In het Westen blijft het stil

Al maanden zien we de beelden van demonstrerende mensen op tv. Op het Malieveld, maar vooral in Hongkong. Daar gaat het er steeds grimmiger aan toe. Mijn gedachten gaan terug naar 1984. Toen was al bekend dat Groot-Brittannië haar kroonkolonie in 1997 ging overdragen aan China. Ik was 21 jaar oud en kwam voor het eerst buiten Europa. Met een Amerikaanse reisorganisatie reisde ik in een internationaal gezelschap door het westen van de Verenigde Staten.

De meeste groepsgenoten waren Engelsen en er was een leeftijdgenote bij uit Hong Kong. Het was mijn eerste kennismaking met iemand rechtstreeks afkomstig uit Azië. Ik wist nauwelijks iets af van haar regio. Ze vertelde dat Hongkong in 1997 zou worden overgedragen.

Haar precieze bewoordingen herinner ik mij niet meer. Maar wel het gevoel van schroom, van twijfel, van of het wel goed zou gaan daarna. Vaag had ik de indruk dat ze voor de zekerheid alvast serieus aan het rondkijken was in de Verenigde Staten. Om te onderzoeken of dat een geschikt land zou zijn. Voor ooit, mocht dat nodig zijn.

Uit de statistieken van Raam Open komt vandaag Zonder zaklamp app naar boven. Wat ik wil opmerken: het blijft in het Westen zo opvallend stil.

Een vorm van beknibbelen

Als ik ergens geen zin in heb, kan ik prima smoezen bedenken waarom iets niet hoeft. Geld besparen is hierbij een perfect excuus. Voor vandaag stond er een lezing gepland bij een gerenommeerd instituut in Amsterdam. Bij aanmelding leek het onderwerp mij echt interessant. Er liggen al NS-dagkaartjes klaar à € 14,50. De reis is dus goedkoop en vooruitbetaald. Daarnaast is Amsterdam af en toe best een bezoek waard.

De dag van de lezing breekt aan en dan begint het. ‘Eigenlijk kan ik net zo goed op internet lezen over dit onderwerp. Dan hoef ik niet helemaal naar Amsterdam. Scheelt ook financieel, want dat NS-kaartje is vanwege de reistijd doordeweeks toch onhandig. Met een OV-kaart ben ik alsnog € 25 kwijt. En dat instituut zit in het Red Light District. Dat is geen buurt waar ik graag rondloop te midden van ranzige wietwalmen en het achenebbisj volk dat er op afkomt.’ 

Uiteindelijk valt het besluit en blijf ik thuis. Maar dan begint de ellende pas echt. Want weinig ondernemen bezorgt mij zo’n ontevreden gevoel. Dus ga ik compenseren. Eerst het hele huis schoonmaken. Dat geeft tenminste voldoening. Daarna afspraken maken. Want het is altijd fijn wanneer er weer wat zaken geregeld zijn.

Dus: CV-ketel onderhoud à € 65: check. (Hoeft eigenlijk niet, maar doe maar voor de zekerheid.) En dat college à € 15 volgende week in Arnhem: check. (Hier komen nog wel consumpties en reisgeld bij.)

Om nu te zeggen dat ik zo geld heb bespaard …

Prietpraat in de trein

treinen bij station Arnhem Centraal

De leraren staken, dus zitten er opa’s en oma’s met kinderen in de trein. Ze gaan naar Leiden toe. Corpus, Naturalis, Volkenkunde of het Museum van Oudheden misschien. Een van de kleintjes benoemt wat hij ziet.

‘Politietrein.’ We passeren een trein met gele en blauwe lijnen.

‘Racetrein.’ Een intercitytrein rijdt met hoge snelheid voorbij.

‘Ik kan niet goed hard lopen, want als ik hard loop, word ik moe.’

Veranderende kijk op jezelf

Weet je al wie je bent?

Bij een loopbaan heroriëntatie staan drie vragen centraal. Namelijk: Wie ben ik? Wat kan ik? Wat wil ik? Wellicht weet je het antwoord op de vraag over identiteit. Je kent jezelf. Toch valt dat tegen, want wie je bent, wordt mede bepaald door hoe anderen jou zien. En vaak leer je jezelf pas goed kennen in confronterende situaties. Bijvoorbeeld als er iemand tegenover je zit die echt doorvraagt. (Waarom doe je dit, waarom vind je dat, waarom?) Heb je eenmaal een helder beeld van je identiteit, dan verwacht je dat die vastligt. Maar naarmate je ouder wordt, verandert je identiteit geleidelijk.

Stel dat je een uitnodiging krijgt om wat over jezelf te vertellen. Waarschijnlijk schets je dan niet gelijk een totaalbeeld, maar belicht je enkele aspecten. Welke dat zijn, hangt af van de situatie en van de persoon die tegenover je zit. Het scheelt of je iemand spontaan in een café ontmoet of dat je een sollicitatiegesprek voert. Welke kenmerken van je identiteit benoem je dan het eerst, en welke daarna in volgorde van belangrijkheid? Zijn er kenmerken die je het liefst verzwijgt?

Met elke levensfase wijzigen de kenmerken die je voorop stelt. Neem mij als voorbeeld. In 1979 was ik een verveelde scholier en een onzekere puber. In 1989 was ik een zelfstandige en onderzoekende wereldreizigster (opbouw mensenkennis). In 1999 was ik een qua beroep vastgelopen administratief medewerkster (consciëntieus) die verlangde naar verandering. Ik haalde toen wel voldoening uit genealogisch onderzoek (leergierig). Eind 2009 was ik werkloos, maar had ik ook een eigen bedrijf (ondernemend, wilskracht). En nu ben ik vooral een tevreden blogger (authentiek, verbeeldingskracht), wandelaar (bedachtzaam), en huiseigenaar.

De pagina ‘Over mij’ gaat over twee met elkaar verweven identiteiten: die van Raam Open en die van mij. Steeds wanneer de tekst begint te knellen, neem ik een verschuiving waar. Wie ik ben, is veranderlijk. Wat wil je als lezer over een blogger weten, trouwens?

Weten wie je bent Jezelf kennen

(De foto’s zijn afgelopen winter en onlangs genomen op landgoed ’t Waliën.)

Wie wat bewaart … slibt dicht

selectie van gemaakte fotos paddenstoelen

Wat bezielt een mens toch om van alles te bewaren? Als het om tastbare zaken gaat, kan ik rücksichtslos opruimen. Dat ligt anders met digitale bestanden. Die nemen weinig fysieke ruimte in. Om te zien hoe veel ik bewaar, moet ik eerst een heleboel mappen stuk voor stuk openen. Daarin zitten mijn documenten, foto’s en enkele filmpjes. Ik heb alles behoorlijk geordend. Hierdoor lijkt het alsof ik weinig bewaar. Tot het tijd wordt voor een back-up. Dan is mijn computer genadeloos: 5.933 foto’s! Belachelijk.

De afgelopen dagen heb ik mijn uiterste best gedaan om die fotobestanden op te schonen. Matige foto’s van bepaalde paddenstoelen heb ik vervangen door mooiere. Soms helpt het om een jaartje te wachten. Als je handiger wordt in fotograferen, kijk je automatisch kritischer naar oude bestanden. En één geslaagde foto per soort is wel voldoende. Althans, dat probeer ik mezelf wijs te maken. Maar ja, op bovenstaande foto staat de vangst van vandaag. Of datgene wat overbleef na een (echt waar) zeer strenge selectie.

Een hobby-fotograaf is in feite een jager-verzamelaar. Een jager is voortdurend op zoek naar bruikbare dieren en planten. En vergelijkbaar met wat een vogelaar doet, wil ik van elke soort paddenstoel er minimaal één verzamelen. De vraag is waarom een hedendaagse jager-verzamelaar zo veel moeite doet. Een fotoboek uit de winkel biedt fraaiere foto’s plus een completer overzicht.

Zaterdag wandelde ik in een groep. Onderweg zagen we allemaal dezelfde paddenstoel. Ik had op dat moment mijn handen vol en kon even geen foto maken. Als iemand mij dan achteraf een foto stuurt, telt dat niet. Ik moet de foto zelf hebben gemaakt. Zodra ik een foto van eenzelfde soort paddenstoel kan nemen, gaat de gekregen foto weg. Tenzij die echt heel bijzonder is. Maar dan blijf ik proberen om een foto te maken die nog bijzonderder is.

Om schijfruimte te besparen en het aantal foto’s in te perken, overweeg ik nu om mijn vakantiefoto’s te dumpen. Die zijn met mijn twee-na-laatste toestel genomen. Dus van belabberde kwaliteit, volgens huidige normen. Ik kan beter een koffietafelboek van Tasschen met Balinese tempels kopen. Bovendien kan ik mij diverse mensen op die vakantiefoto’s amper herinneren. Al behoorden ze tot het reisgezelschap.

Over Boy – October – War en U2

U2 nagetekende hoezen Boy en War

De eerste dag van oktober, de regen en twee van mijn tekeningen uit 1985 leiden mij naar de vroege jaren van U2. Ik moet zoeken naar woorden en hou het daarom bij hun muziek. Een selectie van drie nummers die je bijna nooit meer hoort. Onterecht, vind ik.

Van het album Boy (tekening links) het mysterieuze The Ocean.

Van het album October het titelnummer.

And kingdoms rise / And kingdoms fall / But you go on …

En van War (tekening rechts) het nummer Drowning man, waarin Ierse muziek doorklinkt.

Mijn eerste werkdag als ambtenaar

Tekening van mijn eerste werkdag mei 1985

Wanneer ik in mijn grote map naar mooie kalenderplaten zoek, kom ik ze tegen. De tekeningen die ik in 1985 maakte, waaronder de pentekening hierboven. Direct volgen de herinneringen en de gevoelens die daarbij horen. Het was toen zo’n totaal andere periode.

1985; een tijd van hoge (jeugd-)werkloosheid was net voorbij. Deze tekening heb ik ’s avonds gemaakt, na afloop van mijn eerste werkdag op de afdeling financiële administratie van een naburige gemeente. Dat was al mijn tweede baan. Wat je ziet, is een weergave van mijn indrukken en mijn belangrijkste taken. Facturen maken, gegevens bijhouden, volgens strakke richtlijnen werken. Alles overheersend zijn de hokjes. Ik zie nog de rijen opgestapelde bakjes voor allerhande paperassen. Die stonden op mijn bureau en in mijn kast. Zo’n grijze kast, van metaal.

Het was een periode waarin ik niet beter wist dan dat het altijd zo zou zijn. Ik droomde wel van iets anders. Want nog geen twee jaar eerder, tijdens een vakantie in Griekenland, in september 1983 om precies te zijn, had ik een Australiër ontmoet. Van het type Griekse halfgod. Hij had mij over zijn land verteld. Maar die bestemming was met mijn karige salaris schier onbereikbaar. Drie hele lange jaren zou het nog duren, voordat ik voor het eerst daarnaartoe kon gaan.

Tot die tijd maakte ik er het beste van. Werken, werken, werken, werken; half dagje werken en dan begon het weekend weer. Eindelijk. Het werk was helemaal niet onaardig hoor. Ik hou wel van gegevens beheren en structuur aanbrengen. Maar om dat nu de hele dag te doen met verder niets enerverends erbij… Man, man, man, wat héb ik mij te pletter verveeld. Ook in volgende banen. Jaar na jaar na jaar. Dagen, weken, maanden aftellen tot de volgende vakantie, één keer per jaar.

Ik had best aardige collega’s daar. Mijn chef was het type scheepskapitein: blozende wangen, dikke buik en woeste baard. Er stond altijd een longdrinkglas op zijn bureau. Gevuld met jenever, al dronk hij dat als water. Links van hem zat zijn lieftallige assistente: Sonja. Sonja had ergens nog wat Indonesische roots. Tegenover haar zat Fred. Vriendelijke man, gezinstype. Hij werkte mij in en gedroeg zich vaderlijk naar mij. Ik was dan ook de jongste van het team. Aan het volgende duoblok zaten Bert (een grote man) en nog een Fred. Bert was van de praatjes en Fred nummer twee vond ik wel leuk om te zien. Maar hij was meer met sportprestaties bezig dan met vrouwen, geloof ik.

Dan, naast onze kamerdeur, mijn bureau. Helemaal vrij, niemand tegenover mij. En iets verderop stond het bureau van de heer E. Hij was de rechterhand van de scheepskapitein. Ik weet niet meer wat de voornaam was van meneer E. Meneer E. had een tikje of twee. Vele jaren later kwam hij in het appartementencomplex achter mij wonen. Toen zag ik hem regelmatig tijdschriften uit de papierbak vissen. Hij was vermoedelijk erg alleen. Ik scheur tot op heden zorgvuldig elk adreslabel van mijn paperassen af. Dat is nog een erfenis van de heer E.

Het middelste blok werd gevormd door een heuse computer, een joekel van een groen-streepjespapierprinter én een boekhoudmachine. Dat was zo’n gevaarte waar je ponskaarten in deed. Ik had trouwens mijn eigen telefoontoestel, met draaischijf, want ik werd soms gebeld via de buitenlijn. Er was dus toch wel sprake van enig leven in de brouwerij.

Mijn collega’s gingen elke dag naar de kantine. Daar ben ik nooit geweest. Ik moest naar buiten in de pauze. Dan wandelde ik naar het overdekte winkelcentrum als het regende, of naar het park aan de overkant als de zon scheen. Sloten koffie werkte ik naar binnen op dat kantoor. Zodat ik scherp bleef. Ach, het is de minste van alle kwade verslavingen. Ik wist gewoon niet beter en op vrijdagmiddag begon het weekend weer.