De adressenlijst in Excel

Voor het verzenden van kerstkaarten is een goed bijgewerkte adressenlijst onmisbaar. Ik hou de mijne sinds jaren in een Excel-bestand bij. Een adressenlijst bijwerken lijkt een neutrale bezigheid. Maar feitelijk lopen de emoties soms hoog op. Want: wie leeft er nog? Deze vraag gaat spelen vanaf een zekere leeftijd. En wie zijn er nog bij elkaar? In geval van scheiding: stuur je dan een kaartje naar ieder apart? Misschien heb je slechts met een van beiden een hechte band. Wat dan? Jaarlijks verandert 10% van alle data in een willekeurig adressenbestand.

Voor elke afzonderlijke kerst moet je opnieuw keuzes maken: wie krijgt dit jaar een kerstkaart, en wie niet (meer). Ik ken mensen die dat bepalen aan de hand van aparte lijstjes waarop ze bijhouden van wie ze het voorgaande jaar een kaartje hebben ontvangen. De jaarlijkse kerstkaartenverzending kan daardoor een heuse afrekening worden. Zo van: ‘Jij hebt al sinds januari niks meer van je laten horen en nu hoeft het ook niet meer van mij.’

Dit jaar had ik een specifiek probleem. Een deel van de kaarten stuur ik per post en de rest gaat via e-mail. Van een aantal mensen waren de mailadressen echter verdwenen. Ze stonden in het e-mailprogramma op mijn vorige laptop en waren niet vanzelf meegekomen naar mijn nieuwe laptop. Deze mensen ken ik van groepswandelingen. Ons e-mailverkeer verloopt via een website die onze gegevens afschermt. Prima natuurlijk. Maar hierdoor worden de e-mailadressen pas zichtbaar nadat we elkaar via de website berichten sturen en die rechtstreeks beantwoorden.

Afijn, uit alle hoeken en gaten moesten de nieuwste contactgegevens komen. Van losse briefjes en uit de contactenlijst op mijn mobiele telefoon. Uit een agenda en – na verzending van kale tekstberichtjes – via de bewuste site. Die stamt uit het digitale jaar nul, dus kon er geen mooie foto bij. Toch reageerden deze ontvangers bijzonder enthousiast. Want het is onder ons geen gebruik om elkaar kerstkaarten te sturen. Daarom waren juist zij het meest aangenaam verrast.

De leugens om bestwil in ons verhaal

Het staat op bladzijde 126 van Raynor Winn’s boek Het zoutpad. Bijna halverwege het verhaal over de wandeltocht die zij en haar man (hij is ziek) met zware rugzakken en in vieze kleren maken over het South West Coast Path. Dit nadat ze hun huis zijn kwijtgeraakt, dakloos zijn geworden en wegens geldgebrek als een stelletje schooiers illegaal wild kamperen. Op een bloedhete dag vraagt een man of ze al een slaapplaats hebben geregeld. Hij heeft een boerderij in de buurt gehuurd en ze mogen hun tent wel opzetten in de boomgaard. Het is een luxueuze boerderij en hij heeft het zichtbaar goed voor elkaar.

Wanneer ze eten, vraagt Raynor hem: ‘Tell me something about yourself, Grant.’ En Grant vertelt. Over een moeilijke jeugd, hoe hij van huis wegloopt, met een rugzak door Europa toert en in Italië per toeval in een wijngaard belandt, waar hij alles over wijnsoorten leert, en uiteindelijk thuis wijnen gaat importeren en heel succesvol wordt. Not. Want hij heeft gewoon avondcursussen gevolgd en is dankzij pappie in een baantje bij een bevriende wijnhandelaar gerold.

Tegen die tijd hebben Raynor en haar man geleerd hoe mensen reageren wanneer ze naar waarheid vertellen dat ze dakloos zijn (en berooid). Bij het woord ‘dakloos’ transformeren ze acuut van stoere vakantie vierende vijftigers, in drank- en drugsverslaafde losers met (naar alle waarschijn-lijkheid) een of meer onderliggende psychiatrische aandoeningen. Kortom: in sociale paria’s. Daarom vertellen ze liever dat ze hun huis hebben verkocht en zo halverwege hun leven nog eens op avontuur willen. Ze zien wel waar de wind hen brengt.

We vertellen onze verhalen uit zelfbescherming, meent Raynor, zowel Grant als zijzelf.

Ook ik heb mijn verhaal klaar, al jaren. Want mij wordt eveneens te pas en te onpas gevraagd ‘wat ik doe’. Bijvoorbeeld tijdens een groepswandeling. Of wanneer ik in een archief ben voor onderzoek. En ja, zelfs in het ziekenhuis, terwijl de plastisch chirurg een moedervlek bij mijn mond wegsnijdt.

Eerst was ik werkloos. Toen werd ik werkzoekend. Daarna werd ik iemand die zei: ‘Ik werk niet.’ [Punt.] In combinatie met mijn woonplaats en mijn leeftijd kon ik best een vroege pensionado zijn. Maar soms, als ik iemand eens flink wakker wilde schudden, zei ik lekker provocerend: ‘Ik heb geen inkomen. Al vijf jaar niet.’ Waarna ik welbewust afwachtte hoe die ander daarop ging reageren. Veel mensen kunnen zich namelijk geen enkele levensvorm meer buiten Het Systeem voorstellen. Ons financieel-economische systeem, met zijn Terms of Reference voor onze samenleving, die anderen voor ons hebben opgesteld.

Tegenwoordig heb ik het makkelijk. Ik zeg gewoon dat ik aan een boek werk. Dat is nog waar ook.

Naar een andere dimensie

‘Sorry voor het ongemak.’, zegt ze. Ze heeft zojuist vertelt dat er iets mis is gegaan met de afspraak. Daardoor vervalt de helft van de beschikbare tijd. Over ongemak gesproken. ‘Er gaan al zo veel dingen mis in mijn leven.’ Het is er ineens uit. Het was niet mijn bedoeling om het daar hardop te zeggen. Dat doe ik alleen thuis.

En als ze daarna vraagt of ik erover wil praten, zeg ik dat ik toch niet terecht kan bij haar. Het woordje ‘nu’ in deze zin valt weg. Nu, bedoel ik, want tijd is weer schaars. Door al het gepraat resteert er nog minder van. Dat is wat ik denk. Ik voel mij opgejaagd; er is kennelijk haast, en wat ik bedoel, komt er beroerd uit.

Escaleren. Werkwoord. Stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit. Uit de hand lopen.

Functionele escalatie. Overdragen van een incident, probleem, of toewijzing aan een technisch team met meer expertise om bij de escalatie te assisteren.

Binnenkort heb ik een gesprek. Frappant genoeg heeft dat vooruitzicht direct effect. Want zo’n gesprek met een professional wil ik voorbereiden. Hierdoor ontstaat een breuk in een vast gedachtepatroon. Zelfs is er even de herkenning van een oudere mentale staat. Eentje die naar het era van de Grote Reizen teruggaat. Een periode vol nieuwe ervaringen, die enkele momenten van luciditeit veroorzaakten. Dan is het alsof je een opening naar een andere dimensie ontwaart.

Deze ervaring vormt een mooi bruggetje naar de 2Doc documentaire Blue Monday. Daarin komen drie jonge mensen aan het woord, die psychoses hebben meegemaakt. Bij een persoon leidde zijn psychoses hem uiteindelijk naar zijn biologische vader. Bij een ander wordt vooral inzichtelijk hoe hij worstelt met zijn positie en de verwachtingen van onze maatschappij. De derde persoon is het meest aards. Zij mist haar psychoses weleens. De meeste mensen zien enkel de waanzin of de ziekte als probleem. Maar: ‘in andere culturen wordt een psychose als bron van wijsheid en inzichten gezien.’

Overigens, een vroegere ervaring met een coach leerde mij dat je mentaal stevig in je schoenen moet staan om goed met sommige hulpverleners om te gaan.

Verkruimelde herinneringen

Bitrot, zo heet het proces van teloorgang van gegevens op compact disks, dvd’s, blu-rays en usb-sticks. ‘Wie niet bezig is zijn fysieke archief op orde te houden, raakt dingen kwijt.’, schrijft Cesar Majorana in de VPRO Gids, na de vondst van een oude verhuisdoos met zijn verzameling verkruimelende cd’s.

Wat we ook doen, al onze gegevensdragers zijn aan verval onderhevig. Eeuwenoud papier kan door droogte verpulveren, verbranden of verkruimelen door inktvraat. Ook kan het in het water vallen, waarna de tekst onleesbaar wordt. Mondelinge overdracht is al even krakkemikkig, want wie onthoudt een verhaal exact zoals het is verteld?

Het document met verzamelde vondsten over de loopgraven staat op mijn laptop, maar sla ik eveneens op meerdere usb-sticks op. Het omvat 400 pagina’s samengebrachte informatie en is het resultaat van ruim een jaar werk. Een van die usb-sticks bewaar ik zelfs buitenshuis. Stel dat de hele boel hier in elkaar stort, dan heb ik tenminste dat onderzoekbestand nog.

Ik geniet van de tastbare originele archiefstukken. Zo lang die niet zijn gedigitaliseerd, zijn ze nog opvraagbaar in zo’n heerlijk ouderwetse studiezaal. Waar je stil moet zijn, om andere onderzoekers niet te storen. Waar de archiefstukken in een hard-papieren folder zitten, met een geweven touwtje omwikkeld. Wanneer een medewerker het door jou opgevraagde materiaal brengt, het is alsof je een cadeautje krijgt. Eerst moet je de strik los trekken, waarna het papier zich ontvouwt en het grote ontdekken kan beginnen. De geur van dat papier alleen al …

Nee, usb-sticks zijn niet alles. Soms vraag ik mij af hoe erg het eigenlijk is, wanneer onze foto’s en documenten verloren zouden gaan. Al wat interessant, leerzaam of van belang is, is reeds door onze voorgangers vastgelegd of gedaan. Wie zijn wij, huidige stervelingen, op wetenschappers na, dat we ons verbeelden nog iets werkelijk nieuws te kunnen brengen?

(Op de foto sporen van hoogwater langs de Maas op de afrastering van een weiland bij kasteel Geijsteren, twee maanden later.)

In de schaduw van de bomen

Voorheen was er meer sfeer en grandeur. Dit is zo’n dorp waar paarden langs de hekjes aan de brink stonden en een kapelaan met zwarte flapperende jas op de fiets voorbijkwam. Nou ja, dat verzin ik. Maar er komen pittoreske dorpstaferelen tevoorschijn zodra je de moderniteiten wegdenkt. Zoals de detonerende zonnepanelen op oranje daken of het blik van geparkeerde auto’s in knusse straatjes. Oorspronkelijk was dit een dorp van kleine luiden en keuterboertjes, met hier en daar een buitenverblijf op een groot landgoed. Omdat die landgoederen zelfs tot in de kern van de bebouwde kom lagen, was het dorp vroeger zeer groen.

Op mijn zomerse wandelrondjes in de omgeving heb ik een voorliefde voor routes met veel schaduw van bomen. Toen ik hier kwam wonen, was het mogelijk om hele trajecten op schaduwrijke stoepen en paden aan elkaar te knopen. Nu, zes jaar verder, vertonen die schaduwrijke routes gapende gaten. In slechts zes jaar tijd heb ik tal van bomen zien verdwijnen. Daar waren heel wat honderd jarigen en oudere bomen bij. Het was soms flink schrikken.

Eerst kapten ze een van de laatste stukjes bos op een voormalig landgoed. Dat lag centraal in het dorp en grensde aan onze buurt. Op warme dagen was het er onderweg naar de supermarkt heerlijk koel. Nu staat er een saaie flat. Verder zijn er parkeerplaatsen op het voorterrein aangelegd. De loofrijke beukenbomen zijn verdwenen. Wanneer ik nu met de boodschappen langs die massa steen en beton kom, loop ik te smoren in de zon.

Zo kan ik meer locaties aanwijzen. Een ruim opgezet vegetarisch woonpark voor senioren bijvoorbeeld, dat zichzelf op de eigen website aanprijst als gelegen ‘In een prachtige omgeving van monumentale bossen, groene heuvels en het rivierenlandschap van de Rijn.’ Juist ja. Geen woord over de dubbele rij monumentale oude beuken die werd gekapt op hun terrein. Daar kon ik altijd zo fijn onderlangs lopen, op de route naar het bos. Die bomen zijn nota bene in de vuurlinie beland tijdens de oorlog en daar toen fier blijven stáán.

Meer mensen maken zich zorgen over de (toenemende?) houtkap. In onze buurtapp verschijnen regelmatig paniekberichten over percelen waar bomen het veld moeten ruimen. Zoals op landgoed Groot Warnsborn en vorig jaar nog op landgoed Mariëndaal. Dit betreft meestal productiebos en daar worden de bomen door nieuwe aanplant vervangen. Maar soms betreft het monumentale bomenlanen. Als naburige bewoners zullen wij nooit meer kunnen aanschouwen hoe mooi eeuwenoude bomen daar staan.

Niet alleen door bomenkap verdwijnen schaduwrijke plekken. Ook het gebladerte van enkele boomsoorten is nu aanmerkelijk dunner dan normaal. Deze week liep ik op een lommerrijk pad waar de zon opvallend fel door het gebladerte heen kwam. Sommige bomen hebben alleen nog wat plukjes blad in hun kruin. Eiken en naaldbomen staan te verdrogen op de hoge zandgronden van de Veluwezoom. De naaldbomen zien er dof uit en het blad van de eiken zit vol gaten. Vermoedelijk zijn recente hagelbuien en vraat van rupsen hiervan de oorzaak. Maar alles valt nu samen: periodes van droogte en hitte en onregelmatiger weer, waardoor bomen verzwakken en vatbaarder worden voor plaagdieren, die in grotere getale verschijnen, enzovoort.

Zes jaar geleden vond ik de omgeving idyllisch en nog altijd is het hier prachtig. Alleen weet ik nu meer.

Het kappen van eeuwenoude bomen, enkel omdat die de bouw van een garage of woning in de weg staan, vind ik crimineel. Mensen die blijk geven van zo’n wansmaak en gebrek aan respect voor de natuur, horen op een industrieterrein thuis; niet hier.

Een zoethoudertje over begrenzing

Wanneer het op een blog wat stiller wordt, weet je nooit of dat voor even is, of dat het een teken is van het begin van het eind. Zowel als volger als als blogger vraag je je dat soms af.

De reden voor de stilte hier, is dat ik lekker met het onderzoek bezig ben. Al is het meer omvattend dan dat. Toen ik vorig jaar samen met een buurman naar een kenner ging bij het Erfgoedcentrum, vertelde de buurman aan die medewerker waar het mij om ging. De man was professioneel genoeg om zijn persoonlijke gedachten te verbloemen. Maar toch meende ik een zweempje van meewarigheid op zijn gezicht te bespeuren.

Misschien is het typisch mannen eigen om zo’n onderwerp gelijk groots aan te pakken. Hij liet dan ook meteen de naam van een megabouwwerk vallen. De Duitse versie van de Chinese Muur, zeg maar. ‘Nee, nee’, zei ik toen, ‘voorlopig gaat het mij alleen om die loopgraven bij ons in de achtertuinen.’ Daarop reikte hij mij een artikel aan uit een plaatselijk historisch tijdschrift, waarin ik wellicht een paar aanknopingspunten kon vinden. Eerlijk gezegd denk ik dat hij dacht dat het daar wel bij zou blijven.

Grappig.

Hij zou eens moeten weten.

Dus toen ik een paar maanden later voor nadere informatie terug kwam, begon er op zijn gelaat al wat meer besef door te schemeren. Nog steeds was het mij vooral om de plaatselijke linie te doen. Plus nog wat graafwerk in de omgeving. Want ja, dat megaproject uit die oorlogsperiode, zo kenmerkend voor een evenzeer nogal megalomane man, was toch wel een beetje veel van het goede. Dat vond ik ook. Daar moest ik mij dus maar niet aan wagen. Dacht ik toen.

Toch is dat moeilijk te doen. Ik bedoel, hoe strak ik het ook afbaken en hoe zeer ik het ook binnen de perken wil houden; sluipenderwijs komt er steeds weer een stukje bij. Alleen die ene gebeurtenis nog. Alleen dat opmerkelijke zijspoortje nog. Alleen die ene plaats er nog bij. Al die deelonderwerpjes zijn relevant en ze dragen bij aan een completer verhaal.

Maar echt, het gaat alleen om dat traject langs de Rijn. Daar blijft het bij.

Nou ja, nu ben ik dus toch over een grens heen gegaan. De Duitse wel te verstaan. Maar verder ga ik niet. Echt niet. Alleen dat ene gebiedje mag er nog bij. Gewoon, omdat het zo toepasselijk is en omdat aan het de Liemers grenst. Oh, had ik dat al verteld: de Liemers valt nu ook binnen mijn onderzoeksterrein. En niet alleen het stukje langs de Rijn …

Afijn, u begrijpt dat het hier voorlopig nog wat stiller dan normaal zal zijn. Van fotografie komt evenmin veel terecht. Maar een plaatje van een ontluikend beukenlaantje kan altijd tussendoor.

Snakken naar een restaurant

Je zal mij niet gauw horen mopperen over die coronamaatregelen. Ik heb mij voorgenomen om er zo min mogelijk over na te denken. Daarom laat ik alles tamelijk gelaten over mij heen komen. Ut mot maar. Zoiets. En die avondklok? Het zal wel. Ik ga toch zelden naar buiten als het koud en donker is. Bovendien zijn er wel ergere dingen in de wereld.

Trouwens, in mijn jeugd, ruim veertig jaar geleden, waren winkels en veel cafés op zondag ook gesloten. Je was al blij met een pakje sigaretten uit een gevelautomaat.  Echt, ik heb barre tijden meegemaakt. Kan je na gaan welk effect dat op de ontwikkeling van mijn hersenen heeft gehad.

Maar er is één ding waar ik nu wel zeer naar verlang, en dat is de heropening van de restaurants. Ik zou bijna zeggen: zorg dat je wat gaat mankeren, zodat je naar het ziekenhuis mag. Want ziekenhuizen hebben restaurants. Vorige maand had ik mazzel, want toen had ik afspraken in het Radboud ziekenhuis. En je raadt het al, in het hoofdgebouw … hebben ze een zelfbedieningsrestaurant! Yes! Nou, dat was genieten, hoor.

Beeld je eens in. Bij het begin van het pad langs de zelfbedieningsbalie mag je zelf een dienblaadje pakken. Daarna loop je op je gemak langs al die vitrines met lekkere hapjes en andere dingen. Uiteindelijk reken je bij de kassa af. (Ik heb er een cappuccino en een saucijzenbroodje genomen. Dat weet ik nog precies.) Vervolgens wandel je met je dienblad naar het tafeltje waarop het serviesgoed en de servetjes liggen. Hier mag je ook weer zelf een selectie uit maken.

Uiteindelijk ben ik aan een tweepersoonstafeltje neergestreken met zicht op alle mensen die daar rondliepen. Echt, het gevoel dat zo’n restaurant je dan geeft. Het besef dat jij daar zit. Het was gewoon bijzonder. Wat had ik dát gemist.