Woeste landjes

In Nederland hebben woeste landjes aantrekkingskracht. Woeste landjes zijn stukken grond waar niemand naar omkijkt. Verlaten en overwoekerde bedrijfsterreinen, bijvoorbeeld. Met een bordje ‘Verboden toegang’. Geen bewakingscamera die erop let. Half ingestorte panden, wachtend op toekomstplannen. De ruiten zijn ingegooid en het onkruid tiert welig door. Terreinen vol stilstand. Ontwikkelaars en gemeenteraden praten jarenlang.
Nu wordt alles anders. Jammer.

Verderop een weitje voor een dromedaris. Uit het circus ontsnapt? Een klein woonwagenkamp, een soort van autohandel en een sloperij. Niemands landjes. Iemand heeft zijn paarden in de uiterwaard gestald. Je vindt het allemaal langs de Nederrijn bij Arnhem. Ik hou er wel van.

paarden in uiterwaard Nederrijn

Watermanagement in Nederland

Het water in de Rijn staat nu zo laag, dat oude rietmatten tevoorschijn komen. Deze matten werden vroeger gebruikt ter versteviging van kribben en bescherming van oevers. Ik zag ze afgelopen zaterdag liggen. Ze vormen een stukje geschiedenis van watermanagement dat bij een normale waterstand verborgen blijft.

Over watermanagement gesproken. In Rotterdam, Den Haag en Amsterdam staan zeer hoge woon- en bedrijfstorens gepland. Welke invloed hebben die straks op de landelijke verdeling van neerslag? Bij een zuidwestenwind zullen wolken in deze steden op een muur van beton botsen. Wordt dat ook de plek waar ze voortaan hun water droppen? Want nu al valt er in het oosten minder regen dan in het westen van het land.

Stranden in Gelderland

De een houdt van zee, de ander houdt van bergen. Overal kunnen we ontspannen en nieuwe energie opdoen, zolang de omgeving maar bij ons past. Aan de kust kan je na een drukke periode lekker uitwaaien en je hoofd leegmaken. Zoek je juist een fysieke en mentale uitdaging, dan haal je je hart op bungelend boven een afgrond. Wat bij jou past, ontstaat misschien wel door het landschap waarin je opgroeit.

In mijn jeugd was de kust als vanzelfsprekend nabij. Je fietste er zo naartoe. Toch wees daar niets op in ons dorp. De omgeving bestond uit uitgestrekte groene weiden van melkveehouderijen. Maar de wind was er altijd. Als aanwijzing voor de nabijheid van een heel andere entiteit. Het weidse land en de open zee creëerden een behoefte aan vrij zicht. Ontstaat zo ook een behoefte aan transparantie en duidelijkheid?

Kustlijnen zijn als grenslijnen. Ze begrenzen niet altijd. Stranden vormen juist een overgangsgebied van vast naar vloeibaar, en andersom. Dat vloeibare heeft iets magisch. Je kan denken: ‘Hier in Nederland/België ben ik via de aardkorst verbonden met iemand in Griekenland.’ Maar er zit amper beweging in gesteente en het geleidt beroerd. Water, daarentegen, beweegt. Steek een teen in zee en je bent in direct contact met de kustlijnen van Zuid-Afrika, Vietnam, Canada, Oman, Australië en alle Polynesische eilanden.

Hier in Gelderland stellen de stranden op het eerste gezicht weinig voor. Je hebt van die plasjes op de Veluwe. Als er dan wat zand bij ligt, noemen ze dat meteen een strand. Maar door deze provincie heen lopen wel grote rivieren. De Maas en de Waal, de (Neder)Rijn en de IJssel. Daar liggen heel veel strandjes langs, kilometers achter elkaar. Vanaf het zand kan je zelfs je tenen in het water steken en het waait er nog ook. Sterker, in Gelderland ligt tussen rivierkribben iets, wat je nergens aan de Hollandse kust vindt. Namelijk vrij toegankelijke privé-stranden.

Ach wat. Laat de mensen in de Randstad maar denken dat ik diep in het bos ben gestrand. 😉

Arnhem enerzijds anderzijds

‘Arnhem mijn stad’ staat er op een sticker bij de bushalte. De halte van bus 1 net buiten het station. Een trolleybus, zoals je alleen in Arnhem ziet en mijn favoriete lijn. Soms rij ik helemaal mee van het begin tot het eind.

Arnhem is mijn stad niet. Ik ben te Leids en spreek geen Ernems. Kan je überhaupt volledig integreren na een zekere leeftijd? Of sleep je al te veel bagage mee, hoe veel je ook wegdoet? Zie hoe de oude stadspoort hier mee worstelt, zo ingeklemd tussen het nieuwe beton.

Overal zijn aardige en minder aardige mensen, dat is bekend. En de rivier trekt toch wel. Enerzijds / anderzijds. Noord en Zuid op de foto, vanaf hetzelfde punt. Wat je er van vindt, maakt de stad weinig uit.

Verleidelijk uitzicht op het werk

In 35 jaar tijd heb ik op zeer verschillende locaties gewerkt. Zoals in een statige stadsvilla met tuin, gevolgd door een gemeentehuis naast een overdekt winkelcentrum. Ook waren er grachtenpanden, een boerderij, en kantoren op bedrijfsterreinen. Soms was er slechts een binnenplaats. Maar ik heb ook uitzicht gehad over heel Den Haag. Je kan het treffen. Toch, wat is beter: een lelijk of een verleidelijk uitzicht?

Doe je saai werk, dan wordt een verleidelijk uitzicht een tantaluskwelling. Dat heb ik ervaren op een sjiek kantoor nabij het Leidse station. De hele dag door zag ik mensen voorbij komen, terwijl ik maar in die muffe ruimte zat. Ik wilde ook in een trein stappen en op reis gaan. Evengoed heb ik in een fantasieloze kolos gewerkt waar je vanwege de uitlaatgassen geen raam open kon zetten. Hartje Den Haag. Maar daar had ik boeiende bezigheden; die maakten veel goed. Bovendien kon je er leuke pauzewandelingen maken.

Achter de zonneschermen van deze blokkendoos schuilt een hip en strak kantoor. Het staat aan de rand van de uiterwaard bij Oosterbeek, langs het pad richting het pontje naar Driel. Hoe de werknemers over hun werkplek denken, is mij niet bekend. Maar ik zou er moeite mee hebben.
Met dit weidse uitzicht zo dicht bij het stromende water van de rivier.

Op de grens van hoog en laag

Nederland zal alles doen om droge voeten te houden, verwacht ik. Alleen al vanwege de enorme belangen verhoogt men de dijken voortdurend. Want de zeewaterspiegel stijgt en door meer hoosbuien elders stroomt het rivierwater sneller ons land binnen. Ook hier zal het steeds harder plenzen, zo wordt voorspeld. Op de hoogtekaart van Nederland kan je exact zien op welk niveau je woont. Dankzij een verhuizing ben ik van 0.50 meter tot liefst 58 meter boven zeeniveau opgeklommen.

Heerlijk hoor, zo kun je jezelf genoeglijk in slaap sussen. Maar mijn familie woont op -2 meter in de badkuip, evenals veel medelanders. Sowieso woont een flink deel van de wereldbevolking in laaggelegen kuststeden, ook dankzij het koloniale verleden.

Hieraan denk ik tijdens een zondagmiddag wandelingetje langs de Nederrijn. Het stuk tussen de sluizen en de aanlegsteiger voor het pontje naar Driel. Dat heb ik tot dusver alleen van bovenaf op de stuwwal gezien. Nu wil ik het van onderaf bekijken. Bij de aanlegsteiger staat de koffie klaar. Overal zijn dagjesmensen: fietsers, wandelaars, vissers en iemand met een hondje. Geen drukte, de sfeer is ontspannen. Mogelijk in het moment van de stilte voor de storm. Halverwege ligt Heveadorp. Zo’n onverwacht pittoresk pareltje, waar huizen in Engelse cottagestijl staan, compleet met rieten daken.

De foto’s tonen precies wat beeldselectie bij het nieuws doet. Kijk je in de richting van de aanlegsteiger, dan zie je een Hollands laagland tafereel. Niets doet vermoeden dat direct achter mij een massieve stuwwal 52 meter omhoog torent. En zonder detailfoto mis je het minuscule leven in een ven nabij de Nederrijn. Deze zijtak van de rivier vloeit door een momenteel te droog landschap. Keurig tussen de lijntjes, waar in januari nog alle omliggende grond werd overspoeld.

(Klik desgewenst op een foto voor een vergroting.)

 

De Lagewaard in Koudekerk aan den Rijn

Op een half uurtje rijden van Den Haag en Amsterdam liggen oer-Hollandse dorpen waar geen toerist komt. Middenin de Randstad en middenin het Groene Hart. De veeteelt en de kaasmakerij brachten er eeuwenlang welvaart. Dat zie je aan de zomerhuizen naast elke pronte boerderij. Koudekerk aan de Rijn is zo’n agrarisch dorp. En met een landweggetje als de Lagewaard doet het niet onder voor Giethoorn. Zulke mooie plekjes zijn bij het grote publiek onbekend.

Rond 1600 bezat een zoon van mijn voorouders er stukken grond, een steenbakkerij en ander onroerend goed. Het was toen nog deels onontgonnen terrein. In 1613 werd ‘lant noch dagelicx van wegen den voorn. A.J.F. ontgront ende de cleij­aerde foe langer foe meer uijtgedolven ende wech gevoert.’ Het moet er ruig en drassig zijn geweest. De boeren sloten stammen uit die periode.

Voor mij is dit welbekend terrein. Ik ben opgegroeid in een naburig dorp, waar vergelijkbare polderweggetjes zijn. Ze bestaan uit een enkele rijstrook voor tweerichtingsverkeer. Als er een tegenligger komt, moet je uitwijken naar een brug. Want ze hebben meestal smalle, steile bermen en modder-sloten aan weerszijden. Geen buitenlandse toerist durft daar te rijden.

In mijn Leidse tijd fietste ik bij mooi weer regelmatig naar deze polder. Het is een overgang van rumoer en hoge stenen muren naar relatieve stilte en weids grasland. Dit gebied grenst aan de noordzijde van de Oude Rijn. Voorbij Leiderdorp fiets je over een smal pad zo de Achthovenerpolder in. Na een half rondje bereik je de Lagewaard, nabij de rivier. De bebouwing rukt aan alle kanten op, maar hier ligt het land nog open.

Sinds de verhuizing naar Gelderland bekijk ik mijn voormalige woongebied met de ogen van een toerist.

(Bron oude plattegrond: Grote Historische Atlas, 1 West-Nederland, Wolters-Noordhoff Atlasprodukties.)