Verhalen van mijn huid

Op dit soort dagen (het is in de schaduw 32 graden) waan ik mij steevast in de tropen. Ik draag nu dezelfde luchtige jurkjes als daar. Ze maken me bewust van mijn huid, die doorgaans bedekt is. Het is alsof ik terug ben op Tahiti, Moorea, Aitutaki of Samoa. Ik kan de palmbladeren horen ritselen en de golven van de oceaan in de verte op het rif horen slaan. Daar heb ik geleerd om in deze lome hitte een tropentempo aan te houden. En op mijn huid bezie ik de sporen die de reis door tijd en plaats heeft achtergelaten.

Aan het schoonheidsideaal van een perfect roomblanke huid heb ik nooit voldaan. Moedervlekken zitten in de familie, dus verschenen ze al vroeg. Kleine rondjes; ik hou ze sinds mijn tropenjaren goed in de gaten. Verder heb ik littekens, groot en klein. Ze vertellen allemaal hun eigen verhaal.

Zoals het litteken dat achterbleef na een valpartij in een woestijn. Er waren koeien losgebroken en ik struikelde over een steen toen we ze terughaalden. Maar het was evengoed hilarisch om die grote dieren door privé-tuinen te zien banjeren. Met hun voorliefde voor keurige gazons en eetbare bloemenperkjes.

Sommige littekens wil je liever niet zien. Van operaties resteren keurig gehechte incisies. Ze vallen nog nauwelijks op. Verder heb ik onder het mes gelegen van een plastisch chirurg. Want moedervlekken mogen normaal zijn, ik wil ze niet in mijn gezicht hebben. En dan al die allergische reacties op insectenbeten en andere ongein. Gelukkig is er vrijwel geen spoor van achtergebleven.

Toch heb ik ook een litteken dat ik nooit zal laten wegwerken. Of twee, eigenlijk. Een van buiten en een van binnen. Ze horen bij elkaar. De een is van een motorongeluk. En de ander is van de persoon die mij daarna opving.

We blijven jagers en verzamelaars

Door die Ferrari van hiervoor schiet mij een ritje op de Nürburgring te binnen. Dat is een ander verhaal. Waar het om gaat, is of dat racecircuit op mijn lijstje van bezochte landen en plaatsen staat. Want kennelijk verzamel ik die. Onderweg kom je ze ook wel tegen: mensen die het bezoeken van zo veel mogelijk landen najagen. Surfers bijvoorbeeld, reizen de hele wereld af in hun zoektocht naar de allerbeste surfspot. Anderen willen gewoon zo veel mogelijk kilometers maken. Of ze blijven eindeloos op zoek naar zichzelf.

Ik zou nu best het aantal landen willen noemen dat ik heb bezocht. Maar dat laat ik wel uit mijn hoofd. Zodra je daarmee begint, is er altijd wel iemand die meer heeft gezien dan jij. Een keer dacht ik ook eens iemand te kunnen overtreffen. Het was in een vliegtuig na vier maanden eiland hoppen in de Stille Zuidzee, op het laatste traject van Londen naar Schiphol.

Naast mij zat een Nederlandse vrouw die pochte over waar ze allemaal was geweest. Voor mij was het inmiddels de achttiende vlucht van die reis. Dat zou zij vast niet kunnen evenaren. Dus deed ik mijn mond open en noemde dat aantal. Nou, mevrouw had ook eens zo’n reis gemaakt en toen wel 22 keer in het vliegtuig gezeten. Tsss. Stom mens. Alsof kwantiteit zo belangrijk is.

Nee, natuurlijk is kwantiteit niet belangrijk. Het gaat om wat je doet, wat je ervaart, wie je ontmoet, wat je leert, wat je daarvan later toepast en of je misschien zelf nog iets wezenlijks achterlaat. Maar ik ben net een gewoon mens en dus ook gevoelig voor kwantiteit in bepaalde situaties.

Weemoed van een te laat geboren koloniaal

Op mijn eerste vakantie alleen kwam ik een Engelsman tegen. Het was in Griekenland. Ik was een jaar of 19 en hij was twee keer zo oud. Een truckchauffeur die moest wachten op een lading in de haven van Athene. We trokken een paar dagen samen op. Hij reed op het Midden-Oosten en had een plastic tas vol munten uit zo’n veertig landen. Voor als hij ze bij een tolweg nodig had. Met veel van die landen had zijn thuisland een historische band.

Dankzij de meest exotische muntjes uit die tas (met afbeeldingen van gekruiste zwaarden, halve manen en palmbomen uit Saoedi-Arabië, Jordanië, Turkijë, Irak, etc.) begon ik een ware muntenverzameling. Al gauw werd daardoor zichtbaar hoe groot het overzeese gebied van Groot-Brittannië ooit was. Veel landen hadden muntjes met portretten van Queen Elisabeth. Of die van haar voorganger: King George VI. Zo moet mijn fascinatie voor het Britse gemenebest zijn ontstaan.

In de drie decennia die volgden, zou ik tal van landen uit dat vroeger immense rijk bezoeken. In Amerika, Afrika, het Midden-Oosten, Azië, zelfs tot in de Stille-Zuidzee. Tussendoor las ik Engelstalige literatuur uit meerdere eeuwen. Dat versterkte de sfeerindruk van hoe het er was in de negentiende en begin twintigste eeuw. Toen veel van die landen nog Britse kolonies waren. Voor jonge ondernemende mannen, met connecties of een startkapitaal, moet het een feestperiode zijn geweest. Kansen en mogelijkheden te over. Hoewel de lokale bevolking dat anders zal hebben ervaren. Terwijl daar ook lieden tussen zaten die hun kans schoon zagen.

Wat die koloniale mannen en ik na Griekenland deelden, was het gevoel dat de wereld voor ons open lag. Een groot avontuur lonkte. En tegelijk kon je overal vertrouwde zaken vinden, lang voor Starbucks kwam. Dat was handig. Want in al die landen was er a decent cuppa tea of a full English breakfast. Tot in de verste tropische uithoeken kon je cricket spelen en op de postbezorging rekenen. En waar je ook ging, steevast liepen er van die oudgedienden rond. Altijd goed voor de mooiste verhalen, rijkelijk gelardeerd met onderkoelde humor.

Ah, voorgoed vervlogen tijden. Maar de sporen zijn nog overal zichtbaar voor wie goed kijkt. Groot-Brittannië mag bepaald niet heilig zijn, toch vind ik dat we als vrienden in de EU moeten scheiden. Al was het maar, omdat dit obstinate eiland ons zo veel kleurrijke types heeft gebracht. Plus de dagboeken van Earl Mountbatten:

Bron artikel: de Volkskrant, 2 maart 2018.

Trekking Staatsloterij 10 augustus

Deze week was het weer 10 augustus. Die dag past voor mij in een legendarisch rijtje met vertrekdata. Daarom denk ik er elk jaar aan. Precies 21 jaar geleden begon mijn reis van vier maanden eilandhoppen in de Stille Zuidzee. Het is bijna alsof die bij een gedroomd vroeger tijdperk hoort. Toch draag ik de echte ervaring en verkregen inzichten voor de rest van mijn leven mee. Op elke tiende van de maand is ook de trekking van de Staatsloterij. Wie fantaseert er niet bij de hoop op een gunstig lotnummer? En dat op zo’n speciale dag bovendien.

Nou, ik heb gewonnen hoor. Oké, voor een volgende wereldreis is het een bescheiden begin. Maar wie het kleine niet eert …

Staatsloterij

Rule, Britannia! en de Brexit

Het Britse referendum over wel of niet uit de EU treden houdt de halve wereld bezig. De financiële markten schijnen een voorspellende waarde te hebben over de gevolgen van de uitkomst. Een eventuele Brexit laat onze welvaart niet ongemoeid, zo wordt ons onheilspellend en stellig verklaard. Ook in Groot-Brittannië zelf zwaaien de tegenstanders met het zwaard van Damocles. De Britse keuze gaat mij aan het hart. Gevoelsmatig heb ik met het moederland van The Commonwealth een sterke band. Daarom wil ik via een persoonlijke omzwerving mijn mening geven over een mogelijke Brexit.

In 1981 zette ik tijdens een schoolreisje voor het eerst voet aan wal in Groot-Brittannië. Een bijzondere ervaring, want nooit eerder verliet ik het Europese vasteland. We reisden vanuit Le Havre per veerboot, wat het eilandgevoel versterkte. In Londen bezochten we alle bekende attracties. Big Ben natuurlijk, de Tower, Hyde Park en Harrods, dat toen nog in Britse handen was. Uit die stad kwam veel wat mijn jonge leventje had beïnvloed. Muziek bijvoorbeeld, maar ook mode en BBC-programma’s. Alles was even indrukwekkend. Nou ja, behalve het eten dan. Het was de tijd van moddervette sausages en fish ’n chips op een krant. Op de boot terug ontmoetten we een groep Engelse voetbalsupporters. Kortom, dat schoolreisje was een belevenis.

Later kwam ik tijdens strandvakanties in Zuid-Europa vaker Engelsen tegen. Ze brachten overal hun gewoontes mee. Daarna ging ik naar de Verenigde Staten en in 1985 bezocht ik Ierland. In beide landen kun je niet om de historische banden met Groot-Brittannië heen. Hoe getroebleerd die relaties in bepaalde periodes ook waren, elementen van de Britse cultuur sluipen overal in. Amerikanen zijn maar wat trots als ze nu over hun Britse voorouders praten. En in Ierland ontmoette ik ook weer zulke Amerikanen, op zoek naar hun Ierse/Engelse roots. Mij werd duidelijk hoe belangrijk het oude moederland nog altijd voor hen is.

Intussen las ik boeken uit de Engelstalige literatuur van schrijvers uit het hele Britse gemenebest. En op tv had je zo’n heerlijk absurdistische serie: Not The Nine O’Clock News. Geweldige humor. Daardoor raakte ik ook steeds meer bekend met de Britse cultuur.

De band met Groot-Brittannië werd nog steviger in Australië. Tijdens mijn eerste vakantie daar, in 1986, zag ik dingen die in Engeland soms al waren verdwenen. Volwassen mannen droegen korte broeken en kniekousen als onderdeel van hun buschauffeursuniform. Er waren no uniform days voor mensen op een reisbureau. Die dan toevallig toch allemaal dezelfde spijkerbroek met T-shirt droegen. Je moest keurig een rij vormen, precies op de plaats waar bordjes aangaven dat die rij moest staan. En er was natuurlijk white tea met een sloot warme melk en (in die tijd) afgrijselijk slappe slobberkoffie. Heel Engels allemaal.

Meer nog dan de uiterlijke kenmerken, waren daar de soft spots voor good old England in de harten van mensen. Dan heb ik het niet over nakomelingen van bannelingen, maar over degenen die later naar Australië kwamen. Zoals ze vasthielden aan oude kersttradities met dennenboom en Christmas pudding, midden in de tropen. En hoe graag ze familie wilden laten overkomen rond de feestdagen. Dat zag je ook terug in vrouwenbladen en films op lokale tv-stations.

Het hoogtepunt kwam in 1988 in Australië, tijdens het Bicentennial Year. (Nota bene een feestjaar ter herdenking van de aankomst van de eerste vloot met uiterst omstreden lading. Elf schepen brachten namelijk groepen veroordeelden naar Australië, toen tweehonderd jaar geleden.) Ik werkte in Perth, West-Australië, en wie kwam daar op bezoek? The Queen! Nou, ik heb her majesty Elisabeth in het echt gezien. Op nog geen twee meter afstand wandelde ze kalm wuivend en glimlachend voorbij. Sindsdien beschouw ik het Engelse vorstenhuis ook een beetje als mijn vorstenhuis.

Queen 001Er gebeurde die dag nog iets opmerkelijks. Uren had ik in de brandende zon langs de weg gewacht, in een rijen dikke massa. Overal stonden Engelse Australiërs die absolutely thrilled waren over de komst van hun koningin. Zij waren forser dan ik en blokkeerden deels mijn zicht. Toen koningin Elisabeth eindelijk langsliep, draaide een mevrouw voor mij zich om en bood aan om een foto van de koningin te maken. Ik meen het. Op het voor haar belangrijkste moment onderbrak zij haar gejuich en dacht ook aan mij. Engelsen worden van jongs af aan gedrild om zich beleefd en sociaal te gedragen. En daar is niets mis mee. I just love them.

Sinds Australië voelt elk land met restanten van de Britse koloniale geschiedenis vertrouwd. In Singapore roept het Raffles hotel nog herinneringen op aan tijden waarin je daar slechts na een lange zeereis aankwam. Toen mensen trouwden met de handschoen. Het is in Victoriaanse stijl gebouwd en er waart een oude legende over een tijger rond. Britten zijn er dol op. Op de Cookeilanden trof ik in winkels levensmiddelen aan die daar via oude handelsrelaties met Nieuw-Zeeland kwamen. Zelfs de viering van 25 jaar onafhankelijkheid van Groot-Brittannië in 1995 in Suva (Fiji) was op Britse leest geschoeid. Namelijk met veel ceremoniële uniformen en aplomb op een strak gemaaid gazon. By the way, wereldwijd zijn er nog munten met koningin Elizabeth in omloop. Op Gibraltar werd ik met het beroemde queuing-fenomeen geconfronteerd. En Uganda voelde direct vertrouwd, toen ik daar chai masala kreeg. In Kenia schemert de Britse geschiedenis door via de aanwezige Indiërs. Zij werden er ooit naartoe gebracht om op de plantages te werken. En overal herken ik een universele, koloniale bouwstijl in landhuizen met erkers en veranda.

Een flink deel van de Britten is trots op hun buccaneers spirit, zoals een flink deel van de Hollanders de VOC-mentaliteit kritiekloos ophemelt. Zo is er wel meer wat wij met de Britten gemeen hebben. Inherent aan hun eilandmentaliteit, hechten zij sterk aan hun onafhankelijkheid. Qua zakendoen zijn het nuchtere mensen. Onze normen en waarden zijn redelijk vergelijkbaar.

Maar de klassenmaatschappij is daar nooit helemaal verdwenen. In feite leeft die juist weer op, net zoals bij ons. Kijk maar naar Amsterdam en Londen, waar een gewone bankmedewerker geen huis meer kan betalen. Of kijk naar de belastingvoordelen voor rijken, via belastingregels voor bedrijven. Daar willen wij evenmin voor onderdoen. Het zou onze economie eens kunnen schaden …

En wat te denken van de bouwwoede van projectontwikkelaars ten koste van fraaie landschappen. Zij figureren vaak in Engelse detectiveseries als opwekkers van volkswoede. Maar hier kunnen ze er ook wat van. Met als gevolg blokkendozen op grote bedrijven-terreinen, luxe villa’s in bosflanken en huizen in de duinen. Er is kennelijk niemand die ze tegenhoudt, want ze brengen werkgelegenheid. Yeah, right.

Als je doorschiet, raak je wel de hoogopgeleide bevolking kwijt. Die blijft niet wonen in een volgebouwde regio als er fraaiere alternatieven zijn met natuurschoon. Zoals Rotterdam en Den Haag/Ypenburg versus Utrecht en de nabijgelegen Heuvelrug. (Adriaan Geuze, hoogleraar landschapsarchitectuur, Wageningen UR.) Overkoepelend ruimtelijk beleid ontbreekt of wordt moedwillig omzeild.

Wat er regionaal gebeurt, zie je in het groot terug in de EU. Want economie is gewoon de overheersende factor. Daaraan is alles en iedereen ondergeschikt, zo is onderhand mijn indruk. De mensen, de natuur, de cultuur, de veiligheid, de verworvenheden, de sociale structuur. Maar om wiens unie gaat het eigenlijk?

Om bij de Britten terug te komen: ik hoop uit de grond van mijn hart dat ze voor een exit kiezen. Ik zal zo enorm trots op ze zijn als ze dat doen. Van mij mogen ze de EU een poepie laten ruiken. Laat ze maar aantonen dat ze ook zonder kunnen. Als voorbeeld voor ons allen. Want ik geloof serieus dat de EU in de huidige staat een stuurloos schip is. Tien keer liever wed ik op een ooit grootse, zeevarende natie die haar verworven kennis nog in een nieuw jasje kan stoppen.

Wat ons eigen land betreft: ik las onlangs dat de wereldwijde omzet van IT-bedrijven in Eindhoven de omzet van de Rotterdamse haven inmiddels overstijgt. Dus waarom houden wij zo krampachtig vast aan die open grenzen? Ook Zwitserland heeft geen enkele moeite om zijn dure merkartikelen te verkopen. Tot in Afrika en China aan toe gaat dat prima.

Waarom moeten wij per sé lid blijven van de EU? Zegt Duitsland, als wij vertrekken, van de ene op de andere dag: ‘Hou al je producten voortaan maar?’ Ik geloof er niets van. De houding van enkele EU-politici die de Britten bij een Brexit qua handelsverdragen willen straffen, is te kinderachtig voor woorden. (Tusk, Juncker en Schäuble, zie Martin Sommer, de Volkskrant, 18 juni 2016.) Als dat werkelijk hun denkwijze is, zijn ze hun positie onwaardig.

Voor de EU ontstond, dreven we onderling al eeuwen handel. Mijn welvarende Duitse verwanten pendelden in de negentiende eeuw tussen Leiden en Ibbenbüren en importeerden meubels. Ze waren dagen onderweg per trekschuit of paard en wagen. Nu vreest men bij een exit tijdrovende douaneformaliteiten. Maar waarom? Met bereidwilligheid en voortschrijdend inzicht kan je eenvoudig gegevens uitwisselen.

Op terreinen van veiligheid, defensie, cultuur en milieu kan je ook in afzonderlijke groepen tot overeenstemming komen. Daarbij behoudt elk land een onafhankelijke uitgangspositie. Ik geloof in samenwerkende thematische belangengroepen van landen in deels overlappende samenstellingen die qua normen en waarden en/of doelstellingen redelijk bij elkaar passen. Feitelijk is dat niets nieuws. Dan kan je wel aanzienlijk daadkrachtiger optreden en ook niet-EU-landen of zelfs multinationals erbij betrekken.

Nederland is te klein voor een geheel onafhankelijke positie in de wereld, dat mag duidelijk zijn. Samenwerking blijft cruciaal. Feitelijk hoop ik dat een Brexit een doorbraak kan forceren. In onze zeevaartgeschiedenis waren de Hollanders de Britten herhaaldelijk voor. Omgekeerd kunnen de Britten nu voor ons de weg vrijmaken om te volgen. Britannia, rule!

De wonderlijke wereld van muziek

Na het overlijden van Prince ontstond een discussie over de definitie van goede muziek. Kennelijk is het en vogue om van Bowie te houden en niet salonfähig om om Prince te rouwen. Echter, kan je muziek objectief waarderen? Muziek is meer dan een wiskundig bepaald ritme met herhaling van toonladders.

Voor de toehoorder draait het vooral om gevoel en emotie. Muziek werkt op ons gemoed en daarom wil je soms een specifiek lied bij je stemming horen. Muziek zit vol betekenis, al is die voor ieder verschillend. Verder is de kans groot dat muzieksmaak iets zegt over persoonlijkheid. En maak je zelf muziek, dan heeft dat effect op je welzijn en sociale intellect.

Muziek is zonder meer heel belangrijk in mijn leven. Daarom wil ik eens uitgebreid ingaan op dit fenomeen.

Objectief gezien goede muziek
Het verschil tussen vals en zuiver zingen is voor de meesten van ons wel duidelijk. En je merkt het gauw wanneer een artiest zijn instrument niet beheerst of geen ritme kan houden. Let je op de melodie, dan wordt het lastiger. Een nummer kan goed in het gehoor liggen of net niet lekker lopen naar je smaak. Bepaalde artiesten kiezen doelbewust voor een afwijkend ritme als kunstvorm. In andere culturen kan dat volkomen normaal zijn. Het is maar waar je van houdt en wat je gewend bent.

Soorten muziek
Gelukkig vind je altijd wel iets van je gading, uit welk milieu je ook komt. Denk aan: pop, rock, heavy metal, ska, dance, trance, techno, country, jazz, blues, soul, latin, reggae, hiphop, klassiek, oude muziek, ambient, lounge, folk- en wereldmuziek. Vocaal of instrumentaal. Binnen elk genre valt er nog zoveel meer te horen.

Invloed op gemoedstoestand en welzijn
Volgens onderzoeker Dick Swaab stimuleert muziek meerdere hersengebieden. Het raakt de delen die te maken hebben met leren, beloning, emoties, motoriek, de hormoonspiegel en de bloeddruk. Luisteren naar je favoriete muziek vermindert pijn en verlaagt het aantal stresshormonen. Muziek werkt vooral ontspannend wanneer er veel herhaling in zit, en cycli die tien seconden duren. Dergelijke cycli hoor je bijvoorbeeld in de Negende Symfonie van Beethoven.

Op Koningsdag kwam ik eerst bij een podium met dance en daarna bij een podium met techno. Dance doet precies wat de naam aangeeft. Door tempo, toonhoogtes en melodie krijg je vanzelf zin om te dansen. Ben je er ontvankelijk voor, dan kan je gewoon niet stil blijven staan. Vrolijk, huppelend, zwierig, zwevend beweeg je synchroon mee op de muziek.

Techo/rave heeft juist een negatieve uitwerking. De keiharde beat dringt door mijn ingewanden. Het ritme loopt zo ongelijk met mijn hartslag, dat mijn hart van slag raakt. En het geluid klinkt zo afgrijselijk dat ik er fysiek onpasselijk van word. I feel my flesh crawl. Mijn hersenen blokkeren en geven slechts aan: wegwezen! Gruwelend loop ik er vandaan.

Kortom, muziek doet wat met je. Hoe dat precies in onze hersenen werkt, legt neuropsycholoog Erik Scherder uit.

Muziek voor elke stemming
Ben je in een vrolijke bui, dan heb je vast geen zin in The end van de Doors. (Hoewel dat één van hun beste nummers is.) Heb je net de crematieplechtigheid van een dierbare bijgewoond, dan verdraag je Walking on sunshine van Katrina & The Waves minder goed. Meestal wil je iets passends horen.

Maar muziek kan dus ook andersom werken. Toen ik jaren geleden niet kon slapen voor  mijn motorrijexamen, zette ik Susan Vega op. Want haar liedjes hebben een kalmerende invloed op mijn stemming. Muziek kan troost bieden, je blijdschap weergeven, je woede kanaliseren en je dag opvrolijken. In moeilijke omstandigheden biedt muziek ontspanning en houvast.

Ontwikkeling van mijn muzieksmaak
In de loop der jaren is mijn muziekvoorkeur geleidelijk veranderd. Sommige genres vielen na verloop van tijd af, anderen kwamen er later bij. Bepaalde genres en artiesten blijken voor altijd te zijn. De muziek die we ruwweg tussen ons 15de en 25ste levensjaar horen, blijft ons het meest bij. In die periode worden we volwassen en komt onze smaak tot wasdom.

Muziek in de pre-vormingsfase
Ze zeggen dat je smaak mede wordt bepaald door wat je familie en vrienden goed vinden. Mijn vroegste herinnering is een bandrecorderband die bij ons thuis werd gedraaid. Daarop stonden hits uit de jaren veertig – zestig. Zoals liedjes van Petula Clark, Glen Miller, de Beatles, Simon & Garfunkel, de Beach Boys en Frank Sinatra. Mijn vader hield van Edith Piaf en mijn moeder vond Mexico van de Les Humphries Singers leuk. Een schoolvriendin was fan van Donny Osmond en mijn zus van de Rolling Stones.

Kortom, een allegaartje. Ik weet niet meer precies wat ik toen het beste vond. Een deel van de muziek uit mijn kinderjaren waardeerde ik eigenlijk pas later. In ieder geval lagen de Beatles en soulmuziek goed in het gehoor. Terugkijkend zie ik in oude top-100-lijsten veel platen staan die ik nog steeds graag hoor.

Disco in de puberteit
Mijn pubertijd viel samen met de hoogtijdagen van disco. Daar zat veel bagger tussen, maar ook prima geluid. Saturday Night Fever en Grease moest ik zien. Net als mensen in die films, leefde ik toe naar dansen in het weekend. Ik bezocht rond 1980 vaak een discotheek in Scheveningen. Daar draaiden ze onder meer Pick up the pieces van de Average White Band en Funky town van Lipps Inc.

Nog altijd vind ik I feel love (extended version) van Donna Summer een heerlijke plaat. Toch was er in die jaren zoveel meer: Status Quo, KC & the Sunshine Band, ABBA, Santana, Queen, Madness, Blondie en Ian Dury. Plus iemand van een heel andere orde: Kate Bush met haar betoverende liedjes. Als puber wil je vooral muziek horen die past bij (heftige) emoties.

Punk als filosofie
Wellicht als tegenbeweging, kwam toen ook punk op. Disco was burgerlijk. Punk was anarchistisch, anti bijna alles en zo rauw mogelijk. Ik kwam jong van school en kreeg een baan bij een braaf accountantsbureau. Maar stiekem kon ik die punkbeweging wel waarderen en vond ik de uitdossingen mooi. Alleen was ik toen zo gewoon dat ik daar onmogelijk aansluiting bij had kunnen vinden. Jammer. Een paar van mijn leukste voormalige collega’s, zijn ex-punkers. Zij woonden in een kraakpand en toerden ooit door Amerika in een afgeragde auto waarvan de bestuurdersdeur met touw vastzat. Want muziek, daar horen een filosofie, leefwijze en kledingstijl bij.

De omwenteling
In mijn leven was 1983 een jaar van omwenteling. Feitelijk ging toen het Raam Open. De top 100 weerspiegelt de diversiteit aan stromingen in die periode: Food for thought (live) van UB40, 99 Luftbalons van Nena, Stiekem gedanst van Toontje Lager, Blue Monday van New Order, Dolce Vita van Ryan Paris, Every breath you take van The Police en Owner of a lonely heart van Genesis. Het gaat van reggae, Nederpop, new wave en zorgeloze zomer hits naar de diepere lagen van rock en pop. 1983 is ook het jaar waarin Sweet Dreams van de Eurythmics uitkwam. Een iconisch nummer dat voor eeuwig verbonden blijft met een motortocht door Australië. Maar dat was later.

Stevige rock en popmuziek
Vervolgens kwam U2 megagroot in beeld. Zeg je jaren tachtig, dan zeg je massale stadionconcerten. Eindelijk schudde ik disco van mij af en begon het tijdperk van de (stevige) rock en popmuziek. Dat bracht heel wat klassiek geworden platen voort. Terwijl ik dit schrijf, is Say you will van Foreigner op de radio.

Alsof ik wat in te halen had, bezocht ik optredens van veel groten der aarde. Zoals: U2, Simple Minds, Rolling Stones, David Bowie, Dire Straits, Prince, INXS, Bruce Springsteen, R.E.M., UB40, The Waterboys, Tina Turner, Queen, Big Country, Clannad en Marillion. Bij zo’n concert zag je niet alleen je favoriete band. Het was tegelijk een ontmoetingsplaats voor gelijkgestemde fans. Ik bewaar vooral goede herinneringen aan de Kuip. Wie zat er nog meer in de U2-Express van de NS?

Wereldmuziek als ontdekkingsreis
De afgelopen decennia bezocht ik vertolkers van wereldmuziek uit alle windstreken. Dat is logisch, want ik reisde vaak naar exotische oorden waar je lokale muziek hoorde. Zo bezocht ik het vierjaarlijkse Pacific Arts festival. Daar komen bevolkingsgroepen uit de hele Stille-Zuidzeeregio samen. Elke bevolkingsgroep ontwikkelde zijn eigen muzieksoort.

Waarschijnlijk bepaalt cultuur deels wat je mooi vind of niet. Oosterse en Afrikaanse muziek hebben andere toonladders en ritmes dan we in het westen gewend zijn. En sommige mensen beschouwen het gekweel van een Chinese diva als kattengejank.

Bij wereldmuziek hoor je vooral akoestische instrumenten. Het kan ontroerend puur klinken en in alle eenvoud wonderbaarlijk mooi zijn. Als aanvulling op alle westerse geluiden, vind ik dat verrijkend. Bovendien brengt wereldmuziek ons dichter bij onze wortels.

Zo heb je Franse chansons die herinneren aan het idyllische platteland uit de jaren zeventig. Of Ierse muziek die je in een knusse pub hoort terwijl het buiten regent. Bepaalde klanken leiden naar andere werelddelen, zoals van Te Vaka, een Polynesische band. Desgewenst haal je het geluid van een warme feestavond op het Afrikaanse continent in huis. Verder kom je gemixte invloeden tegen. Denk aan cajun. Dat is muziek uit vroeger tijden van Franse immigranten in de Amerikaanse staat Louisiana.

Dan is er nog de categorie wereldmuziek die recht door hart en ziel gaat. Een vertolker daarvan is de Tunesische oedspeler Anouar Brahem. Hij maakt een culturele mix die wonderlijk sprookjesachtig klinkt. Ik kan er allerlei taferelen bij fantaseren. Havens bijvoorbeeld, een warme zondagochtend in een klein Frans dorp. Of de boulevard van Beiroet, toen die stad nog het Parijs van het Midden-Oosten was. Dit is het soort muziek dat een compleet verhaal uitbeeldt. Hiervoor kan een ballet of film worden geschreven.

Bij wereldmuziek sluimeren altijd culturele en omgevingselementen door. Vaak hoort deze muziek bij religieuze rituelen, seizoenen of specifieke situaties. De rust van het levensritme, de weidsheid van het landschap, de nabijheid van de zee, een geïdealiseerde traditionele tegenstelling tussen man en vrouw (krachtig – liefelijk), het tempo van peddels in een roeiboot, de hoefstap van een paard. Overigens beschouw ik de vertrouwde riedels van een merel in mijn tuin ook als muziek.

Muziek als tijdperk
Een muziekstuk wordt mede gevormd door de tijd waarin het wordt gemaakt. Waar zouden wij naar hebben geluisterd als we in het jaar 1870 waren geboren, of in 1450? In 1450 werden teksten en toonladders eerder door kerk en koningshuis bepaald, dan door de gewone man op straat. Althans, wanneer je kijkt naar de muziekstukken die onze eeuw hebben gehaald.

In 1870 zongen mensen vast ritmische liedjes passend bij hun eentonige werk op het land of in de fabriek. Ik zou willen horen welke deuntjes toen favoriet waren. Luisterden arbeiders toen ook naar klassieke muziek? Of waren volksmuziek en liedjes uit toneel- voorstellingen beter bekend? In tijden van oorlog had je marsliederen. Bij de eerste bewegende beelden op het witte doek verscheen filmmuziek. En met de opkomst van computers ontstond de elektronische pop van Kraftwerk en Jean-Michel Jarre.

Klassieke muziek
Ter kennismaking bezocht ik enkele jaren geleden een serie korte lunchconcerten met klassieke muziek. Ik kende wel de Bolero, maar verder was mijn kennis beperkt. Veel liefhebbers van klassieke muziek maken daarmee via hun opvoeding kennis. Ik ging pas rond mijn vijftigste op ontdekking.

Nu weet ik ongeveer welke componisten muziek naar mijn smaak maken. Het zijn er vrij weinig. Meestal vind ik klassieke muziek gekunsteld klinken. Alsof alles in een strak keurslijf moet passen. Die stukken werden geschreven voor een elite met een leefwijze die ver van mij af staat. Relatief recenter werk van Rachmaninoff, Debussy en vooral Erik Satie waardeer ik wel.

Het belang van de songtekst
De betekenis van een lied ontgaat mij nogal eens. Ik scheid klank en woord als ik naar muziek luister. Enkele losse zinnen of woorden komen wel binnen, maar ik doe er weinig mee. Want de melodie vind ik belangrijker. Toch snap ik dat veel mensen liedjes mooi vinden vanwege de manier waarop een artiest een onderwerp bezingt. Vaak valt zo’n tekst extra op als een onderwerp je bovengemiddeld boeit. Maar blokkeer je de inhoud, dan kan je daar zelf invulling aan geven. Voor mij ondersteunt en versterkt muziek het vermogen om te kunnen fantaseren.

Fantasy
Erik Satie, Anouar Brahem, Susan Vega, Clannad en een legende als Kate Bush passen allemaal in dezelfde stroming. Namelijk die van de romantiek. Daarmee kom ik tot de kern van wat muziek voor mij is. Een zeer effectief middel om bij weg te dromen. Dat kan bij Marillion, Coldplay, Prince, en een nummer als Sweet Dreams. Afhankelijk van mijn gemoedstoestand spreekt zelfs punk tot de verbeelding.

Persoonlijke ontwikkeling en muziek
Iemand die van verschillende soorten muziek houdt, is vast breed geïnteresseerd en avontuurlijk ingesteld. Iemand die slechts een enkele subcategorie van een muziekgenre wil horen, is mogelijk beperkter in zijn kijk op de wereld. Dit veronderstel ik, maar wellicht zit er een kern van waarheid in.

Zelf muziek maken, schijnt helemaal goed te zijn. Volgens onderzoek ontstaat er dan een sterkere verbinding tussen je linker- en rechterhersenhelft. Dankzij musiceren word je een socialer mens. Dat komt omdat je spraak en intellect beter verbonden raken met je gevoel. Misschien moet ik mij toch eens aanmelden bij een shantykoor.