Prayer in C – De tekst losgezongen van de melodie

Leiden, 3 oktober, een jaar of vijf geleden. Mijn zus en ik lopen te midden van het feestgedruis een rondje over de kermis. In al het tumult ontwaar ik een specifiek geluid. Het zijn de catchy deuntjes van een enorme dance hit. Ik word er naar toe getrokken, ik móet er naar luisteren. ‘Dit vind ik echt een heerlijk nummer.’, zeg ik genietend tegen mijn zus. ‘Maar,’ brengt zij ertegen in, ‘eigenlijk is dit een heel triest nummer.’ Dat heb ik dan compleet gemist.

Misschien ben jij zo iemand die vooral luistert naar de songtekst. Ikzelf val hoofdzakelijk voor de klank, het ritme en de melodie. De woorden van een songtekst hoor ik wel, maar registreer ik niet. Toch is er met dit nummer, Prayer in C van Lilly Wood & The Prick, iets bijzonders aan de hand. De tekst lijkt wel helemaal losgezongen geraakt van de melodie.

Wat is er gebeurd? Dit is een lied uit 2010 van een Franse folk-pop band. Oorspronkelijk klonk het ingetogen, mysterieus en melancholiek. De tekst slaat op alle misstanden in de wereld. Het is zelfs een klaagzang, gericht aan God. Want waarom grijpt Hij niet in? Waarom laat Hij niets van Zich horen? De mensen denken dat Hij hen verlaten heeft. Kan Hij Zichzelf nog wel vergeven? Het is me nogal wat. Over de betekenis wordt trouwens nog altijd gediscussieerd. Somber en omineus zijn de korte zinnen zeker.

See, our world is slowly dying. Don’t think I could forgive you.

Maar dan komt het. In 2014 remixt Robin Schulz dit nummer tot een dance lied. Er verschijnt een carnavaleske video bij op YouTube. In uitgelaten stemming maken de bandleden Berlijn onveilig. Precies zoals feestende vrienden dit doen wanneer ze voor het eerst in het buitenland zijn op stedentrip. Een doodskop is echter alom aanwezig.

En het nummer explodeert. Momenteel staat de teller op 555.118.652 weergaven van alleen al de officiële clip. (Binnen een kwartier zijn er alweer 7.000 bijgekomen.) Ook staan er diverse concertregistraties in Frankrijk op internet. Zoals deze in La Citadelle, Arras, uit 2015, met 10.093.112 weergaven. Vergelijk hiermee eens de schamele 887.276 van het Rendez-vous de la Lune Eglise Saint-Eustache uit 2010. Dat is de ingetogen versie. Het is nogal een verschil.

Wat moeten we hier nu uit concluderen? Stopt iedereen met luisteren naar een tekst, zodra je er een catchy dance melodietje onder zet? Of feesten we zo lang het nog kan, omdat we de boodschap kennen? Carnaval en dance-evenementen vormen sowieso de momenten waarop we helemaal los gaan. Los gaan van onze zorgen. We wéten dat we dansen op een vulkaan. Daarom past de dance versie van dit lied op feesten, en zeker op een kermis. Vind ik, althans.

Een blik op Latijns-Amerika

Zondagavond. Latijns-Amerikacorrespondent Nina Jurna toont als Zomergast een recent en ontluisterend fragment. Te zien is een groepje Braziliaanse indianen met hoofdtooien, blote basten en traditionele tatoeages op hun gezichten en lichamen. Ze komen uit dorpen ver weg en diep in de Amazone, het oerwoud. Vermoedelijk hebben ze een lange en uitputtende rit over modderwegen achter de rug. Nu demonstreren ze in de hoofdstad tegen een wetswijziging die hun leefgebied zal verwoesten.

Het zijn representanten van de oorspronkelijke bevolking. Of beter, de representanten van het restant. Zij die hebben weten te overleven na 1492. De wet zal het ontoegankelijke oerwoud ontsluiten. Er zullen wegen worden aangelegd, en dan komen al snel de goudzoekers. Goud- en andere gelukszoekers vormen steevast de voorhoede.

Met de goudzoekers komen ook de chemicaliën, de wapens, de hoeren, de gewelddaden, de ontbossing, de belangen van de echte grote spelers en daarbij de regels die de oorspronkelijke bevolking zeker niet zullen bevoordelen. Zo gaat het namelijk altijd, waar ook ter wereld, wanneer er voornamelijk macho’s rondlopen.

In het fragment zie je een ontmoeting tussen de oorspronkelijke bevolking en de moderne, ‘ontwikkelde’ mens. Het is niet de allereerste ontmoeting, in 1492. Het is als die latere ontmoeting, een paar jaar daarna. Wanneer de moderne mens al een tijdje vaste voet aan de grond heeft gehad in hun leefgebied.

Het is de confrontatie die er overal ter wereld is geweest. Tussen ons en de indianen, de Zoeloes, de Maori, de Australische Aboriginals. Niet te verwarren met de ‘aborigines’ in Papoea-Nieuw-Guinea. Het verschil? Deze keer filmt een camera het tafereel. Het is een flash back uit de geschiedenis van eeuwen geleden, maar dan anno nu, live op tv. Zo ging het er toen dus aan toe.

Er is nog zo’n recent en onthutsend fragment. Venezuela, het parlement. Schreeuwende mannen. Een vrouwelijke politicus die even rauw en hard brult als een vent. Dat moet daar zo, kennelijk. Niemand luistert. Sommige politici spelen verveeld onderuitgezakt met hun smartphone. Ze zijn het tumult gewend.

Hoog op de publieke tribune roept een bevlogen, jonge arts in een witte doktersjas om medemenselijkheid. Er is geen geld voor medicijnen in zijn ziekenhuis. Mensen sterven, omdat hij de middelen ontbeert om ze te helpen. Doe er wat aan, smeekt hij. Een doodzieke en lijkbleke vrouwelijke kankerpatiënt ziet de debatterende politici beneden aan. Het geschreeuw gaat nergens over. Zij staat te wankelen, ze moet gaan zitten. De politici gaan door.

Als het in Europa ook misgaat, dan is dit ons voorland.

Ik heb vrijwel niets met Latijns-Amerika. Dat is vreemd, want er is daar toch genoeg mooie natuur. Misschien ben ik te veel beïnvloed door beelden op ons acht uur journaal. Beelden van guerrillastrijders, dictators, gevaarlijke beesten en drugsbendes in favela’s. Je kent het wel. Terwijl, zoals Nina Jurna zegt: gewone mensen leiden hun leven in die favela’s.  En dat wéét ik toch? Want ik bén in Keniaanse sloppenwijken geweest. Ook daar is het leven van mensen best wel alledaags.

Zuid-Amerika is een door mij zwaar miskent continent. Ik herinner mij nog de bijeenkomsten met vertegenwoordigers van organisaties uit die regio bij mijn vroegere werkgever. Die mensen bleken zeer creatieve ideeën te hebben. Sterker: hun maatschappelijke organisaties waren vaak al verder dan vergelijkbare organisaties op andere continenten. Van hen kon je echt nog wat leren. Ze kwamen onder meer voor kennisuitwisseling.

Ik heb vrijwel niets met Latijns-Amerika. Waarschijnlijk omdat ik het continent van oudsher associeer met de La Bamba. Dit lied heb ik lang gehaat. Als er wat meer Santana was geweest, was het tussen mij en Latijns-Amerika vast beter gelopen. Ik kan zelfs geen gerecht uit die regio bedenken dat ik lekker vind.

Maar in Nina, met haar deels Latijnse passie en liefde voor een continent, haar betrokkenheid, haar zoektocht naar haar afkomst en haar eigen strijd tegen onrecht, herken ik alles.

Mijn wereldbeeld is ontstaan in Europa en gevoed met films uit Noord-Amerika. Reis-technisch ben ik volwassen geworden in de Britse Commonwealth. Engels is mijn linqua franca. Dat heeft veel van mijn visie en keuzes bepaald. En niet alleen die van mij. Venezuela is ons buurland, maar hoeveel Nederlanders zien dat?

We gaan niet dood van de hitte

Het is bloedheet. De hitteprotocollen zijn in werking getreden en er geldt Code Oranje. We moeten goed op elkaar letten. We moeten de zwakkeren in de samenleving in de gaten houden en zelf ons hoofd koel houden. Vooral dat laatste is nodig, in dit land. Want ik noem maar wat:

  • Als vijftiger in je eentje gaan zwemmen in zee, terwijl je veertig jaar geleden je A-diploma hebt gehaald en daarna zelden nog hebt gezwommen.
  • Als hoogbejaarde vrouw de nectarines in de plantenkas van je dochter plukken. ‘Ze zijn rijp en moeten er nodig af.’ Op het heetst van de dag, wanneer die kas een oven is.
  • Als oudere thuis opgehaald worden voor een sociaal uitje in een zorgcentrum en daar een aangeboden drankje afwimpelen. ‘U moet bij deze hitte wel genoeg drinken.’, zegt een bezorgde vrijwilligster op tv. ‘Nou, ik niet, hoor, dat doe ik namelijk nooit.’, riposteert de oudere, en ze blijft weigeren. Doen ze daar al die moeite voor.
  • Als 65-plusser alle ramen in huis open zetten, terwijl het buiten 36 graden is. ‘Want ik kan er niet tegen als alles dicht zit.’ Ach, waarom ook niet. Zet er een vernevelaar bij en je hebt een sauna.

Mensen gaan hier vermoedelijk minder snel dood door de hitte, dan door stronteigenwijs gedrag.

Ach, hadden zij ook maar tropenervaring.

Onbeantwoorde vraag krijgt onaangename staart

Ik hou niet van losse eindjes, want ik geloof dat iedere daad een gevolg heeft. Losse eindjes zijn handelingen waarvan je weet dat je ze nog moet verrichten. Je denkt bijvoorbeeld: ‘Hier zal ik nog eens op terugkomen. Even wachten op een gunstiger moment.’ Terwijl je intuïtief aanvoelt dat je beter gelijk actie kan ondernemen. Maar dat schiet er al gauw bij in. Totdat de hele zaak als een boemerang bij je terugkomt. Dan is het te laat en het kwaad al geschied.

Ik weet nog precies hoe en wanneer het misverstand is ontstaan. Het gesprek heb ik namelijk vrijwel woordelijk op Raam Open gezet. Dit zijn de passages waar het om gaat:

‘Vorig jaar vroeg hij [de bejaarde buurman] om mijn telefoonnummer. Dat vond hij wel handig, voor als er eens wat was. Stel dat hij zou vallen, dan zou hij mij kunnen bellen. Ik zou ook niet willen dat hij urenlang alleen op de grond zou liggen. Dus zei ik dat hij mij in zo’n noodsituatie kon bellen.

Onlangs sprak ik hem weer. Hij wás die week gevallen en had anderhalve dag op de grond gelegen. Want zijn mobiele telefoon lag buiten handbereik. Ik opperde dat hij eigenlijk beter zo’n pieper bij zich kon dragen, waarmee je een zorgorganisatie alarmeert. Dat werd al geregeld; de zorgcoach kwam diezelfde dag nog langs.’

Hier moet ik even iets verduidelijken. Ik veronderstelde toen dat de buurman met zo’n pieper direct een hulpverlener van een nabijgelegen zorgcentrum kon oproepen. Iemand die in een noodgeval bij hem langs zou gaan. Zoals dit is geregeld bij een aanleunwoning.

Het verhaal gaat verder:

‘Gisteren belde deze buurman aan. Of ik hem mijn telefoonnummer kon geven, want dat was hij kwijt. Voor het geval hij weer op de grond lag. Ik wilde al met ‘06’ beginnen toen ik een formulier in zijn hand zag. Dus vroeg ik voor wie mijn nummer bedoeld was. Voor hem, of voor een organisatie. ‘Ja, zodat ze je kunnen bellen als ik weer op de grond lig.’’

Daarmee was de weergave van ons gesprek niet af. Want ik dacht dat hij bedoelde dat als er een zorgverlener bij hem zou komen, en hij bijvoorbeeld naar het ziekenhuis zou moeten, de zorgorganisatie een naaste contactpersoon nodig had. Dus vroeg ik enigszins in verwarring: ‘Maar daarvoor moeten ze toch bij de familie zijn?’ (Hij heeft drie kinderen.) Waarop hij monter zei: ‘Oké.’, zich direct omdraaide en zonder gedag te zeggen vertrok.

Pas later vertelden anderen hoe het systeem werkt. De buurman zocht kennelijk voor de zorginstelling (waarmee de pieper verbonden is) een contactpersoon in de buurt. Deze persoon kan als eerste bij hem polshoogte nemen zodra hij de zorginstelling alarmeert.

Ik dacht nog: ‘Ik moet eens bij hem navragen of dit is wat hij bedoelt. En ik moet nagaan om welke organisatie het gaat, want hij heeft geen naam genoemd. Ook moet ik vragen wat er na zo’n alarmering precies van mij wordt verwacht. Daarover heeft hij niets gezegd. Verder moet er een sleutel worden geregeld, anders kan ik niet eens naar hem toe. Dit alles indien ik besluit om contactpersoon te worden.’ (En waar blijven zijn drie bloedjes van kinderen in dit verhaal?)

Want ja, deze buurman is een probleemgeval. Rond die tijd speelde onder meer de rioolkwestie al, dus verliep ons contact stroef. Uiteindelijk vergat ik om navraag te doen. En zelf zweeg hij er ook over.

Per toeval ontdekte ik gisteren hoe hij het gesprek van een jaar geleden heeft geïnterpreteerd. Uit een brief van iemand die hem onlangs sprak: ‘Hij heeft aan u gevraagd om als een van de eerstehulp-oproepers te fungeren. U schijnt daar geen gehoor aan te hebben gegeven.’

Zucht …

Uit de tredmolen geslingerd

Hortensia's in schemerdonker

Sommige mensen doen alles om aan sleur te ontkomen. Steeds verzinnen ze wat nieuws. Maar het leven bestaat uit een natuurlijke cyclus en dat heeft een bedoeling. Kijk naar het verloop van de seizoenen. Op de winter volgt de lente en daarna begint de zomer. Et cetera ad infinitum. Toch verandert er ook voortdurend iets definitief. Doorgaans gaat dit heel geleidelijk; het meeste bemerken we niet. Je gaat het pas zien wanneer je de tijd hebt.

Binnenkort heb ik een trouwfeest op het strand. De meeste feestgangers die daar komen, rennen 24/7 rond in de tredmolen. Zelfs hun jachtige zoektocht naar soms buitenissige vormen van ontspanning past in een stramien. Ik was één van hen en nu ben ik de uitzondering.

Dat zal weer confronterend zijn, als ze er achter komen. Meestal proberen zulke mensen mij te bekeren. Zij werken hard en hebben meer geld dan ik. Veel meer. Ik betwijfel alleen ten zeerste of zij het momenteel beter hebben dan ik hier.

Hun tijd komt nog, zodra de buit binnen is. Dan gaan ze royaal leven van hun investeringen. En dan begint het grote genieten. Waarschijnlijk. Misschien. Of nooit. Wie overziet de consequenties van zijn leefwijze echt, terwijl hij nog overal middenin zit?

Het leven verloopt in cycli en gaandeweg wordt de cirkel groter. Ook het melkwegstelsel is rond.

Een vorm van dagbesteding

Het is een manier om je brood te verdienen: in weer en wind geulen graven, grond verzetten, oude rioolbuizen wegbreken en schone buizen ervoor in de plaats leggen. Of nou ja, schoon … Alles is vuil wat deze mannen beetpakken. Hun werkkleding komt ’s morgens gewassen uit de kast en zelf ogen ze fris bij aankomst. Maar ik weet dat zelfs dat een illusie is. Elk stuk gereedschap dat zij hanteren, elk stuur dat zij vasthouden, is goor. Je moet er tegen kunnen. Ik zou meteen onder de huiduitslag zitten. Waarschijnlijk ontdekken nieuwelingen al binnen een dag of ze dit vak volhouden.

Je zou verwachten dat het personeelsverloop groot is bij riolerings-bedrijven. Toch valt dat mee in het familiebedrijf dat hier nu aan de slag is. Natuurlijk, die familieband blijft. Maar diverse mannen zag ik afgelopen november al en nu weer. Er is een onnadrukkelijke hiërarchie. Mijn contactpersoon, ‘De man van de rioolservice’, is een zoon in de firma. Hij stuurt het team aan en werkt mee. De rest lijkt een allegaartje van vaste krachten, los volk, en vrienden die op afroep hand-en-spandiensten verlenen. Zoals: ff snel in een Mercedes wat onderdelen langs brengen.

Wat ik niet had bedacht, is dat dit werk ook een vorm van dagbesteding kan zijn. Bij dagbesteding denk ik aan demente ouderen die een dagje gezellig knutselen in een kringetje. Of ik denk aan een zorgboerderij, waar jongeren met psychische klachten werk, rust en regelmaat vinden.

Toch ving ik vanmorgen de volgende flard op van een telefoongesprek: ‘Ik kan dat brommertje nu niet ophalen, want ik zit met dagbesteding. Ben afgelopen vrijdag uit detentie gekomen.’ Tja, nu snap ik waarom hij maandagochtend eerst met zijn baas moest overleggen of hij al koffie mocht drinken toen ik hem dat aanbood. Hij is overigens beleefd en gedraagt zich netjes. Zolang hij datgene doet waarvoor hij is ingehuurd, vind ik het prima.

Liefde, angst en onverschilligheid

Misschien is het waar dat al onze handelingen voortkomen uit liefde en angst. Zit je goed in je vel, dan lacht de wereld je toe. Maar wil het niet, dan kan je overal spoken zien. Het gevolg is dat je dit uitstraalt en ernaar handelt. Daarna reageert de omgeving weer op jouw warmte of terughoudendheid. Voordat je het weet, creëer je een self fulfilling prophecy.

Volgens mij is er nog een derde emotie leidend, namelijk onverschilligheid. De verzorgingsstaat werkt onverschilligheid in de hand. Mijn eigenwijze buurman kan gerust onverschillig doen tegen zijn buren en zijn kinderen. Omdat hij behoeftig is, helpt de WMO-medewerker hem toch wel.

Of bestaat onverschilligheid niet? Niet echt, bedoel ik.