Vrouwen in een reisgezelschap

Blijkbaar moet ik nog iets met die vrouw van die groepsreis in Madagaskar, waar ik gisteren over schreef. De komst van mijn oude vriendin is de trigger geweest. Zij was geen deelnemer, maar er was wel een vergelijkbaar voorval met onze zzp’ende collega, een andere vrouw. Mijn conclusie is dat ik iets had, wat die andere vrouwen ook wilden hebben. Wat mij nu interesseert, terugkijkend na zestien jaar en met de mensenkennis van nu, is wat er toen feitelijk is gebeurd.

Ik haal het fotoalbum van die rondreis in Madagaskar tevoorschijn en kijk of ik bepaalde zaken kan reconstrueren. Wie waren de spelers en wat was hun positie binnen de groep? Waren de omstandigheden zoals ik ze mij herinner? Kan ik nagaan hoe de onderlinge verhoudingen waren en welke indrukken we bij elkaar achterlieten? Er zit een volledige lijst met deelnemers in het album. Via internet heb ik ze allemaal zo getraceerd.

Ten eerste. Die rondreis was zeer zwaar. Dat is ontegenzeggelijk waar. Hij viel in de hoogste categorie: het expeditie niveau. Dat was voor vertrek niet goed duidelijk gemaakt. Reizen in ontwikkelingslanden is sowieso minder makkelijk. Daarbij was de reisleider onervaren en het programma overvol. En een achtergebleven koffer in Parijs ontregelde gelijk alles.

Ten tweede. De kamers waren op indeling. Daar was ik toen al geen voorstander meer van, maar het was de enige optie. Ik ontmoette de groep voor het eerst op Schiphol en na aankomst in Madagaskar ging het bij de kamerindeling direct mis. Op basis van geslacht werden we verdeeld over twee- en drie-persoonskamers. Er waren negen mannen en vijf alleen reizende vrouwen.

Herstel. Waarschijnlijk ging het al eerder mis. Namelijk kort voor vertrek op Schiphol. Ik wilde na het inchecken eerst nog even een rondje lopen langs de winkels. Vandaar dat ik niet meteen bij de rest aanschoof. Het is een detail, maar toch. Voordat je het weet, haalt een groepsgenoot zich van alles over zo’n soloactie in het hoofd.

Mogelijk hadden enkele vrouwen al een team gevormd voordat we aankwamen bij het eerste hotel in Madagaskar. Zo gaat dat bij groepsreizen vaker. Je drinkt samen een kop koffie en denkt: ‘Hm, misschien is zij wel iemand om straks de kamer mee te delen.’ Of je staat bij de balie, de reisleider deelt de sleutels uit en hij vraagt ‘Wie?’ Je kijkt naar een van je groepsgenoten die je wel aardig lijkt, knikt naar elkaar, en roept ‘Wij’. Of de groepsleider roept de namen in alfabetische volgorde af. Ik kan mij dit niet scherp herinneren.

In elk geval ontbrak bij aankomst die koffer. De koffer was van een vriendelijke, zij het wat aparte vrouw. Ze zag er enigszins hippie-achtig uit en ze had zeer specifieke gewoonten, zo bleek al gauw. Onderweg had ik haar nauwelijks opgemerkt en met de overstap in Parijs was het een lange heenreis geworden. Daarom was ik vooral moe. Maar zij werd dus mijn vaste kamergenote op die rondreis van 24 dagen.

Die eerste avond na aankomst was ze erg onrustig. Ik begreep dat wel. Haar koffer was achtergebleven. Daarom had ze overhaast toiletartikelen en slecht passende kleding moeten kopen, terwijl de rest van de groep in de bus wachtte. En zonder haar eigen spullen kon ze haar vaste rituelen niet uitvoeren zoals ze gewend was. Rituelen, ja. Die mij heel wat uurtjes aan nachtrust zouden gaan kosten. Alle handelingen moest ze in de juiste volgorde op gezette tijden uitvoeren. Ze was een beetje alternatief, op het zweverige af.

Mijn kamergenote was beslist aardig en we hadden zelfs enkele raakvlakken. Maar haar vaste ochtendritueel was toch wel problematisch. Misschien was dat ritueel minder storend geweest, als zij haar eigen koffer bij zich had gehad. Ik slaap licht en word wakker van ieder geluid. Terwijl haar hele bezit verpakt zat in een verzameling knisperende plastic zakken.

Het ritueel. Mevrouw stond elke ochtend stipt om 04.00 uur op. (Rinkelderinkel van de wekker.) Vervolgens ging het licht aan in de kamer (plop). Dan begon het geritsel van haar vele plastic zakjes. (Knisperde-knisperdeknisper.) Afgewisseld met het gerammel van haar metalen beker. (Klangggg. Boink.) En het geroer met haar metalen lepel. (Ggrrgggrgggrgg, pok pok.) Tussendoor moesten er ingrediënten worden gezocht. (Knisperdeknisper deden haar plastic zakjes, rrrrrr, deed een rits, plok deed de lepel wederom in haar beker.) Enzovoort.

En dat tijdens een toch al mentaal en fysiek zeer uitputtende reis.

Ze was er niet van af te brengen. Ik probeerde rede, ik probeerde zachte dwang. Ik heb boosheid geprobeerd. Maar ze kon niet anders, zei ze. En waarschijnlijk was dat zo. Zij sliep eveneens slecht, want ze was het kamerdelen niet gewend, vertelde zij.

In overleg zijn we naar de reisleider gestapt en hebben we om een oplossing gevraagd. Konden we om beurten rouleren met de andere vrouwen die een drie-persoonskamer deelden? Konden we bij sommige hotels een extra eenpersoonskamer krijgen, zodat we tussendoor meer rust zouden vinden? Was er nog een alternatief? Hij dacht erover na en ging praten met de andere vrouwen.

En jawel, er kwam een alternatief. Om en om zouden we, waar mogelijk, een eenpersoonskamer krijgen. De ander deelde op die dagen de kamer met de drie overige vrouwen. Ik weet niet meer of het dan een vierpersoonskamer betrof, of twee tweepersoonskamers. Maar gelijk bij de eerste keer ging het al mis.

Mijn vaste kamergenote zou die avond met de andere vrouwen een kamer delen, terwijl ik de eenpersoonskamer kreeg. We waren halverwege de middag bij het hotel aangekomen en ik genoot enorm van het vooruitzicht om de hele kamer voor mezelf te hebben. Dus gooide ik mijn spullen lekker overal neer, haalde mijn hele rugzak overhoop en ging heerlijk lang onder de douche. Althans, dat was waar ik stond toen er hard op de buitendeur werd gebonkt. Ik wou echt niet onder de douche vandaan, maar de reisleider eiste dat ik onmiddellijk naar buiten kwam.

Wat was het geval? Die troela’s in de andere kamer konden niet overweg met mijn vaste kamergenote en dus moest ze maar opzouten daar. Dat ik onderhand oververmoeid was, boeide hen niet. De onervaren reisleider was nauwelijks opgewassen tegen deze vrouwen en ging er in mee. Dus heb ik drie weken lang de kamer gedeeld met mijn kamergenote en haar vaste ochtendritueel. Ik ben in mijn hele leven nog nooit zo gesloopt geweest als toen.

En u raadt het al, één van die aso troela’s was zo geïnteresseerd in mijn toenmalige werkgever. Haar naam begint met een C.

IS-vrouwen en bevolkingspolitiek

Op een zonovergoten dag wandelen vriendin F en ik door landelijk gebied over het Marskramerpad van Lettele naar Holten. Onderweg bespreken we de toestand in de wereld. Wat moeten ‘we’ toch aan met die vrouwen van IS-strijders, die nu met hun kroost naar Nederland terug komen? Vriendin F is sociaal ingesteld. ‘Wat kunnen wij hen bieden?’, vraagt zij. Deze vraag lijkt mij als uitgangspunt precies de omgekeerde wereld. ‘Je kan beter aan hen vragen wat zij willen gaan doen voor onze maatschappij.’ Zo komen we uit bij bevolkingspolitiek.

Als vrouwen van IS-gangers terugkomen, worden ze berecht volgens ons rechtssysteem, ver weg van de slachtoffers. Maar wat heeft een Jezidi-vrouw daaraan? Of een Syrisch gezin, waarvan de vader en drie kinderen zijn gedood toen het huis werd beschoten? Veroordeel dergelijke misdaden liever in de nabijheid van de getroffenen. Stel getroffenen in staat om hun zegje te doen. Om, als zij dit wensen, de dader recht in de ogen te kijken en met hun leed te confronteren. Ik geloof meer in het effect van een soort Waarheid & Verzoening tribunaal.

En hoe anders zou het werken als daders en medeplichtigen voortaan voor genoegdoening moeten zorgen? Bijvoorbeeld in de vorm van een financiële vergoeding voor de herbouw van het huis. Die bijdrage kan worden voldaan door een zelf gekozen vorm van dienstverlening aan de samenleving. Dan kan de overheid met de ‘opbrengst’ een subsidiepot vullen, als bijdrage aan de wederopbouw. Dit is eenvoudig gesteld, maar het gaat om het idee. Daders en medeplichtigen die nu naar Nederland terugkomen, gaan rustig chillen in detentie. Sommigen van hen kijken daar zelfs naar uit, volgens interviews.

De vraag over terugkerende IS-ers raakt ook grotere kwesties rond bevolkingspolitiek. Bevolkingspolitiek heeft een negatief imago, maar neutraal beschouwd is dat onterecht. Het hangt gewoon af van de doelstelling, en van welke normen en waarden je hanteert.

Nederland is hard toe aan beleid op dit gebied. Welke richting willen we op met ons land? Welke grote internationale veranderingen staan ons te wachten? Hoe houden we het hier voor iedereen leefbaar? Wat is daarvoor nodig? Kunnen we dan ook eens uitgaan van het idee achter: ‘Ask not what your country can do for you—ask what you can do for your country.’ (J.F. Kennedy)?

Ondertussen wandelen we verder. Links en rechts zien we uitgestrekte groene biljartlakens en winterse maisstoppels op zwarte akkers. Her en der groeit een plukje bos of staat een knusse boerderij. Wat een ruimte. Het land ligt er stil en schijnbaar verlaten bij. We hebben deze ruimte nodig om bij te komen van alle hectiek in de huidige maatschappij.

Degene die achter de leider staat

Als je een kritische volger van de leider bent, zoals ik, dan moet je soms schipperen. Wat zeg je wel, wat zeg je niet? En als je wat zegt: wanneer doe je dat en op welke manier? Na het logje van gisteren volgt een wandeling met een groep. De kaartlezer of leider is een sympathieke man. Hij is relaxed in de omgang.

Ik ben tweemaal eerder met hem op stap geweest. Soms dwaalde hij toen een beetje af. Maar steeds bracht zijn richtingsgevoel ons terug op het juiste pad. Wel scheen de zon op die dagen, terwijl het nu regent. En de vorige keren was zijn vriendin er ook bij. Misschien hielp zij hem. We wandelen deze keer van Oosterbeek via kasteel Doorwerth over de stuwwal naar Renkum. Althans, dat is de bedoeling.

Onderweg naar het oude kerkje vertelt hij dat hij een oude beschrijving heeft meegebracht. Hm. Er kan in een paar jaar veel veranderen. Maar hij heeft ook een plattegrond waarop ik vluchtig veel kronkels zie. Ik ken deze ongemarkeerde route niet, maar het gebied wel globaal. Al snel loopt hij anders dan verwacht. Want hij heeft hardop gelezen dat we links van water moeten komen, terwijl hij zelfverzekerd naar een pad rechts van een vijver stapt. ‘Geen punt,’ denk ik,’ als het fout gaat, komen we verderop bij bruggetjes, en hou mijn mond.

Voor een kaartlezer is het vervelend als anderen zich ongevraagd met de route bemoeien. Al snel merkt hij zelf dat we verkeerd lopen. Bij het eerstvolgende bruggetje gidst hij ons naar de overkant. Niets aan de hand, hij pikt het spoor weer op. Toch lopen we een uur later nog steeds bij Oosterbeek rond. Mijn richtingsgevoel is in een bos zeer onbetrouwbaar. Maar als ik voor de tweede keer dezelfde auto zie staan, weet ik zeker dat we fout gaan. Dat valt hem ook op.

Achter zijn rug beginnen enkele mensen te morren. Zij zijn vanuit de Randstad anderhalf uur onderweg geweest om hier te wandelen. Kaartlezen doe je vrijwillig, maar er worden wel eisen gesteld. Ik vertel aan de achterhoede dat ik hem ken en dat het steeds goed kwam. Hij past de richting aan en nu lijken we wel naar het zuidwesten te gaan. Tot we bij de Utrechtseweg uitkomen, in het noorden.

Ik heb om minder wandelgroepen zien muiten. Het is ook geen enkele kunst om een groep in zo’n situatie op te ruien. Soms ligt de ware macht niet bij de leider, maar bij degene die achter hem staat.

‘Sorry voor de overlast’

Regelmatig ontvang ik verkeerd bezorgde post. Nu is het alweer raak. Drie identieke brochures liggen op de mat. Een voor mij en twee voor geadresseerden aan een uitvalsweg verderop. Ze zijn van een sympathieke organisatie en het is zonde om ze weg te gooien. Ik leg de brochures op tafel en wacht tot de postbode langskomt. Dan kan ik ze teruggeven en de gebrekkige bezorging aankaarten. Alleen mis ik die man steeds op zijn ronde. Daarom besluit ik de brochures zelf weg te brengen.

Na een boswandeling bereik ik de betreffende weg. Er staan allemaal grote villa’s. Hm, ineens voelt het wat ongemakkelijk aan, zo zonder postbode uniform. Je betreedt toch een duidelijk omheind privéterrein. ‘Oké’, denk ik, ‘die brochures bezorg ik alleen als de postbussen dicht bij de weg staan.’ Maar ze staan meters verder. ‘Ach, waarom ook al die moeite doen. Ik stop ze wel in de brievenbus van PostNL.’

Maf, zo’n wending. Want de vorige keer betrad ik bij een rijtjeshuis wel zonder gêne andermans tuin. Maar daar hingen geen camera’s.

Terug in mijn straat zie ik toevallig de postbode lopen. Dit is mijn kans! Het is een logge, trage man. Ik roep hem, maar hij hoort me niet. Ondertussen loopt hij verder; ik moet nog achter hem aan ook. Eindelijk draait hij zich om. Voor het eerst zie ik zijn vlezige gezicht van dichtbij. Hij ziet eruit als iemand die door de laatste bezuiniging zijn baan in een sociale werkplaats heeft verloren. En nu loopt hij hier rond met de post.

Ik pak de brochures uit mijn tas, wijs naar mijn huis en zeg dat ze onlangs verkeerd zijn bezorgd. ‘Zou hij het vreemde van deze situatie inzien?’, vraag ik me intussen af. Want normaal gesproken, als je de postbode langs je huis ziet lopen, ren je toch niet naar buiten met je jas aan en een tas op je rug. Een tas waarvan je de ritssluiting nog moet openen om de post eruit te halen.

Met een ernstige blik neemt hij de brochures van me over. Hij vertelt dat hij ze naar het depot zal terugbrengen. ‘Sorry voor de overlast’, zegt hij er welgemeend achteraan. Het is al geen probleem meer. De rest van mijn commentaar verzwijg ik maar.

Jij zit toch maar niks te doen (2)

Het beeld dat werkzoekenden thuis niets zitten te doen, is vrij hardnekkig. Daar ben ik nu wel achter. Regelmatig word ik ermee geconfronteerd, direct of indirect. Deze indruk leeft vooral onder werkenden. En specifiek bij mensen die zelf nooit in mijn situatie hebben gezeten. Toch wil ik dat clichébeeld wel even bevestigen.

Ik kies namelijk al jaren welbewust voor parttime werk. Van 24 uur per week kan ik prima leven bij een normaal salaris. Dus hou ik doorgaans zeeën van tijd over om op de bank te hangen. Als werkzoekende besteed ik nu 15 uur per week aan een bezigheid vinden waarmee ik mijn kostje kan verdienen. Naar verhouding is 15 uur zoektijd voor 24 uur werk onevenredig veel. Vind ik dan.

struik met rode besjesDaarom neem ik verder alle tijd om te genieten van de geneugten des levens. Bijvoorbeeld wandelen zodra de zon schijnt en het winterlandschap extra mooi is. Bij grote voorkeur op doordeweekse dagen. Dan geniet ik er nog meer van. Want ik herinner mij maar al te goed hoe het voelde als ik vast zat op kantoor en niet naar buiten mocht.

Ik heb nooit gekozen voor onze dolgedraaide consumptiemaatschappij en 24-uurs economie. Degenen die daarin verstrikt raken, hoeven mij niets te verwijten. Integendeel, ze kunnen beter solidair zijn met mij als ze een prettiger leven willen.

Onvoorwaardelijk basisinkomen

Op maandagochtend maak ik een inspirerende wandeling met iemand van het netwerk voor werkzoekenden. We pauzeren in de mist op het terras van de Westerbouwing wanneer onder de opstijgende wolkenflarden ineens een zonovergoten rivierlandschap verschijnt. Dan denk je echt: wat is nu eigenlijk het probleem? Thuis wacht een e-mail over een petitie voor het basisinkomen. Om diverse redenen ben ik daar voorstander van.

Over de hoogte van het bedrag, de wijze van financiering en de minimaal benodigde criteria valt nog best wat te zeggen. Denk aan maandelijks circa € 1.200 voor iedere Nederlandse staatsburger boven de 18 jaar. Dan zie ik deze voordelen van een onvoorwaardelijk basisinkomen:

  1. De WW, WAO, AOW, ziektewet, bijstand, studiefinanciering en veel aanvullende randvoorzieningen worden overbodig. Dat scheelt een enorme administratieve rompslomp voor de overheid. En het bespaart uitkeringsgerechtigden betutteling, frustratie en ergernis. Een deel van de aan stress gerelateerde zorgkosten valt weg. Premies voor ziektekostenverzekeringen kunnen omlaag. Een deel van de landbouwsubsidies kan worden afgebouwd.
  2. Alle huisvrouwen/-mannen, vrijwilligers en mantelzorgers worden automatisch betaald. Dat is erkenning en waardering voor hun sociale en maatschappelijke werk. Een deel van de kosten voor kinderopvang kan vervallen. Mensen krijgen meer tijd voor vrijwilligerswerk, de zorg voor kinderen en voor elkaar. Er ontstaat meer ruimte voor sport, cultuur en natuurbeheer. Dat levert ook financieel winst op. Het mooiste werk is in ons land vaak onbetaald.
  3. Je kan gewoon blijven werken en daarmee extra geld verdienen. Leuk voor degenen die van luxe houden, dure hobby’s hebben of ambitieus en competitief zijn.
    (Uit onderzoek blijkt dat mensen die twintig jaarlijkse cheques van USD 25.000 in een loterij winnen, meer sparen en iets minder gaan werken. De meesten blijven aan de slag. Bron: Guido Imbens, de Volkskrant 10 oktober 2016.)
  4. Met een basisinkomen heb je minder zorgen. Ontspannen mensen hebben de mentale ruimte om echt innovatieve ideeën te ontwikkelen voor de toekomst van de arbeidsmarkt. Daar is nu een grote behoefte aan.
  5. Je kan stoppen met werken wanneer je dat zelf wilt, want de AOW-leeftijd is voortaan onbelangrijk. De ‘concurrentie’ tussen generaties op de arbeidsmarkt neemt af. Voor mij zou dat een opluchting zijn. Ondanks mijn vier beroepen vind ik trouwens moeilijk werk. Dit komt mede door automatisering, overheveling van werk naar het buitenland en structurele bezuinigingen. Veel functies werden complexer en de omstandigheden zijn nu hectischer. Een deel van de bevolking kan dat gewoon niet (meer) aan.
  6. Je kan een voltijdsstudie voor een kansrijk beroep volgen wanneer je al vijftig bent en je zo omscholen. Daarna ben je weer beter inzetbaar op de arbeidsmarkt.
  7. Mensen die nu geen of nauwelijks inkomen hebben en zwaar interen op hun vermogen, krijgen een vangnet. Ze vallen nu tussen de wal en het schip.
  8. Als je een bescheiden inkomen gewend bent, hoef je bij tegenslag (langdurige ziekte, werkloosheid, faillissement) minder snel je huis te verkopen.
    Anderzijds kan een basisinkomen mensen makkelijker aan een hypotheek helpen. Dat is weer gunstig voor de huizenmarkt en aanverwante sectoren.
  9. Vermoedelijk neemt criminaliteit af. (In verschillende voorstellen krijgen gevangenen overigens geen basisinkomen.) Dit leidt tot een veiliger gevoel.
  10. En misschien wel het grootste voordeel (van basisinkomen2018.nl): Het monopolie van betaalde arbeid als zou het de hoogste vorm van zingeving zijn, zal verminderen. (Hear, hear!)

GroenLinks wil in onze gemeente een basisinkomen experiment uitvoeren met mensen in de bijstand. Na wat heen en weer ge-e-mail leer ik dat bijstandsgerechtigden voor de lokale politiek extra interessant zijn. Daar baal ik van, want zo gaat die partij op verkeerde wijze met het plan aan de haal. Het onvoorwaardelijk basisinkomen is bedoeld voor iedereen. Dus ook voor mensen met een parttime baan, voor een tweeverdiener en voor een miljonair. Met een beperkt gedefinieerde doelgroep krijg je onbetrouwbare resultaten en ondermijn je de steun van mensen die uitgesloten zijn. Daarom vind ik dat ze een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking moeten nemen.

Bij de petitie van GroenLinks ontbreken concrete cijfers voor de financiering. Maar op internet staan berekeningen voor een landelijk basisinkomen. De een wil het geld halen bij banken en nutsbedrijven. De ander kijkt naar microbelasting van financiële transacties. Logischer is onder andere een samenvoeging van de budgetten voor alle sociale voorzieningen en verwachte besparingen. Dat zal echter niet genoeg zijn. (Een overzicht van diverse opties en berekeningen stond op basisinkomenvoordummies.nl.) Ik ben ervan overtuigd dat de financiering rond kan komen. Alleen al omdat de ECB een zinvolle(re) bestemming voor vers geperst geld nodig heeft.

Het initiatief van GroenLinks past in een beweging die ook elders in het land opduikt. Men wil eerst lokaal experimenteren en het basisinkomen vervolgens nationaal invoeren. In dat geval gaan onmiddellijk andere factoren meespelen. Zoals een internationaal aanzuigende werking.

Ik denk dat linkse partijen er goed aan doen om rechtse partijen al bij voorbaat de wind uit de zeilen te nemen. Dat kan door rechts te denken en passende voordelen klaar te hebben. Maar dan moet links de vaak terechte zorgen van rechts wel serieus nemen. Want zo’n proef is op termijn de kans om uiteindelijk wereldwijd bestaanszekerheid te bereiken.

De zorg en het prijzencircus

Onlangs maakte DSW een verhoging bekend van de zorgpremie in 2017. Andere verzekeraars zullen waarschijnlijk volgen. Voor mensen met lage inkomens verzacht de zorgtoeslag het leed. Maar linksom of rechtsom betalen we allemaal mee. Want zo werkt dat met collectieve verzekeringen en belastingheffing. Toch hangt er al jaren een prangende vraag in de lucht. Namelijk: hoe houden we de zorg voor iedereen betaalbaar? Zonder enkele flinke ingrepen, zullen de kosten verder stijgen. Tot nu toe durft bijna niemand stelling te nemen.

Hoe gevoelig vraagstukken over de zorg liggen, blijkt wel uit het voorstel van de Rotterdamse CDA-wethouder Hugo de Jonge. Hij wil dat vrouwen die onmogelijk voor hun kinderen kunnen zorgen, verplicht tijdelijk anticonceptie gebruiken. Direct wordt de link met verstandelijk gehandicapten gelegd en valt de naam Hitler al snel. Welkom in de debatwereld van Nederland.

Toch moeten we vroeg of laat keuzes maken om de zorgkosten in toom te houden. Van de totale rijksbegroting gaat bijna een derde, ofwel € 75,4 miljard, naar de zorgsector. Daarvan wordt circa een derde door ziekenhuizen opgeslorpt. Als leek kan ik er zonder kennis, nadere cijfers en toelichting weinig zinnigs over zeggen.

Wel kan ik enkele heikele zaken benoemen.

Marktwerking ziekenhuizen en andere zorgverleners
Voor mij is het onduidelijk wat de marktwerking heeft opgeleverd. Wat zouden de uitgaven zijn geweest als bijvoorbeeld ziekenhuizen voornamelijk in staatshanden waren gebleven? Even gesteld dat die wel efficiënter zouden kunnen werken. (Universitaire ziekenhuizen werden voorheen bekostigd door de overheid.) Is de kwaliteit en de patiënttevredenheid nu merkbaar verbeterd? Is alles nu organisatorisch goed geregeld?

Dure medicijnen
Als klein land kunnen wij kennelijk geen redelijke prijzen voor medicijnen bedingen. Het lijkt mij logisch dat ons land voortaan algemeen gangbare medicijnen inkoopt in Europees verband. Nu vragen farmaceuten waanzinnige bedragen voor bepaalde medicijnen die relatief kleine aantallen patiënten nodig hebben. Wellicht wordt het interessant om in dergelijke gevallen staatsbedrijven op te richten die zulke medicijnen ontwikkelen en produceren. We subsidiëren onderzoek toch al met premies en belastinggeld.

Medische ontwikkelingen
Nu kunnen we zeer vroeg geboren kinderen in leven houden die vroeger zouden sterven. Of denk aan kinderen die bij de bevalling te lang bekneld hebben gezeten. Hoe gaat het daarna met hen? Blijft een deel daarvan zeer zwaar gehandicapt en leeft die groep  als kasplant verder? Om hoeveel kinderen gaat het, hoe gezond zijn ze en wat is de kwaliteit van hun leven? Is dit iets waar we op maatschappelijk niveau over moeten nadenken? Of hoort dat uitsluitend tot het domein van de ouders, de medici en de zorgverleners in kwestie? Zijn zij dan ook de enigen die mogen bepalen wat financieel acceptabel is bij alles wat nu mogelijk is?

Verwijtbaar gedrag
Prins Friso gaat in 2012 bij Lech met een vriend buiten de piste skiën. Er geldt waarschuwingsfase 4, het op een na hoogste voor lawinegevaar. Hij raakt bedolven onder een lawine en we kennen de afloop. Maandenlang wordt hij in het ziekenhuis verzorgd voordat hij overlijdt. Naar mijn idee is het onredelijk dat anderen opdraaien voor de gevolgen van dergelijk roekeloos gedrag. Ik vind dat mensen die bijvoorbeeld zeer risicovolle sporten beoefenen zich apart moeten bijverzekeren.

De een wel en de ander niet
Verstandelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten worden doorgaans op uitgestrekte, lommerrijke terreinen in laagbouw gehuisvest. In bepaalde gevallen is de verhouding cliënt : zorgverlener een op een. Voor activiteiten en begeleide uitstapjes wordt regelmatig gezorgd. Nogal wat hulpbehoevende ouderen echter, moeten veel moeite doen om een indicatie te krijgen voor haastige thuiszorg. Mantelzorgers, familie en/of partners worden langdurig zwaar belast. De ene groep krijgt opvallend veel (met dank aan de sterke zorglobby die preekt voor eigen parochie). De andere groep mag het deels zelf uitzoeken en kwijnt soms weg. Ik zou graag een evenwichtiger balans zien in het zorgaanbod voor deze groepen.

Misbruik
Ik heb zelf eind jaren negentig op de financiële administratie van een ziekenhuis gewerkt. Dat er misbruik wordt gemaakt door patiënten of dat mogelijkheden worden opgerekt, is zeker. In welke mate, is minder duidelijk. Ik denk dat verzekeraars meer administratieve controleurs aan kunnen nemen. Zulke krachten verdienen zichzelf namelijk terug.

Gebrek aan solidariteit
In mijn tijd werd er gesteggeld over wie de kosten van niet-betalers droeg. Ziekenhuizen mochten geen patiënten weigeren. Maar bij herhaling stond er een niet-ingezetene aan de balie van ons christelijke ziekenhuis. Zulke mensen werden door het nabijgelegen universitaire ziekenhuis doorverwezen. Kortom, de christenen werden geacht te betalen voor de ‘reizigers’ en illegalen, terwijl de wetenschappers het lieten afweten. Ik dacht tot dan toe dat onze gezondheidssector was gebaseerd op solidariteit.

Dit artikel is onvolledig en ik weet soms ook niet goed waar we grenzen zouden moeten stellen. Ik heb het als discussiestuk geschreven en hoop op inhoudelijk constructieve bijdragen.