Raadsels uit de couveuse van mijn vroegste jeugd

Jaren geleden. Een collega geeft een afscheidsfeestje. Het is aan de vooravond van haar vertrek naar Afrika, waar ze al eerder heeft gewerkt. De meeste aanwezigen zijn ook expat geweest. Zoals een andere vrouwelijke collega, die van onze leeftijd is. Alle drie staan we tamelijk onafhankelijk in het leven, hoewel ik niet precies kan aangeven waar dat ‘m in zit. Op het feestje ontdekken we dat we nog iets delen. We zijn alle drie in de vroege jaren zestig couveusekinderen geweest.

Voor mij is het nog altijd een raadsel of, en zo ja, welk effect die periode heeft gehad. Bij mijn geboorte was ik (waarschijnlijk) gezond, maar veel te licht. Daarom moest ik eerst op gewicht komen. In die jaren mochten ouders hun kinderen op de couveuse-afdeling niet vasthouden. Ze konden alleen door glas naar de ruimte kijken waarin de couveuses stonden. Ik heb er bijna twee maanden doorgebracht.

De couveuses waren toen een soort veredelde broedmachines. Er brandden voortdurend warmtelampen. Ook stond er apparatuur te zoemen en de deurtjes gingen met een klap dicht. Zo’n couveuse moet een helverlicht, lawaaiig ding zijn geweest. Ik heb een bloedhekel aan herrie en aan schel licht. Maar in tropische warmte voel ik me juist helemaal geborgen. Dat zal wel uit die periode stammen.

Toch blijf ik met vragen zitten over het verblijf van een pasgeborene in zo’n couveuse. Heeft die periode fysieke en mentale sporen achtergelaten? Kan er later nog een specifieke lichamelijke klacht te voorschijn komen? Wat betekent het voor het hechtingsproces tussen ouders en kind? En werkt het door op andere relaties? Of is het toeval dat mijn vroegere collega’s en ik ons zo vrij en onafhankelijk opstellen?

Geef aandacht en word gelukkig

Denk je dat je gelukkiger wordt in een andere baan of met een slanker postuur? Vergeet het maar. Je streeft naar de verkeerde doelen. Volgens onderzoek helpt het als je een beetje minder zelfzuchtig wordt. Meer tijd doorbrengen met vrienden of op bezoek gaan bij je oude buurvrouw. Dat werkt beter. Volgens de Duitse psycholoog Julia Rohrer is contact met anderen een belangrijke voorspeller voor geluk.

Omgekeerd smelten zelfs de nukkigste mensen als ze oprechte aandacht krijgen. Specialist ouderengeneeskunde Wilco Achterberg zegt het heel treffend. ‘Als iemand jou speciaal maakt, blijft het leven de moeite waard.’ (Die ene patiënt, Sir Edmund, 2 juni 2018.)

Zijn woorden doen mij denken aan een advies dat ik kreeg van iemand die eveneens in de ouderenzorg werkte. Tijdens een wandeling vertelde ik over mijn toenmalige werkgever, een jonge man. Hij had duidelijk narcistische trekken en was zeer moeilijk in de omgang. Ook bij collega’s riep hij veel weerstand op. Vanwege zijn machtspositie leek het soms of we met een potentiële psychopaat te maken hadden. Ze raadde me aan om extra aandachtig naar hem te luisteren. Als je een van de weinigen bent die zo iemand serieus neemt, kan dat de werkrelatie aanzienlijk verbeteren.

Op een bankje in de bus praat een vrouw met een man over ouderen. Hij merkt op dat er hier zoveel eenzame bejaarden zijn. ‘Maar’, zegt zij ‘ze blijven allemaal in hun eigen huisje zitten. Je moet ze echt over de drempel trekken om ze met elkaar in contact te brengen. Ze zijn alleen, maar zoeken geen anderen op die vlak naast hen wonen en ook eenzaam zijn.’ Sommigen behulpzame mensen spelen daar trouwens heel sluw op in.

In het Volkskrant Magazine stond onlangs een artikel over Viktor en Rolf, de ontwerpers. Ze vormen het ideale duo. Ze zijn vrienden, zitten op dezelfde lijn en vullen elkaar aan. Het is samen zijn te midden van de gekte waarin ze werken. Bovendien voelen ze elkaar perfect aan. ‘Viktor: ‘Vicky [een Jack Russell terriër] was een geschenk van Rolf. Ik schrok me dood. Ik woonde toen nog op een kamer, ik deelde een huis met een vriendin en opeens kregen we een hond. Maar ik was er stapelgek op. Die hond ging altijd mee.’’

Behulpzaamheid kan je het beste gepast doceren. Dat is prettig voor zowel de hulpgever als de hulpontvanger. Kinderen krijgen complimentjes als ze helpen. Zo leren ze sociaal wenselijk gedrag aan. Ik vind wel dat kinderen er ook mogen zijn op de momenten dat ze niet helpen en gewoon zichzelf zijn.

Donderdag. Ik wandel met een groepje naar kasteel Doorwerth. Er is een nieuwe man bij die blijkbaar als doel heeft om mij speciale aandacht te geven. Of is hij eenkennig en klampt hij zich vast aan de eerste die hij spreekt? Hij is psycholoog. Ik vraag me af of hij beseft dat hij vandaag een vrije dag heeft.

Als ik zo rond mijn zeventigste geen partner heb, neem ik een hond. Gezien onze levensverwachtingen worden we dan samen tegelijk gelukkig oud.

Wie het zieligst is

Hoor je 80-plussers met elkaar praten, dan komen geheid alle denkbare ziektes en kwalen voorbij. Hoe erger hoe beter. Daar maak je in hun kringen indruk mee. Zo werkt het ook met voorzieningen voor ouderen. Hoe meer voorzieningen je nodig hebt en krijgt, hoe beter. Helaas gelden er wel drempels.

Onlangs hoorde ik een 85-plusser verzuchten dat ze geen huursubsidie krijgt. Ze leeft ‘alleen van haar AOW’, terwijl ze in een sociale huurwoning verblijft. Ze heeft geen recht op subsidie, omdat ze te veel spaargeld heeft. De grens ligt bij € 30.000. Ze is te rijk en dat is erg, vindt zij. Regeltjes kunnen wrang uitpakken, daar weet ik alles van. Ik neem elke maand meer spaargeld op dan zij en kan voorlopig slechts dromen van de AOW.

Maar toch. In dit land ben je zelfs als hoogbejaarde miljonair zonder ziekte of subsidie nog meelijwekkend.

Wie wordt de mantelzorger?

Mijn naaste buurman is hoogbejaard en woont zelfstandig. Vorig jaar stierf zijn vrouw, voor wie hij dag en nacht mantelzorger was. Zelf is hij mentaal scherp, maar hij loopt moeilijk en tobt met zijn gezondheid. Onlangs stond er een ambulance voor de deur. Met griep en longklachten werd hij in het ziekenhuis opgenomen, zo bleek achteraf. De kans is groot dat hij zelf binnen afzienbare tijd een mantelzorger nodig heeft. Maar wie wordt dat?

Ondersteuning kan hij regelen. Elke week maakt een hulp zijn huis schoon. Haar vraagt hij ook om uitleg over zijn smartphone. De bestelauto van de plaatselijke apotheek rijdt regelmatig voor. En de traplift van zijn overleden vrouw gebruikt hij nu zelf. De oude invalidensticker op zijn auto is handig bij het boodschappen doen. En af en toe komt er een zorgcoach langs die kijkt hoe het gaat.

Vorig jaar bood ik aan om zijn voortuin te ontdoen van welig tierend onkruid. (Het breidde zich ook naar mijn tuin uit.) Dat kan hij moeilijk zelf. Toen ik bezig was, wees hij gelijk op allerlei andere klussen die eigenlijk ook nog moesten. Een boom weghalen, struiken snoeien, enzovoort. Op mijn vraag of hij weleens een tuinhulp had ingeschakeld, keek hij moeilijk. Want ja, er kwam een keer een vrijwilliger, maar die deed het niet goed.

Mijn buurman staat niet bekend als een makkelijke man. Dat hoor ik van alle kanten en inmiddels weet ik waarom. Op zich is hij niet kwaad, alleen houdt hij nauwelijks rekening met een ander. Zijn vrouw was trouwens pas echt erg. De afgelopen twintig jaar wisselde mijn woning vier maal van eigenaar. Alle drie mijn voorgangers hadden ruzie met dat echtpaar.

Bij de bezichtiging vermoedde ik al dat er wat speelde. De makelaar wees mij toen op de bouwvallige staat van de gezamenlijke schoorsteen. Dat was vreemd. Want kort daarvoor was het hele dak aan mijn kant gerenoveerd. Dan pak je toch gelijk die schoorsteen mee? Sinds mijn komst doe ik moeite voor een normale verstandhouding en eigenlijk gaat het best redelijk.

Maar met deze buurman moet ik ook lastige kwesties bespreken. Want hij doet niets meer aan onderhoud. Zijn huis is inmiddels zo verwaarloosd dat het overal zichtbaar wordt. Vroeger kon hij alles zelf. Nu vindt hij het lastig om mannen in te schakelen. Door die trots moet ik steeds praten als Brugman voor hij instemt met gezamenlijk woningonderhoud.

Zo kom ik dus af en toe bij hem over de vloer. Hij vind bezoek gezellig. Ik vind het wat minder. En ik moet opletten, want de problemen zijn nooit veraf. Vorig jaar vroeg hij om mijn telefoonnummer. Dat vond hij wel handig, voor als er eens wat was. Stel dat hij zou vallen, dan zou hij mij kunnen bellen. Ik zou ook niet willen dat hij urenlang alleen op de grond zou liggen. Dus zei ik dat hij mij in zo’n noodsituatie kon bellen.

Onlangs sprak ik hem weer. Hij wás die week gevallen en had anderhalve dag op de grond gelegen. Want zijn mobiele telefoon lag buiten handbereik. Ik opperde dat hij eigenlijk beter zo’n pieper bij zich kon dragen, waarmee je een zorgorganisatie alarmeert. Dat werd al geregeld; de zorgcoach kwam diezelfde dag nog langs.

Gisteren belde deze buurman aan. Of ik hem mijn telefoonnummer kon geven, want dat was hij kwijt. Voor het geval hij weer op de grond lag. Ik wilde al met ‘06’ beginnen toen ik een formulier in zijn hand zag. Dus vroeg ik voor wie mijn nummer bedoeld was. Voor hem, of voor een organisatie. ‘Ja, zodat ze je kunnen bellen als ik weer op de grond lig.’

Wel opvallend, dat zijn drie kinderen in dit hele verhaal niet voorkomen.

Bewust kinderloos

Eind jaren tachtig sprak ik een collega over haar plannen voor het leven. Ze was begin twintig, afgestudeerd en tamelijk evenwichtig. Wat ze in haar carrière wilde bereiken, ben ik vergeten, maar een ding is mij goed bijgebleven. Kinderen wou ze niet. Ze had haar huisarts al gevraagd om sterilisatie. Hij wilde daar voorlopig niet aan meewerken. Want, zo vond hij, ze was nog jong. Wat als ze zich later zou bedenken? Maar zij was heel stellig in haar keuze. En ze wilde geen ander voorbehoedsmiddel. Daarom kon ze amper begrip opbrengen voor zijn visie.

Dertig jaar en talloze ontmoetingen later is zij nog altijd een zeldzaamheid. Zeker tot in de jaren negentig was willen trouwen en kinderen krijgen de norm. Inmiddels ken ik wat meer vrouwen zonder kinderen. Voor een deel is dat ongewenst. Bij twee andere vijftigers betreft het een bewuste keuze. Ik betwijfel of ze mij dat zo openlijk hadden verteld als ik zelf moeder was geweest. Misschien heb ik het mis, maar geen kinderen wensen zit in de taboesfeer.

Wat ik veel erger vind, is dat talloze vrouwen ongewenst kinderen hebben gekregen. Vooral bij de generatie van mijn moeder kom je ze nog weleens tegen. Of liever, ik ontmoet hun dochters. Veel vijftigers moeten na baanverlies eerst in het reine komen met hun verleden. Onlangs hoorde ik weer een verhaal.

Over een nu negentig jarige moeder, die na haar trouwen zeven kinderen kreeg. Haar aspiraties voor een artistieke carrière moest ze vergeten. Vervolgens maakte ze thuis nogal nadrukkelijk de dienst uit. Waarna haar dochter al jong in therapie ging. En daarmee doorgaat tot in het heden. Deze dochter schiet in een kramp zodra de aandacht op haar wordt gevestigd. Dan wiebelt ze op haar stoel en wringt ze met haar handen. Zelfs in gesprek met bekenden durft ze haar mond nauwelijks open te doen. Bang dat ze, zoals ze het letterlijk zegt, ‘weer lastig is’. Terwijl ze er zo mag zijn.

Twee vrouwen, beiden slachtoffer van de tijd en een keuze die ze nooit kregen.

Behoefte aan erkenning en waardering

‘Is dat belangrijk voor je?’, vraag ik wanneer het woord ‘erkenning’ valt. Dat blijkt inderdaad het geval. Ze wil op haar bescheiden manier iets doen voor mensen; een rol vervullen in de maatschappij. Zoals ze ook heeft gedaan tijdens haar succesvolle loopbaan. Maar die is sinds een paar jaar voorbij. ‘En’, ze zegt het er letterlijk bij: ‘ik wil dat anderen het zien en mijn bijdrage waarderen. Dat ze dit uitspreken en mij complimenteren.’ Als het er echt toe doet, heeft ze zelf moeite met complimentjes uitdelen. Haar vader zaliger was daar evenmin royaal mee.

Misschien is er een verband met een ander. Iemand die als jongste dochter in een gezin opgroeit met verder alleen broers. Hun moeder wil het meisje niet als vanzelfsprekend met huishoudelijk werk opzadelen. Dus wordt de dochter van taken vrijgesteld, terwijl de moeder het wel erg druk heeft. Zou je je erdoor overbodig gaan voelen? Alsof je bestaan er wezenlijk niet toe doet. Ben je ook al geen uitblinker in het een of ander, dat kan je jezelf slechts een zelfbedachte rol toedelen. Zodat je toch belangrijk bent en wordt gezien.

Nog enkele voorbeelden. Een kind dat precies doet wat haar vader wil, ook al heeft ze allang een flitsende carrière opgebouwd. Of iemand die van een concullega krijgt toegebeten dat ze iets vast niet kan. Waarna ze denkt ‘Oh nee, kan ik dat niet?’ Om vervolgens vastberaden alles op alles te zetten en wél dat hoog gegrepen diploma behaalt. De behoefte aan erkenning kan ons ver brengen. En ver laten zinken. Want iemand die op negatieve wijze aandacht vraagt, wil evengoed worden gezien.

De persoon uit het eerste voorbeeld is uitermate kwetsbaar. Zij is voor haar levensgeluk volkomen afhankelijk van anderen. Wat nu als je erkenning bij jezelf kan vinden? Gewoon, door iets te doen waar je met tevredenheid aan terug kan denken. Niet omdat een ander je complimenteert. Maar omdat je zelf in staat bent om te erkennen dat het goed is zo. Dat lijkt mij veel gezonder. Maar ik heb dan ook absoluut niets met ‘jezelf wegcijferen’ en ander calvinistisch gedoe.

Uitvaart in Brabant

Op een uitgesproken stormachtige dag in het uitvaartcentrum van Made. Een plaatsnaam uit een grijs verleden. Google Maps toont andere illustere namen die horen bij lang geleden: Raamsdonksveer, Stampersgat en Lage Zwaluwe. Vlak onder de grote rivieren in het Brabantse land. Het water is er altijd nabij.

Hoe begint zoiets? Een vakantie in Italië. Gevolgd door logeerpartijen in de huizen van onze ouders. Hooguit twee keer per jaar; het was zo ver reizen. Dat vonden we toen, tenminste, zo’n 35 jaar geleden. We waren bijna volwassen. Tussendoor schreven we talloze brieven, vaak van wel drie kantjes of meer. Over uitgaan, vriendjes en vriendschappen. Over rijlessen, werk en hobby’s. Over de hilarische dingen die we meemaakten. En over de volgende vakanties. Daar draaide het om in ons leven.

En dan zit je naast een collega-vrijwilliger van haar overleden vader. Achter rijen grijze hoofden. Wachtend op wat komen gaat. Buiten woedt de zware westerstorm. Kale takken zwiepen naast het raam. Het omringende land ligt onaangeroerd op de achtergrond en trekt zich niets aan van de emoties binnen. Op de radio zegt de nieuwslezer achteraf: ‘In de Biesbosch staat het water zo hoog dat de dieren er last van ondervinden.’ Als ware het een echo. Want haar vader heeft dat andere hoge water daar nog meegemaakt, in 1953.

Drie kinderen van in de vijftig volgen de kist. Maar ik zie de jonge volwassenen van toen. En alsof we niet allemaal een hele levensreis hebben gemaakt, verschijnen nu ook hun ouders. In verhalen en op celluloid. Precies zoals ik me hen kan herinneren, 35 jaar geleden.