Lijnen bij Arnhem Centraal Station 14

Wie Raam Open volgt, weet dat ik graag speel met dubbele betekenissen. De praktijk wordt gelinkt aan de filosofie. Het uitgebeelde krijgt in woord een extra dimensie. En een eenvoudig zinnetje blijkt multi-interpretabel. Soms zie ik in het echt een tafereel dat dit duale al in zich heeft.

Hoewel verre van perfect, verbeeldt deze foto dat duale. Dit is één van de voorkanten van Station Arnhem Centraal, afhankelijk van hoe je dat bekijkt. Op dit punt passeren verschillende lijnen, zowel in de lucht als op de weg. Een waar lijnenspel.

Taxirit na telefoontje om 03:20 uur

Je kan van alles plannen. Maar als je ’s nachts om 03:20 uur vanuit een Leids ziekenhuis wordt gebeld, dan veranderen alle prioriteiten. Rustig blijven ademhalen. Hoort er ook bij. De wereld draait door.

Al zou je dat laatste hier niet zeggen. In deze uithoek rijden namelijk geen nachttreinen. Daar ben ik echter wel op ingesteld. Want ik heb 22 jaar vlakbij een station gewoond waarvandaan je Schiphol altijd kan bereiken. En dus de hele wereld. Permanent. Dag en nacht. Ik had natuurlijk veel eerder moeten uitzoeken welke taxibedrijven hier goed zijn. Als ik maar bij Utrecht CS kan komen. Dan is Leiden ook weer bereikbaar.

Wat later rijdt er ’s nachts in ons stille straatje een dikke witte Mercedes voor met een blauw nummerbord. Of ik een koffer bij me heb? Nee. Of ik voorin wil, of achterin? Voorin.

Nog wat later rijden we over een snelweg waar ik zelden kom. Behalve wanneer de treinen niet rijden. De chauffeur is tegelijk directeur en krijgt het ene na het andere telefoontje. Van iemand die naar Velp moet. Een volgende klant wil bij de Blikken Bioscoop worden opgepikt. Met een tweede mobiele telefoon trommelt hij een maatje op en pakt daarna het gesprek met de bellende klant weer op. Zelf is ‘ie onderweg naar Utrecht, dus kan ‘ie nu even geen klanten ophalen. Niks hands free. Er is toch nauwelijks verkeer op dit tijdstip, dus wat maakt het uit.

Ondertussen houdt hij ons gesprek gaande. Dat krijg je als je voorin zit. Allerlei onderwerpen roert hij aan. De woningmarkt (zijn nicht heeft een grote restschuld) en zijn fijne huurhuis in de stad. De asielzoekers die alles maar krijgen. De voetbalclub. De speklaag op zijn buik. (Daar praat hij schuldbewust over, maar vermoedelijk is hij er ook wel trots op.) De ziekte van zijn vrouw (longkanker) en de chemo. Hij was zelf net gestopt met roken, maar toen werd zijn vrouw ziek en begon hij van ellende weer te paffen. Zo gaat dat.

Ik vraag hem hoe hij Arnhem vindt. Dat doe ik altijd als ik Arnhemmers spreek. Hij is er zeer groos op en zou in geen andere stad willen wonen. ‘Want neem nou park Sonsbeek, en de Veluwe ligt net buiten de stad.’ De vergelijking met Amsterdam komt ook voorbij. En al is Arnhem Leiden niet, ik geef hem groot gelijk. Met deze stad is hij het meest vertrouwd, dus is die voor hem het belangrijkst. Het is wel fijn dat hij voortdurend praat, want dat leidt tenminste af.

In Utrecht zijn ze aan het bouwen en wordt hij door de TomTom misleid. ‘Daarom volg ik die andere taxi voor ons. Die weet vast wel waar we moeten zijn.’ Het komt goed. Na twee keer raampje opendraaien en vragen, levert hij me precies op de juiste plek af. Een zijingang van het station bij Hoog Catharijne die op dat vroege tijdstip open is.

(Nu, ruim een dag en een nacht later, is de acuut levensbedreigende situatie voor de betreffende persoon gelukkig weer voorbij.)

Naar Breda, of eigenlijk Tilburg

Het is zondag en ik heb nog een NS-kortingkaartje, dat bijna verloopt. Eerst overweeg ik een bezoekje aan Franeker en Harlingen. Dan denk ik aan Groningen. Uiteindelijk wordt het Breda. Nou ja, Breda …

Tussen Arnhem en Nijmegen rijden NS-bussen. Altijd leuk ter afwisseling voor wie de wereld doorgaans vanuit de trein ziet. Vanaf Nijmegen gaat de intercity richting Roosendaal. Ik heb nog weinig langs die route gereisd. Frappant is dat elk traject een unieke verzameling lokale en regionale reizigers heeft. De verschillen zijn subtiel, maar onmiskenbaar. Tussen Den Bosch en Tilburg brengt het landschap oude herinneringen boven. Brabant ken ik vooral van boswandelingen en kinderkamp op boerderijen in Schaijk en Bergeijk. Roosendaal is een naam op de route naar Spanje en Frankrijk. En lang geleden was er een avond stappen in Breda.

Het nieuwe station van Breda is bijna af. Nu is het – nog zonder winkels – een duistere catacombe. Ook het buitenlucht is grauw. Later op die dag begint Serious Request. De route ernaartoe staat vol kermisattracties en kraampjes. Uit de luidsprekers klinkt Jingle bells vermengd met het kabaal van een line dance drumband op straat. Wel doen enkele houten huisjes denken aan kerst. Diverse handelaren presenteren een origineel food concept in hippe wagens. Leuk bedacht, alleen zie je dat nu overal. Ik beschouw het als de westergasfabrikisering van Nederland. Na deze marketingfuik ben ik gauw klaar met Breda.

Terug op het station neem ik de eerste trein naar Tilburg. Daar kom ik nu voor de derde keer in mijn leven. De eerste keer ging ik naar het Textielmuseum voor een onderzoeksproject. En de tweede keer vormde Tilburg het beginpunt van een winterwandeling op een ijskoude dag. We liepen toen vanaf het station naar het centrum en dronken koffie op een kruispunt van winkelstraten. Daar had ik wel langer willen blijven, maar we moesten door.

Kortom, Tilburg in de herkansing. Tilburg wordt verguisd. Niemand doet aardig over Tilburg. Het is een industriestad die in het slop raakte toen het werk naar lagelonenlanden ging. Eerder was Tilburg een concurrent van Leiden, dat op dezelfde industrie draaide. In Brabant werkten toen thuiswevers die slechter verdienden dan Leidse fabrieksarbeiders. Tilburg is gebouwd op lage lonen, maar dat werd bijna haar ondergang. Rücksichloze stadsvernieuwing deed de rest. En kennelijk blijft het, ondanks prestigeprojecten en een fraaie schouwburg, de verschoppeling van Brabant.

Maar niet in mijn ogen. Ik hou juist van dit soort underdogs. Bovendien: Tilburg heeft wel degelijk mooie straten en gebouwen. Neem de Noordstraat vlakbij het station. Daar staan panden met ingetogen Jugendstil-elementen. En er zitten écht authentieke winkels in die wijk. Als je even niet oplet, loop je er zo aan voorbij. Ze doen namelijk niet zo uitsloverig. Tilburg heeft nog van die zeldzame rauwe randjes, zonder dat daar marketingtechnisch over is nagedacht. Oude muurtjes op een binnenplaats, overwoekerd door klimop en onkruid. Ik vind dat prachtig.

Hoezo is Tilburg een misbaksel? Ik zit er heerlijk in die koffiezaak op de hoek van de Oude Markt en de Heuvelstraat, en kijk daar ruim een uur lang naar passanten. De bediening is vriendelijk en niet opdringerig. Gewoon. Ook opvallend: dit is zo’n horecagelegenheid waar je niet de hele tijd hoeft te schrééuwen. In veel andere zaken is het te rumoerig om normaal een gesprek te voeren. Heel aangenaam.

Dan nog wat. Dat textielmuseum is een bezoek waard. Bovendien heeft Tilburg diverse attracties in de omgeving. Zoals de bossen en vennen bij Oisterwijk. Dat plaatsje is trouwens ook aardig. Of bezoek brouwerij Koningshoeven met het proeflokaal van La Trappe in Berkel-Enschot. Daar kan je overheerlijke erwtensoep eten te midden van Brabantse gezelligheid.

Vervolgens ben ik naar Den Bosch gegaan, maar dat kent iedereen al.

Drukte op en rond station Leiden Centraal

Ximaar vraagt in zijn reactie op Aansluiting gemist op Utrecht Centraal of er wel eens onderzoek is gedaan naar het aantal mensen dat in Leiden dagelijks door het station loopt.

Over het station in Leiden wordt al zo’n twintig jaar fel discussie gevoerd. Zowel over het gebouw zelf, over de directe omgeving, over de poortjes, over de drie andere onderdoor- gangen vanuit het centrum (naar de Plesmanlaan, het LUMC en de Rijnsburgerweg) en over de reizigersaantallen. Wat de bezoekers- of reizigersaantallen betreft, is juist het punt of doorlopers worden meegeteld, onderwerp van discussie. Dit zijn mensen die het gebouw slechts in- en uitlopen op hun route naar een ander stadsdeel.

In het recente rijtje toekomstgerichte stations- vernieuwingen was Leiden een voorloper en daarmee een proefstation. Inmiddels is die voorsprong alweer links en rechts ingehaald. Buiten de spits is het best een prettig station. De bankjes en tafels in het midden fungeren echt als ontmoetingsplaats en er is een aardige variatie aan winkels. Het kost wel moeite om sommige winkelruimtes permanent te verhuren. Daarom zie je er regelmatig andere originele pop-upstores.

Maar neem om 7:50 uur in Leiden de trein naar Den Haag, zoals ik ruim tien jaar heb gedaan. Dan staan de wachtende forenzen letterlijk zes rijen dik en krioelen nieuwkomers vlak langs je heen. Als ik er ’s morgens vroeg stond, moest ik soms letterlijk mijn ogen sluiten omdat mijn nog half slapende brein daar duizelig van werd. Richting Amsterdam is de situatie net zo.

De reizigersaantallen zijn inderdaad herhaaldelijk geteld en onderzocht. Het gaat om 70.000 reizigers per dag. Bij mijn weten is dat cijfer zo hoog, omdat Leiden dagelijks grote aantallen bezoekers en forenzen trekt. De stad is namelijk een regionaal en deels nationaal centrum voor zorg en onderwijs. Denk aan de universiteit (5.500 medewerkers en 25.800 studenten), de Hogeschool en het ROC. Daarnaast zijn er nog diverse grote middelbare scholen. Verder heeft Leiden als medische voorzieningen het LUMC (6.000 werknemers en dagelijks tienduizenden bezoekers), het Diaconessenhuis en het Alrijne. (Dat laatste is het voormalige Rijnland- of Elizabethziekenhuis, nu in Leiderdorp).

In een stad als Amsterdam zitten de grote onderwijs- en zorginstellingen beter verspreid over het centrum en de buitenwijken. In Leiden concentreren deze zich juist voornamelijk rond het station. Het aan de universiteit ontsproten Bio Science Park ligt er direct achter. Dat staat vol innovatieve bedrijven en onderzoeksinstellingen, waaronder Naturalis. Het park is een internationale banenmotor. Daarbij speelt mee dat Leiden al sinds 1574 last heeft van chronisch ruimtegebrek.

Bovendien is Leiden een belangrijke toegangspoort naar de kust voor mensen uit het oosten. In Arnhem en omgeving staat Leiden ook als toeristische bestemming goed bekend dankzij het historische centrum en de vele musea. Verder komt een deel van de bezoekers voor de Keukenhof aan op Leiden Centraal. Tot slot wonen in Leiden veel mensen die in Den Haag of Amsterdam werken. Zij zijn er geboren of hebben voor deze stad gekozen vanwege het kleinschalige karakter. Dit is in de hand gewerkt door goede verbindingen naar het noorden en zuiden, inclusief de nachttrein naar Schiphol.

De agglomeratie bestaat uit de aan Leiden vastgegroeide dorpen Warmond (gemeente Teylingen inclusief Voorhout en Sassenheim), Leiderdorp (plus naburige gemeenten in het Groene Hart), Zoeterwoude, Voorschoten en Oegstgeest (met Katwijk, Rijnsburg, Valken- burg en Noordwijk dichtbij). Voorschoten is ook deels op Den Haag georiënteerd. Dan kom je op minimaal 122.500 + 36.000 + (27.000 en circa 20.000) + 8.100 + 25.200 + 23.200 + 64.200 (Katwijk incl. Rijnsburg en Valkenburg) + 25.800 = 352.000 inwoners.

Kortom, Leiden mag dan een provinciestadje lijken, het heeft met reden het vijfde drukste station van Nederland. Daarom mogen ze bij de NS best eens over betere aansluitingen vanuit het oosten op Utrecht Centraal nadenken.

Aansluiting gemist op station Utrecht Centraal

Het is weer zover op Utrecht Centraal. Voor mijn neus vertrekt de trein naar Leiden net wanneer ik hijgend de trap afdaal. Even daarvoor heb ik een sprintje getrokken van spoor 7, trap op, naar spoor 20, trap af, dwars door die stomme hal. Ik háát Utrecht Centraal en dat duurt nu al 21 jaar. In 1995 moest ik een fijne baan opgeven vanwege net zo’n slechte aansluiting tussen de trein uit Leiden en die naar Houten. Op Utrecht Centraal.

Ik wed dat het Hoofd Planning bij de NS in Utrecht de pest heeft aan mijn geboortestad. Waarom anders is het perron naar Leiden bijna altijd het verst weg van het centrum? Let er maar eens op. Op station Utrecht Centraal, uiteraard. Op Den Haag Centraal, Den Haag Hollands Spoor, Amsterdam Centraal (voorheen althans) en Arnhem Centraal (vanaf spoor 11 via Utrecht, of via Schiphol waar het perron ook ver van de oude vertrekhal is). Ja, zelfs op het station van Zwolle. Alleen Rotterdam heeft een Leiden-vriendelijk station.

Bij mijn weten heeft Leiden nog altijd het vijfde drukste station van Nederland. Dus na Utrecht, Rotterdam, Den Haag en Amsterdam. Dat is toch een hele prestatie voor zo’n lieflijk, knus ‘provinciestadje’. Leiden is feitelijk de allerbelangrijkste stad na die grote vier. Ja toch? Nou dan. Ze kunnen daar op dat NS-kantoor nog steeds niet verkroppen dat Leiden in de Gouden Eeuw na Amsterdam het grootst was. Dus niet Utrecht met zijn Dom. Maar Leiden met zijn burcht op een echte motte. Kom daar maar eens om.

Als ze maar weten dat ik mij toch wel heb vermaakt. Ook al moest ik 28 minuten op dat suffe station doden. Ik heb lekker op mijn gemak rond gedrenteld. Dan zie je de halve wereld voorbijkomen.

Een donkere man met een swingend loopje, weggedoken in zijn hoodie. Een Hindoestaan met lange pijpenkrullen, drie koters en een blozende Hollandse vrouw. Een Chinees die een stapel briefjes van € 50 door zijn vingers flipt, terwijl zijn vrouw/dochter/maîtresse gauw het pand van haar jasje ervoor houdt. Ik zag het toch wel. Een ouder stel in wandelaarstenue. Een strak geklede latino met kekke snor en baard. En een fris geboend gezin dat vast naar de kerk ging.

Voor de glazen wand aan de rand van de hal hou ik halt. Daar waar je uitkijkt over de sporen richting het oosten. Vliegtuig-grijze daken strekken zich uit tussen dito modern-grijze hoogbouw. Even verderop zitten een man en een vrouw op een bankje. Met hun rug naar de winkels, het gekrioel en het geroezemoes van de massa. Stil te genieten van de rust en het uitzicht. Precies zoals ik dat vaak even doe op Schiphol. Eigenlijk is Utrecht Centraal net een luchthaven. En daar vermaak ik mij altijd wel.

lieveheersbeestjeLieveheersbeestje in de trein.

Op straat slapen

Ik heb drie nachten in mijn leven noodgedwongen op straat doorgebracht. Twee keer na afloop van het Rock Torhout festival in België. Daar miste ik de laatste trein. En een keer op het station van Lille in Frankrijk. Toen miste ik ’s avonds door vertraging in België mijn aansluiting naar Sedan.

In de laatste aflevering van het EO-programma Arm in Nederland? Eigen schuld! brengen twee vrouwelijke deelnemers ook een nacht op straat door. Ze hebben dan al veel mee- gemaakt: steeds minder te besteden, huis leeggehaald door de deurwaarder, huis kwijt en illegaal in een caravan slapen. Elke dag spreken ze mensen die in een vergelijkbare situatie zitten. Zo ervaren ze hoe het is, wanneer je volledig berooid bent nadat alles in het leven misgaat.

De eerste keer in Torhout was mijn eigen fout. Het festival ging door tot middernacht. Ik besefte niet dat de laatste trein naar Brugge, waar mijn hotel was, al om 21.30 uur vertrok. (Wie verzint zoiets nou bij een popfestival waar tienduizenden mensen op af komen?)

De tweede keer was ik dus gewaarschuwd en verliet ik tijdig het terrein. Althans dat was ik van plan. De bewaking hield mij echter tegen. Er liep al zo’n massa via die route naar het station, dat de rest een omweg moest volgen. Dat koste geen half uur, maar vijf kwartier. En dus miste ik wederom de trein.

Beide nachten in Torhout heb ik in en voor het station doorgebracht. Zo lang mogelijk binnen, totdat de boel werd ontruimd en de deuren dicht gingen. De eerst keer waren er ook andere festivalgangers gestrand. Het werd toen een gezellige, studentikoze nacht. Er was een Amerikaanse vrouw waar ik urenlang mee heb gepraat.

Maar de tweede keer zat ik alleen voor de deur. Er kwamen regelmatig dronken mensen langs. Met het verstrijken van de tijd werd het steeds kouder, onaangenamer en onveiliger. Ik probeerde de gure wind met een plastic tas voor mijn jas tegen te houden en moest hoognodig naar de wc. Uiteindelijk ben ik opgekruld bij de deur ingedommeld. Tot ik ruw opzij werd geschoven door de portier. Die duwde met de punt van de deur tegen mij aan, alsof ik een hoopje afval was. Als je op straat slaapt, ben je niets.

Mijn nacht in Lille (notabene een voorouderlijke stad) was weinig beter. Per toeval strandde ik er tijdens de Grande Braderie. Die braderie is zo ongeveer het equivalent van koningsdag in Amsterdam. Teruggaan naar huis was te ver, als ik nog naar Sedan wilde doorreizen. En in relatief nabij gelegen steden wist ik niet de weg. Het was het pre-internet tijdperk en ik had geen mobieltje. Bovendien sprak ik toen nauwelijks Frans en kon ik moeilijk informatie krijgen. Ik heb overal geprobeerd een hotelkamer te vinden, tevergeefs.

Na een lange omzwerving met mijn koffertje door de feestende massa, keerde ik uiteindelijk terug naar het station. Ook hier gingen de deuren dicht en werden de taferelen rondom het gebouw tamelijk chaotisch. Eerst waren er nog de vertrekkende feestgangers. Daarna kreeg een schimmiger en luidruchtiger publiek de overhand. Inclusief zwervende probleemgevallen, zoals je in elke grote stad bij stations ziet.

Ik heb urenlang in een bushokje gezeten terwijl politieauto’s regelmatig passeerden.
Rond 02.00 uur kreeg ik gelukkig gezelschap van een hele grote dikke zwarte vrouw. Zij plantte haar African Samsonites pontificaal voor ons beider voeten neer. Of ik mee wilde helpen opletten. Ook zij was gestrand en moest naar Parijs. Ze zat knus en stevig tegen mij aan op het kleine bankje. Ik blij, want met haar erbij voelde ik mij helemaal veilig.

De deelnemers aan het programma over armoede hebben uitgesproken en tegengestelde opvattingen. Ze zijn en blijven overtuigd van hun eigen gelijk. Daar verandert meedoen aan het programma niets aan. Volgens twee jonge mannen is het een kwestie van eigen schuld. ‘Had hij maar geen foute beslissingen moeten nemen.’ ‘Had ze maar alles aan moeten pakken’. Volgens een andere deelneemster kan het door omstandigheden misgaan. Zoals door ziekte of pech. Toch plaatst ook zij soms vragen bij de keuzes die armen maken.

Uitgerekend de drie mannen weigeren de dramatische eindfase: op straat slapen. De één zou zich nog liever van kant maken, als zijn leven zo uitzichtloos zou worden. De twee anderen, van de school ‘eigen schuld, dikke bult’, zijn ervan overtuigd dat het bij hen nooit zo ver zal komen. Zij zullen er alles aan doen om niet zo diep te zinken. Jammer.

Ruim achttien jaar sinds die nacht in Lille kijk ik terug op mijn nachtelijke avonturen. Zeker, nu zou ik andere keuzes maken. Maar ik ben dan ook pas laat assertief geworden. Buitenstaanders kunnen makkelijk oordelen. Ik ben door die paar nachten op straat vooral rijker geworden.