De jongste ster aan het labeltjes-firnament

In het kader van ‘doe het nou maar, als dit ook weer niets wordt, heb je het toch nog een laatste keer geprobeerd en dan beschouw je deze mogelijkheid vanaf nu als echt helemaal definitief afgerond’, vulde ik het contactformulier in.

Waarna ik gebeld werd door een vriendelijk klinkende en doortastende man. Hij was wel van een kantoor waar ik niet naartoe had gewild, vandaar dat ik het formulier van een zusterorganisatie in een dichterbij gelegen plaats had ingevuld. Maar waar zouden we tegenwoordig zijn zonder star en bureaucratisch hokjesgedoe, dus vooruit. (Geen wonder dat er zo veel krapte is op de arbeidsmarkt, dacht ik, al was dat de bedoeling niet.)

Afijn.

Op de afgesproken plaats was hij al gearriveerd toen ik aankwam en daarna gingen we op pad. Wandelafspraak. Binnen de kortste keren was ik al buiten adem van al het gepraat.

Afijn.

Ik wilde dus weten of hij misschien toch nog ergens een mogelijkheid voor mij zag. Hij is een soort tussenpersoon bij een organisatie op semi-overheidsniveau.

Om van begin af aan duidelijk te zijn, had ik bij voorbaat al aangegeven dat ik een paar ‘belemmeringen’ had. Hij vroeg al vroeg in het gesprek of die in de ‘energetische sfeer’ zaten. Ik had geen idee wat energetisch was, dus somde ik maar op welke ‘belemmeringen’ ik voor mijzelf als voornaamste belemmeringen zag.

Een holvoet, waardoor ik niet lang kan staan.
Weinig kracht, dat is bij een sporttest onderstreept, dus kan ik geen zwaar fysiek werk aan.

(Deze twee om te voorkomen dat hij onmiddellijk zou gaan ‘adviseren’ om iets in de zorg, de horeca of in de logistiek te proberen.) Dus dat hadden we alvast gehad.

Daarna kwam mijn troefkaart op het fysieke vlak: een niet goed hersteld maculagat. Waardoor ik vooral moeite heb met het lezen van getallen. Een 1 kan een 7 zijn en een 3 een 8. Bij woorden speelt dit minder, omdat die meestal binnen de context wel duidelijk zijn. Dat vond hij wel jammer. Kennelijk vielen daardoor plotseling een heleboel mij volslagen onbekende kansen af.

We gingen er eens goed voor zitten. Wat ik het liefste wilde, vroeg hij. Nou, dat weet ik exact. Subsidie krijgen voor mijn project. En als dit niet of onvoldoende lukt: een baan voor maximaal twee dagen in de sfeer van gegevensbeheer. (Voor zover dat nog te combineren is met dat maculagat.)

Daarna volgden wat van het soort adviezen dat ik al duizend keer eerder had gehoord. Het blijft vreemd dat niemand nadenkt over het feit dat iemand die al vijf jaar zonder inkomen zit, dergelijke adviezen ongetwijfeld al duizend keer heeft gehoord. Maar goed.

Om geen misverstand te laten bestaan over waar ik nog meer tegenaan loop, schetste ik de situatie die ontstaat wanneer ik op vacaturesites naar vacatures zoek. Bij selectie op parttime werk (een keiharde eis) valt 80% af. Bij de volgende selectie op ‘stressbestendigheid, spin in het web, duizendpoot, tien ballen tegelijkertijd in de lucht houden’, etc, wat ik namelijk niet meer ben/kan), valt van de resterende 20% nog eens 95% af.

Tja. Ik zei ook nog dat ik best in staat ben om mijn beroepsmasker op te zetten en gewoon voor de volle 100% in een hectische omgeving met intensieve contacten en interactie mee te draaien. Alleen ben ik dan ’s avonds totaal gesloopt. En de hele volgende dag ook.

Terwijl, als ik rustig achter een computerscherm zelfstandig met databestanden aan de slag mag, ik ’s avonds ook wel een beetje moe ben, maar dan de volgende dag gewoon fris en fruitig verder kan.

Zelfs vertelde ik hem, dat ik vroeger regelmatig op stervensdrukke beurzen en markten heb gestaan. Dat ik meerdere malen per jaar op vakantie ging, en vaak genoeg naar drukke evenementen en concerten ben gegaan. Uit vrije wil. Dat ik dat toen allemaal mentaal aankon.

Maar nu dus wat minder. Het zal wel de leeftijd zijn, opperde ik nog hardop.

Maar hij was een andere mening toegedaan. Want dat ik graag alleen en zelfstandig werkte, en dat ik geconcentreerd met een taak aan de slag kon gaan … dat was toch wel een dingetje.

Hij hoopte dat ik het niet erg zou vinden als hij het zou zeggen, want hij had met andere mensen al eens meegemaakt dat ze dan een beetje boos op hem werden en hij was natuurlijk ook geen psycholoog of zo, maar was ik eigenlijk al eens getest op de mogelijkheid dat ik asperger heb?

Niet meer naar de kapper

Het vorige bezoek aan de kapster is drie maanden geleden en het wordt hoog tijd dat ik weer ga. Je zou zeggen: ‘Dan maak je toch gewoon een afspraak?’ Dat kan inderdaad, ja, ondanks corona. Mondkapje op en knippen maar. Maar ik ga met hoe langer hoe minder zin naar haar toe. Welbeschouwd is die tegenzin er al zes jaar. Want voor de verhuizing had ik een zeer vakkundige kapster. Iemand met wie ik bovendien gesprekken kon voeren die werkelijk ergens over gingen. Dat is een waardevolle combinatie: vakwerk met inhoud. Zeker als het om een kapper gaat.

Mijn haar is overigens reuze makkelijk te knippen. En zit het model er eenmaal goed in, dan heb ik er geen omkijken meer naar. Even wassen en kammen en dan ben ik klaar. Veel mannen ’s staan morgens langer voor de spiegel aan hun haar te frunniken dan ik als vrouw.

Een goede kapper is goud waard. Ik spreek uit ervaring, met schaamte, schade en schande opgedaan. Eerder somde ik hier al eens op wat er allemaal mis kan gaan: 1. Scheef geknipt haar. (De lange kant heb ik later zelf bijgeknipt.) 2 Mislukte highlights. 3. Driemaal de mislukte highlights overdoen met peroxide en daarna in zee gaan zwemmen. (Oeps.) 4. Brandwonden op mijn hoofdhuid krijgen van de permanentvloeistof. (‘Oh sorry, tijd vergeten., riep de kapper uit. Is het al zó laat?’) 5. Een heel ander model krijgen dan ik had gevraagd. (In dit geval liet ik vooraf een foto zien van hoe mijn haar eerder was geknipt. Zo wilde ik het weer hebben. Maar de kapster vond blijkbaar dat het deze keer anders moest.) Het is een groot geluk dat mijn haar steeds weer aangroeit.

Voorbeeld nummer 5 komt uit de praktijk van mijn huidige kapster. Dit geeft een goede indruk van hoe zij met klanten omgaat. Toen ik de foto liet zien, zei ze dat het ‘prachtig’ zat. (Ze had het nota bene zelf geknipt, zou ze dat niet door hebben gehad?) Vervolgens gaf ik met duim en wijsvinger aan hoeveel centimeter korter de bedoeling was. ‘Vier centimeter’, zei ik er ten overvloede bij. Ik bedoel, hoeveel duidelijker kan het nog? Vier centimeter is toch gewoon vier centimeter, of niet soms?

Wanneer ze begint, moet ik met mijn hoofd vooroverbuigen, zodat ze eerst (bij wijze van maatvoering) mijn nekharen kan knippen. Tegen de tijd dat ik dan weer rechtop mag zitten, is zij al halverwege. Tussendoor houdt ze altijd een hele redevoering (eenrichtingsverkeer). Of ze stelt mij een vraag, terwijl ik daar met dichtgeknepen keel zit, want voorovergebogen hoofd, in een benarde positie. Tussendoor moet ik ook nog hete cappuccino naar binnen gieten. Anders wordt het koud, of drijven er haren in. Ze werkt namelijk slordig. Ik heb veel meer oog voor detail dan zij, dat blijkt wel. Ik zou die losse haren namelijk meteen zien. Zij niet. Ze laat ook altijd van die kriebelige afgeknipte plukjes haren steken in mijn nek, precies op de rand van de cape.

Die cape is zwart. Dat is een probleem, want haar kapperstenue is eveneens zwart. Tegen een dergelijke donkere achtergrond kan zij nooit goed zien of mijn donkerbruine haar aan de linkerkant even lang is als aan de rechterkant. Maar zelf bedenkt zij dat niet. Daardoor zit het regelmatig scheef. Dat zie ik doorgaans pas thuis, omdat zij na het knippen steevast mijn haar een beetje ‘los en speels’ föhnt. Dat vindt zij kennelijk leuk. Dus dan moet ik thuis alsnog met een keukenschaar aan de slag.

Ik ga hooguit een keer per twee maanden naar de kapper, want ik vind het minder leuk. Tussendoor knip ik zelf mijn pony, zodat het er weer een maand mee door kan.

Dus dacht ik afgelopen zondag: ‘Weet je wat? Als ik mijn pony met een botte keukenschaar bij kan knippen, dan lukt de rest vast ook wel.’

De vuil kijkende kat

‘Wanneer gaat die deur nou open? Wanneer gaat die deur nou open? Ze kunnen binnen toch wel zien dat ik hier al lang wacht? Ik rammel van de honger en zo kan ik niet bij mijn etensbak. Ah, daar komt iemand aan. Eindelijk. Gauw eropaf.’

Miauw, miauw.

Poeslief miauwend en flemend kopjes gevend draait ze om mij heen, wanneer ik foto’s van haar straatje neem.

Die vuile blik zag ik pas achteraf. ‘Geef me eten, kreng’, dacht ze vast.

De verlossende leugen

‘Olivier Locadia heeft onlangs de hulp van een diëtist ingeschakeld. Zijn ongezonde relatie met eten is terug te voeren op zijn jeugd. Hij werd door zijn verslaafde moeder soms dagen alleen thuisgelaten zonder eten. Nu hij zelf jonge kinderen heeft, merkt hij dat hij geen idee heeft hoe hij ze moet leren met eten om te gaan.’, schrijft Katja de Bruin in ‘Als de maat vol is’, in de VPRO Gids.

Ik citeer nog even verder, omdat het volgende zo waarachtig mooi is: ‘Ik wil niet eindeloos blijven zeggen: ik heb het als kind niet geleerd. Op een gegeven moment had ik het mezelf moeten leren en dat heb ik niet gedaan.’

Respect, man.

Vooruit, nog één stukje dan. ‘Ik zie ook wel dat het meer gevolgen voor me had dan ik dacht. […] Toen kwam ik erachter dat ik niet helemaal eerlijk was tegen mezelf. Niet dat ik echt aan het liegen was, maar ik bleef gewoon een beetje weg bij de waarheid.’

Ik lees het wanneer ik voor de derde maal met iemand heb geprobeerd om het gesprek aan te gaan. De laatste keer wat mij betreft. Omdat er wederom keihard tegen mij gelogen is. Aangezien die ander zelfs de eenvoudigste feiten niet onder ogen komen wil, of kan.

Dan ga je wild om je heen slaan. Dan ga je ontkennen. Dan ga je zeggen ‘dat je je er niet bewust van bent geweest.’ Terwijl het al zo vaak is voorgevallen, met negatieve reacties tot gevolg, dat dat echt godsonmogelijk is. Maar negatieve reacties zijn ook aandacht.

En uitgesproken vanaf een zekere leeftijd, in combinatie met de juiste blik en toon, kom je er vaak wel mee weg. Vooral bij degenen die vanwege hun professie of hun relatie met jou van goede wil zijn. Bovendien geloof je het zelf, wanneer je het vaak genoeg zegt.

Een nichtje vertelde onlangs hoe zij nog weleens kan terugverlangen naar haar onbevangenheid van toen ze twintig was. Dat je dan nog niet alles weet van wat er in de wereld speelt.

In een ander opzicht heb ik een vergelijkbare weg als Olivier afgelegd. Mijn pubertijd herinner ik mij als een grote waas. Als een periode waarin er nog zo veel onduidelijk en raadselachtig was. Sociale contacten, waarom mensen op bepaalde manieren reageerden, welke invloed ik daar zelf mogelijkerwijs op had.

Maar ik verlang echt niet terug naar die tijd. En die laatste leugen, die voor mij nu zo kristalhelder een onwaarheid was, die bevrijdde mij. Waarna de situatie niet beter werd, maar het wel direct lichter was in mijn hoofd.

Als je weinig mensen spreekt

Mijn vermoeden is dat de verbindingen tussen onze hersencellen verschrompelen en uiteindelijk loslaten als we te weinig meemaken of mentaal worden uitgedaagd. Menselijke interactie is een uitdaging. Kennis opdoen ook. Doorgaans kan ik prima alleen zijn en mij best vermaken. Ik heb geen enorme behoefte om dagelijks met iemand te praten. Sinds de coronamaatregelen bestaan, ontmoet ik echter minder mensen dan ik gewend ben.

Wanneer je een hele dag niemand spreekt, kan je je zomaar ineens gaan afvragen of je nog wel normaal bent. Tenslotte laat je mentale staat zich alleen goed testen in het contact met andere mensen.

Ben moe

(Nog vier dagen tot de opening.)

‘Lieve God,’ schreef ik eerder deze week in mijn schrift vol dingen die ik nog moet, ‘geef mij alstublieft sneller werkende hersenen, zodat ik mijn werk als waakhond efficiënter kan doen. U weet dat ik bezig ben met die foto-expositie. Nou, wat mij nu toch weer is overkomen …’ Hier bleef het bij, omdat ik te moe was om verder te schrijven en dan worden mijn hersenen sloom.

In mijn hoofd tolde van alles rond en dat kost veel energie. Dat heb ik altijd wanneer iemand onzalige ideeën door wil drijven en zonder overleg zijn of haar eigengereide ding gaat doen. Uiteindelijk heb ik alles af kunnen wenden en daarom gaat het nu goed.

Zo druk je die plannen er wel door

Vergaderen lijkt zo eenvoudig. Je zit met wat mensen om tafel en bespreekt een aantal zaken. Daarbij volg je een agenda. Om de beurt vertel je wat je doet en lever je professionele input. Wanneer iemand spreekt, luisteren de anderen. Daarna neem je gezamenlijk besluiten. Je verdeelt nieuwe taken en noteert belangrijke afspraken. Dat is alles. De vergaderingen van ons vrijwilligersclubje echter, verlopen een beetje anders. Wat zeg ik? Het is totale chaos!

Persoonlijk vind ik dat je eerst een opleiding psychologie moet doen, voordat je aan vergaderingen begint. Want je denkt misschien dat het over de agendapunten gaat, maar dat is niet altijd zo. Het draait evenzeer om belangen, om gevoelens en om onuitgesproken verwachtingen. Bovendien brengt iedere deelnemer zijn eigenaardigheden mee. In dat opzicht helpt de Belbin test, en het bestuderen van de Roos van Leary.

Daarnaast vind ik dat een studie politicologie vereist is. Tenminste, wanneer je met door de wol geverfde types in een vergadering zit. Je zou het bij onze gemoedelijke vergadering niet verwachten, maar hier speelt de hogere kunst van het plannen erdoor duwen. En het gaat er soms behoorlijk slinks aan toe.

Wat bijvoorbeeld goed werkt, is een onrustige sfeer creëren. Sta midden in de bespreking van een agendapunt op om voor iedereen koffie te gaan halen. Of beter: hou met een of twee deelnemers onderonsjes, terwijl de vergadering gaande is. Dat leidt af en zorgt later voor twijfel. Dan kan je de volgende keer zeggen: ‘Oh, maar dat hebben we de vorige keer al besproken.’ Hoe chaotischer, hoe beter. Met wat geluk mist de notulist dan precies de besluiten die jou minder goed uitkomen.

Beter nog is om zaken voor te bespreken met een invloedrijk persoon. Je merkt snel genoeg wie dat is. En verwacht je van iemand een tegenstem, zorg dan dat de dwarsligger pas tijdens de vergadering informatie krijgt, terwijl de rest al op de hoogte is. Moffel kritieke punten diep weg in een tekst. Wellicht lukt het om je document meteen al in stemming te brengen.

Wat ook helpt, is dit. Benader een enthousiaste trainer en hou die een wortel voor. Beloof bijvoorbeeld ruimte voor exposure, ook al ga jij daar niet over. Vervolgens laat je de trainer met verve een workshopvoorstel presenteren. Dat vergroot de gunfactor. Degene die dan bezwaren uit, wordt vanzelf gezien als spelbreker.

Maar de beste manier is structureel elk tegengeluid negeren, en steeds opnieuw hetzelfde oude voorstel indienen. Desnoods drie keer. Stuur het gauw per ongeluk ongewijzigd naar een fonds voor subsidie. Dan kan je achteraf zeggen: ‘Oeps, het stond nog in het plan. En ze hebben het al goedgekeurd. Nu moeten we het wel zo uitvoeren.’