Een puntgaaf chilipepertje

Hij ligt buiten op het lage muurtje, naast de winkelwagens van de super-markt. Een rode chilipeper met een groene stengel. Hij is puntgaaf en vast door iemand vergeten. Of misschien gevallen bij het boodschappen overhevelen. Tegen het ruwe grijs van de betonnen muur steekt hij prachtig rood glanzend af. Er hangt geen naamlabel aan, dus stop ik hem in mijn tas.

Ik doe een mondkapje op, pak een wagentje, ontsmet mijn handen en ga naar binnen. Het is een filiaal van Albert Heijn. Melk, vlees, groenten, iets voor bij de koffie, brood, etc. Bij de zelfscankassa reken ik af. Vervolgens open ik het poortje met de barcode op de uitgeprinte kassabon. Even stop ik bij het prikbord en kijk daar rustig rond. De aankondiging van de foto-expositie hangt er nog. Daarna wandel ik naar buiten.

Pas thuis, wanneer ik alles opruim en het pepertje weer opduikt, besef ik waaraan ik ben ontkomen.

Spagaat tussen foto-expositie en 3 oktober

Maandag, drie dagen voor de opening van de foto-expositie, is er een persconferentie. Aanscherping coronamaatregelen. En Leiden was al code-roodgebied. Het één staat los van het ander. Ware het niet dat ons straatfeest hier was gepland op 4 oktober, vanwege dat andere feest op 3 oktober.

Dinsdag, we mogen na 18.00 uur niet meer samenkomen voor de vergadering. Maar het straatfeest is plotseling einde verhaal, dus we moeten wel. En zo worden ineens alle ogen op mij gericht. Want wat bijzaak was, de foto-expositie, vormt nu ineens het hoofdprogramma.

Woensdag, inrichting expositie. Na een half slapeloze nacht bel ik zo vroeg als dat kan een buurvrouw. Of ze stante pede een grote, sterke man mee wil brengen. Dat was ik gisteren nog vergeten te vragen. Ze krijgt het voor elkaar. De collages worden in de auto geladen en ik ga ze te voet achterna.

Donderdag, de opening van de expositie, zonder officiële ceremonie. Het is heel raar. Bijna geen mens kijkt er naar, alle aankondigingen ten spijt. Toch: het bezoek komt later wel. Veel bewoners zijn afwachtend, maar mond-tot-mondreclame doet straks zijn werk.

En er valt mij iets op. Ik merk het aan de reacties van de bibliotheek-medewerkers. Ze zijn opgelucht. Het ziet er allemaal zeer professioneel uit, terwijl onze straat als een arbeidersbuurt bekend staat. (Dat was mij bij aankoop van dit huis niet bekend. Vergeleken bij Leidse arbeidersbuurten vroeger, ziet het er hier nogal idyllisch uit.)

Ineens zie ik onze foto-expositie door sociaal-culturele ogen. Sommige collages zouden zo in een documentaire kunnen over een ‘prachtwijk’ en zijn bewoners. Vooral die van de grootschalige verbouwing doet het vast goed bij een elitair publiek. Daarop zie je hoe de buitenste muren waren weggebroken, terwijl de mensen nog in hun huizen woonden. Buiten was het een ravage; binnen zag je de ruchesvitrage en geraniums voor de ramen.

Het is waar, dit is van oorsprong een arbeidersstraat. Maar de gentrificatie heeft al lang toegeslagen. Ik woon in een gemengde buurt met mensen uit alle bevolkingslagen. Een deel van de bewoners spreekt de taal van de straat en ik spreek de taal van wie er tegenover mij staat. Waaronder die van de ‘culturele elite’. Misschien dat men daarom in allereerste instantie wat anders had verwacht. Toch is het zoals de bibliothecaresse opmerkte: ‘Mijn dochter in Utrecht zou nu een moord doen voor jullie woningen.’

Toegegeven, deze foto-expositie is voor mij nogal een prestigekwestie. Ze mogen in dit villadorp best eens zien wat wij kunnen neerzetten dankzij goede samenwerking. En dan is er nog mijn beroepseer. Maar vooral voel ik de trots van de bewoners en hoe ik in hun midden wordt opgenomen.

Vrijdag. De complimenten stromen binnen. Het oogsten is begonnen.
(Normaal gesproken zou om deze tijd de Taptoe door de stad heen komen.)

Morgen ga ik naar de foto-expositie. Morgen is het in code-roodgebied 3 oktober.

Voorbereiding herdenking Operatie Market Garden

Het is 18 september 2020 en de tijd begint te dringen. De expositie is vrijwel klaar, maar ik heb nog één collage te gaan. Deze collage is extra en zal geheel over de stellingen of loopgraven gaan. Er is genoeg fotomateriaal uit de Tweede Wereldoorlog. Maar ik heb nu snel aanvullende informatie nodig, want de oudere bewoners bewaren hier geen herinneringen aan.

Ik probeer mij voor te stellen wat er vroeger in onze straat is gebeurd en wie daarover meer kan vertellen. Hier vlakbij zijn ook voorbereidingen aan de gang. Bij de Airborne begraafplaats is het vanwege de komende herdenking van Operatie Market Garden een drukte van belang.

Gemeentewerkers zetten alvast hekken neer bij toegangswegen. Takken worden gesnoeid en perkjes nog gauw even aangeharkt. En er rijden allerlei functionarissen rond in auto’s met buitenlandse nummerborden.

Voor de collage over de stellingen of loopgraven maak ik een fotoreportage. Als leidraad staat de scherpste luchtfoto op mijn mobiele telefoon. Daarmee volg ik wandelend vanaf onze straat de oude zigzaglijnen naar het noorden toe. Het wordt een beeldverslag van exact dezelfde locaties in 1944/’45 en in 2020. Vanzelf kom ik langs de begraafplaats, want die is bovenop de zigzaglijnen aangelegd.

Het is lastig foto’s nemen zo, met al die mensen en dat gekrioel. En er staat ook nog een legertent op een veldje dat ik moet fotograferen. Tien meter daarvandaan zitten mensen om een tafel heen. Sommigen van hen zijn in burger en anderen dragen legerkleding.

Zouden zij weten …? Zal ik …? Dit is wellicht een kans die ik niet mag laten gaan.

Vanaf het naastgelegen bomenlaantje betreed ik het veld waarop de tafel en de legertent staan. Direct voelt het ongemakkelijk aan. Alsof ik privéterrein betreedt en over een onzichtbare lijn ben gestapt. Een lijn waaraan een bordje hangt met het opschrift ‘Private property. Trespassing forbidden’. En het duurt lang voordat ik bij het groepje ben.

Scenario 1.

Wanneer ik dichtbij kom, kijken twee mensen kort op. Zonder verder mijn aanwezigheid te erkennen, praten ze door. Vergadering. Ik vang iets op over ‘tv’. Twijfelend sta ik een paar seconden stil en keer daarna weer om.

Scenario 2.

Wanneer ik dichtbij kom, kijken twee mensen kort op. Eén van hen vraagt: ‘Can I help you?’ Het is een Engelsman in uniform en ik toon hem de foto op mijn mobiele telefoon.

Daarop ziet hij in zwart/wit exact de locatie waar hij nu zit. Maar dan zoals het ruim 75 jaar geleden was, met stellingen of loopgraven. Ze houden net pauze en hij nodigt mij uit om bij hen aan te schuiven. Nieuwsgierig vragen ze hoe ik aan die foto kom. Maar helaas kunnen zij mij weinig over vroeger vertellen.

Scenario 3.

Wanneer ik dichtbij kom, kijken twee mensen kort op. Eén van hen vraagt: ‘Can I help you?’ Het is een Engelsman in uniform en ik toon hem de foto op mijn mobiele telefoon.

Daarop ziet hij in zwart/wit exact de locatie waar hij nu zit. Maar dan zoals het ruim 75 jaar geleden was, met de stellingen of loopgraven. Ze houden net pauze en hij nodigt mij uit om even aan te schuiven. Nieuwsgierig vragen ze hoe ik aan die foto kom.

Ik vertel dat ik binnenkort een historische foto-expositie organiseer, en deze foto heb gevonden in het archief. Kennen zij het verhaal achter die zigzaglijnen? Nou, zijzelf niet precies. Maar sinds kort onderhouden ze contact met een jonge Duitse archivaris, die gespecialiseerd is in militaire geschiedenis. En hij zou hier wel eens meer over kunnen vertellen.

Je hebt maar één leven

Franca Treur schrijft over ploeterende mensen in het tv-programma ‘Ik vertrek’: ‘Ook zij weten dat ze maar één leven hebben. Die mensen moeten precies daarmee dealen: de rommel die het werd in plaats van het gedroomde plaatje. Wordt het doorgaan of opgeven?’ De meesten van ons pakken het minder groots aan. Maar vroeg of laat komen we allemaal in het leven voor ingrijpende keuzes te staan.

Misschien schuilt er voor de kijkers een soort troost in het programma. Want ik denk dat we allemaal weleens een kans laten liggen. Daar hebben we op zo’n moment goede redenen voor. Maar ja, maar toch. Soms laat een droombeeld je niet los. Dan blijft het decennialang terugkeren. Blijf je dan wachten totdat het te laat is? Of werk je stapsgewijs toe naar de verwezenlijking ervan? Het kan lastig zijn om te beginnen, wanneer succes mede afhangt van anderen en onzekere factoren.

Mijn droombeeld en ik zijn al samen sinds 1986. Ik was in de twintig toen het ontstond. Nu zijn we 34 jaar verder en is de wereld sterk veranderd. In al die jaren groeide het droombeeld mee met mijn wensen. Het werd een vertrouwd element in mijn leven, waarvan de kern ongemoeid is gebleven. En het is altijd sluimerend aanwezig. Een half woord, een geur, een beeld of een gedachtenflits brengt mijn droom gelijk weer helemaal terug.

Dus zat ik laatst te denken: Als je nu 57 bent, hoeveel ‘goede jaren’ krijg je dan gemiddeld nog?

(Citaat: Franca Treur in Trouw, Zomertijd, zomercolumn Perfectie, 25 juli 2020.)

Doet AH aan profiling?

Bij de zelfscankassa van Albert Heijn is het voor de vijfde keer raak sinds corona uitbrak. Op het display verschijnt een melding dat ik moet wachten op een medewerker. Kort daarna staat er iemand naast mij: tassencontrole. Er is niets aan de hand, maar ik voel mij ongemakkelijk. Want hoe komt het dat ik er zo vaak wordt uitgepikt?

‘Ik’ is hier misschien te persoonlijk opgevat. Het is logisch dat er af en toe controles zijn. Waarschijnlijk verschijnen die meldingen willekeurig om de zoveel klanten en dan is deze frequentie gewoon toeval. Alleen … is dat wel zo?

Bij de tweede keer vertel ik de medewerkster dat het opmerkelijk wordt. Het is een vaste medewerkster, afkomstig uit Oost-Europa. Volgens haar ligt het ‘aan het systeem’. Oei. Zo’n standaardreden, uit de mond van iemand uit een voormalige communistische regio. Daar krijg ik acuut onaangename associaties bij.

Bovendien bestaat er niet zoiets als een neutraal systeem. Achter elk systeem gaan algoritmes schuil die door mensen van vlees en bloed ontwikkeld zijn. Dus welke criteria zijn er van hogerhand ingevoerd? Zij wijst op het toeval van een selectie ‘at random’.

Bij de derde keer vertelt een andere medewerkster dat het kan liggen aan mijn bonuskaart. Heb ik daar iets aan gekoppeld? Jawel, een Air Miles kaart. Zij raadt aan om een nieuwe bonuskaart te gebruiken, omdat er soms problemen zijn wanneer er airmiles gekoppeld zijn. Hier wacht ik nog even mee. Thuis check ik eerst wat Albert Heijn weet over mij. Voornaam, e-mailadres en woonadres. Dat is alles wat mijn klant‘profiel’ op internet laat zien.

Bij de vierde keer ben ik het zat en doe ik mijn beklag bij de servicebalie. Een medewerkster geeft mij het telefoonnummer van de filiaalmanager. Wanneer ik hem bel, weet hij niet hoe snel hij mij moet doorverbinden met een kassamedewerker. Deze medewerker vertelt na enig aandringen dat iemand vaker kan worden geselecteerd in geval van een eerdere ‘foutieve controle’. Hm, nu wordt het interessant. Ik heb nooit een ‘foutieve controle’ gehad. Bij mijn weten, althans.

Volgens diverse winkelmedewerkers kunnen zij niets doen om het probleem te verhelpen. Daarvoor moet ik contact opnemen met de klantenservice van Albert Heijn. Ik vraag aan enkele kennissen of zij regelmatig controle krijgen. Dat blijkt niet het geval. Enkele dagen verstrijken en prompt krijg ik bij het eerstvolgende winkelbezoek wéér controle!

Na die vijfde keer bel ik alsnog met de klantenservice van Albert Heijn. De medewerkster hoort mij aan en wijst eveneens op de willekeur van het systeem. Volgens haar kan niemand in de winkel via mijn bonuskaart mijn gegevens zien. En de zelfscankassa kan dat evenmin.

Nu is er één probleem: dit geloof ik niet meer. Ik denk dat Albert Heijn aan ‘profiling’ doet en mijn straat te min vindt. Zo ver is het nu dus al gekomen.

Of zou het toch aan die gekoppelde Air Miles kaart liggen? (Maar als dat een algemeen bekend probleem is, waarom lossen ze het dan niet op? En waarom krijg ik regelmatig de standaardvraag of ik airmiles wil verzilveren, waarna ik op ‘Ja’ klik en dan lees dat er onvoldoende saldo is? Volgens de kassamedewerker is dat ‘normaal’ in het systeem. Hier kunnen de winkelmedewerkers ook niets aan veranderen.)

Of zou ik te veel ‘ongebruikelijke’ bewegingen maken bij de zelfscankassa? Zoals: een lege tas uit een lege tas halen. Of: de bonuskaart uit mijn portemonnee vissen en daarna diezelfde portemonnee in mijn jaszak stoppen. Of, nog gekker: met een struikje broccoli naar de weegschaal lopen voor een prijskaartje met een streepjescode. Camera’s registreren tenslotte alles. Hoeveel ‘unauthorised movements’ zou je mogen maken bij de zelfscankassa voordat je als ‘suspect object’ wordt aangemerkt?

Echt, na vijf meldingen ga je de raarste dingen verzinnen. Maar ik heb inmiddels wel van de klantenservice begrepen dat de winkelmanager de ‘strengheid’ van het controlesysteem zelf kan instellen.

Een kleine beschouwing op de verhuizing

‘Het leven is risico’, zegt ze. ‘De mate waarin je leeft, is afhankelijk van de mate waarin je riskeert.’ (Liftende moeder van Pippa Bacca, Volkskrant magazine 30 mei 2020.)

Waar begin je aan, wanneer je als 52-jarige verhuist naar een plaats 100 kilometer verderop? Vandaag precies vijf jaar geleden verhuisde ik vanuit het centrum van Leiden naar de rand van een dorp bij Arnhem. Talloze malen is mij gevraagd naar de reden. Kende ik daar al mensen, was het voor de liefde, had ik hier al werk?

Zelf had ik vooraf een aantal vage verwachtingen en slechts één concrete. Ik ging hier rust en ruimte vinden in de natuurlijke omgeving. Dat was wat ik in de Randstad steeds meer miste. En zo is het ook gegaan. Ik heb slechts vage verwachtingen van wat de toekomst brengen zal. Leven is namelijk risico nemen, dat weet iedere reiziger.

(Op de foto Ierland, waar ik in 2014 het besluit nam voor deze verhuizing.)

Terugblik op Israël, ruim 30 jaar later

Het is opmerkelijk hoeveel zaken vaag blijven, na herlezing van de brieven en mijn reisverslag. Wel zie ik het volunteershuisje zo weer voor me, evenals het boerenerf, de velden en de woestijn. Ik kan de winterwind voelen onder de strak blauwe hemel. De zonnestralen worden al warm. Ook hoor ik de enorme stilte, af en toe onderbroken door het geluid van een motor, een rammelend hek of de stoffige kuch van een koe.

Ik weet nog in welke richting de velden buiten het dorp lagen. Op de achtergrond was een heuvelrug. En rechts, voorbij de doorgaande weg, waren de wijngaarden. Plus de nabijgelegen bergen van Jordanië. Vele jaren later stond ik erbovenop, ter hoogte van Petra, en zag ik het vertrouwde woestijnlandschap terug. Bijna aanraakbaar, slechts gescheiden door een grens.

Ook herinner ik mij het gehotsebots op de oude tractor. Om bij de akker met tomaten te komen, moest je eerst dwars over een greppel rijden. Die tractor was een vaalrode krachtpatser. Daarmee kon ik vlot door het rulle woestijnzand heen rauzen.

Maar de gezichten zie ik nauwelijks nog voor me. Zwart haar, middelbruine ogen, gebronsde huid. Dat is wat ik nog weet. Een zachtaardige man. Zo anders dan de meesten in dat land. Hoewel die anderen onder hun rauwe imago soms ook een mildere kant verborgen hielden. Je moet daar hard en sterk zijn. Zijn vrouw leek ongelukkig op een boerderij in dat afgelegen dorp. Zouden ze nog bij elkaar zijn? Hun kinderen zijn inmiddels volwassen.

De brieven schreef ik aan familie tijdens een anderhalf jaar durende reis, ruim dertig jaar geleden. Nu lees ik ze terug, hopend op aanvullende details die ik sindsdien ben vergeten.

Het overvalt me hoezeer ik stilsta bij die (tweede) periode in Israël. Gaf het programma van Frans Bromet en Raoul Heertje soms een aanleiding? Zij onderzoeken daarin hun haat-liefde verhouding met dat land. Mijn eigen gevoelens zijn minstens even tegenstrijdig.

Zal er ooit sprake zijn van iets anders dan extremen? De taferelen en de schurende gesprekken in hun documentaire zijn zo herkenbaar. Bovendien is na ‘mijn’ tijd die monsterlijke muur gebouwd. Een splijtzwam, die de bevolkingsgroepen nog verder uiteen drijft. Een open wond in dierbare grond. Ik zou wel terug willen gaan, maar ik kan die muur niet aanzien.

In 1987, aan het begin van mijn eerste verblijf, wist ik nauwelijks iets van Israël af. Ik was 24 jaar oud, wilde op wereldreis gaan, en het liefst de winter doorbrengen in een warm oord. Onderweg ging ik in diverse landen werken, zoals backpackers dat al decennialang doen. Praktische informatie haalde ik uit Work Your Way Around The World van Susan Griffith. En de Bijbel ging naar Israël mee als geschiedenisboek en reisgids.

Israël stond in de jaren zeventig en tachtig qua werk bekend als makkelijke bestemming. Je hoefde maar langs een kantoortje in Tel Aviv te gaan en je had een baan. Bijvoorbeeld in de agrarische sector, kinderopvang of horeca. Veel reizigers waren pas afgestudeerd of ze hadden een tussenjaar. Het idee was om afwisselend een poosje te werken en dan weer wat van de wereld te zien. Op die manier kan je het rondreizen lang volhouden.

Ik had niets met politiek. Wel kwam Israël toen regelmatig in het nieuws. Maar ik had meer interesse in busdiensten naar toeristische trekpleisters, dan dat de Palestijnse kwestie mij aanging. Bovendien moet je daar echt moeite doen om zaken van meerdere kanten te zien. Veel mensen kennen slechts een kant. Als je aan de Joodse kant terecht komt, heb je nauwelijks contact met Palestijnen of Arabieren. En omgekeerd is dat dito eender.

Door mijn besluit belandde ik automatisch aan Joodse zijde. Maar dat bepaalde mijn positie niet, vond ik. Want ik ben zelf Nederlands en van oorsprong katholiek. En ik sloot mij niet af voor Palestijnen. Alleen duurde het maanden voordat ik met zo iemand sprak. Met een representant van ‘de anderen’. Op straat vond ik Arabische mannen wat opdringeriger, terwijl veel Joden zich meer als westerlingen gedroegen. Dat was in mijn beleving het voornaamste verschil.

Heel soms gedurende twee verblijfsperiodes daar, viel mij meer op. Ik schreef erover aan mijn familie.

In een brief over een uitstapje naar Akko. ‘Dat ligt ten noorden van Haifa aan de kust. Er is een oud gedeelte, wat nu een Arabische wijk is. De huizen zijn kris-kras gebouwd op een heuveltje en er zijn veel trapjes en doorkijkjes. Er lopen veel kinderen rond, die blijkbaar (in tegenstelling tot Joodse kinderen) niet naar school gaan. Eromheen, aan het water, is een enorme muur die door kruisvaarders is gebouwd.’ En zo gaat de beschrijving van het pittoreske stadje verder. Die kinderen liepen buiten op een woensdag en bij mijn weten was het geen feestdag.

En over een bezoek aan het oude deel van Jericho, waar ik een Amerikaanse vrouw ontmoette bij de opgravingen: ‘Met die Amerikaanse ben ik langs het refugeekamp naar een paleis van de één of andere sheik gelopen. We liepen langs de hoofdweg en nu tuuterden echt alle automobilisten. Ook Joden en militairen. (…) Terug naar Jerusalem kwamen we weer door het berggebied. Ik zag verschillende Bedouïnen-tentenkampen en schapenkuddes. Eigenlijk wel gek. Die mensen leven nog zowat in het stenen tijdperk terwijl boven hun hoofd militairen in supersonische straaljagers aan het oefenen waren.’

Aansluitend in de volgende alinea:
‘Wat het gevaar van rellen betreft. Dat is maar betrekkelijk. Het zijn meer incidenten en alle onlusten worden razendsnel de kop ingedrukt omdat er óvérál bewaking is. Bijvoorbeeld de toegangen naar de Klaagmuur. Daar staan op verschillende plaatsen minstens vijftig politieagenten en militairen. Iedereen die het terrein wil betreden wordt gefouilleerd.
De afgelopen dagen in Jerusalem zijn er verschillende relletjes geweest op nog geen twee kilometer afstand van mijn herberg, maar ik heb niets gemerkt. Ik heb de Dome of the Rock bezocht (Koepel van de Rots).’
Gevolgd door meer heilige en toeristische bezienswaardigheden. Yad Vashem maakte veel indruk.

Militairen waren inderdaad overal; ze hoorden bij het straatbeeld. Door hun aanwezigheid voelde ik mij veilig. In de woestijn keek niemand van zijn werk op wanneer er achter de heuvelrug militaire oefeningen waren. Dan was er een dof gerommel hoorbaar. Explosies in de verte maken hetzelfde geluid als onweer. Maanden later, toen ik al in Nederland terug was, dacht ik nog steeds bij onweer: ‘Oh, ze zijn zeker aan het oefenen.’ Zozeer was ik eraan gewend geraakt. In retrospectief vraag ik mij af of het wel altijd ‘oefeningen’ waren.

Dat ‘ik heb niets gemerkt’ in die brief was trouwens niet helemaal waar. (Mijn ouders lazen mee, vandaar.) Ik verbleef tijdens de eerste intifada enkele dagen in de christelijke wijk van Jeruzalem. Waar die intifada over ging, was mij globaal wel verteld. De traditionele winkeltjes in de oude binnenstad bleven uit protest gesloten. Dat vond ik jammer. En op een avond zei de Armeense herbergier dat het beter was om binnen te blijven. Achter de hoge muren en de gesloten poortdeur hoorde ik mensen rennen in het naastgelegen steegje.

Het heeft jaren geduurd voordat ik mij realiseerde dat je onmogelijk in zo’n land neutraal kan zijn. Bij iedere handeling maak je feitelijk keuzes tussen partijen. Ook al gebeurt dat onbewust.

Na lezing van de brieven en het reisjournaal haal ik mijn reisfotoboek tevoorschijn. En via internet zoek ik naar de twee plaatsen waarin ik verbleef. Voor het eerst zie ik er luchtfoto’s van. De omgeving rond de dorpjes is wat droger geworden; verder lijkt alles hetzelfde gebleven.

Tegelijk leer ik iets over de ontstaansgeschiedenis van beide plaatsen. De eerste ligt in het noorden en ‘was founded in 1949 by the movement on land that had belonged to the depopulated Arab village.’ Pardon? Dus dat betekent … ?

De tweede plaats ligt in de Negev-woestijn en staat vermeld in het Oude Testament. Tijdens mijn verblijf daar geniet ik vooral van de eenvoudige leefstijl. Even is mijn wereld klein. Ik ervaar er geborgenheid aan het eind van een lange reis op drie continenten. Zo wordt het een uitgelezen moment en plek voor bezinning.

Israël is geen makkelijk land om in te wonen. Iedereen betaalt een hoge prijs en de lontjes zijn kort. Pas nu vallen de passages op over inflatie en geldzorgen bij de gemeenschap in de woestijn. En ongemerkt is er altijd die dreiging. Zelfs op de luchtfoto is van grote afstand de omheining zichtbaar rond het dorp in die afgelegen vallei. De omheining is zes rijen dik en bestaat uit zes parallel geplaatste metalen hekken. Elk hek afzonderlijk is voorzien van meerdere rollen prikkeldraad boven elkaar. Dat was vast niet alleen om ’s nachts de rondzwervende woestijnwolven buiten te houden.

Desondanks voelde ik mij goed thuis in Israël. Het leven is er paradoxaal ook plezierig ongedwongen. Veel mensen zijn pragmatisch ingesteld. Het klimaat is aangenaam. Het openbaar vervoer is goed en je kan overal lekker eten. Daarbij was ik in Israël zeer welkom. (Heeft mijn nationaliteit nog altijd een streepje voor?)

Verder was het prettig en grappig dat ik er onopvallend als een local over straat kon gaan. Werkelijk iedereen dacht dat ik joods was. Qua haarkleur had het gekund, maar verder? Mijn vermeende ‘joodse’ trekken zijn eerder Frans. Wel schept de vluchtgeschiedenis van mijn Hugenoten-voorouders een soort lotsverbondenheid. Dus mogelijk is standvastigheid een gedeelde karaktertrek.

Israël heeft een belangrijke vormende rol gespeeld in mijn leven. Ik ben er mentaal gegroeid en wereldwijzer geworden. Desondanks duidt in 1989 nog weinig op een ontwakend maatschappelijk bewustzijn. Ik benoem dan vooral wensen qua concerten, werkrichting en relaties. Wel schemert er al een verlangen door naar een meer verstilde leefstijl.

Wat Israël betreft, zal ik nooit stelling nemen. Twee partijen menen evenveel recht te hebben op hetzelfde lapje grond. Grond die ook mij zeer dierbaar is. Mede daarom is het hartverscheurend om te zien waar zo’n uitzichtloze patstelling toe leidt.