk mee, want sommige bussen rijden wel. Bovendien zie ik op het feest iemand terug die ik lang heb gemist. Iemand met wie ik onder allerlei omstandigheden heb gereisd. Hij is veel gewend. Toch leg ik hem maar even uit waarom ik van die lompe wandelschoenen aan heb.

Veiligheid voor alles bij de NS

Als ik ‘s zondags met het openbaar vervoer naar mijn moeder ga, bedraagt de reistijd 2 x 2 ½ uur. Vaak blijf ik een uurtje of drie. Want ik neem met alle overstappen geen risico en wil op tijd terug zijn. Onderweg deelt de NS van alles mee.

In het boemeltje tussen Arnhem en Ede-Wageningen verschijnt de conducteur. Een meneer vraagt hem waarom de trein een paar minuten te laat is. ‘Vlak voor vertrek is iemand met een rollator van de trap gevallen. Alles zat onder het bloed. Daarom zijn we vertrokken met vertraging. Veiligheid voor alles. Helaas.’ Dat laatste zegt hij met een verontschuldigende glimlach.

Ik moet flink spurten om de aansluitende trein te halen. Trappetje af, tunneltje door, trappetje op. Hijg, hijg, puf, puf. Goed vasthouden aan de leuning. Want je zou in alle haast zo je nek breken op een traptrede.

Later, verveeld rondjes drentelend op Utrecht Centraal fotografeer ik de rustige stationshal. Mijn hartslag is ook weer normaal.

In de trein naar Leiden stapt de machinist vlak voor Woerden vol op de rem. Meteen daarna horen we zijn stem. ‘Er zit een storing in de beveiliging van dit baanvak.’ Veiligheid voor alles. Je zou er bijna door van je stoel vallen. Gelukkig was mijn koffie net op.

Dan valt mijn oog op het mededelingenscherm. Een bericht voor reizigers van Haarlem naar Beverwijk v.v. ‘In tegenstelling tot het reisadvies in de planner / rijden er bussen in plaats van treinen / Hengelo en Bentheim? / zonder de aangegeven overstap in Santpoort Noord. / Door beperkingen in de materieelinzet. U kunt gebruikmaken van de gewijzigde dienstregeling en/of bussen. / Daardoor bent u sneller op uw bestemming.’
Je zal toch maar laaggeletterd zijn.

Aan het begin van de avond stap ik weer over op Arnhem Centraal. Ik moet een beetje haasten en neem de roltrap. De geribbelde trede vlak voor mij is helemaal besmeurd met een grote donkerpaarse vlek. Verderop zitten nog wat spetters van een kleverige substantie. De kring is rond. We hebben het gehaald.

Over hoge nood en toiletperikelen

Tja, hoe kom je er op? Het is tenslotte eerste kerstdag. We zitten met z’n allen aan een lange tafel. Het is nog ruim voor het kerstdiner. Misschien speelt de aardse omgeving mee: een stil hoekje van het uitgestrekte Drentse platteland. Duitsland ligt op vijf kilometer afstand. Ons gezelschap bestaat onder meer uit twee paarden, vier honden, twee konijnen, tientallen cavia’s, wat kippen in een plantenkas en rivierkreeften in een mortelbak. De meeste beesten lopen overigens buiten. Ineens moet ik denken aan hoge nood en toiletbezoek. Heel logisch.

Vrouwen herkennen dit vast. Je bent buiten, of lang onderweg in de bus of de trein. Of je zit tussen anderen ingeklemd tijdens een concert. En je moet erg nodig naar de wc. Maar dat komt nu even niet uit. Dus hou je het maar op. Als je dan eindelijk naar het toilet toe kan, (in de pauze, of zodra de bus na vier uur rijden stopt bij een wegrestaurant), stort de hele meute zich daar tegelijk op. Waardoor je nog langer voor de gesloten deurtjes moet wachten. En als je éindelijk zelf naar het toilet kan … dan kan je niet meer. Ongeacht wat je doet. Daar zit je dan. Verkrampt, of gewoon te veel afgeleid door alle geluiden om je heen. Soms kan één andere aanwezige al genoeg zijn.

Andere variant. Ik herinner me een bijzonder hoge nood na een strandwandeling. Het was januari 1986. Er stond storm kracht 10 en de temperatuur lag rond het vriespunt. Ik wandelde van Katwijk naar Scheveningen, tegen de wind in. Want daar lag het aangespoelde schip de Rio Grande. Van heinde en verre kwamen mensen naar de zee om dat spectaculaire fenomeen te zien. (Mind you, jaren tachtig, er was nog geen Netflix of internet.) Bij het schip stonden heuse dranghekken in het zand. Veiligheid voor alles. Alleen waren ze vergeten een paar mobiele toiletten neer te zetten.

Kort na het trotseren van de zuidwesterstorm, de zandstraling en de ijzige kou keerde ik huiswaarts. Ondertussen moest ik wel héél erg nodig. Maar bij windkracht 10 en een temperatuur van 0 graden zit je zelfs in een duinpannetje ietwat onrustig. Dus hield ik het maar op. Het was nog een hele tocht naar huis. Eerst kilometers teruglopen, daarna verkleumd wachten op een bus en vervolgens het laatste stuk fietsen.

Tegen de tijd dat ik thuis kwam, waren mijn vingers totaal verstijfd. Ik kon nog net met de grootste moeite mijn huissleutels uit mijn broekzak halen. Echt beetpakken ging niet meer. Mijn vingers wilden namelijk niet meer buigen. De sleutel moest ik tussen beide handen klemmen en dan in het slot draaien. Eenmaal bij het toilet, ontstond het grootste probleem. Want met bevroren vingers krijg je de knoop van een strakke broek niet los en geen gulp open. Moest ik dan maar naar mijn buurman gaan en hem om hulp vragen?

Een dagje Grunn (Groningen)

Er ligt nog een dagkaart vrij reizen door Nederland, dus ga ik met de trein  naar Groningen toe. Gevoelsmatig blijft dat een uithoek. De stad verspreidde eerder dit jaar een promotiefolder en die gaat mee. Tip: het Groninger Museum stelt de romantiek van het noorden ten toon. En Volkskrant-columnist Peter Middendorp kent de stad. Gevraagd naar aanraders noemt hij het Hoge en Lage der Aa. Er zit een plattegrondje bij.

Afstanden mogen in ons land weinig voorstellen, ik ben wel 2,5 uur onderweg. Tegen de tijd dat de trein Groningen binnenrijdt, ben ik duf en stijf. Het museum tegenover het station moet maar even wachten; eerst frisse lucht. Dat gaat in Grunn wel lukken. Het miezert, het waait flink en het is koud. Hm. Ik had mij dit een beetje anders voorgesteld. Gewoonlijk loop ik na het museum rechtdoor naar de stad. Deze keer volg ik eerst Peters’ aanwijzing en sla linksaf.

Op de Praediniussingel waait een poolwind. Dat heb je met die plaatsen in het verre noorden. Ik begin me af te vragen waarom Peter die Hoge en Lage der Aa eigenlijk aanraadt. Voor hetzelfde geld staat er nieuwbouw. Wie zegt dat hij en ik dezelfde smaak hebben? Loop ik aanstonds voor niks dat hele eind de wind te trotseren. Zal ik ff snel via Google kijken?

Nee, het is veel leuker om ouderwets op avontuur te gaan. Ik laat mij verrassen door wat er om de hoek zal opduiken. Voorbij een kruising met een drukke winkelstraat wacht een prachtige stille gracht met monumentale panden. Dit moet een authentiek deel van Groningen zijn. Net als de singel in het verlengde daarvan: de Noorderhaven ZZ en NZ. Vanaf het gebouw van de Melkinrichting ligt het water vol historische schepen.

Hoe ver Groningen ook mag liggen, qua bebouwing is het een stad zoals anderen. Om het oude centrum heen ligt een singel, met direct daarbuiten huizen uit de negentiende en begin twintigste eeuw. Over de bruggen vanuit de binnenstad lopen drukke verkeersstraten. Daar passeerden van oudsher boeren en buitenlui. Dus vind je er cafés en winkels van dienstverleners.

Tussen die uitvalswegen liggen de interessantste straatjes. Vind ik, tenminste. Aan de noordkant staan historische gasthuizen met groene binnenplaatsen, knusse arbeidershuisjes en dure appartementen door elkaar. Het voelt jaren tachtig achtig aan. Alsof er overal nog punkers, studenten en anarchisten bivakkeren. Plus gezinnen en creatievelingen. Naast mensen die ogenschijnlijk in geen veertig jaar iets aan hun interieur hebben gedaan.

Terug in het centrum zie ik Pho Saigon en ben ik meteen om. Vietnamese soep eten met stokjes doet niets voor de kerstsfeer in Groningen. Maar het smaakt prima. Na een kort wandelingetje ga ik gelijk door naar het station. Het wordt vroeg donker en de tentoonstelling loopt tot mei 2018. 2,5 uur heen, 2,5 uur Grunn en 2,5 uur terug. Valt best mee. Vergeleken bij afstanden in Australië dan.