Geborgenheid in een ongewisse tijd

Volgens Maslov is een goed dak boven je hoofd een eerste levensbehoefte. Daarom genieten we ook zo van een goed onderhouden huis dat comfort biedt. Sinds de coronacrisis loopt het storm bij de bouwmarkt en knapt menigeen zijn woning op. Dat komt omdat veel mensen nu tijd hebben en vaker thuis zijn. Maar ik zie vooral een sterk verlangen naar geborgenheid in een periode vol onzekerheid.

In Krabbé zoekt Chagall citeert Jeroen de Russisch-joodse schilder. Marc Chagall doorstaat de roerige jaren van Eerste Wereldoorlog en de Russisch Revolutie. Hij krijgt te maken met restricties en discriminatie. En zakelijk wordt hij diverse malen belazerd. Mede hierdoor balanceert hij steeds op de rand van de financiële afgrond. Wanneer hij in 1923 naar Parijs trekt, keren zijn kansen. Samen met vrouw en dochter kan hij eindelijk leven in relatieve weelde. En dat doen ze. Maar gevraagd of hij zich nu veilig voelt, antwoordt hij: ‘Dat nooit’.

Gevoelsmatig vinden we zekerheid in een goed onderhouden woning. Binnen kunnen we de boze wereld buiten houden. Dat proberen Trump en al die andere bange graaiers en machtswellustelingen ook. Daarom besef ik: geniet van het moment. Geniet van wat je nog hebt in dit land, want deze veiligheid is een illusie.

Toch is veiligheid tot op zekere hoogte wel maakbaar. Het vergt alleen een ommezwaai in onze prioriteiten. Een economie moet ten dienste staan aan een samenleving, en niet andersom. Dit zou altijd de leidraad moeten zijn voor regeringsleiders en nu voor het EU-steunfondsenbeleid. Daarom herhaal ik een stukje uit mijn log van 13 december 2013, toen ik schreef over Maslow voor EU-leiders:

‘Weerstaan Merkel en Dijsselbloem de machtige lobby van het mondiale bedrijfsleven? Nu al hebben veel mensen in Duitsland twee baantjes om rond te komen. Mede daarom is het tijd voor een overkoepelende EU-visie. Hier volgt mijn tip van de dag. Toets of plannen aan twee basisvoorwaarden voldoen, voordat ze nader worden besproken:

  1. Het plan dient de drie belangrijkste levensbehoeften van onze bevolking.
  2. Het plan schaadt geen belangrijke levensbehoeften van anderen.

De levensbehoeften volgens Maslow zijn (van zeer belangrijk tot minder belangrijk):

  1. Lichamelijke behoeften: schone lucht, veilig voedsel, schoon water, seks, warmte.
  2. Behoefte aan veiligheid en zekerheid: rust, orde, geen gevaar, onderdak, inkomen.
  3. Behoefte aan saamhorigheid: vriendschap, er bij horen, liefde.
  4. Behoefte aan waardering: erkenning en zelfrespect, status in sociaal verband.
  5. Behoefte aan zelfontplooiing: volledige ontwikkeling van eigen kwaliteiten.

Als een wet of plan deze basistoets niet doorstaat, mag de indiener terug naar de tekentafel. Volg bij subsidies gewoon de heldere regels van de ASN-bank voor beleggingen.’

Wij zijn allemaal medeverantwoordelijk voor de keuzes die regeringsleiders maken. Dus ook voor onze veiligheid. We creëren zelf de grootste graaiers en de wereldwijde ontwrichtingen. In Trouw (23 april 2020) verwoordt Naema Tahir dit mooi:

‘Ik heb jaren geleden al de keuze gemaakt om minder uit te geven, om minder slaaf te zijn van de productie-consumptiecyclus. Wie veel wil consumeren, moet ook veel verdienen. En hoe meer je wilt verdienen, hoe meer je moet werken. Hoe meer je moet werken, hoe minder tijd je hebt voor de wezenlijke dingen, die doorgaans niet voor geld te koop zijn.
Ik weet het: als iedereen zo zou denken, zou het bruto nationaal product een stuk lager zijn. Maar zijn we dan ook slechter af? Geluk is niet of nauwelijks te koop.’

Geluk niet nee. Maar relatieve veiligheid in de geborgenheid van een socialere samenleving wel.

Onze behoefte aan houvast

‘Konden we maar alvast zien hoe de situatie is over twee maanden.’, verzucht mijn buurvrouw. Ze wordt als zelfstandig onderneemster flink getroffen door de coronacrisis.

In onzekere tijden zoeken veel mensen naar houvast buiten zichzelf. Ik ook. Daarom zoek ik voortdurend naar duiding van het nieuws. Toch blijft de toekomst altijd ongewis. En wijze lessen uit het verleden raken snel in vergetelheid.

Houvast zit vooral in jezelf.

Noem mijn huis geen krot

In maart 2016 zien we elkaar voor het eerst weer sinds mijn vertrek. Een goede bekende. Ze wil alles weten over het oude huisje dat ik heb gekocht. Ik vertel over het achterstallige onderhoud, de stroomstoring en de lekkage. Dat werd in die periode allemaal aangepakt tijdens een langdurige renovatie. Sindsdien is er veel gedaan. Dus waarom zei ze dan laatst tegen een medewandelaarster dat ik in een krot woon?

Het was vast een vriendschappelijk plagerijtje; bedoeld als aanzet tot het volgende gespreksonderwerp. Of kwam het door haar gemoedstoestand? Een afwijzing van haar werk heeft geleid tot veel onzekerheid. Moet ik nu stilstaan bij beweegredenen en gevoeligheden? Bij de ragfijne lijntjes die vrouwen onderling en met andere wederzijdse kennissen verbinden? Zijzelf heeft mijn huis nooit gezien.

Mijn huis is geen krot. Mijn huis is mooier, beter, groter en confortabeler dan dat van zeker zes miljard andere wereldbewoners. En niemand heeft zo’n bijzonder toiletstalletje als ik. Trouwens, genoeg krotbewoners zijn met reden trots op hun woning. Zij maken daar namelijk ook het beste en wat moois van. Dat heb ik in meerdere sloppenwijken gezien.

In sloppenwijken regelen bewoners zelf schoon drinkwater, elektriciteit, schooltjes en medische voorzieningen. Met hulp, dat wel. En zij verfraaien hun huisjes evengoed met kleurrijke kalenderplaten en fleurige gordijnen. Ze hebben daar winkels, mobiele telefoons, videobioscopen en tv. Alsof sloppenwijkbewoners in steden allemaal zo armzalig zijn. Veel van hen bezitten nog een tweede huis op het platteland, waar ze vandaan komen en waar hun verwanten wonen.

Ik bewoon een arbeidershuisje in een villadorp. Misschien doet de vergelijking iets met de beeldvorming.

Een plek waar je het vee kan laten eten

‘Vindt u dat landen open grenzen zouden moeten hebben?’, vraagt Colin van Heezik in VPRO Gids nummer 7, 2020, aan intercultureel mediator Mattea Weihe, die vluchtelingen op de Middellandse Zee helpt. ‘Ja. Grenzen zijn een raar concept. De grenzen in bijvoorbeeld Sub-Sahara Afrika zijn door de koloniserende landen gemaakt: rechte lijnen, totaal arbitrair. Mobiliteit heeft niks te maken met grenzen: als je een veeboer bent, moet je gewoon naar een plek waar je dieren kunnen eten. En grenzen leiden vaak tot etnische conflicten.’ Mattea is 28 jaar oud.

Ik blijf een beetje hangen bij die plek waar veeboeren hun dieren kunnen laten eten. En ik moet denken aan die loslopende geiten op Curaçao, die daar alles kaal vreten. Alles, inclusief de oorspronkelijke flora, met als neveneffect verlies van de oorspronkelijke fauna. Blijkbaar voelt niemand zich verantwoordelijk voor het publieke terrein daar.

Vervolgens denk ik aan het communal land in Afrikaanse landen, waar (herders)volken van oudsher gebruik van maken. Dat wil zeggen: op basis van ongeschreven afspraken (o.a. Kenia); of op basis van woongebied en etniciteit (o.a. Tanzania). De precaire balans wordt door overbegrazing makkelijk verstoord. Met schaarste en etnische conflicten tot gevolg. Ja, ook zonder die landsgrenzen.

De kaarsrechte grenzen, waarop Mattea doelt, zijn inderdaad door de vroegere kolonisators getekend. Maar in de meeste gevallen kregen Afrikaanse bestuurders daar al meer dan vijftig jaar geleden volledige zeggenschap over. Jonge Afrikanen beseffen inmiddels dat hun regeringsleiders ook een hand in eigen boezem mogen steken.

De Afrikaanse geschiedenis, die van voor de Europeanen kwamen, wordt gekenmerkt door migratiestromen van diverse volken. De ene keer verliep het contact met de al aanwezige bevolking vredelievend. De andere keer sloegen ze elkaar de hersens in en maakten de winnaars de verliezende partij ondergeschikt of tot slaaf. Het schijnt bij de menselijke aard te horen. Dit komt in de hele geschiedenis en overal ter wereld voor.

Wat ook al eeuwen bestaat, zijn de wisselingen der seizoenen. Wij kennen de lente, zomer, herfst en winter. Andere werelddelen kennen het natte en het droge seizoen. Is er een uitzonderlijk goed jaar, dan worden de kuddes van veehouders groter. En passant draagt het vee van rondtrekkende herders bij aan diversiteit van de begroeiing. Volgt er een extra lange droogteperiode, dan sterft er bovengemiddeld veel vee. Of de veehouders moeten met verlies een deel van hun kuddes verkopen.

Vooral herdersvolken spreiden daarom hun risico’s. Ze houden bijvoorbeeld verschillende diersoorten. Ook maken ze onderling complexe afspraken over toegang tot waterbronnen en weidegronden. Dit betekent wel dat ze nieuwkomers kunnen uitsluiten. Vluchtelingentransport is voor nomaden in de Sahara trouwens momenteel een lucratieve bron van (neven)inkomsten.

Bij schaarste ontstaan er makkelijk conflicten tussen gevestigde en rondtrekkende veehouders. Naar verwachting zal dit vaker gaan voorkomen, onder meer door bevolkingstoename, klimaatverandering en land grabbing.

Mijn vroegere werkgever financierde al twintig jaar geleden drought cycle management programma’s. Die zijn bedoeld om traditionele veehouders en nomaden weerbaarder te maken, en om hen alternatieven te bieden. Ook bestaan er handleidingen voor goed bestuur over gemeenschappelijke gronden, mede gebaseerd op de kennis van herdersvolken.

Verandering in denken komt langzaam. En het zal helemaal lang duren als mensen van 28 jaar oud steeds weer ingesleten opvattingen herhalen en niet verder kijken dan naar wat er precies in hun straatje past.

Vluchtelingen zijn voor iemand als Mattea een verdienmodel en academisch promotiemateriaal. Dat zie ik nu. Maar ik ben dan ook twee keer zo oud. Op haar leeftijd had ik mij uit bevlogenheid en idealisme misschien eveneens blind gestaard op die oude clichés.

Overigens zou ik al die Nederlandse koeien, varkens, kippen en geiten weleens op de boot willen zien, wanneer alle veehouders tegelijk gaan rondvaren naar de landen waar het veevoer vandaan komt. Want: ‘als je een veeboer bent, moet je gewoon naar een plek waar je dieren kunnen eten.’

Levenslessen: (3) Het steentje in de rivier

Waar te beginnen? In de tijd, in de ruimte? Bij mens, plant of dier? Bij het ontstaan van het heelal, misschien? Dit is namelijk de volgende in mijn persoonlijke serie belangrijke levenslessen:

Levensles 3. Alles hangt met alles samen

Alles heeft een oorsprong en een gevolg. Ons eigen handelen bijvoorbeeld. We baseren onze normen en waarden onder meer op wat onze (voor-) ouders hebben meegemaakt. Daar gedragen we ons naar en vervolgens reageert onze omgeving hier weer op. Zo doen wij zelf ook ervaringen op. Waarop we onze eigen meningen vormen. Vervolgens dragen wij ons ideeëngoed over aan onze kinderen, die … enzovoort.

En alles hangt met alles samen. Dit heb ik vooral geleerd in mijn werk voor armoedebestrijding en ontwikkelingssamenwerking. Veel mensen denken dat het wel goed komt, als er maar een schooltje wordt gebouwd, of een ziekenhuis. En als er dan ook nog een fabriek opent, is de armoede zo voorbij. Helaas.

Neem het spreekwoordelijke steentje in de rivier. Een buurland bouwt een grote dam. Vanaf dat moment wijzigt de rivier haar koers. Waar eerst water stroomde, valt de grond langzaamaan droog. En waar het land voorheen dor was, wordt het nu rijkelijk bevloeid. De gevolgen voor de bevolking aan weerszijden van de grens zijn enorm.

Bij armoedebestrijding grijpt alles in elkaar: klimaat, geografie, milieu, geschiedenis, politiek, rechtspraak, veiligheid, religie, onderwijs, gezondheid, cultuur, bevolkingssamenstelling, et cetera. Je kan niet één enkel element aanpakken en de rest bij het oude laten.

Kortom: als je vindt dat er wat moet veranderen in de wereld, dan kan je zelf beginnen.

Smakelijk eten uit lang vervlogen tijden

Anno nu ligt het voedsel uit de hele wereld voor het grijpen in de supermarkt. Vruchten uit Azië, groenten uit Latijns Amerika en knollen uit Afrika. Je moet bijna zoeken naar wat er van oorsprong in de Hollandse pot zat. Fushion-gerechten vieren hoogtij. Maar is dit fenomeen wel zo nieuw? Gisteren bezocht ik een boeiende lezing door culinair historica Christianne Muusers in Museum het Leids Wevershuis. Zij vertelde dat men in de middeleeuwen al een grote variëteit aan ingrediënten kon kopen.

Ons idee is dat er vroeger weinig variatie was. Dat klopt slechts ten dele. Arme mensen aten vooral wat lokaal werd geproduceerd. Zij konden weinig exotische ingrediënten betalen. Maar de rijken hadden al vroeg een ruime keuze. Tal van ingrediënten raakten echter in onbruik na de middeleeuwen. Denk aan de zogenaamde ‘vergeten groenten’. Ook het huidige aanbod op de afdeling vleeswaren is in die zin een teken van verschraling. Waar zijn de zwaan en de varkenspootjes gebleven?

Exotische kruiden en specerijen waren van oudsher zeer duur. Tot de glorietijd van de VOC moest elk onsje over land worden vervoerd via de zijderoute. Daarna bracht de VOC onder meer kaneel en kruidnagel in grotere hoeveelheden op de markt voor een kleiner prijsje. Mede hierdoor verdrongen dergelijke specerijen de oorspronkelijke en vergelijkbare ingrediënten. Exotisch pittig (peper) verving inheems pittig (mosterd). Toch waren ook de oudst bekende smaakmakers vaak al eerder van elders ingevoerd.

Smakelijke verhalen en eeuwenoude recepten staan op Christianne’s website Coquinaria. Na de lezing was er een kleine proeverij van vlees-met-vis pasteitjes, hutspot zoals die in 1574 waarschijnlijk werd samengesteld (Leidens Ontzet!), marsepeinen egeltjes en hypocras (‘godendrank’ ofwel gekruide wijn). Die wijn smaakt zowel lekker als naar medicijn. Dat laatste is niet vreemd, wanneer je bedenkt dat er medicinale krachten aan kruiden werden ontleend.

Zoek je inspiratie voor een origineel kerstdiner, dan kan je op haar website je hart ophalen. Begin vroeg met de voorbereiding, want het kost tijd om de minder bekende ingrediënten bijeen te brengen.

Hoe de omgeving je gemoed beïnvloedt

Het is buiten donker, koud en nat. Je loopt als vrouw op straat en kent de weg niet in dit deel van een drukke stad. Google Maps stuurt je een smalle steeg in. Harde hoge muren; een paar vuilcontainers staan tegen een wand. Er zitten hier allerlei schimmige coffeeshops en besloten clubs zonder ramen aan de buitenkant. Voor de deur hangen twee potige Oost-Europese types rond. Sowieso zie je vrijwel uitsluitend mannen. Dan komt een luidruchtige groep vrijgezellen je lallend tegemoet. Wat een achenebbisj toestand. Je wil hier zo snel mogelijk weg.

Zet daar het volgende beeld tegenover. Je bent op vakantie in Griekenland. Het is voorjaar en het zonnetje schijnt aangenaam warm. In het oude stadje staan overal bloembakken op balkons. Je slentert op straat en ziet in een pittoresk steegje een uithangbord. Een koffiezaakje! Daar moet je zijn. Het is de perfecte plek voor een pauze met wat lekkers erbij. Heerlijk toch?

De fysieke omgeving heeft invloed op je gemoed. De ene keer meer dan de andere en het zal voor iedereen verschillend zijn. Hoe je een omgeving ervaart, hangt mede af van je stemming. Als je je goed en zelfverzekerd voelt, roept een steegje eerder nieuwsgierigheid op dan angst.

Naar mijn idee gaat de invloed van een omgeving nog dieper. Neem een bezoek aan een verouderd winkelcentrum. Daar zitten vooral discounters, kappers zonder klanten en winkels vol prullaria uit China. Verder zie je veel lege panden. De weinige bezoekers verkondigen luidkeels dat ze geen cent te makken hebben. Zo’n plek maakt dat ik mij zelf armoedig voel.

Sterker: waar wij komen, heeft invloed op hoe anderen ons zien. Als je tegen iemand zegt dat je boodschappen doet in zo’n verouderd winkelcentrum, kan je in zijn achting dalen. We hebben tenslotte ongemerkt al snel een oordeel klaar.

Omgekeerd voel je je mooier en rijker wanneer je omringd wordt door knappe mensen en kostbare, kwalitatief goede spullen. Zo kan een chique omgeving doorwerken op je zelfbeeld en je gevoel van eigenwaarde.

Zelf eet ik van twee walletjes. In het ‘armoedige’ winkelcentrum haal ik bij een Chinese toko Indonesische lekkernijen. En in de chique omgeving kijk ik gewoon graag rond.