Verwachtingen

Voor mijn gevoel wordt het weer tijd voor een logje. Ik had bij aanvang van dit blog eigenlijk niet bedacht dat ik voortaan zou moeten gaan voldoen aan een verwachting. De verwachting onder volgers van de regelmatige verschijning van een nieuw logje.

Hoe vaak in ons leven proberen we te voldoen aan verwachtingen? Verwachtingen die we van onszelf hebben. Verwachtingen die anderen van ons hebben. En hoe vaak gaat het daarbij om verwachtingen die nooit worden uitgesproken, maar die we wel voelen? Die reëel zijn, of die we ons inbeelden.

Van de vele vormen van vrijheid, waarnaar we kunnen streven, is vrij zijn van verwachtingen er één van.

PS: Het kunstwerk hierboven is een watervalletje op zijn kant, gefotografeerd door de eigengereide camera van mijn smartphone, die zelf zijn ding doet wanneer hij daar zin in heeft.

De verlossende leugen

‘Olivier Locadia heeft onlangs de hulp van een diëtist ingeschakeld. Zijn ongezonde relatie met eten is terug te voeren op zijn jeugd. Hij werd door zijn verslaafde moeder soms dagen alleen thuisgelaten zonder eten. Nu hij zelf jonge kinderen heeft, merkt hij dat hij geen idee heeft hoe hij ze moet leren met eten om te gaan.’, schrijft Katja de Bruin in ‘Als de maat vol is’, in de VPRO Gids.

Ik citeer nog even verder, omdat het volgende zo waarachtig mooi is: ‘Ik wil niet eindeloos blijven zeggen: ik heb het als kind niet geleerd. Op een gegeven moment had ik het mezelf moeten leren en dat heb ik niet gedaan.’

Respect, man.

Vooruit, nog één stukje dan. ‘Ik zie ook wel dat het meer gevolgen voor me had dan ik dacht. […] Toen kwam ik erachter dat ik niet helemaal eerlijk was tegen mezelf. Niet dat ik echt aan het liegen was, maar ik bleef gewoon een beetje weg bij de waarheid.’

Ik lees het wanneer ik voor de derde maal met iemand heb geprobeerd om het gesprek aan te gaan. De laatste keer wat mij betreft. Omdat er wederom keihard tegen mij gelogen is. Aangezien die ander zelfs de eenvoudigste feiten niet onder ogen komen wil, of kan.

Dan ga je wild om je heen slaan. Dan ga je ontkennen. Dan ga je zeggen ‘dat je je er niet bewust van bent geweest.’ Terwijl het al zo vaak is voorgevallen, met negatieve reacties tot gevolg, dat dat echt godsonmogelijk is. Maar negatieve reacties zijn ook aandacht.

En uitgesproken vanaf een zekere leeftijd, in combinatie met de juiste blik en toon, kom je er vaak wel mee weg. Vooral bij degenen die vanwege hun professie of hun relatie met jou van goede wil zijn. Bovendien geloof je het zelf, wanneer je het vaak genoeg zegt.

Een nichtje vertelde onlangs hoe zij nog weleens kan terugverlangen naar haar onbevangenheid van toen ze twintig was. Dat je dan nog niet alles weet van wat er in de wereld speelt.

In een ander opzicht heb ik een vergelijkbare weg als Olivier afgelegd. Mijn pubertijd herinner ik mij als een grote waas. Als een periode waarin er nog zo veel onduidelijk en raadselachtig was. Sociale contacten, waarom mensen op bepaalde manieren reageerden, welke invloed ik daar zelf mogelijkerwijs op had.

Maar ik verlang echt niet terug naar die tijd. En die laatste leugen, die voor mij nu zo kristalhelder een onwaarheid was, die bevrijdde mij. Waarna de situatie niet beter werd, maar het wel direct lichter was in mijn hoofd.

Zijn we al emotioneel volwassen?

Het valt mij op hoe sommige volwassenen zich als kinderen kunnen gedragen. Typerende kenmerken zijn: geen verantwoordelijkheid willen nemen, egocentrisme en weinig relativeringsvermogen. Al tijden zoek ik naar verklaringen en nu wijst Henk50 op een prachtig begrip: ego-transcendentie.

Volwassenheid houdt in dat je jezelf en je eigen belang kan overstijgen. Als je dat stadium bereikt, bereik je wijsheid. Henk wijst op Judith Viorst, een psychoanalytica die meent dat veel ouderen daarin niet slagen. ‘Ze kunnen vervelend, praatziek, egocentrisch en klaagziek zijn. De wereld draait om hen.’ Maar: ‘Tegelijkertijd kunnen mensen ook veranderen.’, schrijft hij. En dat is waar het mij hier om gaat.

Praat je over ouderen, dan denk ik aan de generatie van mijn vader en moeder. Geboren in de jaren dertig of veertig hebben ze wel of niet bewust de oorlog meegemaakt. Daarna volgden de wederopbouw en de bekrompen jaren vijftig, de revolutionaire jaren zestig en de alternatieve jaren zeventig. In de jaren tachtig werd het bestaan geleidelijk aan zakelijker. De rest is bekend.

Je kan je afvragen hoe de huidige ouderen zijn opgevoed. Want de gezinnen waren groot, sociale zekerheid ontbrak en het leven was hard. Dat doet iets met mensen. En in hun jeugd was er nog weinig wetenschappelijke kennis van pedagogie. Hoe anders is dat nu. Zelfs al maakt een kind geen goede start, dan is er psychosociale begeleiding voorhanden.

Er komen er nu relatief veel boeken op de markt van veertigers en vijftigers die ‘afrekenen’ met hun ouders. Mijn generatie heeft kennelijk iets te verwerken. Niet alles is goed gegaan en daarvan zijn we ons zeer bewust. Want we zien wat opvoeding tegenwoordig inhoudt. Een aantal van ons heeft wel anders meegemaakt. Menige ondermijnende gedachte en blokkade valt rechtstreeks te herleiden naar onze jeugdjaren.

Bij de oudere generatie zullen vast ook de nodige ondermijnende gedachten leven en blokkades bestaan. Alleen was het rond hun vijftigste minder gebruikelijk om naar een coach of psycholoog te gaan. Hoger opgeleiden deden dat misschien. Maar de rest? Die vond waarschijnlijk dat je je niet moest aanstellen. Ze zijn wel flink geweest, maar hebben minder aandacht besteed aan hun persoonlijke ontwikkeling. Hierdoor kan het gebeuren dat ouderen zogezegd vervelend worden en verzuren.

Volgens mijn buurman (die van de rioolperikelen) is mijn roodbladige boom ‘maar lelijk, want er komen geen bloemen in.’ Zijn vrouw had een voorkeur voor bloemen en hij baalt dat ik een andere boom heb gekapt. Ligt het aan zijn beperkte mentale blikveld, of ligt het aan zijn gezichtsvermogen? Ik zou toch zweren dat dit hierboven bloemetjes zijn.

Voor hem komt ‘De kracht van kwetsbaarheid’ van Brené Brown wellicht te laat. Maar andere volwassenen fleuren misschien nog op als ze een spelletje Omdenken doen.

Kinderen en stilzitten

Op Radio Gelderland vertelt de nieuwslezer over een jeugdzorginstelling. Daar moesten kinderen voor straf lang stilzitten en hun mond houden. Na klachten van ouders wordt deze straf niet meer toegepast. Het is kennelijk niet goed voor kinderen om lang stil te zitten. Dan is het in mijn jeugd wel heel ernstig misgegaan.

Mijn zus en ik moesten als kind aan volwassenen gehoorzamen. Wanneer we naar een familieverjaardag gingen, zaten we in de auto redelijk stil. Na aankomst gingen we weer in een kring op stoelen zitten. De kinderen werden af en toe bij het gesprek betrokken, al spraken de volwassenen meestal. Waarschijnlijk speelden we soms buiten met neefjes en nichtjes. Maar bij mijn weten zaten we vooral langdurig stil.

Verder kan ik mij bezoeken aan de kerk herinneren. Daar moest je héél stil zitten en héél stil zijn. Gelukkig gingen we af en toe staan tijdens het zingen. En ook moesten we knielen (op keiharde planken met van die vilten matjes). Als toppunt van beweging haalden we ergens tussen de preek en het zingen in een hostie. Dan sloot je achter in de rij aan en schuifelde je naar het altaar. Met de hostie op je tong liep je daarna zelfbewust terug naar je plaats. Die hostie kwam wel pas na de Heilige Communie. Toen was ik al een jaar of acht. Stilzitten in de kerk duurde erg lang.

Op school moesten we alweer stilzitten. Per les zeker vijftig minuten lang. Op de kleuterschool mocht je nog spelen in de zandbak. Maar op de lagere school werd het serieus. Dat stilzitten was soms best een uitdaging. Mijn eerste spijbelmoment gaat dan ook terug tot de eerste klas. En toen moesten de pubertijd en middelbare school nog beginnen. Ik heb tussen mijn zesde en zestiende levensjaar bijzonder vaak stilgezeten. Tot vervelens toe.

Bovendien was mijn vader al vroeg de trotse eigenaar van een automobiel. Daarom ben ik een kind van de achterbank. De ritjes naar de stad of familie vielen mee qua afstand. Maar wij gingen ook op vakantie naar het buitenland. Dat begon zo ongeveer toen ik drie was en dat herhaalde zich elk jaar weer. Uren heb ik op de achterbank doorgebracht, van benzinestation naar tolweg, et cetera.

Het komt allemaal terug en weet je wat nu zo sterk is? Dat ik ze ineens weer zo ontzettend mis. Die poortjes en de zware dieselwalmen bij de Franse péages uit mijn jeugd. Want er is weinig waar ik meer van geniet dan van passerend landschap. Gezien vanaf de passagiersstoel of de achterbank.

Raadsels uit de couveuse van mijn vroegste jeugd

Jaren geleden. Een collega geeft een afscheidsfeestje. Het is aan de vooravond van haar vertrek naar Afrika, waar ze al eerder heeft gewerkt. De meeste aanwezigen zijn ook expat geweest. Zoals een andere vrouwelijke collega, die van onze leeftijd is. Alle drie staan we tamelijk onafhankelijk in het leven, hoewel ik niet precies kan aangeven waar dat ‘m in zit. Op het feestje ontdekken we dat we nog iets delen. We zijn alle drie in de vroege jaren zestig couveusekinderen geweest.

Voor mij is het nog altijd een raadsel of, en zo ja, welk effect die periode heeft gehad. Bij mijn geboorte was ik (waarschijnlijk) gezond, maar veel te licht. Daarom moest ik eerst op gewicht komen. In die jaren mochten ouders hun kinderen op de couveuse-afdeling niet vasthouden. Ze konden alleen door glas naar de ruimte kijken waarin de couveuses stonden. Ik heb er bijna twee maanden doorgebracht.

De couveuses waren toen een soort veredelde broedmachines. Er brandden voortdurend warmtelampen. Ook stond er apparatuur te zoemen en de deurtjes gingen met een klap dicht. Zo’n couveuse moet een helverlicht, lawaaiig ding zijn geweest. Ik heb een bloedhekel aan herrie en aan schel licht. Maar in tropische warmte voel ik me juist helemaal geborgen. Dat zal wel uit die periode stammen.

Toch blijf ik met vragen zitten over het verblijf van een pasgeborene in zo’n couveuse. Heeft die periode fysieke en mentale sporen achtergelaten? Kan er later nog een specifieke lichamelijke klacht te voorschijn komen? Wat betekent het voor het hechtingsproces tussen ouders en kind? En werkt het door op andere relaties? Of is het toeval dat mijn vroegere collega’s en ik ons zo vrij en onafhankelijk opstellen?

Sandfire Flat Roadhouse, juni 1988, brief aan mijn ouders

Het zat er in, natuurlijk, na die film. Mentaal ben ik al twee dagen down under. Nu lees ik de brieven aan mijn ouders. Een fragment over mijn ervaringen op het eerste traject van een low-budget motortocht.

‘Inderdaad, ik ben alwéér verhuisd. De rit van Kalgoorlie naar Broome is prima verlopen. Van Northam ben ik naar Geraldton gegaan en daar ben ik een extra dag gebleven. Daar heb ik een nieuwe ketting op mijn motor laten zetten. Geraldton is een kustplaatsje. Niet echt bijzonder, maar ik heb het museum gezocht. Dat staat vol opgedoken goederen van zo’n 300 jaar oud uit voor de kust vergane Nederlandse schepen. Het is best leuk om dat allemaal te zien. In de VOC-tijd was Nederland absoluut de machtigste natie qua zeereizen. [sic]

Van Geraldton naar Carnarvon gereden. Dat is een heel mooi subtropisch plaatsje, maar de accommodatie was duur en daarom ben ik er maar een dag gebleven. Het ligt aan de monding van de Gascoyne rivier en bij het water zitten hele zwermen witte kakatoes in de palmen. Er zijn in die omgeving bananenplantages. Van Carnarvon naar Fortesque Roadhouse gereden, want Karattha was te ver.

Dat verblijf op een roadhouse vond ik heel leuk. Roadhouses bestaan uit een bar, restaurant, winkel, en benzinestation. Er is meestal een camping bij en ze verhuren cabines in bouwketen voor mensen die er de nacht willen doorbrengen. Verder staan er bouwketen of caravans voor het personeel. Het is dus een kleine nederzetting midden in de wildernis. Vaak overnachten er truckchauffeurs met hun wagens voor de deur. Het geheel ligt aan de highway. Omdat roadhouses doorgaans zo’n 150 – 200 kilometer van de eerstvolgende bewoonde plaats liggen, stopt vrijwel iedereen er. Daar zou ik graag willen werken.

De volgende dag ben ik naar Pardoo Roadhouse gereden. (Als je een goede kaart hebt, kun je al deze plaatsen vinden.) Die zaak wordt door een groep christenen gerund en zij waren heel vriendelijk. [Achteraf gezien betrof het vermoedelijk een sekte.] Ik ontmoette er een jongen en meisje die ook ieder op de motor waren. Met hen heb ik de volgende dag een stuk samen gereden. Maar omdat ik liever alleen rijd, zijn zij doorgereden en kwam ik later die middag in Broome aan.

Iedere dag heb ik in ongeveer acht uur tijd zo’n 500 kilometer afgelegd [met pauzes]. Steeds reed ik op vrijwel verlaten wegen door de natuur. Ik heb allerlei dieren gezien, zoals emoes, valkparkieten, kakatoes, zebravinkjes en anderhalve meter hoge heuvels van termieten. Kangaroes zag ik niet, omdat die zich overdag schuil houden.

Ik werd het rijden de laatste dagen wel zat. Het is heel saai. Ik rijd tachtig km/uur [je mag in Australië officieel niet harder het eerste jaar na behalen van rijbewijs] en alle anderen rijden circa 110. Op één dag werd ik slechts door twintig auto’s ingehaald en kwam ik circa zestig tegenliggers tegen. Dat zegt wel wat. De laatste vier dagen had ik steeds schitterend windstil weer.

Van roadtrains had ik eigenlijk weinig last. Je weet op het laatst precies wat je te wachten staat. Als je zelf meewind hebt, is het op de motor net alsof je tegen een muur rijdt als ze je tegemoetkomen. Zo veel wind zuigen ze mee. En als je tegenwind hebt, voel je het verschil niet. Behalve extra lang, vanwege de drie of vier opleggers, zijn ze ook heel hoog. Hier zie je veel dubbeldek veewagens. Eenmaal kneep ik hem wel toen een truck mij inhaalde terwijl er plotseling een tegenligger aankwam. Die truck kwam toen half op mijn weghelft en ik reed helemaal aan de rand. [Ernaast ligt los zand.] …

Mijn motor heeft zich prima gehouden. Het enige nadeel is dat ik een kleine tank heb. Ik kan er 200 kilometer mee halen. Omdat op een bepaald traject de afstand van een roadhouse naar de volgende plaats 300 kilometer was, moest ik een benzineblik voor vijf liter kopen. Behalve mijn gewone bagage, zeul ik ook olieflessen, het benzineblik, een spray voor lekke banden en gereedschap mee. Maar het is te doen. Deze 3.000 kilometer lange rit was weer een hele ervaring.

Broome was niet wat ik ervan verwacht had, maar toch heel aardig. Alleen wel duur. Daarom moest ik kamperen. Ik heb een tent bij me voor noodgevallen, dus ben ik niet echt op kamperen berekend. (Geen luchtbed, geen stoeltje, geen kookgerei.) Het was bloedheet en er was geen schaduw. Alles is heel stoffig. Ik kreeg er gauw de balen van. Wat wel heel leuk was, was dat ik steeds door buren werd uitgenodigd voor ontbijt, een drankje, avondjes uit [wreck car races], etc. Omdat de eerste camping vrij duur was, verhuisde ik later naar een andere en steeds kwamen mensen helpen met opzetten en afbreken.

Ik kreeg ook heel leuke reacties, omdat ze het zo flink vonden dat ik in mijn eentje op de motor rondtoer. Voor Australische vrouwen is dat heel ongebruikelijk. Die stellen zich veel afhankelijker op. [sic] …

Ik was op vrijdag aangekomen en op maandag ging ik naar het arbeidsbureau. Er was een vacature voor een keukenhulp, waar ik op af ging. Nou, ik had mijn registratiekaart nog niet ingevuld of ik moest al aan de telefoon komen. Wat denk je, kon ik direct voor drie weken in een roadhouse werken! …’