Geen mondkapje om medische reden

Naar verluid kunnen anderhalf miljoen Nederlanders geen mondkapje dragen vanwege medische of psychische problemen. In de krant vertelt een mevrouw met lichte PTSS hoe zo’n kapje haar benauwt. Ze stuit op veel onbegrip op straat. Sommige omstanders spreken haar zeer belerend aan. Daarom pleit zij voor meer begrip en verdraagzaamheid.

Ik kan mij voorstellen hoe een mondkapje haar kan benauwen. Zelfs al valt het in werkelijkheid mee; zodra je het idee krijgt dat je stikt, kan de paniek flink toeslaan. Een paar jaar geleden overviel mij dat gevoel toen ik in een grote menigte klem kwam te zitten. Het was een beangstigende ervaring waarbij ik kortstondig ging hyperventileren. Maar ik ben mentaal nog gezond genoeg om mezelf tot kalmte te dwingen. (Vooral dat laatste is best een geruststelling.)

Binnenkort ga ik een dagje naar het archief. Dan moet het mondkapje ook weer op. Eerst in de bus, dan in het stationsgebouw, daarna in de volgende bus, waarna ik heel even frisse lucht kan happen langs een stervensdrukke weg vol uitlaatgassen. Daarna gaat opnieuw het kapje op in de studiezaal. Dus urenlang en ook tijdens de lunchpauze. Waarna het zuurstofrijke wandelingetje terug naar de bushalte volgt, wederom onder het genot van uitlaatgassen. En verder, hop van de ene bus naar het stationsgebouw, weer in de volgende bus met mondkapje. Aan het eind van de dag krijg ik waarschijnlijk last van duizeligheid. Maar hè, alles voor het onderzoek.

Nu hoop ik wel dat mijn neus zich een dag lang wil gedragen. Het is namelijk koud en dan ontstaan er geheid gênante toestanden. Iedere winter is het raak: tranende ogen en glibberige snottebellen. Maar lastiger is dat ik nooit weet wanneer de bloedneuzen beginnen.

Zal ik dan alvast maar een demonstratiebordje fabriceren met een medische verklaring voor mijn niet-ontvankelijkheid? Dan kan ik dat aan iedereen tonen. Of zal ik preventief tamponnetjes in mijn neusgaten doen? Zo bezien heeft een mondkapje toch wel voordelen.

Lijnen bij Arnhem Centraal Station 14

Wie Raam Open volgt, weet dat ik graag speel met dubbele betekenissen. De praktijk wordt gelinkt aan de filosofie. Het uitgebeelde krijgt in woord een extra dimensie. En een eenvoudig zinnetje blijkt multi-interpretabel. Soms zie ik in het echt een tafereel dat dit duale al in zich heeft.

Hoewel verre van perfect, verbeeldt deze foto dat duale. Dit is één van de voorkanten van Station Arnhem Centraal, afhankelijk van hoe je dat bekijkt. Op dit punt passeren verschillende lijnen, zowel in de lucht als op de weg. Een waar lijnenspel.

Taxirit na telefoontje om 03:20 uur

Je kan van alles plannen. Maar als je ’s nachts om 03:20 uur vanuit een Leids ziekenhuis wordt gebeld, dan veranderen alle prioriteiten. Rustig blijven ademhalen. Hoort er ook bij. De wereld draait door.

Al zou je dat laatste hier niet zeggen. In deze uithoek rijden namelijk geen nachttreinen. Daar ben ik echter wel op ingesteld. Want ik heb 22 jaar vlakbij een station gewoond waarvandaan je Schiphol altijd kan bereiken. En dus de hele wereld. Permanent. Dag en nacht. Ik had natuurlijk veel eerder moeten uitzoeken welke taxibedrijven hier goed zijn. Als ik maar bij Utrecht CS kan komen. Dan is Leiden ook weer bereikbaar.

Wat later rijdt er ’s nachts in ons stille straatje een dikke witte Mercedes voor met een blauw nummerbord. Of ik een koffer bij me heb? Nee. Of ik voorin wil, of achterin? Voorin.

Nog wat later rijden we over een snelweg waar ik zelden kom. Behalve wanneer de treinen niet rijden. De chauffeur is tegelijk directeur en krijgt het ene na het andere telefoontje. Van iemand die naar Velp moet. Een volgende klant wil bij de Blikken Bioscoop worden opgepikt. Met een tweede mobiele telefoon trommelt hij een maatje op en pakt daarna het gesprek met de bellende klant weer op. Zelf is ‘ie onderweg naar Utrecht, dus kan ‘ie nu even geen klanten ophalen. Niks hands free. Er is toch nauwelijks verkeer op dit tijdstip, dus wat maakt het uit.

Ondertussen houdt hij ons gesprek gaande. Dat krijg je als je voorin zit. Allerlei onderwerpen roert hij aan. De woningmarkt (zijn nicht heeft een grote restschuld) en zijn fijne huurhuis in de stad. De asielzoekers die alles maar krijgen. De voetbalclub. De speklaag op zijn buik. (Daar praat hij schuldbewust over, maar vermoedelijk is hij er ook wel trots op.) De ziekte van zijn vrouw (longkanker) en de chemo. Hij was zelf net gestopt met roken, maar toen werd zijn vrouw ziek en begon hij van ellende weer te paffen. Zo gaat dat.

Ik vraag hem hoe hij Arnhem vindt. Dat doe ik altijd als ik Arnhemmers spreek. Hij is er zeer groos op en zou in geen andere stad willen wonen. ‘Want neem nou park Sonsbeek, en de Veluwe ligt net buiten de stad.’ De vergelijking met Amsterdam komt ook voorbij. En al is Arnhem Leiden niet, ik geef hem groot gelijk. Met deze stad is hij het meest vertrouwd, dus is die voor hem het belangrijkst. Het is wel fijn dat hij voortdurend praat, want dat leidt tenminste af.

In Utrecht zijn ze aan het bouwen en wordt hij door de TomTom misleid. ‘Daarom volg ik die andere taxi voor ons. Die weet vast wel waar we moeten zijn.’ Het komt goed. Na twee keer raampje opendraaien en vragen, levert hij me precies op de juiste plek af. Een zijingang van het station bij Hoog Catharijne die op dat vroege tijdstip open is.

(Nu, ruim een dag en een nacht later, is de acuut levensbedreigende situatie voor de betreffende persoon gelukkig weer voorbij.)

Naar Breda, of eigenlijk Tilburg

Het is zondag en ik heb nog een NS-kortingkaartje, dat bijna verloopt. Eerst overweeg ik een bezoekje aan Franeker en Harlingen. Dan denk ik aan Groningen. Uiteindelijk wordt het Breda. Nou ja, Breda …

Tussen Arnhem en Nijmegen rijden NS-bussen. Altijd leuk ter afwisseling voor wie de wereld doorgaans vanuit de trein ziet. Vanaf Nijmegen gaat de intercity richting Roosendaal. Ik heb nog weinig langs die route gereisd. Frappant is dat elk traject een unieke verzameling lokale en regionale reizigers heeft. De verschillen zijn subtiel, maar onmiskenbaar. Tussen Den Bosch en Tilburg brengt het landschap oude herinneringen boven. Brabant ken ik vooral van boswandelingen en kinderkamp op boerderijen in Schaijk en Bergeijk. Roosendaal is een naam op de route naar Spanje en Frankrijk. En lang geleden was er een avond stappen in Breda.

Het nieuwe station van Breda is bijna af. Nu is het – nog zonder winkels – een duistere catacombe. Ook het buitenlucht is grauw. Later op die dag begint Serious Request. De route ernaartoe staat vol kermisattracties en kraampjes. Uit de luidsprekers klinkt Jingle bells vermengd met het kabaal van een line dance drumband op straat. Wel doen enkele houten huisjes denken aan kerst. Diverse handelaren presenteren een origineel food concept in hippe wagens. Leuk bedacht, alleen zie je dat nu overal. Ik beschouw het als de westergasfabrikisering van Nederland. Na deze marketingfuik ben ik gauw klaar met Breda.

Terug op het station neem ik de eerste trein naar Tilburg. Daar kom ik nu voor de derde keer in mijn leven. De eerste keer ging ik naar het Textielmuseum voor een onderzoeksproject. En de tweede keer vormde Tilburg het beginpunt van een winterwandeling op een ijskoude dag. We liepen toen vanaf het station naar het centrum en dronken koffie op een kruispunt van winkelstraten. Daar had ik wel langer willen blijven, maar we moesten door.

Kortom, Tilburg in de herkansing. Tilburg wordt verguisd. Niemand doet aardig over Tilburg. Het is een industriestad die in het slop raakte toen het werk naar lagelonenlanden ging. Eerder was Tilburg een concurrent van Leiden, dat op dezelfde industrie draaide. In Brabant werkten toen thuiswevers die slechter verdienden dan Leidse fabrieksarbeiders. Tilburg is gebouwd op lage lonen, maar dat werd bijna haar ondergang. Rücksichloze stadsvernieuwing deed de rest. En kennelijk blijft het, ondanks prestigeprojecten en een fraaie schouwburg, de verschoppeling van Brabant.

Maar niet in mijn ogen. Ik hou juist van dit soort underdogs. Bovendien: Tilburg heeft wel degelijk mooie straten en gebouwen. Neem de Noordstraat vlakbij het station. Daar staan panden met ingetogen Jugendstil-elementen. En er zitten écht authentieke winkels in die wijk. Als je even niet oplet, loop je er zo aan voorbij. Ze doen namelijk niet zo uitsloverig. Tilburg heeft nog van die zeldzame rauwe randjes, zonder dat daar marketingtechnisch over is nagedacht. Oude muurtjes op een binnenplaats, overwoekerd door klimop en onkruid. Ik vind dat prachtig.

Hoezo is Tilburg een misbaksel? Ik zit er heerlijk in die koffiezaak op de hoek van de Oude Markt en de Heuvelstraat, en kijk daar ruim een uur lang naar passanten. De bediening is vriendelijk en niet opdringerig. Gewoon. Ook opvallend: dit is zo’n horecagelegenheid waar je niet de hele tijd hoeft te schrééuwen. In veel andere zaken is het te rumoerig om normaal een gesprek te voeren. Heel aangenaam.

Dan nog wat. Dat textielmuseum is een bezoek waard. Bovendien heeft Tilburg diverse attracties in de omgeving. Zoals de bossen en vennen bij Oisterwijk. Dat plaatsje is trouwens ook aardig. Of bezoek brouwerij Koningshoeven met het proeflokaal van La Trappe in Berkel-Enschot. Daar kan je overheerlijke erwtensoep eten te midden van Brabantse gezelligheid.

Vervolgens ben ik naar Den Bosch gegaan, maar dat kent iedereen al.

Drukte op en rond station Leiden Centraal

Ximaar vraagt in zijn reactie op Aansluiting gemist op Utrecht Centraal of er wel eens onderzoek is gedaan naar het aantal mensen dat in Leiden dagelijks door het station loopt.

Over het station in Leiden wordt al zo’n twintig jaar fel discussie gevoerd. Zowel over het gebouw zelf, over de directe omgeving, over de poortjes, over de drie andere onderdoor- gangen vanuit het centrum (naar de Plesmanlaan, het LUMC en de Rijnsburgerweg) en over de reizigersaantallen. Wat de bezoekers- of reizigersaantallen betreft, is juist het punt of doorlopers worden meegeteld, onderwerp van discussie. Dit zijn mensen die het gebouw slechts in- en uitlopen op hun route naar een ander stadsdeel.

In het recente rijtje toekomstgerichte stations- vernieuwingen was Leiden een voorloper en daarmee een proefstation. Inmiddels is die voorsprong alweer links en rechts ingehaald. Buiten de spits is het best een prettig station. De bankjes en tafels in het midden fungeren echt als ontmoetingsplaats en er is een aardige variatie aan winkels. Het kost wel moeite om sommige winkelruimtes permanent te verhuren. Daarom zie je er regelmatig andere originele pop-upstores.

Maar neem om 7:50 uur in Leiden de trein naar Den Haag, zoals ik ruim tien jaar heb gedaan. Dan staan de wachtende forenzen letterlijk zes rijen dik en krioelen nieuwkomers vlak langs je heen. Als ik er ’s morgens vroeg stond, moest ik soms letterlijk mijn ogen sluiten omdat mijn nog half slapende brein daar duizelig van werd. Richting Amsterdam is de situatie net zo.

De reizigersaantallen zijn inderdaad herhaaldelijk geteld en onderzocht. Het gaat om 70.000 reizigers per dag. Bij mijn weten is dat cijfer zo hoog, omdat Leiden dagelijks grote aantallen bezoekers en forenzen trekt. De stad is namelijk een regionaal en deels nationaal centrum voor zorg en onderwijs. Denk aan de universiteit (5.500 medewerkers en 25.800 studenten), de Hogeschool en het ROC. Daarnaast zijn er nog diverse grote middelbare scholen. Verder heeft Leiden als medische voorzieningen het LUMC (6.000 werknemers en dagelijks tienduizenden bezoekers), het Diaconessenhuis en het Alrijne. (Dat laatste is het voormalige Rijnland- of Elizabethziekenhuis, nu in Leiderdorp).

In een stad als Amsterdam zitten de grote onderwijs- en zorginstellingen beter verspreid over het centrum en de buitenwijken. In Leiden concentreren deze zich juist voornamelijk rond het station. Het aan de universiteit ontsproten Bio Science Park ligt er direct achter. Dat staat vol innovatieve bedrijven en onderzoeksinstellingen, waaronder Naturalis. Het park is een internationale banenmotor. Daarbij speelt mee dat Leiden al sinds 1574 last heeft van chronisch ruimtegebrek.

Bovendien is Leiden een belangrijke toegangspoort naar de kust voor mensen uit het oosten. In Arnhem en omgeving staat Leiden ook als toeristische bestemming goed bekend dankzij het historische centrum en de vele musea. Verder komt een deel van de bezoekers voor de Keukenhof aan op Leiden Centraal. Tot slot wonen in Leiden veel mensen die in Den Haag of Amsterdam werken. Zij zijn er geboren of hebben voor deze stad gekozen vanwege het kleinschalige karakter. Dit is in de hand gewerkt door goede verbindingen naar het noorden en zuiden, inclusief de nachttrein naar Schiphol.

De agglomeratie bestaat uit de aan Leiden vastgegroeide dorpen Warmond (gemeente Teylingen inclusief Voorhout en Sassenheim), Leiderdorp (plus naburige gemeenten in het Groene Hart), Zoeterwoude, Voorschoten en Oegstgeest (met Katwijk, Rijnsburg, Valken- burg en Noordwijk dichtbij). Voorschoten is ook deels op Den Haag georiënteerd. Dan kom je op minimaal 122.500 + 36.000 + (27.000 en circa 20.000) + 8.100 + 25.200 + 23.200 + 64.200 (Katwijk incl. Rijnsburg en Valkenburg) + 25.800 = 352.000 inwoners.

Kortom, Leiden mag dan een provinciestadje lijken, het heeft met reden het vijfde drukste station van Nederland. Daarom mogen ze bij de NS best eens over betere aansluitingen vanuit het oosten op Utrecht Centraal nadenken.

Aansluiting gemist op station Utrecht Centraal

Het is weer zover op Utrecht Centraal. Voor mijn neus vertrekt de trein naar Leiden net wanneer ik hijgend de trap afdaal. Even daarvoor heb ik een sprintje getrokken van spoor 7, trap op, naar spoor 20, trap af, dwars door die stomme hal. Ik háát Utrecht Centraal en dat duurt nu al 21 jaar. In 1995 moest ik een fijne baan opgeven vanwege net zo’n slechte aansluiting tussen de trein uit Leiden en die naar Houten. Op Utrecht Centraal.

Ik wed dat het Hoofd Planning bij de NS in Utrecht de pest heeft aan mijn geboortestad. Waarom anders is het perron naar Leiden bijna altijd het verst weg van het centrum? Let er maar eens op. Op station Utrecht Centraal, uiteraard. Op Den Haag Centraal, Den Haag Hollands Spoor, Amsterdam Centraal (voorheen althans) en Arnhem Centraal (vanaf spoor 11 via Utrecht, of via Schiphol waar het perron ook ver van de oude vertrekhal is). Ja, zelfs op het station van Zwolle. Alleen Rotterdam heeft een Leiden-vriendelijk station.

Bij mijn weten heeft Leiden nog altijd het vijfde drukste station van Nederland. Dus na Utrecht, Rotterdam, Den Haag en Amsterdam. Dat is toch een hele prestatie voor zo’n lieflijk, knus ‘provinciestadje’. Leiden is feitelijk de allerbelangrijkste stad na die grote vier. Ja toch? Nou dan. Ze kunnen daar op dat NS-kantoor nog steeds niet verkroppen dat Leiden in de Gouden Eeuw na Amsterdam het grootst was. Dus niet Utrecht met zijn Dom. Maar Leiden met zijn burcht op een echte motte. Kom daar maar eens om.

Als ze maar weten dat ik mij toch wel heb vermaakt. Ook al moest ik 28 minuten op dat suffe station doden. Ik heb lekker op mijn gemak rond gedrenteld. Dan zie je de halve wereld voorbijkomen.

Een donkere man met een swingend loopje, weggedoken in zijn hoodie. Een Hindoestaan met lange pijpenkrullen, drie koters en een blozende Hollandse vrouw. Een Chinees die een stapel briefjes van € 50 door zijn vingers flipt, terwijl zijn vrouw/dochter/maîtresse gauw het pand van haar jasje ervoor houdt. Ik zag het toch wel. Een ouder stel in wandelaarstenue. Een strak geklede latino met kekke snor en baard. En een fris geboend gezin dat vast naar de kerk ging.

Voor de glazen wand aan de rand van de hal hou ik halt. Daar waar je uitkijkt over de sporen richting het oosten. Vliegtuig-grijze daken strekken zich uit tussen dito modern-grijze hoogbouw. Even verderop zitten een man en een vrouw op een bankje. Met hun rug naar de winkels, het gekrioel en het geroezemoes van de massa. Stil te genieten van de rust en het uitzicht. Precies zoals ik dat vaak even doe op Schiphol. Eigenlijk is Utrecht Centraal net een luchthaven. En daar vermaak ik mij altijd wel.

lieveheersbeestjeLieveheersbeestje in de trein.