Onderweg naar de tandarts

Het regent en ik moet extra vroeg op vanwege een tandartsafspraak.
Reden genoeg voor een baaldag. Maar dat is buiten de route gerekend. Want hoeveel mensen kunnen naar de tandarts via een Lange Afstand Wandelpad? Er loopt bovendien een Streekpad langs de praktijk. Dus mag ik kiezen. Wordt het deze keer het Veluwe Zwerfpad, of het Maarten van Rossumpad?

Uhm, … nou, … weet je wat? Doe ze allebei maar!

De watermolen.

Het pad in het Sonsbeek park.

Langs een vijver met uitzicht op de stadsrand.

En een stukje van de Burgemeesterswijk.

Het Arnhemse park Sonsbeek is een ideaal beginpunt voor uitstapjes. Vandaar dat hier altijd twijfel ontstaat. Want is dit nu een wandeldag, of ben ik op weg naar de tandarts?

Tandartscontrole in coronatijd?

Rond het middaguur gaat de telefoon. De tandarts aan de lijn in hoogsteigen persoon. Ze mag vandaag haar praktijk weer opstarten. Vorige week werd mijn afspraak voor de halfjaarlijkse controle afgezegd. Nu belt ze om een nieuwe afspraak te maken. Dat zij zelf daarover belt, verbaast mij wel. Er werkt toch ook een assistente? Begin volgende week kan ik al terecht.

Maar de twijfel slaat toe zodra ik de telefoon weg leg. Waar ben je nu mee bezig?, denk ik. Welk risico neem je voor een reguliere controle? Kapperszaken moeten nog gesloten blijven en deze controle is niet eens urgent. Waarna ik terugbel, alsnog de assistente aan de lijn krijg, en de zojuist gemaakte afspraak weer afzeg.

De assistente wijst op de mogelijkheid om digitaal een nieuwe afspraak te maken, zodra ik mij bedenk. Kennelijk vindt ze mijn annulering spijtig, omdat de praktijk voldoende veiligheidsmaatregelen treft. Maar ik moet ook met openbaar vervoer reizen en ze heeft begrip voor mijn besluit. Dat zal best. Vermoedelijk zijn ze samen al de hele ochtend bezig om mensen te bellen.

Ik herinner mij een vorige behandeling, waarbij de tandarts halverwege werd weggeroepen naar een andere patiënt. Kort daarna betrad ze weer de behandelkamer. Ze had haar blauwe latex handschoenen al aan. Of droeg ze die nog steeds? Het bleef onduidelijk, want ik schroomde om haar dit te vragen. Maar zo’n beeld raak ik niet kwijt.

Lobbyisten van tandartsverenigingen weten waarschijnlijk beter de weg dan die van kappers en tatoeageartiesten.

Wat zou jij doen in deze coronatijd, als je geen urgente reden hebt voor een bezoek aan de tandarts?

Een heel weekend lang kiespijn

Heb je Tom Hanks in de film Cast Away bezig gezien met zijn rotte kies? Dan weet je dat je niet moet doorlopen met kiespijn. Maar net zoals hij, geef ik daar geen prioriteit aan wanneer ik een zeurende pijn voel. De pijn verdwijnt af en toe weer, dus misschien valt het mee. Tot donderdagavond lukt het om mezelf dit wijs te maken. Dan bijt ik in een stuk chocola. Een scherpe pijnscheut trekt – letterlijk – door het merg en been van een kies en mijn kaak heen. Na flink spoelen gaat het een beetje beter.

Ik wil geen kiespijn. Het komt nu niet goed uit. De klusser is net weer begonnen en ik wil dat hij door kan gaan. Daarom geef ik er geen prioriteit aan, hoewel het weekend voor de deur staat. Maar als het misgaat, verrek ik straks het hele weekend lang van de pijn. Toch laat ik het er bij. Even voor alle duidelijkheid: ik ben niet de enige die zulke stomme beslissingen neemt. Tom Hanks deed dat ook.

Het betreft de achterste kies linksonder. Daarop zit een kroon. Vier maanden geleden werd de verstandskies ernaast getrokken. Dat was nogal een drama, dus alle mogelijke oorzaken spoken door mijn hoofd: kaakontsteking, wortelinfectie, rotte kies, zenuwpijn, beschadigd tandvlees, een breuk, etc.

In het weekend slik ik meer pijnstillers dan ooit. Vooral ’s nachts. Ik val al moeilijk in slaap en word steeds wakker van de pijn. De paracetamol in mijn toiletkastje smaakt naar vergif. Daarvan verliep de uiterste houdbaarheids-datum in mei 2016. Een doosje ibuprofen is wel tot september 2020 bruikbaar, maar dat ligt er onaangetast bij. Bang als ik ben voor de waslijst aan ernstige bijwerkingen. Toch moet ik eraan geloven.

Op zaterdag vertelt een wandelgenootje dat je van ibuprofen maagkanker kan krijgen. Zij heeft net zo’n vermogen aan tandartsrekeningen uitgegeven als ik. ‘Ik heb een hele auto in mijn mond’, is hoe zij het verwoordt. Daar krijg ik een wat vreemde gedachte bij. Zelf meet ik dit soort dingen af aan prijzen voor reisbestemmingen. Zes weken Australië, bijvoorbeeld. Of: genoeg om een half jaar van te leven. Dat komt aardig in de buurt van mijn realiteit.

Op zondag spreek ik de buurvrouw over de herdenking van Operatie Market Garden, die op een steenworp afstand plaatsvindt. Thuis kunnen we de muziek horen. We praten over de mannen, vaak jongens nog, die hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. En we beseffen hoe goed we het hier nu hebben; dat we onszelf gelukkig mogen prijzen. Dus: ‘Dank u, God, voor deze kiespijn, want daardoor voel ik dat ik tenminste leef.’

Op maandag bel ik om 08:01 uur de tandarts. Tegen die tijd straalt de pijn uit van halverwege mijn onderkaak naar mijn oor tot bij mijn oog. Waarschijnlijk ben ik de eerste klant aan de lijn. De assistente hoort mij aan, voert overleg en spreekt dan de verlossende formule uit. Om 11:15 uur mag ik komen.

Bij de tandarts. Ze kijkt eens goed naar mijn beet, voelt het scharnieren van mijn kaak, en trekt dan haar conclusie: een overbelaste kies. Wie verzint er nou zoiets?

Verstandskies zorgt voor bloedbad

Een waarschuwing vooraf. Kan je niet tegen bloed, sla deze longread dan over. Maar hou je wel van een gruwelverhaaltje op zijn tijd, dan zit je hier prima.

Gisteren moest ik naar de kaakchirurg voor het trekken van mijn laatste verstandskies. De tandarts durfde deze ingreep zelf niet aan. Op foto’s kon ze namelijk zien dat de wortel eronder krom was. Ik heb eerder meegemaakt dat het een (vrouwelijke) tandarts bijna niet lukte om een kies te trekken. Die dingen zitten muurvast. Het werd toen zo een gesjor en gekraak, dat ik serieus vreesde voor een ontwrichte kaak.

Dus toen mijn huidige tandarts haar twijfel uitsprak, zei ik meteen dat een voorgangster er ook al zo’n moeite mee had gehad. Dit om haar over de streep te trekken. Want ze vreesde dat de kaakchirurg haar uit zou lachen vanwege de doorverwijzing voor een kleine ingreep. Maar na mijn opmerking was de keuze snel gemaakt. Vandaar dat ik gisteren voor het eerst het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem betrad.

Sinds mijn verhuizing, nu vier jaar geleden, wil ik al weten hoe dit ziekenhuis van binnen is. Qua doolhof is het vergelijkbaar met het LUMC in Leiden. En ook hier is een restaurant; altijd handig. Ik moet nog wel ontdekken of ze even lekkere pecanbroodjes hebben als in Leiden. Dat kwam er deze keer niet van. Je gaat tenslotte met een schoon gebit naar de kaakchirurg en na de ingreep had ik wat anders aan mijn hoofd.

Het trekken zelf valt mee. Je wordt verdoofd, en goed ook. Mijn andere drie verstandskiezen werden circa veertig jaar geleden getrokken. Toen ging het er nog Spartaans aan toe. Ik kan mij uit die tijd geen verdoving herinneren en ben dus wel wat gewend. Toch heeft zelfs een kleine lichamelijke ingreep impact. Het voelt achteraf alsof je bent gemangeld. Dat merk je vooral wanneer direct daarna iets wordt uitgelegd. Probeer je aandacht er dan maar eens bij te houden.

In rap tempo gaat de uitleg over een dikke wang en ijsblokjes en er is iets met pijnstillers. Ook krijg ik een spuitje met een krom tuitje mee. Dat laten ze even zien voordat het in een envelop gaat en daar moet ik de wond mee uitspuiten. Alleen: vanaf wanneer ook al weer? Verder moet ik spoelen, want er kunnen etensresten in de wond komen. Hier mag ik echter niet meteen mee beginnen. Iets met stolsels en een genezend wondje, even een dagje wachten en dan een week lang ongeveer. En ik krijg een receptje mee voor twee dingen plus een foldertje waar alles in staat, dus kan ik het thuis rustig nalezen allemaal. Nu eerst op dit watje bijten en dat een half uur laten zitten. Iets met de druk erop houden, het is nu tien uur dus om half elf mag het er weer uit.

Zo, klaar, handje geven maar. De kaakchirurg in opleiding veegt nog snel een paar bloedspetters van mijn gezicht voordat ik de deur uitga.

Eenmaal buiten voel ik mij licht in het hoofd. Mijn wang is nog goed verdoofd, maar ik proef bloed. Ook kan ik het stugge watje met mijn tong voelen. Ik hou mijn kaken stijf op elkaar en mijn mond dicht wanneer de bus arriveert. Meer dan een knikje naar de chauffeur zit er niet in. Gelukkig is er eten genoeg in huis en hoef ik slechts langs de apotheek, want de linkerkant van mijn gezicht is dik en strak van de verdoving. Zodra de verdoving uitwerkt, zal het pijn gaan doen.

Thuis gaat dat bloed doordrenkte watje er gelijk uit en zet ik meteen koffie. Wat ben ik daar aan toe, zeg. Met kleine nipjes probeer ik de vieze bloedsmaak zo goed mogelijk uit mijn mond te spoelen, zonder dat de koffie de pas gehechte wond raakt.

Er hangt iets rubberachtigs in mijn wang bij het gat dat de kies achterliet. Ik kan erop kauwen zonder dat het loskomt. Misschien is er tijdens de behandeling een stuk huid van mijn wang geschaafd. Door gevoelloosheid en de stijfheid van mijn kaak kan ik moeilijk nagaan wat het is. Maar wanneer ik voorover buig, voel ik nieuw bloed mijn mond in stromen. Oei.

Vanaf dat moment verandert de dag in een lange hindernissenbaan. Want er moet gegeten worden. Het is inmiddels half twaalf en ik lunch graag warm. Ook wil ik het meeste van mijn dagelijkse eten vroeg binnen krijgen. Dan kan de rauwe wond de rest van de dag ongestoord genezen. Soep laat ik staan; daar zit te veel bijtend zout in. Maar een smeuïg stamppotje van aardappels, peen, snijbonen en stukjes hamburger gaat prima. En het verdringt de overheersende smaak van bloed enigszins.

Tijdens de afwas sijpelt er opnieuw bloed in mijn mond en weer voel ik die rubberachtige sliert. Wat is dat toch? Inmiddels kan ik mijn kaken wat verder open doen, dus loop ik naar de spiegel. Wat ik daarin zie, is een werkelijk gore bedoening.

Die rubber flubber is een langgerekt stuk bloedstolsel dat over mijn kiezen hangt. Langs mijn wang en over mijn tanden slingeren taaie bloederige slierten en vliezen. En mijn hele mond is rood. Alsof je een vraatzuchtig monster in de bloed besmeurde bek kijkt. Nu smaakt dat bloed nóg viezer.

Ik word enigszins onpasselijk en wil acuut van die troep in mijn mond af. Maar in het foldertje staat dat je op de behandeldag geen wond mag uitspoelen. Wat nu? Nogmaals probeer ik die flubber door te kauwen, maar het spul is te flexibel. Het alternatief is doorknippen met een schaar. Dat blijkt makkelijker gezegd dan gedaan.

Ga maar eens in een bloed doordrenkte mond naar een glibber glad aanhangsel graaien terwijl je je kaken nog niet ver uit elkaar kan houden. Voor de zekerheid doe ik het boven een grote wasbak. Het wordt namelijk een erg bloederige toestand en ik wil de vloer schoon houden. Mijn kleding en de rest van de badkamer trouwens ook. Uiteindelijk lukt het om een flink stuk van die flubber af te knippen. Verder moet ik direct na het eten mijn tanden poetsen, zo staat er in het foldertje. Daarvan zal ik je de details besparen. (De badkamer is weer grondig schoon geboend.)

Gelukkig stopt het bloeden. Nu kan ik rustig naar de apotheek wandelen, al durf ik mijn mond niet open te doen. Zonder verder bloedvergieten maak ik gelijk een ommetje. ‘s middags voel ik nogmaals wat bloed mijn mond in sijpelen. Waarschijnlijk omdat ik toch een beetje heb gespoeld. De nare smaak blijft en de flubbertjes komen steeds terug. Na twee boterhammen gedrenkt in warme melk plus een poetsbeurt voel ik opnieuw wat bloed vloeien. Ook dat gaat voorbij.

Later, het is intussen half tien ’s avonds, gaat de wond alwéér bloeden, en sneller ook. Echt, dit is een klassieker. Mijn lichamelijke klachten worden altijd erger op vrijdagmiddag, ’s avonds of in het weekend. Ik kan dus niet meer naar de huisarts toe. Wat nu? Bij eerder getrokken kiezen had ik dit probleem niet en het foldertje zwijgt over bloedingen. Daarom raadpleeg ik internet. En ja hoor, nabloedingen komen vaker voor. Het advies: dertig minuten op een gaasje bijten of de dokter bellen.

Ik ga voor het gaasje. Alleen heb ik enkel oude gaasjes; weliswaar in originele verpakking. Hopelijk zijn ze schoon genoeg. Het gaasje bevat vermoedelijk ontsmettingsmiddel en dat smaakt eveneens goor. Nu proef ik dus twee soorten goor; eentje links en eentje rechts. Als het maar niet giftig is bij inwendig gebruik … Gatver, wat is dit allemaal naar. Het bloeden lijkt in elk geval te stelpen. Onderhand ben ik het helemaal zat en wil ik naar bed toe.

Helaas. Wanneer het half uur voorbij is en ik het gaasje weg haal, trek ik iets los en bloedt de wond weer! Daar word je toch niet goed van? Weer die vieze smaak, weer die walgelijke bloedstolsels, weer dat gore gedoe. Ik weet wel dat ik nooit bokser ga worden, met al dat bloed. En voorlopig hoef ik ook geen gebakken bloedworst meer.

Half elf ’s avonds. Ik vraag me ernstig af wat te doen. Mijn moeder heeft me bijgebracht dat dit soort dingen meestal vanzelf over gaan. We gingen vroeger niet snel naar de dokter toe. Oké, even rustig aan doen dan.

Ik ga in bed liggen, op mijn rug. Zo blijft het bloed goed binnen. Scheelt weer een extra was. Door de liggende houding stroomt het bloed wel vlotter naar mijn hoofd. Toch opzitten maar, al is dat minder prettig. Langzaam neemt het sijpelen af. En langzaam worden de stolsels groter. Ik word er gewoon misselijk van.

Nu breekt het uur van de duisterste gedachten aan. Ik denk aan verhalen over popsterren, die dronken stikten in hun eigen braaksel. Of waren het criminelen, die stikten in hun eigen bloedstolsels? Kan ik zo wel gaan slapen? Wat als dit onschuldig lijkt, maar straks helemaal misgaat? Hoeveel bloed verlies ik eigenlijk? Ik moet het elke minuut wegslikken. Heel voorzichtig probeer ik de langste bloedslijmdraden toch weg te knippen, waar dat kan.

Half twaalf  ’s avonds. Het vloeien is minder, maar nog steeds niet volledig gestopt. In de gemeentegids staat waar ik eventueel terecht kan voor spoedhulp. Het ziekenhuis in Arnhem. Dat betekent twee bussen nemen via het Centraal Station. De laatste bus uit ons dorp vertrekt nu. Bij de buurvrouw brandt nog licht. Zal ik naar haar toe gaan? Of zal ik toch maar rustig blijven liggen, met mijn hoofd hoog op een kussen? Ik wil haar de rompslomp van een semi-nachtelijk ziekenhuisbezoek niet aandoen.

Afijn, om een lang verhaal kort te houden: het is nu de volgende dag en ik leef nog steeds. Ook is het bloeden gestopt. Er zit alleen zo’n vieze gore flubberige bloedprop in mijn mond. Straks moet ik eten. Als mij dat fataal wordt, merk je het vanzelf aan de stilte op dit blog.

Transformatie van patiënt naar mens

In drie jaar tijd ben ik twee keer van tandarts veranderd. Tussen specialist en patiënt luistert het namelijk nogal nauw. Bovendien delen mijn gebit en ik een hele geschiedenis. We hebben al het nodige moeten ondergaan. Deze tandarts was mij aanbevolen door een goede bekende. Ik geloof direct dat ze kundig is, maar haar manier van doen is minder. Dus toen vooraf werd gemeld dat iemand haar vandaag verving, vond ik dat prima.

Het is een heel jonge man. Terwijl de assistente achter mij staat, komt hij binnen en vraagt hoe het met mij gaat. Het klinkt bijna alsof hij bedoelt hoe het met mij persoonlijk gaat. Ik antwoord ‘goed’ en maak daarna toch maar gewoon een opmerking over mijn tanden. Zijn manier van doen is relaxed. Tijdens de controle informeert hij ook belangstellend naar het welzijn van de assistente. Zij is ziek geweest, moest overgeven, en nu gaat het beter. Gelukkig maar.

Bij mij is alles in orde. Na afloop van de controle stel ik een vraag over mijn verstandskies. De jonge tandarts vertelt dat ik hem beter kan laten zitten. Je weet nooit of die kies later nodig is voor een brug of zo. Dit klinkt heel anders dan de dreigende taal van mijn vaste tandarts. Die begon meteen over de boel open laten snijden door een kaakchirurg.

Ik mag deze tandarts wel. Daarom zeg ik dat hij wat mij betreft voortaan wel mijn vaste tandarts mag worden. Hij vraagt waarom. De assistente, die met haar rug naar mij toe staat, draait zich om. Nu moet ik het vertellen. Dat mevrouw M altijd zo gejaagd is. Dat ik haar aanrakingen ruw vind. Het is prettig dat hij rustiger werkt.

Een moment lang is het stil. Aan hun gezichten valt geen emotie af te lezen. Maar onmiskenbaar voel ik een zucht van verlichting door die kamer gaan. Loyaal zeggen ze dat mevrouw M kundig is en ze erkennen dat zij ‘soms’ wat ruw kan werken. Waarna de hele sfeer omslaat en we zomaar in gesprek raken. Over het werk van de tandarts. Over het vierjarige dochtertje van de assistente. En over hoe het wonen mij hier bevalt.

Gedrieën zijn we getransformeerd. Van tandarts, assistente en patiënt naar mens.

Zorgverzekeringspasje

Samen met circa 910.000 Nederlanders stap ik per 2018 over op een andere zorgverzekeraar. Volgens de ZorgWijzer wisselen steeds minder mensen van maatschappij. Degenen die vertrekken, doen dat om vier redenen. Namelijk: geld, een veranderende zorgbehoefte, uit ontevredenheid over de dekking of de slechte service. Wat mij betreft mag er nog een vijfde categorie bij. Want ik ervaar de vormgeving en tekst op mijn huidige zorgverzekeringspasje als stigmatiserend.

Dat zit zo. Al eeuwen ben ik klant bij het Zilveren Kruis. En al jaren had ik een gewone zorgverzekering, met een plusje of sterretje en een aanvullende tandartsverzekering erbij. Mijn pasje was altijd onopvallend vormgegeven en neutraal zacht blauw. Zoals je van een serieus zorgverzekeringspasje mag verwachten.

Totdat ik vorig jaar op de kleintjes ging letten. Ik had geen inkomen en wilde mijn vaste lasten inperken. Daarom viel de keuze op een Basis Budget verzekering. Dat was best al een griezelige stap. Ineens mocht ik niet meer zelf beslissen naar welk ziekenhuis ik ging. Niet dat ik de deur platloop bij zo’n medische instelling. Maar toch.

Zodra je weet dat je geen recht meer hebt op iets wat altijd vanzelfsprekend was, dan is dat even slikken. Ik durfde me eigenlijk amper nog te bewegen. Bang als ik was dat ze me bij een ongeluk naar een of ander achenebbisj ziekenhuis zouden brengen. Want ineens raakte zelfs een academisch ziekenhuis buiten bereik. Natuurlijk, artsen in andere ziekenhuizen zijn ook academisch opgeleid. Maar toch.

Erger was het nieuwe pasje. Niks geen neutraliteit en professionele uitstraling. Dit pasje heeft het schreeuwerige uiterlijk van een low budget outlet. Een rare tint blauw, in combinatie met oranje en fuchsia-roze. Het lijkt alsof ze mijn gegevens er met een witte sticker op hebben geplakt. Bovendien staat er met koeienletters ‘Basis Budget’ op.

Je durft zo’n goedkoop ding niet eens bij de huisarts te laten zien. Voordat je het weet word je, net als vroeger, naar het spreekuur voor fondspatiënten verwezen, afgezonderd van de particulieren.

Nou, ik ben dus overgestapt naar de OHRA. Heb wel drie keer gecheckt of er echt stond dat ik helemaal zelf mag bepalen waar ik mij laat behandelen. Dat mag. Verder heb ik bijzonder nauwkeurig gelet op wat er allemaal zit in hun pakket. En wat eraan ontbreekt. Want wat niet nodig is, hoef ik ook niet. Alleen ben ik vergeten om naar de kleuren van mijn toekomstige zorgpasje te vragen. Ik hoop er maar het beste van. Anders moet ik volgend jaar weer wisselen.

Alsnog: mijn tandartsverhaal

Onlangs schreef ik over het eerste bezoek aan een andere tandarts in mijn nieuwe woonplaats. Niets bijzonders, zou je zeggen, we wisselen allemaal weleens van tandarts. Maar mijn gebit en ik delen nogal een geschiedenis. Kennelijk moet dat er nu toch uit. Het hele verhaal, bedoel ik. Het begint bij de Hongerwinter van 1944.

Mijn ouders woonden tijdens de Hongerwinter als kinderen in het westen van het land. Er was nauwelijks eten verkrijgbaar in de stad. Het enige voedsel dat rijkelijk voorhanden was, was snoep en ander suikergoed. Verder aten ze met lange tanden de roemruchte suikerbieten en tulpenbollen. Menigeen had na de oorlog dan ook een compleet verrot gebit. Mijn moeder had daar geen last van. Haar gebit bleef redelijk gaaf.

Bij mij liep het anders. Het melkgebitje kwam door en het melkgebitje viel uit. Mijn moeder heeft wat tandjes en kiesjes in een doosje bewaard. Vagelijk kan ik mij herinneren dat ik iets lekkers of een klein cadeautje kreeg als er één los was geraakt. Mijn moeder heeft zelf een sterk gebit. Daarom controleerde zij ’s avonds zelden of ik als kind goed had gepoetst. Wel vroeg zij of ik dat had gedaan en dan zei ik ‘ja’.

Overigens kwam er bij ons geen cola of andere koolzuurhoudende frisdrank in huis. We aten ook geen repen chocola elke dag. Hooguit wat koekjes bij de koffie of thee.
Hoe anders was dat bij mijn schoolvriendin thuis. Ze dronken daar liters cola. Kraanwater was voor de hond. Als ik haar ging ophalen, kreeg ik van haar moeder regelmatig een  Mars of Milky Way mee.

Toen ik op de lagere school zat, hoefde ik niet naar de schooltandarts. De hele klas was zenuwachtig wanneer zijn busje voor het gebouw stond. Mijn klasgenootjes werden dan beurtelings voor een behandeling gehaald. Ik niet. Mijn gebit was al slecht; de schooltandarts had mij geweigerd als patiënt. Alleen kinderen met een vrij gaaf gebit mochten komen. Ik vond het wel best.

Het was begin jaren zeventig en er bestond een groot tekort aan tandartsen. In ons dorp kwam er één wekelijks op bezoek. Die had een behandelkamer ter beschikking in het wit/gele-kruisgebouw, een paar straten verderop. In dat gebouw zat ook het consultatiebureau waar je inentingen kreeg als kind. De wachtruimte was groot en zat altijd vol. Ik kan mij nog scherp herinneren dat er ooit veertig wachtenden voor mij waren. Die allemaal voor de tandarts kwamen.

Die tandarts deed weinig meer dan vullen en trekken. Ik kan mij vagelijk herinneren dat hij eens iets heeft uitgelegd over goed poetsen. Misschien kreeg ik toen zo’n leuk minitubetje tandpasta mee als cadeau. Verder kregen al mijn grote kiezen een knoepert van een glimmende amalgaamvulling.

Mijn gebit viel trouwens niet zo eenvoudig te poetsen. Dat gaat makkelijk wanneer alle tanden en kiezen keurig in het gelid staan. Maar mijn gebit wilde daar niet aan. Mijn kiezen zijn namelijk te groot voor mijn kaken, dus werd het nogal dringen geblazen. De één groeide een beetje naar voren en de ander naar achteren. Eén klein kiesje haalde die tandarts er wel preventief tussenuit.

Natuurlijk had een orthodontist kunnen ingrijpen. Wellicht heeft de tandarts dat met mijn moeder besproken. Of mijn oom, haar broer, die tandtechnicus was. In elk geval kwam het er niet van.

Mijn eigen pubertijd begon ongeveer tegelijk met de komst van een nieuwe tandarts in het dorp. Een Chinese vrouw. Dat was wat. Want de enige andere buitenlanders waren een paar Indo’s en een Hongaars gezin. Nog afgezien van importvolk uit Den Haag in ‘de nieuwbouw’.

Wij naar die nieuwe tandarts. Eerst had zij een klein spreekkamertje in haar woonhuis. Al snel groeide haar praktijk en verkaste ze naar een groter pand. Mevrouw L. was een hele vriendelijke tandarts. Tegen die tijd viel er echter al geen eer meer te behalen aan mijn gebit. Maar ik ben haar nog dankbaar voor het degelijke werk dat zij heeft verricht.

Toen ik als zeventienjarige een vaste baan kreeg, kocht ik van mijn eerste salaris een stereo-installatie. Het tweede ging op aan vakantie. Maar het derde en vierde gebruikte ik voor mijn gebit. Want fraai zag dat er niet uit. Het meest storend vond ik mijn grote snijtanden. Natuurlijk moest een lollige leeftijdgenoot daarover wat roepen: ‘Hé Dracula!’ Ik heb er geen trauma aan overgehouden, hoor. Alleen lachte ik zeker tot mijn dertigste gewoonlijk met mijn hand voor mijn mond. Kronen maakten mijn snijtanden een stuk kleiner. Maar het bleef een schotse en scheve toestand.

Vreemd genoeg was mijn langstdurende relatie met iemand die een werkelijk perfect, parelwit gebit heeft. Zijn broer is tandarts. En zijn zwager heeft een eigen tandartsenpraktijk. Ik ben vergeten of die vriend mij op het idee bracht. Of dat het kwam door zijn tolerantie tegenover beugelbekkies. Maar op mijn achtentwintigste belandde ik alsnog bij de orthodontist.

Zoals echtparen die een kindje verwachten overal zwangere vrouwen ontwaren, zo zagen wij overal volwassenen met een beugel. Ik heb er later nooit meer zo veel gezien. Er moesten vooraf nog drie kiezen uit, maar dan krijg je ook wat. Anderhalf jaar later had ik éindelijk een tamelijk recht en fraai gebit. Afgezien van die amalgaamvullingen dan. Toch kan ik sindsdien weer vrijuit lachen.

Vervolgens waren er jarenlang nauwelijks problemen. Ik bleef na een verhuizing bij de Chinese tandarts. Pas toen het vanwege mijn werk in een andere stad lastiger werd om haar te bezoeken, koos ik een andere tandarts. Wederom een vrouw en zij hield de conditie van mijn gebit op peil.

Bij haar ontstond het plan om geleidelijk alle kiezen met grote amalgaamvullingen van kronen te voorzien. Zij verhuisde echter naar een ander deel van de stad. Daardoor werd het opnieuw moeilijk om werk en tandartsbezoek te combineren. Ik zocht nogmaals een andere tandarts en vond een praktijk nabij het station. Altijd handig.

Kort gezegd: de locatie bleek het enige positieve aan die praktijk. Want daar begon het gezeur over aparte bezoeken aan de mondhygiëniste. Bovendien was er telkens wat. Steeds vaker waren er gecompliceerde behandelingen nodig. En maar foto’s maken. Regelmatig verschenen er nieuwe tandartsen in de behandelkamer, zonder overleg vooraf. Beter werd het er niet op.

Binnen enkele jaren kreeg ik minimaal drie wortelkanaalbehandelingen. Bij één daarvan brak een stukje vijl in de punt van een kromme wortel af. Dat puntje metaal hindert soms nog. Bovendien stootte een ruwe tandarts hard met een tang tegen mijn fragiele gebit. Kort daarna brak er een flink stuk van een kies af. En daarna nog een stuk van een andere kies. Toen ik later op een King pepermuntje beet, voelde ik voor de derde keer een verdacht hard brokje in mijn mond. Kon ik weer bellen voor een spoedbehandeling.

Eerst dacht ik nog dat het aan mijn gammele gebit lag. De tandartsen daar hadden voor elke situatie een plausibele verklaring. Ondertussen twijfelde ik steeds sterker aan de goede bedoelingen van hun hypermoderne, gelikte praktijk. Per toeval noemde ik de naam daarvan eens tegen een vriendin. Bleek dat zij klant was geweest bij een andere vestiging van die praktijk. Zij had daar even slechte ervaringen opgedaan.

Uiteindelijk vertrok ik naar een jonge tandarts in een naburig dorp. Zij was mij aanbevolen en zorgde wel goed voor mijn gebit. Inmiddels zijn de meeste amalgaamvullingen vervangen door mooie kronen. Nu zit ik bij weer een andere tandarts. Nog slechts twee kiezen te gaan, dan ben ik hopelijk voor járen klaar. (Schrijft de optimist.)