Terugblik op Israël, ruim 30 jaar later

Het is opmerkelijk hoeveel zaken vaag blijven, na herlezing van de brieven en mijn reisverslag. Wel zie ik het volunteershuisje zo weer voor me, evenals het boerenerf, de velden en de woestijn. Ik kan de winterwind voelen onder de strak blauwe hemel. De zonnestralen worden al warm. Ook hoor ik de enorme stilte, af en toe onderbroken door het geluid van een motor, een rammelend hek of de stoffige kuch van een koe.

Ik weet nog in welke richting de velden buiten het dorp lagen. Op de achtergrond was een heuvelrug. En rechts, voorbij de doorgaande weg, waren de wijngaarden. Plus de nabijgelegen bergen van Jordanië. Vele jaren later stond ik erbovenop, ter hoogte van Petra, en zag ik het vertrouwde woestijnlandschap terug. Bijna aanraakbaar, slechts gescheiden door een grens.

Ook herinner ik mij het gehotsebots op de oude tractor. Om bij de akker met tomaten te komen, moest je eerst dwars over een greppel rijden. Die tractor was een vaalrode krachtpatser. Daarmee kon ik vlot door het rulle woestijnzand heen rauzen.

Maar de gezichten zie ik nauwelijks nog voor me. Zwart haar, middelbruine ogen, gebronsde huid. Dat is wat ik nog weet. Een zachtaardige man. Zo anders dan de meesten in dat land. Hoewel die anderen onder hun rauwe imago soms ook een mildere kant verborgen hielden. Je moet daar hard en sterk zijn. Zijn vrouw leek ongelukkig op een boerderij in dat afgelegen dorp. Zouden ze nog bij elkaar zijn? Hun kinderen zijn inmiddels volwassen.

De brieven schreef ik aan familie tijdens een anderhalf jaar durende reis, ruim dertig jaar geleden. Nu lees ik ze terug, hopend op aanvullende details die ik sindsdien ben vergeten.

Het overvalt me hoezeer ik stilsta bij die (tweede) periode in Israël. Gaf het programma van Frans Bromet en Raoul Heertje soms een aanleiding? Zij onderzoeken daarin hun haat-liefde verhouding met dat land. Mijn eigen gevoelens zijn minstens even tegenstrijdig.

Zal er ooit sprake zijn van iets anders dan extremen? De taferelen en de schurende gesprekken in hun documentaire zijn zo herkenbaar. Bovendien is na ‘mijn’ tijd die monsterlijke muur gebouwd. Een splijtzwam, die de bevolkingsgroepen nog verder uiteen drijft. Een open wond in dierbare grond. Ik zou wel terug willen gaan, maar ik kan die muur niet aanzien.

In 1987, aan het begin van mijn eerste verblijf, wist ik nauwelijks iets van Israël af. Ik was 24 jaar oud, wilde op wereldreis gaan, en het liefst de winter doorbrengen in een warm oord. Onderweg ging ik in diverse landen werken, zoals backpackers dat al decennialang doen. Praktische informatie haalde ik uit Work Your Way Around The World van Susan Griffith. En de Bijbel ging naar Israël mee als geschiedenisboek en reisgids.

Israël stond in de jaren zeventig en tachtig qua werk bekend als makkelijke bestemming. Je hoefde maar langs een kantoortje in Tel Aviv te gaan en je had een baan. Bijvoorbeeld in de agrarische sector, kinderopvang of horeca. Veel reizigers waren pas afgestudeerd of ze hadden een tussenjaar. Het idee was om afwisselend een poosje te werken en dan weer wat van de wereld te zien. Op die manier kan je het rondreizen lang volhouden.

Ik had niets met politiek. Wel kwam Israël toen regelmatig in het nieuws. Maar ik had meer interesse in busdiensten naar toeristische trekpleisters, dan dat de Palestijnse kwestie mij aanging. Bovendien moet je daar echt moeite doen om zaken van meerdere kanten te zien. Veel mensen kennen slechts een kant. Als je aan de Joodse kant terecht komt, heb je nauwelijks contact met Palestijnen of Arabieren. En omgekeerd is dat dito eender.

Door mijn besluit belandde ik automatisch aan Joodse zijde. Maar dat bepaalde mijn positie niet, vond ik. Want ik ben zelf Nederlands en van oorsprong katholiek. En ik sloot mij niet af voor Palestijnen. Alleen duurde het maanden voordat ik met zo iemand sprak. Met een representant van ‘de anderen’. Op straat vond ik Arabische mannen wat opdringeriger, terwijl veel Joden zich meer als westerlingen gedroegen. Dat was in mijn beleving het voornaamste verschil.

Heel soms gedurende twee verblijfsperiodes daar, viel mij meer op. Ik schreef erover aan mijn familie.

In een brief over een uitstapje naar Akko. ‘Dat ligt ten noorden van Haifa aan de kust. Er is een oud gedeelte, wat nu een Arabische wijk is. De huizen zijn kris-kras gebouwd op een heuveltje en er zijn veel trapjes en doorkijkjes. Er lopen veel kinderen rond, die blijkbaar (in tegenstelling tot Joodse kinderen) niet naar school gaan. Eromheen, aan het water, is een enorme muur die door kruisvaarders is gebouwd.’ En zo gaat de beschrijving van het pittoreske stadje verder. Die kinderen liepen buiten op een woensdag en bij mijn weten was het geen feestdag.

En over een bezoek aan het oude deel van Jericho, waar ik een Amerikaanse vrouw ontmoette bij de opgravingen: ‘Met die Amerikaanse ben ik langs het refugeekamp naar een paleis van de één of andere sheik gelopen. We liepen langs de hoofdweg en nu tuuterden echt alle automobilisten. Ook Joden en militairen. (…) Terug naar Jerusalem kwamen we weer door het berggebied. Ik zag verschillende Bedouïnen-tentenkampen en schapenkuddes. Eigenlijk wel gek. Die mensen leven nog zowat in het stenen tijdperk terwijl boven hun hoofd militairen in supersonische straaljagers aan het oefenen waren.’

Aansluitend in de volgende alinea:
‘Wat het gevaar van rellen betreft. Dat is maar betrekkelijk. Het zijn meer incidenten en alle onlusten worden razendsnel de kop ingedrukt omdat er óvérál bewaking is. Bijvoorbeeld de toegangen naar de Klaagmuur. Daar staan op verschillende plaatsen minstens vijftig politieagenten en militairen. Iedereen die het terrein wil betreden wordt gefouilleerd.
De afgelopen dagen in Jerusalem zijn er verschillende relletjes geweest op nog geen twee kilometer afstand van mijn herberg, maar ik heb niets gemerkt. Ik heb de Dome of the Rock bezocht (Koepel van de Rots).’
Gevolgd door meer heilige en toeristische bezienswaardigheden. Yad Vashem maakte veel indruk.

Militairen waren inderdaad overal; ze hoorden bij het straatbeeld. Door hun aanwezigheid voelde ik mij veilig. In de woestijn keek niemand van zijn werk op wanneer er achter de heuvelrug militaire oefeningen waren. Dan was er een dof gerommel hoorbaar. Explosies in de verte maken hetzelfde geluid als onweer. Maanden later, toen ik al in Nederland terug was, dacht ik nog steeds bij onweer: ‘Oh, ze zijn zeker aan het oefenen.’ Zozeer was ik eraan gewend geraakt. In retrospectief vraag ik mij af of het wel altijd ‘oefeningen’ waren.

Dat ‘ik heb niets gemerkt’ in die brief was trouwens niet helemaal waar. (Mijn ouders lazen mee, vandaar.) Ik verbleef tijdens de eerste intifada enkele dagen in de christelijke wijk van Jeruzalem. Waar die intifada over ging, was mij globaal wel verteld. De traditionele winkeltjes in de oude binnenstad bleven uit protest gesloten. Dat vond ik jammer. En op een avond zei de Armeense herbergier dat het beter was om binnen te blijven. Achter de hoge muren en de gesloten poortdeur hoorde ik mensen rennen in het naastgelegen steegje.

Het heeft jaren geduurd voordat ik mij realiseerde dat je onmogelijk in zo’n land neutraal kan zijn. Bij iedere handeling maak je feitelijk keuzes tussen partijen. Ook al gebeurt dat onbewust.

Na lezing van de brieven en het reisjournaal haal ik mijn reisfotoboek tevoorschijn. En via internet zoek ik naar de twee plaatsen waarin ik verbleef. Voor het eerst zie ik er luchtfoto’s van. De omgeving rond de dorpjes is wat droger geworden; verder lijkt alles hetzelfde gebleven.

Tegelijk leer ik iets over de ontstaansgeschiedenis van beide plaatsen. De eerste ligt in het noorden en ‘was founded in 1949 by the movement on land that had belonged to the depopulated Arab village.’ Pardon? Dus dat betekent … ?

De tweede plaats ligt in de Negev-woestijn en staat vermeld in het Oude Testament. Tijdens mijn verblijf daar geniet ik vooral van de eenvoudige leefstijl. Even is mijn wereld klein. Ik ervaar er geborgenheid aan het eind van een lange reis op drie continenten. Zo wordt het een uitgelezen moment en plek voor bezinning.

Israël is geen makkelijk land om in te wonen. Iedereen betaalt een hoge prijs en de lontjes zijn kort. Pas nu vallen de passages op over inflatie en geldzorgen bij de gemeenschap in de woestijn. En ongemerkt is er altijd die dreiging. Zelfs op de luchtfoto is van grote afstand de omheining zichtbaar rond het dorp in die afgelegen vallei. De omheining is zes rijen dik en bestaat uit zes parallel geplaatste metalen hekken. Elk hek afzonderlijk is voorzien van meerdere rollen prikkeldraad boven elkaar. Dat was vast niet alleen om ’s nachts de rondzwervende woestijnwolven buiten te houden.

Desondanks voelde ik mij goed thuis in Israël. Het leven is er paradoxaal ook plezierig ongedwongen. Veel mensen zijn pragmatisch ingesteld. Het klimaat is aangenaam. Het openbaar vervoer is goed en je kan overal lekker eten. Daarbij was ik in Israël zeer welkom. (Heeft mijn nationaliteit nog altijd een streepje voor?)

Verder was het prettig en grappig dat ik er onopvallend als een local over straat kon gaan. Werkelijk iedereen dacht dat ik joods was. Qua haarkleur had het gekund, maar verder? Mijn vermeende ‘joodse’ trekken zijn eerder Frans. Wel schept de vluchtgeschiedenis van mijn Hugenoten-voorouders een soort lotsverbondenheid. Dus mogelijk is standvastigheid een gedeelde karaktertrek.

Israël heeft een belangrijke vormende rol gespeeld in mijn leven. Ik ben er mentaal gegroeid en wereldwijzer geworden. Desondanks duidt in 1989 nog weinig op een ontwakend maatschappelijk bewustzijn. Ik benoem dan vooral wensen qua concerten, werkrichting en relaties. Wel schemert er al een verlangen door naar een meer verstilde leefstijl.

Wat Israël betreft, zal ik nooit stelling nemen. Twee partijen menen evenveel recht te hebben op hetzelfde lapje grond. Grond die ook mij zeer dierbaar is. Mede daarom is het hartverscheurend om te zien waar zo’n uitzichtloze patstelling toe leidt.

Ben ff poepen

Ja, sorry hoor, het moet een keer. Vandaag ga ik schrijven over een heikele kwestie. Mijn lichaam leidt namelijk een geheel eigen leven. Daarbij is het nogal gesteld op vaste gewoontes. Zo wil het met regelmaat worden voorzien van een natje en een droogje. Ook verlangt het dagelijks voldoende beweging. En, na een inwendig verwerkingsproces, wil het graag af van een overtollige semi-vaste substantie.

Voor dat lozingsproces houdt mijn lichaam globaal een standaard tijdstip aan. Zelf vind ik dat best prettig, want daarna kan ik met mijn eigen leven verder gaan.

Maar soms komt er een kink in de kabel. Dan passeert dat globale vaste tijdstip, zonder aandrang. En uitgerekend dan zal je natuurlijk zien dat ik visite verwacht. Naarmate het bezoektijdstip nadert, groeit de kans dat mijn darmstelsel ontwaakt. Zo van ‘Hé, zijn we niet wat vergeten vandaag? Oh ja. Nou laten we daar dan maar snel wat aan gaan doen.’

Op zulke momenten gedraagt mijn lichaam zich echt strontvervelend. Excusez le mot. Zit ik op het toilet, hopend dat er snel wat komt (nee, niet bij de voordeur; daarvoor is het nu juist het meest ongelegen moment), en exact, maar dan ook werkelijk exact op het moment suprême … gaat de voordeurbel. Néé hè! Jawel. Vandaag was het voor de derde keer raak. Eerlijk waar.

Zal ik voortaan een briefje aan de voordeurknop hangen met de boodschap: ‘Ben ff poepen’? Dit is toch heel menselijk, nietwaar?

Op verkenning in voorouderlijk gebied

Via de familiewebsite ontvang ik een bericht van een onbekende man. Hij schrijft dat we een voorouderlijke familie delen. En hij heeft nog drie oudere generaties ontdekt. Ons voorgeslacht leefde 300 jaar geleden in De Liemers en mijn nieuwsgierigheid is direct gewekt.

In de jaren negentig woonde ik in Leiden en daar bezocht ik wekelijks het archief. Ik vond er toen een huwelijksregistratie uit 1725 van een ‘jongeman van ’t Tolhuys int Land van Cleef’. Bedoeld werd de landsheerlijke burcht bij Lobith. Daar waar Lodewijk XIV in rampjaar 1672 de Rijn overstak. Sindsdien staat die regio hoog op mijn verlanglijst als wandelgebied.

In februari 2019 kwam ik er voor het eerst in de buurt. Onze wandelroute liep vanuit Zevenaar richting de oude Rijnstrangen en onderweg passeerden we Herwen. Ik moet de kerktoren hebben gezien. Een paar maanden later maakte ik een boottochtje naar Fort Pannerden. Onwetend dat er ook in Herwen en Pannerden voorouderlijke sporen en wortels liggen.

Al zijn het wel hele kleine worteltjes, want waar hebben we het over? Mijn voorvader uit het Tolhuis bij Lobith behoort tot de negende generatie. Dus even rekenen: twee ouders, vier grootouders, acht overgrootouders, enzovoort. Dan komen we bij generatie negen uit op 512 voorouders.

Nou ja, er wonen nog altijd nazaten daar. Ik ga binnenkort toch mooi op verkenning op mijn nieuw ontdekte voorouderlijke territoir.

Levenslessen: (5) Blijf open en nieuwsgierig

Aan sommige levenslessen moet je een leven lang blijven werken. Ik tenminste wel. Zoals deze, in mijn persoonlijke serie belangrijkste levenslessen:

Levensles 5. Blijf open en nieuwsgierig

Ga een gesprek in met open vizier. Luister zonder (voor)oordeel. Luister met aandacht en oprechte belangstelling. Vanuit nieuwsgierigheid. Wees stil en hoor de ander. Vraag door. Vraag waarom. Vraag door op dat waarom; zo vaak als nodig is. Net zo lang tot je bij de kern komt. Om te leren en te begrijpen.

Wanneer je je open opstelt en nieuwsgierig bent, maak je jezelf kwetsbaar. Daardoor ontstaat er ruimte voor verbinding en inzicht.

Niet dat mij dat altijd lukt, hoor. Maar ik blijf het proberen, omdat ik niet wil vastroesten qua denkbeelden. Een flexibele en nieuwsgierige geest ervaart meer diepgang en plezier in het leven.

Bedgeheimen en een levensvraag

Het is zo’n beddenzaak van de luxere soort, waar ik naar binnen stap. Zachte sfeerverlichting. De boxsprings en ledikanten zijn smaakvol opgemaakt met kwalitatief goed linnen. Levensgrote foto’s van kasteelachtige interieurs en natuurtaferelen op de tussenwanden. Elk bed komt mooi tot zijn recht in een eigen hoekje. Discreet staan enkele aanbiedingen vermeld. Het zijn er slechts een paar; ze doen hier onnadrukkelijk mee aan de wintersales.

Dit is de eerste van drie winkels die ik vandaag wil bezoeken. Elders is nog een andere woonboulevard met beddenzaken. Ik wil een weloverwogen keuze maken; een goed bed luistert nauw. En een degelijk bed gaat lang mee. Zo lang, dat dit weleens het laatste bed in mijn leven kan worden. Misschien slaap ik er nog op wanneer ik al hoogbejaard ben. Het is een wat vreemde gedachte.

Die lange levensduur plaatst mij wel voor een acuut dilemma. Daar is die prangende vraag: blijf ik alleen wonen, of komt er in de toekomst een partner? Da’s toch handig om vooraf te weten. Ik moet namelijk kiezen tussen een éénpersoons- of een tweepersoonsbed en gelijk de gewenste maten doorgeven. Bovendien is een goed bed nu meer dan ooit maatwerk. Dat blijkt even later.

Bij het betreden van de winkel verkeer ik nog in de oriënterende fase. ‘Eens kijken wat er allemaal te koop is.’, denk ik. Nou, elk bed biedt een scala aan mogelijkheden. Wil je een bed met of zonder hoofdbord en/of voetenbord? En welke van de drie soorten pootjes (desgewenst op aangepaste hoogte) in welke van de acht kleuren mag het worden? Ook de bekleding is in verschillende stoffen verkrijgbaar. Het aanbod bestaat uit zestig kleuren.

De winkelier laat mij rustig rondwandelen. Hij heeft feilloos door hoe en wanneer hij mij moet benaderen. Juist als ik wat langer om een specifiek bed heen draai. Dan staat hij ineens naast me. En dan begint het keuzeproces pas echt.

Voor een passende bedbodem en het matras wordt eerst je slaap-DNA in kaart gebracht. Ja heus, dat is een persoonlijk slaapprofiel. De winkel heeft hiervoor speciale cabines met bedden beschikbaar. Het is best vermakelijk en comfortabel allemaal, terwijl ik liggend de video-instructies opvolg. Ondertussen doen de sensoren hun meetkundige werk. Ze registreren precies waar en hoe groot de drukverdeling is op het matras.

‘Dit zien we niet vaak’, zegt de winkelier achteraf, als hij mij de uitgeprinte details overhandigt. Ik heb weer eens een uitzonderlijk profiel.

Oh, en ik heb wat moois gezien, waardoor ik gelijk niets anders meer wil. Vanzelfsprekend valt mijn keuze in de hoogste prijscategorie. Deze keer speelt er nog iets mee. Want heb je eenmaal het comfort ervaren van een speciaal op jouw profiel ingestelde lattenbodem met meebuigend matras, volledig afgestemd op jouw hoogsteigen slaap-DNA, dan wil je echt geen standaard bed meer. Dus.

Nu moet ik kiezen tussen een één- of een tweepersoonsbed. Het maakt qua prijs opvallend weinig verschil. Maar bij een tweepersoonsbed horen een extra bodem, matras en dekbed. Alles meegerekend, tikt het flink aan. (En welke maten hou je aan voor een nog onbekende eventueel toekomstige partner?)

Bij bedden werkt het net zoals bij hotelovernachtingen. Neem je een éénpersoonskamer, dan betaal je vrijwel evenveel als een echtpaar. Soms vind ik dergelijke situaties gênant. Het lijkt wel alsof een alleenstaande niet serieus meetelt. Alsof je een soort tweederangsburger bent. Of nog niet helemaal volwassen. Alleenstaanden moeten kiezen tussen een kinderbed of een bed voor hoogbejaarden. Tot deze twee opties blijft het assortiment éénpersoonsbedden beperkt. Dat is vreemd.

Volgens het CBS telt Nederland wel 2,8 miljoen alleenstaanden en hun aantal groeit. Blijkbaar is deze ontwikkeling nauwelijks tot de beddenbranche doorgedrongen. Slapen alle alleenstaanden dan in een tweepersoonsbed? Rekenen ze na een scheiding weer op een nieuwe partner? Vermoedelijk kopen weinig mensen tussen de 21 en 75 jaar oud een éénpersoonsbed. Volgens mij bepaalt het aanbod hier de vraag. Of is er sprake van een taboe dat angstvallig wordt verzwegen?

Als ik later groot ben

‘Ik weet nog steeds niet wat ik zal worden als ik later groot ben.’ Dit zei mijn oud-collega, een vijftiger in 2015, toen we elkaar toevallig tegenkwamen. Zijn opmerking is en blijft een feest van herkenning. Want gisteren nog kon ik mij ternauwernood bedwingen. Ik had bijna iets zeer gênants op internet geslingerd.

Wellicht kwam het door mijn huis, waarin nu echt vrijwel al het kluswerk is gedaan. Of was het toch de invloed van Blue Monday? Hoe dan ook, ineens borrelde die ene onthutsende vraag op: ‘Wat zal ik nu weer eens gaan doen?’

Verveling. Eigenlijk had ik gehoopt op een meer verheven drijfveer. Maar dit is tenminste een begin.

Levenslessen: (4) Met kennis sta je sterk

De vierde les in mijn persoonlijke serie belangrijke levenslessen begint met een definitie. Want wat maakt een les eigenlijk tot levensles? Veel algemeen bekende levenslessen zijn gevat in oude spreekwoorden. Zoals: ‘kennis is macht’. Blijkbaar hebben die zichzelf bewezen. Daarbij gaat een levensles dieper dan iets wat je toevallig door ervaring hebt geleerd.

Volgens mij is de definitie van een levensles: een geïnternaliseerde wetenschap die tot overtuiging is getransformeerd. Zo. En een overtuiging vergeet je niet. Daar lééf je naar. Afijn, hier komt de volgende:

Levensles 4. Met kennis sta je sterk

Kennis is ook macht, natuurlijk. Maar dat spreekwoord associeer ik met de uitoefening van macht. Dit terwijl voor mij de nadruk ligt bij persoonlijke sterkte en kracht. Je staat sterk wanneer je ergens veel van af weet. Dankzij kennis kan je de wereld om je heen doorgronden en begrijpen. Hierdoor kan je met zelfvertrouwen (een mentale vorm van kracht) een degelijk onderbouwd verhaal vertellen.

Met de juiste kennis kan je eveneens een aantrekkelijke baan verwerven. Daarnaast zullen anderen jou moeilijk onzin kunnen verkopen, want jij kent de feiten. Feiten die je van alle kanten hebt onderzocht en bewezen. Daardoor sta je met kennis sterk. Bijvoorbeeld in een rechtszaak.

Niet dat je daarmee automatisch gelijk krijgt. Dat is weer een ander verhaal. Of eigenlijk: een volgende levensles. Er bestaat evengoed verschil tussen kennis en wijsheid. Bij wijsheid gaat het vooral om wat je doet met de opgedane kennis.

Dus: kennis is handig ter verdediging of bescherming. Kennis kan je ver brengen. En sowieso is kennis vergaren leuk.