Een kleine beschouwing op de verhuizing

‘Het leven is risico’, zegt ze. ‘De mate waarin je leeft, is afhankelijk van de mate waarin je riskeert.’ (Liftende moeder van Pippa Bacca, Volkskrant magazine 30 mei 2020.)

Waar begin je aan, wanneer je als 52-jarige verhuist naar een plaats 100 kilometer verderop? Vandaag precies vijf jaar geleden verhuisde ik vanuit het centrum van Leiden naar de rand van een dorp bij Arnhem. Talloze malen is mij gevraagd naar de reden. Kende ik daar al mensen, was het voor de liefde, had ik hier al werk?

Zelf had ik vooraf een aantal vage verwachtingen en slechts één concrete. Ik ging hier rust en ruimte vinden in de natuurlijke omgeving. Dat was wat ik in de Randstad steeds meer miste. En zo is het ook gegaan. Ik heb slechts vage verwachtingen van wat de toekomst brengen zal. Leven is namelijk risico nemen, dat weet iedere reiziger.

(Op de foto Ierland, waar ik in 2014 het besluit nam voor deze verhuizing.)

Terugblik op Israël, ruim 30 jaar later

Het is opmerkelijk hoeveel zaken vaag blijven, na herlezing van de brieven en mijn reisverslag. Wel zie ik het volunteershuisje zo weer voor me, evenals het boerenerf, de velden en de woestijn. Ik kan de winterwind voelen onder de strak blauwe hemel. De zonnestralen worden al warm. Ook hoor ik de enorme stilte, af en toe onderbroken door het geluid van een motor, een rammelend hek of de stoffige kuch van een koe.

Ik weet nog in welke richting de velden buiten het dorp lagen. Op de achtergrond was een heuvelrug. En rechts, voorbij de doorgaande weg, waren de wijngaarden. Plus de nabijgelegen bergen van Jordanië. Vele jaren later stond ik erbovenop, ter hoogte van Petra, en zag ik het vertrouwde woestijnlandschap terug. Bijna aanraakbaar, slechts gescheiden door een grens.

Ook herinner ik mij het gehotsebots op de oude tractor. Om bij de akker met tomaten te komen, moest je eerst dwars over een greppel rijden. Die tractor was een vaalrode krachtpatser. Daarmee kon ik vlot door het rulle woestijnzand heen rauzen.

Maar de gezichten zie ik nauwelijks nog voor me. Zwart haar, middelbruine ogen, gebronsde huid. Dat is wat ik nog weet. Een zachtaardige man. Zo anders dan de meesten in dat land. Hoewel die anderen onder hun rauwe imago soms ook een mildere kant verborgen hielden. Je moet daar hard en sterk zijn. Zijn vrouw leek ongelukkig op een boerderij in dat afgelegen dorp. Zouden ze nog bij elkaar zijn? Hun kinderen zijn inmiddels volwassen.

De brieven schreef ik aan familie tijdens een anderhalf jaar durende reis, ruim dertig jaar geleden. Nu lees ik ze terug, hopend op aanvullende details die ik sindsdien ben vergeten.

Het overvalt me hoezeer ik stilsta bij die (tweede) periode in Israël. Gaf het programma van Frans Bromet en Raoul Heertje soms een aanleiding? Zij onderzoeken daarin hun haat-liefde verhouding met dat land. Mijn eigen gevoelens zijn minstens even tegenstrijdig.

Zal er ooit sprake zijn van iets anders dan extremen? De taferelen en de schurende gesprekken in hun documentaire zijn zo herkenbaar. Bovendien is na ‘mijn’ tijd die monsterlijke muur gebouwd. Een splijtzwam, die de bevolkingsgroepen nog verder uiteen drijft. Een open wond in dierbare grond. Ik zou wel terug willen gaan, maar ik kan die muur niet aanzien.

In 1987, aan het begin van mijn eerste verblijf, wist ik nauwelijks iets van Israël af. Ik was 24 jaar oud, wilde op wereldreis gaan, en het liefst de winter doorbrengen in een warm oord. Onderweg ging ik in diverse landen werken, zoals backpackers dat al decennialang doen. Praktische informatie haalde ik uit Work Your Way Around The World van Susan Griffith. En de Bijbel ging naar Israël mee als geschiedenisboek en reisgids.

Israël stond in de jaren zeventig en tachtig qua werk bekend als makkelijke bestemming. Je hoefde maar langs een kantoortje in Tel Aviv te gaan en je had een baan. Bijvoorbeeld in de agrarische sector, kinderopvang of horeca. Veel reizigers waren pas afgestudeerd of ze hadden een tussenjaar. Het idee was om afwisselend een poosje te werken en dan weer wat van de wereld te zien. Op die manier kan je het rondreizen lang volhouden.

Ik had niets met politiek. Wel kwam Israël toen regelmatig in het nieuws. Maar ik had meer interesse in busdiensten naar toeristische trekpleisters, dan dat de Palestijnse kwestie mij aanging. Bovendien moet je daar echt moeite doen om zaken van meerdere kanten te zien. Veel mensen kennen slechts een kant. Als je aan de Joodse kant terecht komt, heb je nauwelijks contact met Palestijnen of Arabieren. En omgekeerd is dat dito eender.

Door mijn besluit belandde ik automatisch aan Joodse zijde. Maar dat bepaalde mijn positie niet, vond ik. Want ik ben zelf Nederlands en van oorsprong katholiek. En ik sloot mij niet af voor Palestijnen. Alleen duurde het maanden voordat ik met zo iemand sprak. Met een representant van ‘de anderen’. Op straat vond ik Arabische mannen wat opdringeriger, terwijl veel Joden zich meer als westerlingen gedroegen. Dat was in mijn beleving het voornaamste verschil.

Heel soms gedurende twee verblijfsperiodes daar, viel mij meer op. Ik schreef erover aan mijn familie.

In een brief over een uitstapje naar Akko. ‘Dat ligt ten noorden van Haifa aan de kust. Er is een oud gedeelte, wat nu een Arabische wijk is. De huizen zijn kris-kras gebouwd op een heuveltje en er zijn veel trapjes en doorkijkjes. Er lopen veel kinderen rond, die blijkbaar (in tegenstelling tot Joodse kinderen) niet naar school gaan. Eromheen, aan het water, is een enorme muur die door kruisvaarders is gebouwd.’ En zo gaat de beschrijving van het pittoreske stadje verder. Die kinderen liepen buiten op een woensdag en bij mijn weten was het geen feestdag.

En over een bezoek aan het oude deel van Jericho, waar ik een Amerikaanse vrouw ontmoette bij de opgravingen: ‘Met die Amerikaanse ben ik langs het refugeekamp naar een paleis van de één of andere sheik gelopen. We liepen langs de hoofdweg en nu tuuterden echt alle automobilisten. Ook Joden en militairen. (…) Terug naar Jerusalem kwamen we weer door het berggebied. Ik zag verschillende Bedouïnen-tentenkampen en schapenkuddes. Eigenlijk wel gek. Die mensen leven nog zowat in het stenen tijdperk terwijl boven hun hoofd militairen in supersonische straaljagers aan het oefenen waren.’

Aansluitend in de volgende alinea:
‘Wat het gevaar van rellen betreft. Dat is maar betrekkelijk. Het zijn meer incidenten en alle onlusten worden razendsnel de kop ingedrukt omdat er óvérál bewaking is. Bijvoorbeeld de toegangen naar de Klaagmuur. Daar staan op verschillende plaatsen minstens vijftig politieagenten en militairen. Iedereen die het terrein wil betreden wordt gefouilleerd.
De afgelopen dagen in Jerusalem zijn er verschillende relletjes geweest op nog geen twee kilometer afstand van mijn herberg, maar ik heb niets gemerkt. Ik heb de Dome of the Rock bezocht (Koepel van de Rots).’
Gevolgd door meer heilige en toeristische bezienswaardigheden. Yad Vashem maakte veel indruk.

Militairen waren inderdaad overal; ze hoorden bij het straatbeeld. Door hun aanwezigheid voelde ik mij veilig. In de woestijn keek niemand van zijn werk op wanneer er achter de heuvelrug militaire oefeningen waren. Dan was er een dof gerommel hoorbaar. Explosies in de verte maken hetzelfde geluid als onweer. Maanden later, toen ik al in Nederland terug was, dacht ik nog steeds bij onweer: ‘Oh, ze zijn zeker aan het oefenen.’ Zozeer was ik eraan gewend geraakt. In retrospectief vraag ik mij af of het wel altijd ‘oefeningen’ waren.

Dat ‘ik heb niets gemerkt’ in die brief was trouwens niet helemaal waar. (Mijn ouders lazen mee, vandaar.) Ik verbleef tijdens de eerste intifada enkele dagen in de christelijke wijk van Jeruzalem. Waar die intifada over ging, was mij globaal wel verteld. De traditionele winkeltjes in de oude binnenstad bleven uit protest gesloten. Dat vond ik jammer. En op een avond zei de Armeense herbergier dat het beter was om binnen te blijven. Achter de hoge muren en de gesloten poortdeur hoorde ik mensen rennen in het naastgelegen steegje.

Het heeft jaren geduurd voordat ik mij realiseerde dat je onmogelijk in zo’n land neutraal kan zijn. Bij iedere handeling maak je feitelijk keuzes tussen partijen. Ook al gebeurt dat onbewust.

Na lezing van de brieven en het reisjournaal haal ik mijn reisfotoboek tevoorschijn. En via internet zoek ik naar de twee plaatsen waarin ik verbleef. Voor het eerst zie ik er luchtfoto’s van. De omgeving rond de dorpjes is wat droger geworden; verder lijkt alles hetzelfde gebleven.

Tegelijk leer ik iets over de ontstaansgeschiedenis van beide plaatsen. De eerste ligt in het noorden en ‘was founded in 1949 by the movement on land that had belonged to the depopulated Arab village.’ Pardon? Dus dat betekent … ?

De tweede plaats ligt in de Negev-woestijn en staat vermeld in het Oude Testament. Tijdens mijn verblijf daar geniet ik vooral van de eenvoudige leefstijl. Even is mijn wereld klein. Ik ervaar er geborgenheid aan het eind van een lange reis op drie continenten. Zo wordt het een uitgelezen moment en plek voor bezinning.

Israël is geen makkelijk land om in te wonen. Iedereen betaalt een hoge prijs en de lontjes zijn kort. Pas nu vallen de passages op over inflatie en geldzorgen bij de gemeenschap in de woestijn. En ongemerkt is er altijd die dreiging. Zelfs op de luchtfoto is van grote afstand de omheining zichtbaar rond het dorp in die afgelegen vallei. De omheining is zes rijen dik en bestaat uit zes parallel geplaatste metalen hekken. Elk hek afzonderlijk is voorzien van meerdere rollen prikkeldraad boven elkaar. Dat was vast niet alleen om ’s nachts de rondzwervende woestijnwolven buiten te houden.

Desondanks voelde ik mij goed thuis in Israël. Het leven is er paradoxaal ook plezierig ongedwongen. Veel mensen zijn pragmatisch ingesteld. Het klimaat is aangenaam. Het openbaar vervoer is goed en je kan overal lekker eten. Daarbij was ik in Israël zeer welkom. (Heeft mijn nationaliteit nog altijd een streepje voor?)

Verder was het prettig en grappig dat ik er onopvallend als een local over straat kon gaan. Werkelijk iedereen dacht dat ik joods was. Qua haarkleur had het gekund, maar verder? Mijn vermeende ‘joodse’ trekken zijn eerder Frans. Wel schept de vluchtgeschiedenis van mijn Hugenoten-voorouders een soort lotsverbondenheid. Dus mogelijk is standvastigheid een gedeelde karaktertrek.

Israël heeft een belangrijke vormende rol gespeeld in mijn leven. Ik ben er mentaal gegroeid en wereldwijzer geworden. Desondanks duidt in 1989 nog weinig op een ontwakend maatschappelijk bewustzijn. Ik benoem dan vooral wensen qua concerten, werkrichting en relaties. Wel schemert er al een verlangen door naar een meer verstilde leefstijl.

Wat Israël betreft, zal ik nooit stelling nemen. Twee partijen menen evenveel recht te hebben op hetzelfde lapje grond. Grond die ook mij zeer dierbaar is. Mede daarom is het hartverscheurend om te zien waar zo’n uitzichtloze patstelling toe leidt.

Vitesse-vlaggen op de Nelson Mandelabrug

Tot mijn vroegste herinneringen aan Arnhem behoort een autorit met mijn zus langs het station, over de Nelson Mandelabrug, naar U2 in het GelreDome. We arriveerden ruimschoots op tijd voor het concert. Daarom liepen we over de brug terug en zaten we een uurtje op een terras bij het water aan de Rijnkade. Dat stukje Arnhem doet mij altijd denken aan Frankrijk. Misschien door de ongedwongen sfeer, de kade en de kasseitjes. De fly-overs dragen ook bij aan dat buitenlandgevoel.

Het heeft wel iets stoers, die fly-overs, zo vlak bij het centrum. Ze bezorgen mij een grote-stadgevoel dat ik niet van andere Nederlandse steden ken. Behalve Rotterdam, natuurlijk. Die stad blijft de uitzondering.

Als automobilist ben je op een fly-over vooral bezig met netjes op de rijbaan blijven tussen de brugleuningen in. Zelf rij ik er alleen als buspassagier overheen. Dan biedt de brug een mooi uitzicht over de stad en de rivier. Maar vaker kijk ik als voetganger vanaf straatniveau tegen het bouwwerk aan. Daar geldt de menselijke maatstaf en die blaast de proporties van al dat beton flink op. Lopend aan de linkerkant over het Nieuwe Plein zie je goed hoe imposant de kronkels van de rijbanen zijn.

Deze locatie heeft iets onwerkelijks. Hier is sprake van meer dan een gewone tegenstelling. Dit betreft een regelrechte clash, een botsing. Want aan de ene kant staan statige oude huizen langs wat ooit een boulevard moet zijn geweest. En aan de andere kant is er het geweld van grove bouwmaterialen en het voortrazende verkeer.

Afgelopen woensdag kwam ik er weer. Donkergrijze regenwolken naderden vanuit het zuidwesten, terwijl de zon de wapperende Vitesse-vlaggen fel bescheen. Ik heb er in de schaduw van een boom recht tegen het licht in foto’s genomen.

Noem mijn huis geen krot

In maart 2016 zien we elkaar voor het eerst weer sinds mijn vertrek. Een goede bekende. Ze wil alles weten over het oude huisje dat ik heb gekocht. Ik vertel over het achterstallige onderhoud, de stroomstoring en de lekkage. Dat werd in die periode allemaal aangepakt tijdens een langdurige renovatie. Sindsdien is er veel gedaan. Dus waarom zei ze dan laatst tegen een medewandelaarster dat ik in een krot woon?

Het was vast een vriendschappelijk plagerijtje; bedoeld als aanzet tot het volgende gespreksonderwerp. Of kwam het door haar gemoedstoestand? Een afwijzing van haar werk heeft geleid tot veel onzekerheid. Moet ik nu stilstaan bij beweegredenen en gevoeligheden? Bij de ragfijne lijntjes die vrouwen onderling en met andere wederzijdse kennissen verbinden? Zijzelf heeft mijn huis nooit gezien.

Mijn huis is geen krot. Mijn huis is mooier, beter, groter en confortabeler dan dat van zeker zes miljard andere wereldbewoners. En niemand heeft zo’n bijzonder toiletstalletje als ik. Trouwens, genoeg krotbewoners zijn met reden trots op hun woning. Zij maken daar namelijk ook het beste en wat moois van. Dat heb ik in meerdere sloppenwijken gezien.

In sloppenwijken regelen bewoners zelf schoon drinkwater, elektriciteit, schooltjes en medische voorzieningen. Met hulp, dat wel. En zij verfraaien hun huisjes evengoed met kleurrijke kalenderplaten en fleurige gordijnen. Ze hebben daar winkels, mobiele telefoons, videobioscopen en tv. Alsof sloppenwijkbewoners in steden allemaal zo armzalig zijn. Veel van hen bezitten nog een tweede huis op het platteland, waar ze vandaan komen en waar hun verwanten wonen.

Ik bewoon een arbeidershuisje in een villadorp. Misschien doet de vergelijking iets met de beeldvorming.

Aan de slag voor het straatfeest

Onze straat is jarig en dat gaat worden gevierd. In een oproepje vragen twee buurtbewoners wat iedereen van hun voorstel vindt. Ik reageer per e-mail en raak zo onverwachts in de feestcommissie verzeild. (Nou vooruit, waarom ook niet.) Dit is tenslotte een mooie gelegenheid om mijn straatgenoten beter te leren kennen. Toch ga ik schoorvoetend naar de eerste vergadering.

Het is altijd afwachten hoe zo’n bijeenkomst verloopt. Idealiter tref je professionele en creatieve enthousiastelingen met een doe-mentaliteit. Daarmee kan je alles van de grond krijgen. Maar in mijn vorige buurt waren het steeds dezelfde mensen die het meeste werk moesten doen.

Nu zijn de voortekenen gunstig. We beginnen met ideeën verzamelen voor de viering. Alle aanwezigen reageren positief op suggesties en moedigen elkaar zo aan. Daarna verdelen we alvast wat taken om opties te verkennen. Hierbij wordt gelijk helder welke rollen ieder van ons wil vervullen. We hebben onder meer een initiator, een paar uitvoerders en een regelaar. Dit samenwerkingsverband is pril. Daarom ik neem in eerste instantie een afwachtende houding aan.

Eigenlijk is het best leuk, deze vergadering. Dit doet denken aan situaties uit mijn vroegere carrière, maar dan zonder werkdruk of gedoe. Die carrière stokte vier jaar geleden, waarna ik nog drie maanden heb gewerkt.

Vandaag heb ik mijn ‘taak’ uitgevoerd en we hebben meer te doen: feestprogramma invullen, contacten leggen, foto-research, interviews houden, verhalen opschrijven, pr verzorgen, expositie samenstellen en opening regelen, enzovoort. Er is genoeg voor iedereen. Dus op naar de volgende vergadering. Dan kan ik weer mijn slag slaan bij de taakverdeling.

Als in een Amerikaans shopping center

Ze zitten aan de overkant van het gangpad, in de bus vanaf station Westervoort. Zij is een donkere vrouw met Mickey Mouse knotjes in haar haar en hij is een jonge man. De vorm van zijn blanke gezicht verraadt sporen van vermenging, maar ik kan hem niet direct thuisbrengen. Ze spreken Engels met elkaar. Zijn Engels klinkt Amerikaans. De bus rijdt naar Duiven Centerpoort Noord; zo’n bedrijventerrein annex meubelboulevard.

Ze zijn op weg naar IKEA en ik moet er uit bij dezelfde bushalte. Dit is een handig bedrijventerrein. Mijn keuken en diverse woonaccessoires komen hier vandaan. Vandaag ga ik naar een beddenzaak toe. Vermoedelijk verdwijnt het laatste aardappelveld tussen Westervoort en Centerpoort Noord spoedig onder een nieuw gebouw.

Eigenlijk is de route saai. Maar dan draait de bus naast Intersport het terrein op. Daar waar de Gouden Bogen van McDonalds overal bovenuit torenen en de grote bedrijfsgebouwen vol in zicht komen. De jonge man raakt helemaal opgewonden. ‘This place looks like an American shopping center!’, exclameert hij verrukt. Hij begint nog net niet te stuiteren wanneer IKEA recht voor ons opdoemt.

Ach, hoe aandoenlijk. Zou hij veel heimwee hebben? Want laten we wel wezen. Deze bedrijfspanden en parkeerterreinen zijn toch miniversies van wat je aantreft in Amerika. Geluk schuilt in kleine dingen, ook al gaat het om megavestigingen op een bedrijventerrein.

Iedereen vindt hier wat herkenbaars. Ondanks heimwee kan je je prima thuis voelen in dit kikkerland. Al is het maar voor even. Ook ik haal reisherinneringen op in shopping malls bij Starbucks en McDonalds.

Lijst van logjes met toepasselijke muziek

December. Buiten is het nat en donker; thuis is het warm en licht. Ik verkeer nu graag in mijn eigen wereld en luister veel naar muziek. Deze maand blikt menigeen terug op werk, relaties, ingrijpende gebeurtenissen en veranderingen. Kortom: op het eigen leven. Ik doe nu iets vergelijkbaars op Raam Open met een vervolg op Muziek voor bij het log. Dat bericht stamt uit februari 2018. Mijn plan was toen om logjes vaker te voorzien van passende muziek. Oordeel zelf maar of dat is gelukt.