Hoe zou het nu gaan met Gary?

Via Xiwel’s Bijzondere Bloglijst beland ik per toeval bij Suskeblogt en daarna bij Are Friends Electric? van Tubeway Army. Dit nummer staat voor eeuwig op de muziektijdlijn van mijn geheugen gegrift. Are Friends Electric? zong Gary Numan in 1979, ik was toen 16. Maar in mijn herinnering is het 1984. In dat jaar reisde ik voor het eerst alleen naar de Verenigde Staten. Het was nacht bij aankomst in Los Angeles. Nog verdwaasd van de lange vlucht zette ik de tv aan in mijn hotelkamer. En daar [even schakelen] was Cars van Gary Numan.

Here in my car
I feel safest of all
I can lock all my doors
It’s the only way to live
In cars

1984, Los Angeles. Overal out there waren gang wars aan de gang. In die grote, gevaarlijke miljoenenstad moest ik één dag zien te overleven. Daarna kon ik veilig voor een groepsreis in een tourbus stappen en wegrijden.

Het grootste deel van die eerste dag heb ik op mijn hotelkamer doorgebracht. Slechts even ben ik naar buiten gegaan voor een wandeling naar het Chinese Theatre. Maar niemand liep daar buiten op de stoep. Iedereen zat in auto’s. Ik werd al binnen vijf minuten door een louche man aangesproken en maakte dat ik weg kwam.

Die dag ben ik niet eens naar het restaurant van het hotel gegaan. Dus daar zat ik, alleen op mijn kamer, in een land waar werkelijk alles draait om geld, met roomservice en met Gary Numan. Are Friends Electric? Dat vraag je je misschien wel af.

(Tekst loopt door onder video.)

Het is zo lang geleden en dan nu dit weerzien in een oude videoclip van Tubeway Army. Als tiener ben je onder de indruk van artiesten. Niet dat ik speciaal veel had met Gary Numan of met elektronische muziek. Maar toch. Artiesten waren iemand. Zij hadden het gemaakt. Zij stonden op dat podium. En onbewust denk je dan dat zij wijzer zijn dan jij. Dat ze weten wat er speelt in de wereld en dat ze het allemaal al hebben gezien. Misschien is dat wel onderdeel van fan zijn. De idolatrie van een projectie van de verbeelding.

Nu zie ik weer die oude kledingstijl, die kapsels en die houdinkjes. Eigenlijk is Gary Numan best verlegen. Are Friends Electric? Dat zal hij ook weleens hebben gedacht, zittend in zijn eentje op een hotelkamer in een grote en bevreemdende stad. Na het zoveelste interview waarin de stompzinnigste vragen aan hem als beroemdheid werden gesteld.

Hoe zou het nu met hem gaan?, vraag ik mij ineens af. Fast forward naar 2020 met dank aan Google zie ik hem weer staan. Hij heeft een draak en een kasteel waarin hij woont met zijn vrouw en drie dochters. In Los Angeles, of all places. En het gaat prima. Gary Numan is inmiddels begin zestig en hij maakt nog altijd nieuwe muziek.

Weer terug bij Are Friends Electric? stuit ik op een veel recentere videoclip. En hé, wat klinkt dit nummer nu ineens … uhm … ja … hip! Swingend bijna. Er zit een soort Afrikaans ritme in. Dat tktktktktk-geluid. Leuk. Dat voegt iets vrolijks toe. Onderkoeld weliswaar. Het blijft tenslotte een Engelsman.

De bandleden doen denken aan de hippies die je ’s winters ziet op Tenerife, bij Cabo de Gata en in Montpellier. Ik ontwaar zelfs een zweem van the Road Warrior, Mad Max deel 2. Dat zit ’m in de haardracht, de lappen stof en in de tuniek van Gary. Toch weer die filosofie achter Cars?

Afijn, hier is de alternatieve live versie van Are ‘Friends’ Electric?
(Sorry Gary, ondanks al je andere werk plaats ik toch dit bekende lied.)

Terugblik op Israël, ruim 30 jaar later

Het is opmerkelijk hoeveel zaken vaag blijven, na herlezing van de brieven en mijn reisverslag. Wel zie ik het volunteershuisje zo weer voor me, evenals het boerenerf, de velden en de woestijn. Ik kan de winterwind voelen onder de strak blauwe hemel. De zonnestralen worden al warm. Ook hoor ik de enorme stilte, af en toe onderbroken door het geluid van een motor, een rammelend hek of de stoffige kuch van een koe.

Ik weet nog in welke richting de velden buiten het dorp lagen. Op de achtergrond was een heuvelrug. En rechts, voorbij de doorgaande weg, waren de wijngaarden. Plus de nabijgelegen bergen van Jordanië. Vele jaren later stond ik erbovenop, ter hoogte van Petra, en zag ik het vertrouwde woestijnlandschap terug. Bijna aanraakbaar, slechts gescheiden door een grens.

Ook herinner ik mij het gehotsebots op de oude tractor. Om bij de akker met tomaten te komen, moest je eerst dwars over een greppel rijden. Die tractor was een vaalrode krachtpatser. Daarmee kon ik vlot door het rulle woestijnzand heen rauzen.

Maar de gezichten zie ik nauwelijks nog voor me. Zwart haar, middelbruine ogen, gebronsde huid. Dat is wat ik nog weet. Een zachtaardige man. Zo anders dan de meesten in dat land. Hoewel die anderen onder hun rauwe imago soms ook een mildere kant verborgen hielden. Je moet daar hard en sterk zijn. Zijn vrouw leek ongelukkig op een boerderij in dat afgelegen dorp. Zouden ze nog bij elkaar zijn? Hun kinderen zijn inmiddels volwassen.

De brieven schreef ik aan familie tijdens een anderhalf jaar durende reis, ruim dertig jaar geleden. Nu lees ik ze terug, hopend op aanvullende details die ik sindsdien ben vergeten.

Het overvalt me hoezeer ik stilsta bij die (tweede) periode in Israël. Gaf het programma van Frans Bromet en Raoul Heertje soms een aanleiding? Zij onderzoeken daarin hun haat-liefde verhouding met dat land. Mijn eigen gevoelens zijn minstens even tegenstrijdig.

Zal er ooit sprake zijn van iets anders dan extremen? De taferelen en de schurende gesprekken in hun documentaire zijn zo herkenbaar. Bovendien is na ‘mijn’ tijd die monsterlijke muur gebouwd. Een splijtzwam, die de bevolkingsgroepen nog verder uiteen drijft. Een open wond in dierbare grond. Ik zou wel terug willen gaan, maar ik kan die muur niet aanzien.

In 1987, aan het begin van mijn eerste verblijf, wist ik nauwelijks iets van Israël af. Ik was 24 jaar oud, wilde op wereldreis gaan, en het liefst de winter doorbrengen in een warm oord. Onderweg ging ik in diverse landen werken, zoals backpackers dat al decennialang doen. Praktische informatie haalde ik uit Work Your Way Around The World van Susan Griffith. En de Bijbel ging naar Israël mee als geschiedenisboek en reisgids.

Israël stond in de jaren zeventig en tachtig qua werk bekend als makkelijke bestemming. Je hoefde maar langs een kantoortje in Tel Aviv te gaan en je had een baan. Bijvoorbeeld in de agrarische sector, kinderopvang of horeca. Veel reizigers waren pas afgestudeerd of ze hadden een tussenjaar. Het idee was om afwisselend een poosje te werken en dan weer wat van de wereld te zien. Op die manier kan je het rondreizen lang volhouden.

Ik had niets met politiek. Wel kwam Israël toen regelmatig in het nieuws. Maar ik had meer interesse in busdiensten naar toeristische trekpleisters, dan dat de Palestijnse kwestie mij aanging. Bovendien moet je daar echt moeite doen om zaken van meerdere kanten te zien. Veel mensen kennen slechts een kant. Als je aan de Joodse kant terecht komt, heb je nauwelijks contact met Palestijnen of Arabieren. En omgekeerd is dat dito eender.

Door mijn besluit belandde ik automatisch aan Joodse zijde. Maar dat bepaalde mijn positie niet, vond ik. Want ik ben zelf Nederlands en van oorsprong katholiek. En ik sloot mij niet af voor Palestijnen. Alleen duurde het maanden voordat ik met zo iemand sprak. Met een representant van ‘de anderen’. Op straat vond ik Arabische mannen wat opdringeriger, terwijl veel Joden zich meer als westerlingen gedroegen. Dat was in mijn beleving het voornaamste verschil.

Heel soms gedurende twee verblijfsperiodes daar, viel mij meer op. Ik schreef erover aan mijn familie.

In een brief over een uitstapje naar Akko. ‘Dat ligt ten noorden van Haifa aan de kust. Er is een oud gedeelte, wat nu een Arabische wijk is. De huizen zijn kris-kras gebouwd op een heuveltje en er zijn veel trapjes en doorkijkjes. Er lopen veel kinderen rond, die blijkbaar (in tegenstelling tot Joodse kinderen) niet naar school gaan. Eromheen, aan het water, is een enorme muur die door kruisvaarders is gebouwd.’ En zo gaat de beschrijving van het pittoreske stadje verder. Die kinderen liepen buiten op een woensdag en bij mijn weten was het geen feestdag.

En over een bezoek aan het oude deel van Jericho, waar ik een Amerikaanse vrouw ontmoette bij de opgravingen: ‘Met die Amerikaanse ben ik langs het refugeekamp naar een paleis van de één of andere sheik gelopen. We liepen langs de hoofdweg en nu tuuterden echt alle automobilisten. Ook Joden en militairen. (…) Terug naar Jerusalem kwamen we weer door het berggebied. Ik zag verschillende Bedouïnen-tentenkampen en schapenkuddes. Eigenlijk wel gek. Die mensen leven nog zowat in het stenen tijdperk terwijl boven hun hoofd militairen in supersonische straaljagers aan het oefenen waren.’

Aansluitend in de volgende alinea:
‘Wat het gevaar van rellen betreft. Dat is maar betrekkelijk. Het zijn meer incidenten en alle onlusten worden razendsnel de kop ingedrukt omdat er óvérál bewaking is. Bijvoorbeeld de toegangen naar de Klaagmuur. Daar staan op verschillende plaatsen minstens vijftig politieagenten en militairen. Iedereen die het terrein wil betreden wordt gefouilleerd.
De afgelopen dagen in Jerusalem zijn er verschillende relletjes geweest op nog geen twee kilometer afstand van mijn herberg, maar ik heb niets gemerkt. Ik heb de Dome of the Rock bezocht (Koepel van de Rots).’
Gevolgd door meer heilige en toeristische bezienswaardigheden. Yad Vashem maakte veel indruk.

Militairen waren inderdaad overal; ze hoorden bij het straatbeeld. Door hun aanwezigheid voelde ik mij veilig. In de woestijn keek niemand van zijn werk op wanneer er achter de heuvelrug militaire oefeningen waren. Dan was er een dof gerommel hoorbaar. Explosies in de verte maken hetzelfde geluid als onweer. Maanden later, toen ik al in Nederland terug was, dacht ik nog steeds bij onweer: ‘Oh, ze zijn zeker aan het oefenen.’ Zozeer was ik eraan gewend geraakt. In retrospectief vraag ik mij af of het wel altijd ‘oefeningen’ waren.

Dat ‘ik heb niets gemerkt’ in die brief was trouwens niet helemaal waar. (Mijn ouders lazen mee, vandaar.) Ik verbleef tijdens de eerste intifada enkele dagen in de christelijke wijk van Jeruzalem. Waar die intifada over ging, was mij globaal wel verteld. De traditionele winkeltjes in de oude binnenstad bleven uit protest gesloten. Dat vond ik jammer. En op een avond zei de Armeense herbergier dat het beter was om binnen te blijven. Achter de hoge muren en de gesloten poortdeur hoorde ik mensen rennen in het naastgelegen steegje.

Het heeft jaren geduurd voordat ik mij realiseerde dat je onmogelijk in zo’n land neutraal kan zijn. Bij iedere handeling maak je feitelijk keuzes tussen partijen. Ook al gebeurt dat onbewust.

Na lezing van de brieven en het reisjournaal haal ik mijn reisfotoboek tevoorschijn. En via internet zoek ik naar de twee plaatsen waarin ik verbleef. Voor het eerst zie ik er luchtfoto’s van. De omgeving rond de dorpjes is wat droger geworden; verder lijkt alles hetzelfde gebleven.

Tegelijk leer ik iets over de ontstaansgeschiedenis van beide plaatsen. De eerste ligt in het noorden en ‘was founded in 1949 by the movement on land that had belonged to the depopulated Arab village.’ Pardon? Dus dat betekent … ?

De tweede plaats ligt in de Negev-woestijn en staat vermeld in het Oude Testament. Tijdens mijn verblijf daar geniet ik vooral van de eenvoudige leefstijl. Even is mijn wereld klein. Ik ervaar er geborgenheid aan het eind van een lange reis op drie continenten. Zo wordt het een uitgelezen moment en plek voor bezinning.

Israël is geen makkelijk land om in te wonen. Iedereen betaalt een hoge prijs en de lontjes zijn kort. Pas nu vallen de passages op over inflatie en geldzorgen bij de gemeenschap in de woestijn. En ongemerkt is er altijd die dreiging. Zelfs op de luchtfoto is van grote afstand de omheining zichtbaar rond het dorp in die afgelegen vallei. De omheining is zes rijen dik en bestaat uit zes parallel geplaatste metalen hekken. Elk hek afzonderlijk is voorzien van meerdere rollen prikkeldraad boven elkaar. Dat was vast niet alleen om ’s nachts de rondzwervende woestijnwolven buiten te houden.

Desondanks voelde ik mij goed thuis in Israël. Het leven is er paradoxaal ook plezierig ongedwongen. Veel mensen zijn pragmatisch ingesteld. Het klimaat is aangenaam. Het openbaar vervoer is goed en je kan overal lekker eten. Daarbij was ik in Israël zeer welkom. (Heeft mijn nationaliteit nog altijd een streepje voor?)

Verder was het prettig en grappig dat ik er onopvallend als een local over straat kon gaan. Werkelijk iedereen dacht dat ik joods was. Qua haarkleur had het gekund, maar verder? Mijn vermeende ‘joodse’ trekken zijn eerder Frans. Wel schept de vluchtgeschiedenis van mijn Hugenoten-voorouders een soort lotsverbondenheid. Dus mogelijk is standvastigheid een gedeelde karaktertrek.

Israël heeft een belangrijke vormende rol gespeeld in mijn leven. Ik ben er mentaal gegroeid en wereldwijzer geworden. Desondanks duidt in 1989 nog weinig op een ontwakend maatschappelijk bewustzijn. Ik benoem dan vooral wensen qua concerten, werkrichting en relaties. Wel schemert er al een verlangen door naar een meer verstilde leefstijl.

Wat Israël betreft, zal ik nooit stelling nemen. Twee partijen menen evenveel recht te hebben op hetzelfde lapje grond. Grond die ook mij zeer dierbaar is. Mede daarom is het hartverscheurend om te zien waar zo’n uitzichtloze patstelling toe leidt.

Reizen op de bonnefooi

Ineens moet ik terugdenken aan hoe ik vroeger vakanties en reizen plande. ‘Plannen’ was een groot woord, begin jaren tachtig. Vaak raakte ik per toeval door een ontmoeting of film in een land geïnteresseerd. Vervolgens bezocht ik de openbare bibliotheek. Daar stond de kast met algemene boeken over landen en volken, per werelddeel gerangschikt. Er zaten ook reisverslagen tussen van vrijgevochten types, die met tent en motor, fiets of auto een heel continent hadden doorkruist. Vooral deze reisboeken spraken enorm tot mijn verbeelding.

Met een beetje geluk bevatte de kast ook een meer toeristisch boek over het gewenste land. Zo’n kleurrijk fotoboek met een gedetailleerde landkaart. En met reistips, vervoersmogelijkheden en adressen van hotels op de laatste drie pagina’s. Steevast maakte ik kopietjes van deze praktische informatie. Die vormden mijn belangrijkste houvast bij de planning en op reis. Ook vroeg ik nationale verkeersbureaus schriftelijk of telefonisch om informatie. Dan was het feest wanneer de dikke envelop met brochures en folders op de deurmat plofte. Later bezocht ik de vakantiebeurs in de Jaarbeurshallen. Daar liep ik als een kind in een snoepwinkel rond. Sommige brochures uit die periode bewaar ik nog.

Na drie georganiseerde vakanties met Club Escolette en een vriendin, begon de opmars naar het echte avontuur. Dat was in 1983. Toen boekte ik voor het eerst alleen een vakantie naar Griekenland. De deal met Holland International betrof een pakket van vliegtuig, transfer en hotel. Ter plaatste ging ik met een lokale busmaatschappij op pad, of ik bleef een dagje luieren op het strand.

Die vakantie werd een heuse test. Want: zou zelfstandig en alleen reizen in een vreemd land mij bevallen: ja of nee? Zo niet, dan betwijfel ik of ik hiermee door zou zijn gegaan. Maar het werd een topvakantie.

Het jaar daarop waagde ik een forsere stap. Op naar Amerika, de eerste vakantie buiten Europa. Alleen al de voorbereidende fase heeft veel indruk gemaakt. Nog zie ik het interieur van het Greyhound kantoor voor me, met het embleem van de zilveren hazewindhond. Voor het ticket moest ik naar de toenmalige vestiging in Amsterdam. Ook herinner ik mij de ingelijste tronie van Ronald Reagan, hoog aan de muur van het Amerikaanse consulaat. Daar regelde ik het visum en kwam er een driekleurig stempel in mijn paspoort. Multiple, for entry until indefinitely.

Vliegtickets kocht ik jarenlang bij de NBBS. Het blijft jammer dat dit Leidse studentenreisbureau in 2001 ten onder ging. Je moest in hun reiswinkel wel geduld hebben, want veel mensen hadden uitgebreide plannen. En het computersysteem was traag. Maar de reisverhalen van andere klanten zorgden voor een heerlijke sfeer. Medewerkers namen er de tijd voor, terwijl ze telefonisch in de wacht stonden bij een vliegmaatschappij.

Vanaf 1985 heb ik jarenlang geheel onafhankelijk gereisd en vakantie gevierd. Dan boekte ik enkel het trein- of vliegticket en een hotelkamer voor de eerste dagen na aankomst. Ter plaatse regelde ik de rest met lokale vervoersmaatschappijen. Globaal stippelde ik voor vertrek een route uit. Maar als een plaats tegenviel, gebeurde het wel dat ik ’s morgens aankwam en ’s middags gelijk met de eerstvolgende bus verder ging.

Regelmatig gooide ik mijn reisschema ter plaatse helemaal om. Op zo’n moment begint het op de bonnefooi reizen echt. Na elke routewijziging moest ik in een vreemde plaats eerst op zoek gaan naar een hotel. Soms was het dan na aankomst al donker. Toch heb ik op vakantie nooit op straat hoeven slapen. Er zijn overal backpackers en hulpvaardige lokale mensen die je de weg willen wijzen. Bovendien werkten in veel landen ronselaars voor taxi’s en budgethotels op stations. Je leert snel genoeg hoe je moet zorgen dat je op een betrouwbaar adres terecht komt.

De ene keer pakt zoiets goed uit en ontdek je een paradijselijk oord, waar je na een maand nóg wil blijven. De andere keer bevalt het minder en zit je met vlooien op een hotelkamer.

Er is een wereld van verschil tussen deze manier van reizen en het ingesleten spoor volgen van Lonely Planet. Om maar te zwijgen van een reisvoorbereiding via internet. Naar mijn idee is de huidige overvloed aan informatie absoluut dodelijk voor de beleving van een waar reisavontuur.

Nee, dan die goeie ouwe tijd. Toen ‘echte’ reizigers nog op pad gingen met weinig meer dan een one way ticket en wat adressen op een kreukelig vodje papier … 😉

Nu weten jullie ook hoe het voelt

Hittegolf Perth Australië 1988

In 1989 was ik na een reis van anderhalf jaar net terug in Nederland. Onderweg naar mijn zus zag ik toevallig haar schoonvader staan. Hij was al wat ouder en kwam zelden verder dan de naburige stad, voor zover ik mij herinner. Bijvoorbeeld voor een bezoek aan de veemarkt. Ik liep over het polderweggetje waarlangs zijn boerderij stond. Hij wachtte op de brug over de sloot naar zijn land.

‘Dus je bent er weer?’, vroeg hij ter begroeting. Of eigenlijk was het een constatering. Anderhalf jaar samengevat in een enkel zinnetje.

Hoe het was geweest, in al die landen op drie continenten? Ik had het hem kunnen vertellen en uitleggen. Maar vermoedelijk had hij zich er weinig bij kunnen voorstellen. Mijn interesses en reiservaringen stonden zo ver af van zijn leefwereld. En dat gold voor meer mensen.

Op reis heb ik tevergeefs geprobeerd om aan het thuisfront uit te leggen hoe een echte hittegolf aanvoelt. Een monsterhittegolf, wel te verstaan. Eentje waarbij het iedere dag 40 tot 42 graden Celsius is en ’s nachts niet kouder wordt dan 25 graden. Die hittegolf hield zes weken lang aan. Het was in Perth, West-Australië. Ik geloof niet dat ze mij toen helemaal begrepen, mijn familie en vrienden. Maar nu hebben zij ook een idee van hoe verzengende hitte voelt.

Misschien trek ik maandag weer een wollen trui aan, als de thermometer overdag blijft steken op 20 graden. Dat deed ik ook in 1988. Want na die zes weken voelde 20 graden ineens behoorlijk koud aan.

De tropen komen naar je toe deze zomer (met tips)

Nog één zo’n zinderend hete dag doorstaan en dan hebben we het weer even gehad. Gisteren werden alle records verbroken: meer dan 40 graden Celsius in Nederland. Dat is in geen tijden vertoond. Ik zag het nieuwste statistiekje van een grootschalig onderzoek naar de opwarming van de aarde. In 2.000 jaar is het wereldwijd niet zo heet geweest als in de laatste honderd jaar. De tropen komen naar ons toe deze zomer en dat zal vaker gaan gebeuren. Heb ik daarvoor al die vlieguren gemaakt, vroeger? Sorry, foute opmerking. Maar ik kan nu wel een aantal geleerde lessen uit de tropen doorgeven.

Tuin en planten
De tuinplanten hebben het heel zwaar. Voor dorstige hortensia’s heb ik halfronde walletjes gemaakt van vijf centimeter hoog. Die vangen het water op van de schuin aflopende grond. Over de planten liggen doeken, maar de bloemen zijn toch verbrand. Daarom wil ik met schaduwdoek en vier stokken een tijdelijk afdakje maken voor de heetste dagen. (En voortaan snij ik tijdig wat bloemen af. Binnen blijven ze in een vaas langer goed.)

Het is sowieso slim om op de zonnigste plekken Mediterrane planten te plaatsen. In Macedonië en Libanon laten mensen druiven, kiwi’s en ander fruit over meterslange pergola’s groeien. Daaronder kun je lekker koel in de schaduw zitten of je auto parkeren. Plant bomen aan de zuidkant van de tuin en het huis.

Huis koel houden
Een huis hou je zonder airconditioning koeler met een paar eenvoudige maatregelen. Neem luiken of schermen aan de buitenkant voor de ramen. Hang desnoods een laken over een geopend dakraam. Laat een hedera of andere klimplant tegen een stenen muur aan de zonzijde groeien. Dan neemt de muur minder warmte op. Sedum op een plat dak helpt ook.

Zelf ’s nachts koel blijven
Afgelopen nacht deed mij terugdenken aan de nachten in een strandhuisje op het Frans-Polynesische eiland Moorea. Het stond tussen wuivende palmbomen. Op de achtergrond klonk het zachte geruis van de oceaan. De airconditioning bestond uit panelen van horizontale louvre glasplaatjes als ramen. Zette je er twee tegenover elkaar open, dan waaide de wind er doorheen. Traditionele huizen in Samoa zijn zelfs helemaal open. Die hebben alleen een vast dak en een vloer. De muren bestaan uit gevlochten matten die als luxaflex omhoog en omlaag gaan.

Net als nu, koelde het binnen niet verder af dan tot 26 graden. Een laken voelt dan al snel plakkerig aan. Ik sliep vannacht op een badstof doek. Ter verdere afkoeling kan je je lichaam bedekken met een natte handdoek. Of maak je huid nat met een washandje en laat je lijf daarna aan de lucht drogen. Dat werkt ook goed.

Heb jij nog andere handige tips uit de tropen?

Tuintip: handig trucje uit de tropen tegen slakken

Plakband om stam asiminia triloba tegen slakken

Tegen ongedierte heb ik op mijn reizen in de tropen een handig trucje  geleerd. Op eilandstaatjes in de Stille Zuidzee, zoals Samoa, Tonga en op Tahiti, tref je kokospalmplantages aan. Ze zien er idyllisch uit, zo vlak bij de oceaan. Kokospalmen produceren fruit en allerlei bruikbaar materiaal. Daarom willen plantagehouders voorkomen dat smerige ratten er met hun kokosnoten vandoor gaan.

Dus wat doen ze? Ze ringen de stam. Hiervoor gebruiken ze een gladde 30 centimeter hoge metalen plaat. Want daarop glijdt elke rat uit. Al bungelen er twintig overheerlijke kokosnoten in de boom, ze komen er mooi niet bij.

In mijn tuin staat een jong paw paw boompje, ofwel een asiminia triloba. Ik schreef er gisteren over. Slakken zijn daar dol op. Ze vreten zijn sappige bladen helemaal op en laten slechts een kaal steeltje over.

Dus die kokospalmen indachtig, heb ik om de stam een paar brede stroken tape geplakt. Met de plakkerige kant naar buiten toe. Nu het heeft geregend, zitten er extra schurende zandkorrels op. Geen slak komt er nog voorbij.

Als je dit ook probeert, laat dan wat ruimte vrij en vervang de band regelmatig, zolang de boom groeit. Ducttape is ideaal en bovendien waterproof.

Moraal van dit verhaal: wissel vaker kennis uit. Ook van mensen in de tropen valt veel te leren.

Stof uit mijn tropische verleden

Zodra de temperatuur boven de 27 graden komt, mogen ze weer naar buiten: mijn souvenirs uit de tropen en andere warme oorden. Klassieke souvenirs zoals beeldjes, glazen en asbakken met ‘Torremolinos’, ‘Parijs’ of ‘Bali’ erop heb ik nooit verzameld. Maar kleding en gebruiksartikelen des te meer. Vooral die kleren en mijn doekenverzameling zijn nu ideaal.

Een deel van de kleding is authentiek. Hiermee bedoel ik dat de plaatselijke bevolking er ook zelf in rondliep. Slechts een deel van dergelijke kleding is voor westerlingen geschikt. Vrouwen in Afrika en Azië hebben nu eenmaal een ander postuur dan de gemiddelde vrouw in Nederland. En populaire bloesjes in die werelddelen wijken nogal af van onze mode. Mijn luchtigste jurkjes uit Azië zijn speciaal gemaakt voor de toeristenmarkt. De stof is viscose en voelt heerlijk koel aan.

Ook doeken en sjaals komen van pas tijdens een hittegolf. In de voortuin staan mijn hortensia’s sinds deze week in bloei. Ze branden echter weg in de zon en dat is niet de bedoeling. Ter bescherming heb ik een azuurblauwe omslagdoek met tropische vissen print over enkele struiken gelegd. Dat is een souvenir uit Samoa, een eilandenrijk in de Stille Zuidzee. En mijn witte Ethiopische sjaal met gouddraad bedekt twee andere struiken.

Doeken op heggen en struiken zijn voor mij een vertrouwd beeld. Het is in sommige landen de gangbare manier om wasgoed te drogen. Vroeger deed men dat hier op bleekvelden eveneens.

Wat de overburen ervan denken, moet ik nog horen. In elk geval zal mijn naaste buurvrouw de doeken wel waarderen. Tenslotte hangen er bij haar nu twee bontgekleurde exemplaren uit Congo. Ze is als kind van expats in dat land opgegroeid en zo houdt ze haar keukenraam uit de zon. Dit gebruik ken ik dan weer uit Libanon, waar gestreepte doeken hangen voor menig balkon.

Toch heb ik nog even snel gewoon vliesdoek voor de hortensia’s besteld. Dat zal nodig zijn vanwege de verwachtte hitte. Hopelijk komt het aan voordat iemand in de verleiding komt om mijn mooie doeken weg te graaien.