Een kleine beschouwing op de verhuizing

‘Het leven is risico’, zegt ze. ‘De mate waarin je leeft, is afhankelijk van de mate waarin je riskeert.’ (Liftende moeder van Pippa Bacca, Volkskrant magazine 30 mei 2020.)

Waar begin je aan, wanneer je als 52-jarige verhuist naar een plaats 100 kilometer verderop? Vandaag precies vijf jaar geleden verhuisde ik vanuit het centrum van Leiden naar de rand van een dorp bij Arnhem. Talloze malen is mij gevraagd naar de reden. Kende ik daar al mensen, was het voor de liefde, had ik hier al werk?

Zelf had ik vooraf een aantal vage verwachtingen en slechts één concrete. Ik ging hier rust en ruimte vinden in de natuurlijke omgeving. Dat was wat ik in de Randstad steeds meer miste. En zo is het ook gegaan. Ik heb slechts vage verwachtingen van wat de toekomst brengen zal. Leven is namelijk risico nemen, dat weet iedere reiziger.

(Op de foto Ierland, waar ik in 2014 het besluit nam voor deze verhuizing.)

Voorzichtigheid in coronatijd

Vandaag maakte ik sinds half maart mijn eerste treinritje in coronatijd. Wat een belevenis. Ons plaatselijke boemeltje rijdt in precies vier minuten naar het volgende dorp. Daarna heb ik wandelend de terugweg volbracht.

Het risico op besmetting bleef beperkt. Inchecken kan met een OV-kaart zonder iets aan te raken. En voor het instappen drukte iemand anders op het knopje om de deur te openen. Alleen bij het verlaten van de trein moest ik een knopje met mijn mouw aanraken. Achteraf gezien vormden rakelings passerende mountainbikers op het wandelpad een groter gevaar.

‘Reis alleen met de trein als het echt moet’, maant de NS. Maar al mijn uitstapjes en familiebezoeken zijn recreatief. Laten mensen zich nog door deze vermaning weerhouden? Of vrezen ze de komende versoepeling en blijven ze, indien mogelijk, toch maar liever thuis? Ik ben voorzichtig. Tenslotte weet niemand werkelijk wat wijsheid is in deze situatie.

Uw verslaggeefster op expeditie in oorlogsgebied

Het is nodig, ik moet de deur uit. Bij mijn nieuwe twijfelaar is slechts één laken geleverd en dat moet donderdag in de was. Nu zou je zeggen: ‘Bestel gewoon een paar extra lakens op internet.’ Terecht. Alleen wil ik de stof van mijn lakentjes wel eerst even kunnen voelen. Misschien vind ik het weefsel een beetje te ruw, te koel of wat dan ook. Bovendien vraagt mijn matras om een afwijkende maat. Nee echt, ik moet er nu wel uit.

Dit wordt mijn eerste grote expeditie sinds de bijna complete lockdown. Derhalve bereid ik de tocht grondig voor. Openbaar vervoer mijd ik zo veel mogelijk, want je weet maar nooit in zo’n publieke bus. Als voormalige forens op het traject Leiden – Den Haag huiver ik van ieder vervoermiddel waar airconditioning in zit. Ik ben doorlopend verkouden geweest in die tijd.

Daarom stippel ik vooraf de allerveiligste route uit. Eerst de straat uitlopen, dan naar rechts. Vervolgens een kilometer langs het hondenuitlaatveld. (Fietsers, wandelaars en hondenbaasjes mijden. Desnoods van het pad af wijken.) Snel de weg oversteken, heuvel af, onder het spoor door en dan de wandelpaadjes kiezen waar je het minst vaak medemensen ziet. Nu is het een voordeel dat ik dit gebied eerder heb verkend.

Toch gaat het herhaaldelijk bijna mis. Vlak bij een T-splitsing komt er ineens een compleet gezin van links. Er zijn nog kleine kinderen bij ook. Die vrees ik het meest, want die ukken zijn vaak ongeleide projectielen. En weet jij wat zij onder de leden hebben?

Gelukkig is dit voor hen een educatieve trip. Precies wanneer het complete gezin rondom een boomstronk staat gegroepeerd (de moeder: ‘Dit zijn nu jaarringen.’), speurt ik met een wijde boog om hen heen. Zo het zijpaadje in. Fjiew. Gelukt. Zonder adem te halen en met afgewend gezicht.

Even verderop moet ik over een fietspad stijl omhoog een helling op klimmen. Oei, hier wordt het echt kritiek. Nergens uitwijkmogelijkheden en de straffe wind waait mij tegemoet. Plots komt er een man op een driewieler aan gescheurd. Hij is niet bij zijn volle verstand en heeft evenmin iets meegekregen over die anderhalve meter afstand.

Weer probeer ik zo lang mogelijk mijn adem in te houden. Maar ik loop door de inspanning al te hijgen, dus op die helling gaat het mis. Ik word rakelings gepasseerd. Slik. Als ik nu maar niets binnen heb gekregen.

Dan bereik ik de rand van Arnhem. Mijn God, wat is híer gebeurd? De straten zijn compleet uitgestorven. Heb ik soms een bericht gemist? Is er tussentijds een totale lockdown afgekondigd? Even twijfel ik. Doe ik hier wel goed aan? Maar ik ben op een missie, dus hup, in de benen en voorwaarts.

Weer komt er zo’n potentiële coronavirusdrager op mij af. Hij loopt druk pratend mobiel te vergaderen. En weer waait de wind iemands adem in mijn richting. Ik probeer zijn waaierende slipstream te ontlopen, maar geparkeerde auto’s blokkeren die optie.

Onachtzame mensen vormen steevast een gevaar, zo blijkt in de stad. Daar zijn bijna alle winkels gesloten. De sfeer in de verlaten straten herinnert aan de zondagsrust uit mijn jeugd. Er hangen voornamelijk verlopen types rond in joggingbroek. En ik kan de maat niet krijgen die ik zoek.

Op de terugtocht verkies ik alsnog de bus. Binnen neem ik een strategische positie in, namelijk het achterste bankje in het voorste gedeelte. Dan kan er niemand achter mij in mijn richting ademen. Bij het station doen drie jongens een ellebogenboks. Die lopen een paar berichten achter. Het is er trouwens een komen en gaan van lege bussen. Alleen is het uitgerekend in mijn bus topdrukte: vijf passagiers. Gelukkig is het zo’n lange harmonicabus en is iedereen zich van groot gevaar bewust.

Behalve één oude man. Ook hij is zo’n verlopen type, met morsige kleren, ongeschoren wangen en een slappe boodschappentas. Wat denk je? Gaat ‘ie precies in het bankje voor mij zitten. Wel ja, joh, doe maar gewoon alsof dit normaal is. Met onverholen misprijzen kijk ik de situatie aan. Maar zodra hij zijn gezicht opzij wendt, is voor mij de maat vol.

Demonstratief sta ik op en stommel over het gangpad in de rijdende bus naar achteren. Net op dat moment loopt een jonge man naar de deur, remt de chauffeur, en zwenkt de bus naar de halte. Totaal onverwacht en op luttele centimeters afstand, buigt de jonge man nu naar mijn voeten toe, en raapt een pakje sigaretten op. ‘Die zijn van mij.’, zegt hij lachend, zodra hij weer overeind komt, met zijn gezicht vlak bij mij.

‘Moeten we dit jaar echt twee keer op vakantie gaan?’

Bij Driebergen-Zeist nemen ze naast en tegenover plaats mij in de trein. Het zoontje is verdiept in Donald Duck dubbelpocket 59 en schurkt gezellig tegen zijn vader aan. Het meisje heeft mooi rood haar. Zij is een jaar of twaalf en zit rustig met een e-reader naast mij. Bij Ede-Wageningen vraagt ze aan vader hoe laat het is en wanneer ze er zullen zijn. Ze moeten eerst naar Nijmegen en dan met een boemeltje verder reizen. Die term kent ze niet, maar zodra vader uitlegt dat een boemel op elektriciteit rijdt, begint zij over het milieu.

Ze zegt dat elektrisch rijden evengoed vervuilend is. En waarom gaan ze altijd met de auto op vakantie? De auto is nog meer vervuilend dan de trein. ‘Moeten we dit jaar echt twee keer op vakantie gaan?’ Vader kijkt haar bijna getergd aan. ‘Zullen we daar thuis verder over praten en niet hier in de trein?, antwoordt hij. Daarna blijft het weer stil naast mij.

Ach, kínd toch. Zo jong al zulke grote wereldproblemen op je schouders nemen.

Nog niet eerder heb ik dit van zo dichtbij meegemaakt. Er is waarlijk iets gaande als de jongste generatie dergelijke vragen stelt. En gelijk heeft zij. De oude garde, op een klein groepje na, rotzooit maar aan en blijft daar mee doorgaan.

‘Moeten we dit jaar echt twee keer op vakantie gaan?’ Deze vraag stellen op je twaalfde, omdat je het te vervuilend vindt … Het was onbestáánbaar dat ik zoiets in 1975 zou kunnen bedenken. Ik ben wel benieuwd wat haar vader eenmaal thuis heeft gezegd.

Levenslessen: (1) Wacht niet tot je pensioen

‘Wat is de belangrijkste les in jouw leven?’ Aldus luidde de vraag van een gezelschapsspel op kerstavond. Geen van de gasten had hierop direct een antwoord. Oh, in ruim vijftig jaar heb ik echt wel levenskennis opgedaan. Er zullen genoeg wijsheden op Raam Open staan. Maar daar aan tafel bleef het schimmig in mijn hoofd. Tot vandaag. Want in Trouw Tijd verschijnen elke zaterdag levenslessen van andere mensen. Deze week is neuroloog Steven Laureys aan het woord. En hij benoemt mijn allerbelangrijkste les:

‘Wacht niet tot je pensioen.’

Laureys vertelt waarom: ‘Mijn vader heeft zijn hele leven hard gewerkt en net voor hij met pensioen kon, diagnosticeerde ik zijn asbestkanker.’ Zo’n trieste ervaring kan je de ogen openen. Stel dat je alles opzij zet om toe te werken naar een doel in de toekomst. Je steekt er heel veel geld in. En je hebt nauwelijks tijd voor relaties of een gezin. Hoe voel je je dan als je dat doel nooit bereikt? De kans op spijt is levensgroot. Sterker, hard werken staat zelfs op nummer 2 in de top 5 redenen voor spijt.

Door zo’n ontnuchterend voorbeeld maken sommige mensen een radicale ommezwaai. Ze gaan verhuizen of ze veranderen van beroep. Of ze besteden eindelijk tijd aan iets wat ze altijd al hadden willen doen. Het mag ook minder groots. Ga in elk geval voor wat je echt belangrijk vindt en stel dit niet uit. Dat is de kern.

Voor mij kwam de ‘wacht niet tot je pensioen’– levensles op tijd. Ik was circa achttien jaar oud toen een klant van mijn werkgever drie maanden na zijn pensionering overleed. Hier schreef ik over in Prepensioen dankzij koopwoning, en eerder in Ode aan de parttime baan. Dankzij die levensles heb ik ingrijpende keuzes gemaakt. En nog steeds vormt deze les in mijn leven een leidraad.

Een vorm van beknibbelen

Als ik ergens geen zin in heb, kan ik prima smoezen bedenken waarom iets niet hoeft. Geld besparen is hierbij een perfect excuus. Voor vandaag stond er een lezing gepland bij een gerenommeerd instituut in Amsterdam. Bij aanmelding leek het onderwerp mij echt interessant. Er liggen al NS-dagkaartjes klaar à € 14,50. De reis is dus goedkoop en vooruitbetaald. Daarnaast is Amsterdam af en toe best een bezoek waard.

De dag van de lezing breekt aan en dan begint het. ‘Eigenlijk kan ik net zo goed op internet lezen over dit onderwerp. Dan hoef ik niet helemaal naar Amsterdam. Scheelt ook financieel, want dat NS-kaartje is vanwege de reistijd doordeweeks toch onhandig. Met een OV-kaart ben ik alsnog € 25 kwijt. En dat instituut zit in het Red Light District. Dat is geen buurt waar ik graag rondloop te midden van ranzige wietwalmen en het achenebbisj volk dat er op afkomt.’ 

Uiteindelijk valt het besluit en blijf ik thuis. Maar dan begint de ellende pas echt. Want weinig ondernemen bezorgt mij zo’n ontevreden gevoel. Dus ga ik compenseren. Eerst het hele huis schoonmaken. Dat geeft tenminste voldoening. Daarna afspraken maken. Want het is altijd fijn wanneer er weer wat zaken geregeld zijn.

Dus: CV-ketel onderhoud à € 65: check. (Hoeft eigenlijk niet, maar doe maar voor de zekerheid.) En dat college à € 15 volgende week in Arnhem: check. (Hier komen nog wel consumpties en reisgeld bij.)

Om nu te zeggen dat ik zo geld heb bespaard …

Prietpraat in de trein

treinen bij station Arnhem Centraal

De leraren staken, dus zitten er opa’s en oma’s met kinderen in de trein. Ze gaan naar Leiden toe. Corpus, Naturalis, Volkenkunde of het Museum van Oudheden misschien. Een van de kleintjes benoemt wat hij ziet.

‘Politietrein.’ We passeren een trein met gele en blauwe lijnen.

‘Racetrein.’ Een intercitytrein rijdt met hoge snelheid voorbij.

‘Ik kan niet goed hard lopen, want als ik hard loop, word ik moe.’