Van Elvis naar Siouxsie dankzij onze Tom

Op Radio Gelderland komt ‘ie regelmatig voorbij: A little less conversation van Elvis Presley uit 1968. Het is zo’n plaat met een heerlijk ritme, volle klanken, grappige geluidjes en de uit duizenden herkenbare stem van Elvis himself. Helaas voor de diehard fans betreft dit niet de originele versie. Die klinkt wat minder krachtig dan de versie van Junkie XL. Die van Junkie XL is monumentaal. Daarmee bedoel ik een plaat die staat voor een heel tijdperk. Fenomenaal.

YouTube, Vevo en Wikipedia zijn goudmijnen voor video’s, informatie en onverwachte links. Wist ik veel dat Nederlander Tom Holkenborg, (jawel, afkomstig uit de Achterhoek), eeuwigheidswaarde aan Elvis’ A little less conversation heeft toegevoegd. Want zijn versie is bij jongeren wereldberoemd op YouTube.

Via Elvis kom ik op de versie van Junkie XL en zo beland ik op zijn pagina op Wikipedia, waar staat dat ‘onze’ Tom heeft meegewerkt aan Mad Max: Fury Road. (Over tijdloze iconen gesproken. Ik moet nog steeds van Mad Max II bijkomen.) Én dat hij heeft samengewerkt met iemand die weer iets heeft gedaan met iemand anders, die haar stem verleende aan een cover van Cities in Dust van Siouxsie and the Banshees uit 1986. Volgt u het nog? Nou ja, hoeft ook niet.

Wat een heerlijk associatieve tijdreis. En dit allemaal dankzij Radio Gelderland. Zet hem op maximaal volume, want hier is ‘ie dan: the one and only! uit 2002.

Schurende gesprekken

Tien jaar geleden, een eerste groepswandeling op de Utrechtse Heuvelrug.
J is een van de wandelaars en spreekt mij aan. Ik ben nieuw en hij wil van alles weten. Al snel weet hij ons gesprek richting spiritualiteit te buigen. Daar heb ik niet uitgesproken veel mee. Ik geloof wel in iets, heel vaag. Dat de natuur en gebieden bezield kunnen zijn. En in Australië moedigde ik mijn motor soms aan, wanneer de tank bijna leeg was. Alsof hij me kon verstaan.

J weet het zeker: ik ben spiritueel. Hij brandt los. Het is duidelijk zijn favoriete onderwerp. Hij praat erg bevlogen, kijkt daarbij indringend en gaat maar door. We raken steeds verder achter op de groep. Eerlijk gezegd verveelt hij me al gauw. Want zoals ik hem aan het begin duidelijk heb gezegd, ben ik niet zo spiritueel.

Maar J weet het zeker. ‘Neem het nu maar van mij aan; je bent wél spiritueel.’, bezweert hij. Mij bekruipt het unheimische gevoel dat hij me een sekte in wil trekken. Daar maak ik korte metten mee: ‘Je krijgt nog vijf minuten en daarna wil ik geen woord meer horen over spiritualiteit.’ Tegelijk zet ik alvast wat ferme stappen vooruit. Op een holletje volgt hij me, verwoede pogingen doend om me te overtuigen. En hij blijft uitweiden over spiritualiteit. Wanneer de vijf minuten om zijn, snoer ik hem alsnog de mond. Daar is weinig spiritueels aan.

Ik voldoe niet altijd aan verwachtingen die anderen van vrouwen hebben. Want als vrouw schijn je bepaalde onderwerpen interessant te moeten vinden. Ik hoef bijvoorbeeld niet continu over kinderen te praten. Ook met ziektes, psychische klachten, cup cakes en de laatste mode heb ik weinig. Wel leef ik met mijn naasten mee.

De trend is dat we steeds persoonlijkere zaken tot in de kleinste details delen met iedereen. Hoewel ik de heilzame werking van praten en schrijven onderken, heb ik soms moeite met de manier waarop dit gebeurt. Ik vermoed dat sommigen hun identiteit aan hun probleem ontlenen. En het gaat recht ‘in your face’. De ellende wordt je zowat door de strot geduwd. Feitelijk zoals J dat met spiritualiteit doet. Mensen die je niet of nauwelijks kent, confronteren je ermee. Wie leeft zich nu eigenlijk in in wie?

Misschien ligt het aan mij en heb ik wat mannelijke trekjes. Want mannen zijn vaak minder breedsprakig over de dingen waar ze echt mee zitten. Die zeggen gewoon: ‘Het is zwaar klote’ en dat is het dan. Hun maten weten zo precies wat ze bedoelen. Vrouwen niet. Die willen alles tot in detail uitgelegd krijgen. Sterker, je móet het toelichten, anders ontstaat er gedoe.

Ergens in het midden ligt een mooie tussenvorm van communicatie. Wat mij betreft waken we ervoor dat de feminisering van het discours doorslaat.

Water halen voor de koffie

Wanneer ik een aantal jaren terug bij een universiteit begin, worden mij wat zaken uitgelegd. We werken op de tweede verdieping. Iedere ochtend zetten we een verse pot koffie voor de onderzoekers in het gebouw aan de overkant. Dat gebouw is vanaf onze verdieping te bereiken via een loopbrug. En die pot koffie is een resterende gewoonte uit de tijd dat het secretariaat in dat andere gebouw zat. Er werken uitsluitend intelligente mensen. Het lijkt mij dat zij best zelf een pot koffie kunnen zetten. Dit denk ik met mijn Hollandse nuchterheid en weerzin jegens onnodige hiërarchie. Maar ik ben nieuw en doe braaf wat mij wordt verteld.

Het is herfst. Het regent en het waait. Daar loop ik dan iedere ochtend over die loopbrug. Het enige voordeel is de frisse buitenlucht. Het wordt winter. Het sneeuwt en ik glibber nu rillend in mijn nette kantoorkleding naar de overkant. Hopend dat ik niet uitglijd en in de peilloze diepte stort.

Dan besluit de universiteit in haar onuitputtelijke wijsheid dat we nieuwe fonteintjes bij de toiletten moeten krijgen. Zo’n fonteintje is aan de overkant het dichtstbijzijnde tappunt voor water in de koffiekan. Alleen zijn de nieuwe kranen van die strakke design dingen. Je kan er slechts met de grootste moeite je handen onder wringen. Laat staan een koffiekan.

Het is inmiddels lente en ik sta voor een groot dilemma. Ga ik:

  1. Twaalf keer met een klein kopje water in die kan gieten tot hij vol is?
    Dan krijg ik wel het gevoel dat ik compleet achterlijk bezig ben.
  2. Of eerst over de loopbrug de koffiekan halen, dan met de koffiekan naar ons gebouw terug over de loopbrug, dan met de trap naar de eerste verdieping waar een invalidentoilet is (de lift kan ook, maar die is ’s morgens altijd druk bezet), afijn het invalidentoilet dus, waar als laatste nog een oorspronkelijk kraantje zit, daar water tappen, dan weer met de trap of de lift naar de tweede verdieping, wederom over de loopbrug, en voor twaalf kopjes koffie water in het koffieapparaat gieten?
    Bij deze optie kan ik tenminste wel elke ochtend theatraal uitbeelden hoe belachelijk de situatie is.

Ik kan ook een verbetering suggereren. Maar dat is tegen beter weten in, want ‘hier gaat het nu eenmaal zo.’

Levenslessen van andere mensen

Soms denk ik: ‘Stel dat die reorganisatie er niet was geweest. Dan had ik ook niet …’ Gevolgd door allerlei zaken die ik niet had willen missen. Zoals het leven in mijn huidige woonplaats. En de gesprekken met deelnemers in de groep voor werkzoekenden. Regelmatig leer ik nog van deze mensen. Omdat zij een ander leven leiden dan ik. Omdat zij ook van alles meemaken, maar daar anders mee omgaan. Of omdat ze andere beroepen en interesses hebben. Zonder die reorganisatie hadden we elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet.

Werkloos raken schudt de meest stabiele personen door elkaar. Vooral na een lange carrière. Je hele toekomst wordt onzeker. En vaak moet je voor het eerst in jaren je zelfbeeld herzien. Als daarbij het pantser eenmaal wegvalt, kom je tot de kern. Ik als lotgenoot tenminste wel. Dan kunnen we praten over zaken die er werkelijk toe doen. Ik kan slechts raden hoe zij zich in een werksituatie gedragen. Maar vermoedelijk weet ik na een gesprek al beter wat hen beweegt, dan hun vroegere collega’s na een jaar.

Gesprekken met mensen die anders in het leven staan, vind ik eveneens boeiend. Ze trekken me uit mijn eigen beperkte denkwereld en bieden alternatieve zienswijzen. Daarbij moet ik wel moeite doen om ze goed te begrijpen. Want ik denk toch vanuit mijn eigen referentiekader. Te snel of verkeerde conclusies trekken, is zo gebeurd. Als ik me daarvan bewust ben, blijf ik doorvragen. Hoe, wat, waarom, … en toen? Tot alles helder is. Zij zetten mij vaak aan het denken. En ik hen.

‘Verbranden’

Intermezzo van de hoofdzonden. – Hoewel? Ik zondig nu tegen mijn eigen regel. Want ik ga toch over mijn moeder schrijven. Ze is halverwege de tachtig en bezig met opruimen. Een meubelstuk, stapels boeken, kleding van mijn overleden vader en meer gaat weg. Dat lijkt me verstandig. Als je behoeften veranderen, heb je weinig aan spullen uit een vorige fase. Wel druk ik haar op het hart om mij oude voorwerpen te tonen voordat zij die wegdoet.

Want wat zij als troep beschouwt, vind ik juist bijzonder. En andersom. Ik heb de afgelopen jaren dan ook al duizend keer gezegd: ‘Neehee, hoef ik niet’, wanneer ze weer met prullaria van een rommelmarkt aankwam. In mijn ogen dan. Haar huis puilt uit. Overal staan plantjes en beeldjes en potjes en frutsels. Als je bij haar iets uit een kast wil pakken, moet je eerst andere spullen opzij schuiven.

Toch heeft ze de afgelopen decennia wel vaker opgeruimd. Alleen merkte ik daar nooit wat van. Alles stond nog even vol. Maar kennelijk ruimt ze deze keer echt grondiger op. En hoe gaat zoiets? Je trekt een schoenendoos open of een plastic tas, en komt oude papieren tegen. Waarna je even gaat zitten en drie uur later nog zit te lezen.

Ik heb dat in het verleden ook gedaan. Zo’n 25 jaar geleden moesten mijn schoolagenda’s eraan geloven. Die uit mijn pubertijd. Wat daarin stond, was gewoon te gênant voor woorden. Ik heb ze vlak voor een verhuizing weggedaan. En op mijn vorige adres dumpte ik mijn dagboek. Want in dat dagboek ging ik mooie levenservaringen opschrijven, maar vaker werd dat stoom afblazen. Stel dat je per ongeluk dood neervalt en je nabestaanden die bladzijden vol drama’s aantreffen? Echt niet.

Afijn, onlangs was ik dus bij mijn moeder. Een vrouw die ik redelijk goed denk te kennen. Maar iedereen mag geheimen hebben. Zij ook. Dus heb ik mij beheerst, toen ze in de keuken bezig was en ik op haar bureau een open envelop zag. Met ongeziene inhoud. En met haar handgeschreven opdracht op de buitenkant: ‘Verbranden’.

Meer beweging zou wel goed zijn

Ze zeggen dat een uur beweging per dag voldoende is, maar dat geloof ik niet. Als je de rest van de tijd zit of ligt, verstijf je toch en verslappen je spieren. Eigenlijk zou ik zelf wat meer moeten bewegen. Of liever: het mag wel wat gevarieerder, met gebruik van al mijn spieren. Want als ik eens iets afwijkends doe (zoals fietsen), heb ik meteen spierpijn. En heuveltje op hap ik naar adem. Kortom, mijn conditie hapert. Maar ik heb een bloedhekel aan sport. Bovendien word ik daar dik van. Dus wat nu?

Zitten, staan, wandelen of liggen; dat is alles wat ik doe. Afgezien van enkele rek- en strekoefeningen tijdens het schoonmaken. En in de tuin zak ik soms door mijn knieën. Ook sta ik weleens voorovergebogen het onkruid te wieden. Zoals gisteren. Daarmee ben ik tijdig gestopt, want 1. vervolgens kom ik zowat niet meer overeind (rugpijn!), en 2. voor vandaag stond een wandeling van 19 kilometer gepland. Met stijve beenspieren is dat minder plezierig.

Wandelen gaat best. Elke dag een uur en wekelijks een tocht van minstens 15 kilometer. Dat vind ik leuk, dus dat kan geen sport zijn. Want sport is een ramp. Je wordt er moe van, je gaat er zo van zweten en je moet er speciale kleding voor kopen. Vaak in de meest afgrijselijke kleuren. Fluorescerend roze of zo. Verder heb je veel dure spullen nodig, die je vervolgens in zo’n mega grote tas ergens naartoe moet zeulen. Het ergst vind ik als je je in zo’n vies, meurend kleedhok moet omkleden. En nergens kan je je portemonnee of huissleutel opbergen. Echt, sport is doffe ellende.

Zoals gezegd, word ik er nog dik van ook. Want van sporten krijg je spieren en spiermassa is zwaarder dan vet. Daar begint het al. En dan de honger die je ervan krijgt: echt enorm. Ik word er gewoon duizelig van. Het enige wat dan helpt is een vette hap, en een flinke ook. Dat begon al met zwemles, toen ik een jaar of acht was. Recht tegenover het zwembad zat een patatzaak. Ja, die weten hun locaties wel te kiezen. Ben je op zoek naar het plaatselijke zwembad of de sporthal, doe dan gewoon even navraag in een patatzaak. Ik ben een gewoontedier. Dus sport = patat.

Heel soms vind ik sport wel leuk. Op Bali, bijvoorbeeld, ging het terras van mijn hotelkamer over in een zwembad van zeker 60 meter lang. Kijk, daar hou ik nu van. Nonchalant en zonder zorgen in mijn bikini naar buiten lopen, handdoekje over een stoel op mijn privé-terras draperen en dan het water inglijden. Echt warm water. Niet zoals dat lauwe nat hier. Nergens heb ik trouwens zo goddelijk gezwommen als in het thermaal verwarmde water van Mataranka  (Australië). Zomaar in de vrije natuur.

Schaatsen op natuurijs vind ik eveneens leuk. Zelfs al krijg je er nogal spierpijn van. Want dit kan gemiddeld eens in de tien jaar. De laatste keer was in 1985, geloof ik. Maar mijn noren wachten goed ingevet op de volgende keer.

Afijn, vandaag had ik het erover met vriendin F, tijdens onze wandeling van Hoenderloo naar Loenen. Vriendin F is tien jaar ouder dan ik en veel gezonder. Wat wil je? Zij doet aan zwemmen, fietsen, zingen, wandelen en zelfs hardlopen met een privé-coach. En dat de hele week door. Ze wist ook van mijn vage pijntje af toen ze met de gouden tip kwam: yoga!

Dat lijkt mij nou heerlijk: lekker liggen op een matje en af en toe wat rek- en strekoefeningen doen onder begeleiding van een zen-muziekje. Ik ga gelijk informeren.

Weemoed van een te laat geboren koloniaal

Op mijn eerste vakantie alleen kwam ik een Engelsman tegen. Het was in Griekenland. Ik was een jaar of 19 en hij was twee keer zo oud. Een truckchauffeur die moest wachten op een lading in de haven van Athene. We trokken een paar dagen samen op. Hij reed op het Midden-Oosten en had een plastic tas vol munten uit zo’n veertig landen. Voor als hij ze bij een tolweg nodig had. Met veel van die landen had zijn thuisland een historische band.

Dankzij de meest exotische muntjes uit die tas (met afbeeldingen van gekruiste zwaarden, halve manen en palmbomen uit Saoedi-Arabië, Jordanië, Turkijë, Irak, etc.) begon ik een ware muntenverzameling. Al gauw werd daardoor zichtbaar hoe groot het overzeese gebied van Groot-Brittannië ooit was. Veel landen hadden muntjes met portretten van Queen Elisabeth. Of die van haar voorganger: King George VI. Zo moet mijn fascinatie voor het Britse gemenebest zijn ontstaan.

In de drie decennia die volgden, zou ik tal van landen uit dat vroeger immense rijk bezoeken. In Amerika, Afrika, het Midden-Oosten, Azië, zelfs tot in de Stille-Zuidzee. Tussendoor las ik Engelstalige literatuur uit meerdere eeuwen. Dat versterkte de sfeerindruk van hoe het er was in de negentiende en begin twintigste eeuw. Toen veel van die landen nog Britse kolonies waren. Voor jonge ondernemende mannen, met connecties of een startkapitaal, moet het een feestperiode zijn geweest. Kansen en mogelijkheden te over. Hoewel de lokale bevolking dat anders zal hebben ervaren. Terwijl daar ook lieden tussen zaten die hun kans schoon zagen.

Wat die koloniale mannen en ik na Griekenland deelden, was het gevoel dat de wereld voor ons open lag. Een groot avontuur lonkte. En tegelijk kon je overal vertrouwde zaken vinden, lang voor Starbucks kwam. Dat was handig. Want in al die landen was er a decent cuppa tea of a full English breakfast. Tot in de verste tropische uithoeken kon je cricket spelen en op de postbezorging rekenen. En waar je ook ging, steevast liepen er van die oudgedienden rond. Altijd goed voor de mooiste verhalen, rijkelijk gelardeerd met onderkoelde humor.

Ah, voorgoed vervlogen tijden. Maar de sporen zijn nog overal zichtbaar voor wie goed kijkt. Groot-Brittannië mag bepaald niet heilig zijn, toch vind ik dat we als vrienden in de EU moeten scheiden. Al was het maar, omdat dit obstinate eiland ons zo veel kleurrijke types heeft gebracht. Plus de dagboeken van Earl Mountbatten:

Bron artikel: de Volkskrant, 2 maart 2018.