Op straat slapen

Ik heb drie nachten in mijn leven noodgedwongen op straat doorgebracht. Twee keer na afloop van het Rock Torhout festival in België. Daar miste ik de laatste trein. En een keer op het station van Lille in Frankrijk. Toen miste ik ’s avonds door vertraging in België mijn aansluiting naar Sedan.

In de laatste aflevering van het EO-programma Arm in Nederland? Eigen schuld! brengen twee vrouwelijke deelnemers ook een nacht op straat door. Ze hebben dan al veel mee- gemaakt: steeds minder te besteden, huis leeggehaald door de deurwaarder, huis kwijt en illegaal in een caravan slapen. Elke dag spreken ze mensen die in een vergelijkbare situatie zitten. Zo ervaren ze hoe het is, wanneer je volledig berooid bent nadat alles in het leven misgaat.

1985_torhoutDe eerste keer in Torhout was mijn eigen fout. Het festival ging door tot middernacht. Ik besefte niet dat de laatste trein naar Brugge, waar mijn hotel was, al om 21.30 uur vertrok. (Wie verzint zoiets nou bij een popfestival waar tienduizenden mensen op af komen?)

De tweede keer was ik dus gewaarschuwd en verliet ik tijdig het terrein. Althans dat was ik van plan. De bewaking hield mij echter tegen. Er liep al zo’n massa via die route naar het station, dat de rest een omweg moest volgen. Dat koste geen half uur, maar vijf kwartier. En dus miste ik wederom de trein.

Beide nachten in Torhout heb ik in en voor het station doorgebracht. Zo lang mogelijk binnen, totdat de boel werd ontruimd en de deuren dicht gingen. De eerst keer waren er ook andere festivalgangers gestrand. Het werd toen een gezellige, studentikoze nacht. Er was een Amerikaanse vrouw waar ik urenlang mee heb gepraat.

Maar de tweede keer zat ik alleen voor de deur. Er kwamen regelmatig dronken mensen langs. Met het verstrijken van de tijd werd het steeds kouder, onaangenamer en onveiliger. Ik probeerde de gure wind met een plastic tas voor mijn jas tegen te houden en moest hoognodig naar de wc. Uiteindelijk ben ik opgekruld bij de deur ingedommeld. Tot ik ruw opzij werd geschoven door de portier. Die duwde met de punt van de deur tegen mij aan, alsof ik een hoopje afval was. Als je op straat slaapt, ben je niets.

Mijn nacht in Lille (notabene een voorouderlijke stad) was weinig beter. Per toeval strandde ik er tijdens de Grande Braderie. Die braderie is zo ongeveer het equivalent van koningsdag in Amsterdam. Teruggaan naar huis was te ver, als ik nog naar Sedan wilde doorreizen. En in relatief nabij gelegen steden wist ik niet de weg. Het was het pre-internet tijdperk en ik had geen mobieltje. Bovendien sprak ik toen nauwelijks Frans en kon ik moeilijk informatie krijgen. Ik heb overal geprobeerd een hotelkamer te vinden, tevergeefs.

Na een lange omzwerving met mijn koffertje door de feestende massa, keerde ik uiteindelijk terug naar het station. Ook hier gingen de deuren dicht en werden de taferelen rondom het gebouw tamelijk chaotisch. Eerst waren er nog de vertrekkende feestgangers. Daarna kreeg een schimmiger en luidruchtiger publiek de overhand. Inclusief zwervende probleemgevallen, zoals je in elke grote stad bij stations ziet.

Ik heb urenlang in een bushokje gezeten terwijl politieauto’s regelmatig passeerden.
Rond 02.00 uur kreeg ik gelukkig gezelschap van een hele grote dikke zwarte vrouw. Zij plantte haar African Samsonites pontificaal voor ons beider voeten neer. Of ik mee wilde helpen opletten. Ook zij was gestrand en moest naar Parijs. Ze zat knus en stevig tegen mij aan op het kleine bankje. Ik blij, want met haar erbij voelde ik mij helemaal veilig.

De deelnemers aan het programma over armoede hebben uitgesproken en tegengestelde opvattingen. Ze zijn en blijven overtuigd van hun eigen gelijk. Daar verandert meedoen aan het programma niets aan. Volgens twee jonge mannen is het een kwestie van eigen schuld. ‘Had hij maar geen foute beslissingen moeten nemen.’ ‘Had ze maar alles aan moeten pakken’. Volgens een andere deelneemster kan het door omstandigheden misgaan. Zoals door ziekte of pech. Toch plaatst ook zij soms vragen bij de keuzes die armen maken.

Uitgerekend de drie mannen weigeren de dramatische eindfase: op straat slapen. De één zou zich nog liever van kant maken, als zijn leven zo uitzichtloos zou worden. De twee anderen, van de school ‘eigen schuld, dikke bult’, zijn ervan overtuigd dat het bij hen nooit zo ver zal komen. Zij zullen er alles aan doen om niet zo diep te zinken. Jammer.

Ruim achttien jaar sinds die nacht in Lille kijk ik terug op mijn nachtelijke avonturen. Zeker, nu zou ik andere keuzes maken. Maar ik ben dan ook pas laat assertief geworden. Buitenstaanders kunnen makkelijk oordelen. Ik ben door die paar nachten op straat vooral rijker geworden.

(Bron foto: http://www.oosterlincknet.be/concerts/1985_torhout.jpg)

Het is oppassen geblazen

Een paar graden nachtvorst en hier en daar een dun laagje sneeuw. Het is reden voor de NS om reizigers op Utrecht Centraal te waarschuwen. ‘Past u op bij het in- en uitstappen. De perrons kunnen glad zijn.’ Later die dag slenter ik door de hal van Arnhem Centraal. Het (werkelijk schitterende) nieuwe dak laat enkele druppels door. Daar moet terstond iets aan gebeuren, want stel je toch eens voor. Er zou iemand in een plasje water kunnen stappen. Dus staat er pontificaal naast een emmer op de grond een rood-witte pion. GEVAAR!

Eigenlijk mis ik nog iets in de berichtgeving. Zo van: ‘Het is koud buiten, doet u uw jas goed dicht. En heeft u uw sjaal wel om? Pas op hoor, anders kunt u nog kou vatten. Nu u er toch bent: moet u voor de zekerheid niet nog een plasje doen? U kunt dat beter in dit gebouw doen, dan straks onderweg. Rechts van de hal vindt u ons brandschone openbare toilet.’

We kunnen erom lachen en er de draak mee steken. Toch is het heel aandoenlijk allemaal. In dit land zijn we best zuinig op onze burgers. Dat is niet overal het geval. Ik herinner mij waanzinnige toestanden op Afrikaanse wegen. Ook in de minder gereglementeerde landen van Zuid- en Oost-Europa kunnen ze er wat van. Véél te hard rijden, enorme risico’s nemen en maar lachen. De mannen vooral. Gordels zijn voor watjes.

In sommige landen maken ze zich drukker om terroristische aanslagen dan om veiligheidsmaatregelen in het verkeer. Zoals in Israël. Voordat je er in een vliegtuig stapt, wordt alles binnenstebuiten gekeerd. Maar geen stewardess die erop let of je je gordel om hebt. De angst voor aanslagen overheerst alles. En dat is vreemd, eigenlijk. Want het aantal fatale verkeersongelukken is er hoger dan het aantal mensen dat er sterft door een bom.

Misschien past hier toch een waarschuwing. Ik heb landen in het Midden-Oosten bezocht waar vrij kort daarvoor nog oorlog was. Daarna bedacht ik de volgende theorie. Een posttraumatische stressstoornis kan blijken uit extreem roekeloos gedrag in het verkeer.

Gele lijn op het station

Utrecht Centraal, zomaar een perron.
Wachtend op de trein, drentel ik wat rond.
Stap, stap, stap, gedachteloos passeer ik een gele lijn.

Mijn ogen volgen het geel.
Het vormt een vierkant geheel.
‘Heb je misschien een vuurtje?’, vraagt een jongen.
Want, tot stilstand gekomen binnen de gemarkeerde zone,
zal ik vast wel een mede-roker zijn.

Beeldvorming.
Op sommige plaatsen is de grens
tussen neutrale observatie en vooroordeel slechts een dunne lijn.

De zwerver

Het is de middag voor kerstavond. Ik zie je gehurkt tegen een muurtje zitten, in de luwte tijdens een storm en hoosbui. Ik kom net van het AH-slagveld en loop voorbij, zeulend met eendenborst, kerststol en andere lekkernijen. Met je zwarte haar en lichtbruine huid heb je iets van een Latijns-Amerikaanse indiaan. Wat is jouw verhaal, waar kom je vandaan?

Station
Zwervers. Je ziet er de laatste tijd steeds meer. ’s Morgens vroeg wacht ik samen met andere passanten bij het station op de bus. Daar worden we getrakteerd op luidkeels gebrul en gelal van twee bezopen mannen. Om hen heen twee meter vrije ruimte. De wachtenden verdringen zich op een afstandje onder het afdak.

Eng
Mannelijke zwervers vind ik een beetje eng. Ik weet dat ze vaak psychische stoornissen hebben. Ze zijn regelmatig dronken of gebruiken drugs. Hun haren en kleren zijn goor. Ze staan midden op straat tegen bomen te piesen, bij het politiebureau. Ze lijken mij onberekenbaar. Ik weet niet hoe ik met mensen in zo’n toestand om moet gaan. Ik ben gewoon een voorbijganger, geen psychiater.

Supermarkt
Voor bijna elke supermarkt staan bij ons daklozen of zwervers die bedelen om geld voor een nacht onderdak. Soms verbaas ik mij erover hoe gemakkelijk jong en oud hen wat toestopt. Ik zie een zwerver regelmatig terug in de supermarkt. Waar hij netjes afrekent voor vier blikjes van het goedkoopste bier.

Trein
Een stevige Surinaamse zei tegen een rondscharrelende bedelaar in een treincoupé, dat niemand in Nederland om geld hoeft te vragen. Er is een regeling waardoor ze gratis een bed bij het Leger des Heils krijgen. De Roma met hun harmonica heb ik onderweg al een tijd niet gezien. Maar ik ben gestopt met forenzen, dus reis ik nog zelden met de trein.

Stadspark
Er is bij ons geen park meer waar ik kan lopen, zonder van top tot teen te worden bekeken. Goed hoorbaar bespreken rondhangende mannen met bier en joints elke langslopende vrouw. Qua leeftijd kan ik hun moeder wel zijn. In het mooiste park langs statige panden geldt inmiddels een samenscholingsverbod. Kennelijk zijn er ook andere bezoekers die zich hier niet meer prettig voelen. Maar de tekst op het bordje wordt nooit gehandhaafd. Dus waar moet ik nu heen?

Wie ben je?
Hoe ben je zover gekomen, wat is er gebeurd? Was je vader een hufter, die jou en je moeder alle hoeken van de kamer liet zien? Waren je ouders vroeger hippies en zelf verslaafd? Waarom voelde jij je niet thuis, of was je niet gewenst? Ben je zo gekwetst of beschaamd, dat je iedereen de rug toekeert? Dat je vlucht in drank en drugs en geen woord meer wil horen over eigen keuzes, verantwoordelijkheid en naastenliefde. Ligt het allemaal aan de regering en die etterstralen bij de sociale dienst? Of zitten die klojo’s van de GGZ je dwars? Zou je liever een eigen kamer hebben in een open centrum, met professionele begeleiding voor mensen zoals jij?

Crisis
Jij lijkt mij geen slachtoffer van de recente crisis. Mensen die financieel diep zinken, gedragen zich meestal anders. Vaak proberen ze op alle mogelijke manieren vooruit te komen en hun leven te normaliseren. Onder moeilijke omstandigheden kopen ze nog een cadeautje voor hun kinderen. Maar het geeft te denken. Want dakloos worden, dat kan ons nu allemaal overkomen.

Asielzoeker
Ik zie je, Latijns-Amerikaanse indiaan, want jij bent ook een mens. Ben je vertrokken uit een land vol rechteloosheid, en gelooft niemand hier je verhaal? Kan jij niet terug, omdat jouw familie geld voor je reis bijeen heeft gelegd? Zullen ze met ongeloof reageren als je vertelt dat het plan is mislukt? Hoe ben jij in deze miserabele toestand beland?

Ik loop door, want de daklozenopvang is hier vlakbij. Straks mag je gelukkig weer naar binnen. Ik wens je iets beters dan deze manier van leven. Eerder werkte ik in een sector ter bestrijding van armoede en ongelijkheid. Ik heb een bedrijf gehad in fair trade accessoires. Wat kan ik als werkzoekende doen aan de problemen in de wereld? Behalve kritische stukjes schrijven in een blog.

Maak je geen zorgen, er komt een oplossing. Altijd. Fijne feestdagen!