Het OV; vaak valt het toch mee

Het is warm en vroeg in de nacht wanneer ik ontwaak. Ik verheug me niet zo op de komende dag. Er staat een reis van oost naar west op het programma, plus een ritje noord – zuid. Normaal gesproken is dat best te doen voor wie van treinen houdt. Maar nu ligt het streekvervoer weer grotendeels plat.

Daarom moet ik eerst de gebruikelijke drie treinen nemen. Dan bij gebrek aan busvervoer in de bloedhitte een uur heen én een uur terug wandelen. Dit alles voor een bezoekje in mijn oude dorp. Daarna met drie andere treinen een omweg maken voor een house warming party twee dorpen verderop. (Normaal is dat een busritje van dertig minuten.) Om tot besluit met vier treinen terug te keren. Het is waardeloos.

Maar vlak voor aankomst krijg ik een briljant idee. In plaats van wandelen, kan ik een OV-fiets nemen! Even lijkt het mis te gaan. Voor een OV-fiets moet je je OV-pas speciaal activeren en dat heb ik niet gedaan. Maar de beheerder is een Hindoestaan en die doet niet moeilijk over regels. Met het pasje als borg krijg ik de fiets zo mee, gratis.

Zo komt het dat ik op een toeristen ros door mijn oude leefgebied fiets. Dat heb ik al lang niet meer gedaan. Daarom neem ik gelijk de recreatieve route. Een poldergebied waar stadsmensen, sporters en honden lekker in het groen rondbanjeren. Het is een onverwacht genoegen.

De volgende omweg met drie treinen blijft weinig aanlokkelijk. Maar ook dat valt uiteindelijk mee, want sommige bussen rijden wel. Bovendien zie ik op het feest iemand terug die ik lang heb gemist. Iemand met wie ik onder allerlei omstandigheden heb gereisd. Hij is veel gewend. Toch leg ik hem maar even uit waarom ik van die lompe wandelschoenen aan heb.

Varen op het Leidse water

Zodra de zon schijnt, komen ze allemaal tegelijk in beweging. De bootjes in Leiden. Sommigen varen de stad uit naar de Kaag of de Braassemermeer. Anderen maken uitstapjes over de Vliet of de Oude Rijn.

Vermoedelijk varen de meesten gewoon rondjes over en binnen de singels. Want het is zien en gezien worden hier. En je kan makkelijk aanleggen bij menig café. Terrasboten genoeg, overigens. Ook zonder eigen boot is het goed toeven op de Leidse grachten. Dan ontloop je gelijk de nautische files. Die zijn op zondagen een waar fenomeen.

Zouden er nog echte peurders zijn?

De Lagewaard in Koudekerk aan den Rijn

Op een half uurtje rijden van Den Haag en Amsterdam liggen oer-Hollandse dorpen waar geen toerist komt. Middenin de Randstad en middenin het Groene Hart. De veeteelt en de kaasmakerij brachten er eeuwenlang welvaart. Dat zie je aan de zomerhuizen naast elke pronte boerderij. Koudekerk aan de Rijn is zo’n agrarisch dorp. En met een landweggetje als de Lagewaard doet het niet onder voor Giethoorn. Zulke mooie plekjes zijn bij het grote publiek onbekend.

Rond 1600 bezat een zoon van mijn voorouders er stukken grond, een steenbakkerij en ander onroerend goed. Het was toen nog deels onontgonnen terrein. In 1613 werd ‘lant noch dagelicx van wegen den voorn. A.J.F. ontgront ende de cleij­aerde foe langer foe meer uijtgedolven ende wech gevoert.’ Het moet er ruig en drassig zijn geweest. De boeren sloten stammen uit die periode.

Voor mij is dit welbekend terrein. Ik ben opgegroeid in een naburig dorp, waar vergelijkbare polderweggetjes zijn. Ze bestaan uit een enkele rijstrook voor tweerichtingsverkeer. Als er een tegenligger komt, moet je uitwijken naar een brug. Want ze hebben meestal smalle, steile bermen en modder-sloten aan weerszijden. Geen buitenlandse toerist durft daar te rijden.

In mijn Leidse tijd fietste ik bij mooi weer regelmatig naar deze polder. Het is een overgang van rumoer en hoge stenen muren naar relatieve stilte en weids grasland. Dit gebied grenst aan de noordzijde van de Oude Rijn. Voorbij Leiderdorp fiets je over een smal pad zo de Achthovenerpolder in. Na een half rondje bereik je de Lagewaard, nabij de rivier. De bebouwing rukt aan alle kanten op, maar hier ligt het land nog open.

Sinds de verhuizing naar Gelderland bekijk ik mijn voormalige woongebied met de ogen van een toerist.

Op vakantie voor de massa kwam

Als je nu een verre reis maakt, ben je gewoon een van de velen. Kijk maar rond op Schiphol. Overal drukte, lange rijen en gestreste mensen. In dat opzicht was het vroeger beter. In de jaren tachtig landde Qantas hier elke vrijdag. Het was naar Australië wel dertig uur vliegen, inclusief tussenstops. Maar op de luchthaven en in het vliegtuig werd je met alle egards behandeld. Ook als economy passagier. Het toerisme veranderde sterk in de afgelopen eeuw.

Mijn grootouders konden zich geen voorstelling maken van het huidige vliegverkeer. Voor zover ik weet, zagen drie van de vier nooit een ander land. Alleen mijn vaders’ vader fietste als bedevaart vanuit Leiden naar het Duitse Kevelaer. Misschien was dat wel de reis van zijn leven. Verder waren er logeerpartijtjes bij familie. Tot de Tweede Wereldoorlog hadden veel mensen sowieso amper vakantie.

In de jaren vijftig veranderde dat. Een paar ooms droomden van emigratie (maar hun eega’s wilden niet). Met de Nederlandse koopvaardij kwam je als jonge man toch ver. Mensen kregen geleidelijk meer geld. Ze maakten uitstapjes naar de kust en naar de bollenvelden. Of ze boekten een geheel verzorgde busreis. Ik heb een reisbrochure uit 1957 van Eurovisie reisbureau Beuk uit Noordwijk, in een envelop met een postzegel van 2 cent. Geadresseerd aan mijn opa, die het jaar daarop zeventig werd.

Een zesdaags reisje langs de Rijn koste ƒ 85,–. Voor zeven dagen Voralberg en Tirol was je ƒ 165,– kwijt. Wilde je eens een flinke uitspatting maken aan de Franse Rivièra, dan telde je liefst ƒ 346,– neer. Voor dertien dagen, inclusief de busreis heen en weer. Op de zevende dag was er gelegenheid voor kerkbezoek en een wandeling.

Het geheel wordt zeer aanlokkelijk beschreven. ‘In dit reisprogramma zult u beslist een reis naar uw keuze vinden en u zult dus ook zeker een keus naar uw hart kunnen doen. Wij brengen u immers naar en door de Oostenrijkse bergenweelde, Zwitserlands Alpenpracht, Italië’s kleur en fleur, het Zwarte Woud, de Rijnlandse stemming, bekoorlijk Luxemburg, levendig Parijs, de betoverende Rivièra, de Spaanse Costa Brava en zo meer.’ Voor Lourdes, Fatima en Rome had de firma Beuk een speciaal reisaanbod. Volgens de foto’s waren de bestemmingen lieflijke plaatsjes. Moet je nu eens kijken in Lloret de Mar.

Ik troost me met de gedachte dat ik al vroeg naar Australië op vakantie ging. In de jaren tachtig was dat nog redelijk exclusief. Er hing een pittig prijskaartje aan het ticket: ƒ 3.000. Voor mij als beginnend boekhoudstertje was dat drie maanden salaris. In het vliegtuig zaten zakenlui en veel andere passagiers bezochten verwanten. Die hadden ze vaak in geen dertig jaar gezien.

In die mooie jaren kreeg je bij Qantas aan boord een heus gedrukt menu. Neem de etappe Singapore – Melbourne (7 hours) op de route Amsterdam – Sydney:

Dinner. Asparagus Vinagrette. Filet of Beef Provencale. Mille Feuille. Cheese. Coffee or Tea. Continental Breakfast. Tropical Fruit Cocktail. Hot Croissants. Coffee or Tea.’

Ah, vroeger was reizen zoveel beter dan nu.

Toerist in Amsterdam

Op het dakterras van de bibliotheek in Amsterdam vraagt een vrouw mij in het Engels of ik toerist ben. Even twijfel ik wat ik zal zeggen. Ik ben een Nederlandse die in de stad is voor een vergadering. Alleen neem ik nu even foto’s van het panorama-uitzicht. ‘No’, antwoord ik. Dan vraag ze in gebroken Engels of ik weet waar de Dam Tour is. Pardon? De DAM tower. Goh, ik heb werkelijk géén idee. Ben ik toch een toerist dus.

Panorama Amsterdam
Panorama Amsterdam met plafond
Amsterdam gracht in de lente
Amsterdamse gracht in lentelicht