Laten we ons nog inperken?

Waren het beelden uit Kenia? Te zien is een rommelig kruispunt, van bovenaf gefilmd. Zo’n stoffige plek met karretjes van straathandelaren, langsrijdende auto’s en wandelende voorbijgangers. Plots komen er mannen op motoren aan. Ze springen eraf en meppen met wapenstokken wild om zich heen naar elke passant die ze raken kunnen. Iedereen stuift uiteen. Binnen een mum van tijd is het kruispunt leeg. Zo, ook weer gedaan. De avondklok in coronatijd is ingegaan.

Dat zouden ze hier eens moeten doen. Het land zou meteen te klein zijn.

Oh, da’s waar ook: ons land ís te klein. Vanwege al die mensen die zichzelf heel wat vinden. Die altijd zelf wel bepalen wat goed voor hen is. Die zich door niets of niemand de les laten lezen. Zij hebben nu wel lang genoeg binnen gezeten en dus gaan ze naar buiten. De trend van IC-opnames daalt en het gevaar is geweken. Trouwens, ze hebben het ‘verdiend’. Ze houden al weken rekening met anderen, zoals de hardwerkende IC-verpleegkundigen. Dat is toch een flinke opoffering.

Vrijheid is in Nederland een groot goed. Het is verworden tot een vanzelfsprekendheid. Iets wat je kan en moet opeisen. Oh wee als iemand daar paal en perk aan stelt. Zelfs al is dat om de grenzen van anderen te beschermen. Want je hebt er recht op en we hebben er voor gestreden.
(Oh ja, wanneer dan? Tijdens de reformatie, 460 jaar geleden?)

Tot nu toe leven we hier met een ‘intelligente’ lockdown. Dat is niet altijd leuk. Mijn eigen bewegingsruimte is flink ingeperkt door de maatregelen in het OV. Maar mijn persoonlijke vrijheid wordt nog veel drastischer beknot door degenen die te veel ruimte innemen. En wat geeft hen daartoe dan het recht?

Voorzichtigheid in coronatijd

Vandaag maakte ik sinds half maart mijn eerste treinritje in coronatijd. Wat een belevenis. Ons plaatselijke boemeltje rijdt in precies vier minuten naar het volgende dorp. Daarna heb ik wandelend de terugweg volbracht.

Het risico op besmetting bleef beperkt. Inchecken kan met een OV-kaart zonder iets aan te raken. En voor het instappen drukte iemand anders op het knopje om de deur te openen. Alleen bij het verlaten van de trein moest ik een knopje met mijn mouw aanraken. Achteraf gezien vormden rakelings passerende mountainbikers op het wandelpad een groter gevaar.

‘Reis alleen met de trein als het echt moet’, maant de NS. Maar al mijn uitstapjes en familiebezoeken zijn recreatief. Laten mensen zich nog door deze vermaning weerhouden? Of vrezen ze de komende versoepeling en blijven ze, indien mogelijk, toch maar liever thuis? Ik ben voorzichtig. Tenslotte weet niemand werkelijk wat wijsheid is in deze situatie.

Uw verslaggeefster op expeditie in oorlogsgebied

Het is nodig, ik moet de deur uit. Bij mijn nieuwe twijfelaar is slechts één laken geleverd en dat moet donderdag in de was. Nu zou je zeggen: ‘Bestel gewoon een paar extra lakens op internet.’ Terecht. Alleen wil ik de stof van mijn lakentjes wel eerst even kunnen voelen. Misschien vind ik het weefsel een beetje te ruw, te koel of wat dan ook. Bovendien vraagt mijn matras om een afwijkende maat. Nee echt, ik moet er nu wel uit.

Dit wordt mijn eerste grote expeditie sinds de bijna complete lockdown. Derhalve bereid ik de tocht grondig voor. Openbaar vervoer mijd ik zo veel mogelijk, want je weet maar nooit in zo’n publieke bus. Als voormalige forens op het traject Leiden – Den Haag huiver ik van ieder vervoermiddel waar airconditioning in zit. Ik ben doorlopend verkouden geweest in die tijd.

Daarom stippel ik vooraf de allerveiligste route uit. Eerst de straat uitlopen, dan naar rechts. Vervolgens een kilometer langs het hondenuitlaatveld. (Fietsers, wandelaars en hondenbaasjes mijden. Desnoods van het pad af wijken.) Snel de weg oversteken, heuvel af, onder het spoor door en dan de wandelpaadjes kiezen waar je het minst vaak medemensen ziet. Nu is het een voordeel dat ik dit gebied eerder heb verkend.

Toch gaat het herhaaldelijk bijna mis. Vlak bij een T-splitsing komt er ineens een compleet gezin van links. Er zijn nog kleine kinderen bij ook. Die vrees ik het meest, want die ukken zijn vaak ongeleide projectielen. En weet jij wat zij onder de leden hebben?

Gelukkig is dit voor hen een educatieve trip. Precies wanneer het complete gezin rondom een boomstronk staat gegroepeerd (de moeder: ‘Dit zijn nu jaarringen.’), speurt ik met een wijde boog om hen heen. Zo het zijpaadje in. Fjiew. Gelukt. Zonder adem te halen en met afgewend gezicht.

Even verderop moet ik over een fietspad stijl omhoog een helling op klimmen. Oei, hier wordt het echt kritiek. Nergens uitwijkmogelijkheden en de straffe wind waait mij tegemoet. Plots komt er een man op een driewieler aan gescheurd. Hij is niet bij zijn volle verstand en heeft evenmin iets meegekregen over die anderhalve meter afstand.

Weer probeer ik zo lang mogelijk mijn adem in te houden. Maar ik loop door de inspanning al te hijgen, dus op die helling gaat het mis. Ik word rakelings gepasseerd. Slik. Als ik nu maar niets binnen heb gekregen.

Dan bereik ik de rand van Arnhem. Mijn God, wat is híer gebeurd? De straten zijn compleet uitgestorven. Heb ik soms een bericht gemist? Is er tussentijds een totale lockdown afgekondigd? Even twijfel ik. Doe ik hier wel goed aan? Maar ik ben op een missie, dus hup, in de benen en voorwaarts.

Weer komt er zo’n potentiële coronavirusdrager op mij af. Hij loopt druk pratend mobiel te vergaderen. En weer waait de wind iemands adem in mijn richting. Ik probeer zijn waaierende slipstream te ontlopen, maar geparkeerde auto’s blokkeren die optie.

Onachtzame mensen vormen steevast een gevaar, zo blijkt in de stad. Daar zijn bijna alle winkels gesloten. De sfeer in de verlaten straten herinnert aan de zondagsrust uit mijn jeugd. Er hangen voornamelijk verlopen types rond in joggingbroek. En ik kan de maat niet krijgen die ik zoek.

Op de terugtocht verkies ik alsnog de bus. Binnen neem ik een strategische positie in, namelijk het achterste bankje in het voorste gedeelte. Dan kan er niemand achter mij in mijn richting ademen. Bij het station doen drie jongens een ellebogenboks. Die lopen een paar berichten achter. Het is er trouwens een komen en gaan van lege bussen. Alleen is het uitgerekend in mijn bus topdrukte: vijf passagiers. Gelukkig is het zo’n lange harmonicabus en is iedereen zich van groot gevaar bewust.

Behalve één oude man. Ook hij is zo’n verlopen type, met morsige kleren, ongeschoren wangen en een slappe boodschappentas. Wat denk je? Gaat ‘ie precies in het bankje voor mij zitten. Wel ja, joh, doe maar gewoon alsof dit normaal is. Met onverholen misprijzen kijk ik de situatie aan. Maar zodra hij zijn gezicht opzij wendt, is voor mij de maat vol.

Demonstratief sta ik op en stommel over het gangpad in de rijdende bus naar achteren. Net op dat moment loopt een jonge man naar de deur, remt de chauffeur, en zwenkt de bus naar de halte. Totaal onverwacht en op luttele centimeters afstand, buigt de jonge man nu naar mijn voeten toe, en raapt een pakje sigaretten op. ‘Die zijn van mij.’, zegt hij lachend, zodra hij weer overeind komt, met zijn gezicht vlak bij mij.

Foto-uitdaging: pandemie in beeld

Gisteren werden we wakker in een nieuwe realiteit. De coronapandemie is nu ook hier een feit. Meteen fotografeert iedereen dezelfde taferelen: lege schappen, verlaten straten, mensen met uitpuilende winkelwagens. Gaap.

Beste fotoliefhebbers, dit kan toch wel wat origineler? Ik nodig iedereen uit om de coronapandemie verrassend in beeld te brengen. Wees creatief, humoristisch, kunstzinnig of wat je maar wilt.

Mijn enigszins onscherpe bijdrage staat hierboven. Deze foto nam ik vandaag in een trolleybus bij station Arnhem. Valt je iets op aan het interieur van de bus?

Hier onzichtbare pijlen leiden passagiers naar de achterdeur om daar in te stappen. Dat is uitzonderlijk. En waarom blokkeert een rood-witte schakelketting het gangpad? Alles ter vermijding van besmettingsgevaar. Zo blijven de passagiers uit de buurt van de buschauffeur.

Reizen op de bonnefooi

Ineens moet ik terugdenken aan hoe ik vroeger vakanties en reizen plande. ‘Plannen’ was een groot woord, begin jaren tachtig. Vaak raakte ik per toeval door een ontmoeting of film in een land geïnteresseerd. Vervolgens bezocht ik de openbare bibliotheek. Daar stond de kast met algemene boeken over landen en volken, per werelddeel gerangschikt. Er zaten ook reisverslagen tussen van vrijgevochten types, die met tent en motor, fiets of auto een heel continent hadden doorkruist. Vooral deze reisboeken spraken enorm tot mijn verbeelding.

Met een beetje geluk bevatte de kast ook een meer toeristisch boek over het gewenste land. Zo’n kleurrijk fotoboek met een gedetailleerde landkaart. En met reistips, vervoersmogelijkheden en adressen van hotels op de laatste drie pagina’s. Steevast maakte ik kopietjes van deze praktische informatie. Die vormden mijn belangrijkste houvast bij de planning en op reis. Ook vroeg ik nationale verkeersbureaus schriftelijk of telefonisch om informatie. Dan was het feest wanneer de dikke envelop met brochures en folders op de deurmat plofte. Later bezocht ik de vakantiebeurs in de Jaarbeurshallen. Daar liep ik als een kind in een snoepwinkel rond. Sommige brochures uit die periode bewaar ik nog.

Na drie georganiseerde vakanties met Club Escolette en een vriendin, begon de opmars naar het echte avontuur. Dat was in 1983. Toen boekte ik voor het eerst alleen een vakantie naar Griekenland. De deal met Holland International betrof een pakket van vliegtuig, transfer en hotel. Ter plaatste ging ik met een lokale busmaatschappij op pad, of ik bleef een dagje luieren op het strand.

Die vakantie werd een heuse test. Want: zou zelfstandig en alleen reizen in een vreemd land mij bevallen: ja of nee? Zo niet, dan betwijfel ik of ik hiermee door zou zijn gegaan. Maar het werd een topvakantie.

Het jaar daarop waagde ik een forsere stap. Op naar Amerika, de eerste vakantie buiten Europa. Alleen al de voorbereidende fase heeft veel indruk gemaakt. Nog zie ik het interieur van het Greyhound kantoor voor me, met het embleem van de zilveren hazewindhond. Voor het ticket moest ik naar de toenmalige vestiging in Amsterdam. Ook herinner ik mij de ingelijste tronie van Ronald Reagan, hoog aan de muur van het Amerikaanse consulaat. Daar regelde ik het visum en kwam er een driekleurig stempel in mijn paspoort. Multiple, for entry until indefinitely.

Vliegtickets kocht ik jarenlang bij de NBBS. Het blijft jammer dat dit Leidse studentenreisbureau in 2001 ten onder ging. Je moest in hun reiswinkel wel geduld hebben, want veel mensen hadden uitgebreide plannen. En het computersysteem was traag. Maar de reisverhalen van andere klanten zorgden voor een heerlijke sfeer. Medewerkers namen er de tijd voor, terwijl ze telefonisch in de wacht stonden bij een vliegmaatschappij.

Vanaf 1985 heb ik jarenlang geheel onafhankelijk gereisd en vakantie gevierd. Dan boekte ik enkel het trein- of vliegticket en een hotelkamer voor de eerste dagen na aankomst. Ter plaatse regelde ik de rest met lokale vervoersmaatschappijen. Globaal stippelde ik voor vertrek een route uit. Maar als een plaats tegenviel, gebeurde het wel dat ik ’s morgens aankwam en ’s middags gelijk met de eerstvolgende bus verder ging.

Regelmatig gooide ik mijn reisschema ter plaatse helemaal om. Op zo’n moment begint het op de bonnefooi reizen echt. Na elke routewijziging moest ik in een vreemde plaats eerst op zoek gaan naar een hotel. Soms was het dan na aankomst al donker. Toch heb ik op vakantie nooit op straat hoeven slapen. Er zijn overal backpackers en hulpvaardige lokale mensen die je de weg willen wijzen. Bovendien werkten in veel landen ronselaars voor taxi’s en budgethotels op stations. Je leert snel genoeg hoe je moet zorgen dat je op een betrouwbaar adres terecht komt.

De ene keer pakt zoiets goed uit en ontdek je een paradijselijk oord, waar je na een maand nóg wil blijven. De andere keer bevalt het minder en zit je met vlooien op een hotelkamer.

Er is een wereld van verschil tussen deze manier van reizen en het ingesleten spoor volgen van Lonely Planet. Om maar te zwijgen van een reisvoorbereiding via internet. Naar mijn idee is de huidige overvloed aan informatie absoluut dodelijk voor de beleving van een waar reisavontuur.

Nee, dan die goeie ouwe tijd. Toen ‘echte’ reizigers nog op pad gingen met weinig meer dan een one way ticket en wat adressen op een kreukelig vodje papier … 😉

Stadsfoto’s als uitdaging

Liander kantoor Arnhem straatkunst fotografie 1

Op fotoblogs van liefhebbers staan hun favoriete onderwerpen. De een maakt vooral natuurfoto’s: flora, fauna, landschappen, water. De ander kiest juist voor mensen, industrieterreinen en steden. Ik zou best meer stadsfoto’s willen maken, maar de bebouwde kom vormt wel een uitdaging.

Neem nu Arnhem, een stad waar ik vlakbij woon. Daar rijden trolleybussen rond. Dat is echt wat bijzonders. Die bussen krijgen hun energie van stroomkabels boven hun rijbaan. Je kan er zo een fotoreportage over maken. Maar stel dat je iets anders wil vastleggen, dan loop je gelijk tegen die stroomkabels aan. Want stroomkabels bepalen het straatbeeld op doorgaande wegen in Arnhem.

Op bovenstaande foto zie je die kabels. En er zijn meer uitdagingen. Het metalen kunstwerk overbrugt hier de weg vanaf de stoep links naar de onzichtbare stoep rechts. Voor het mooiste zicht is een positie midden op de rijbaan ideaal. Alleen rijden daar auto’s. Die zijn trouwens ook irritant aanwezig wanneer je vanaf de stoep fotografeert.

Een andere uitdaging vormen mensen op straat. Hen wil je uit beeld houden als je foto’s op internet zet. Verder staan er in steden opvallend veel bomen, afvalbakken, bushokjes, verkeerspalen en zelfs hele gebouwen in de weg. Bijvoorbeeld, omdat je voldoende afstand voor een overzichtsfoto nodig hebt. Of omdat je foto’s uit een bepaalde hoek wil nemen.

Maar laat ik vooral de pluspunten benoemen. Want zeg nu zelf over het tafereel hieronder: die speciale mozaïektegels voor het Liander kantoor, die fraaie rasterstructuur van het gebouw, dat sierlijke trapje en dat elegante duinlandschapje in combinatie met de rondingen en krullen van dat metalen kunstwerk … Alles bij elkaar is het toch een heel bijzonder lijnenspel, nietwaar?

Liander kantoor Arnhem straatkunst fotografie 3

(En ja, deze foto’s zijn onscherp. Dat komt omdat …)

Het OV; vaak valt het toch mee

Het is warm en vroeg in de nacht wanneer ik ontwaak. Ik verheug me niet zo op de komende dag. Er staat een reis van oost naar west op het programma, plus een ritje noord – zuid. Normaal gesproken is dat best te doen voor wie van treinen houdt. Maar nu ligt het streekvervoer weer grotendeels plat.

Daarom moet ik eerst de gebruikelijke drie treinen nemen. Dan bij gebrek aan busvervoer in de bloedhitte een uur heen én een uur terug wandelen. Dit alles voor een bezoekje in mijn oude dorp. Daarna met drie andere treinen een omweg maken voor een house warming party twee dorpen verderop. (Normaal is dat een busritje van dertig minuten.) Om tot besluit met vier treinen terug te keren. Het is waardeloos.

Maar vlak voor aankomst krijg ik een briljant idee. In plaats van wandelen, kan ik een OV-fiets nemen! Even lijkt het mis te gaan. Voor een OV-fiets moet je je OV-pas speciaal activeren en dat heb ik niet gedaan. Maar de beheerder is een Hindoestaan en die doet niet moeilijk over regels. Met het pasje als borg krijg ik de fiets zo mee, gratis.

Zo komt het dat ik op een toeristen ros door mijn oude leefgebied fiets. Dat heb ik al lang niet meer gedaan. Daarom neem ik gelijk de recreatieve route. Een poldergebied waar stadsmensen, sporters en honden lekker in het groen rondbanjeren. Het is een onverwacht genoegen.

De volgende omweg met drie treinen blijft weinig aanlokkelijk. Maar ook dat valt uiteindelijk mee, want sommige bussen rijden wel. Bovendien zie ik op het feest iemand terug die ik lang heb gemist. Iemand met wie ik onder allerlei omstandigheden heb gereisd. Hij is veel gewend. Toch leg ik hem maar even uit waarom ik van die lompe wandelschoenen aan heb.