Stadsfoto’s als uitdaging

Liander kantoor Arnhem straatkunst fotografie 1

Op fotoblogs van liefhebbers staan hun favoriete onderwerpen. De een maakt vooral natuurfoto’s: flora, fauna, landschappen, water. De ander kiest juist voor mensen, industrieterreinen en steden. Ik zou best meer stadsfoto’s willen maken, maar de bebouwde kom vormt wel een uitdaging.

Neem nu Arnhem, een stad waar ik vlakbij woon. Daar rijden trolleybussen rond. Dat is echt wat bijzonders. Die bussen krijgen hun energie van stroomkabels boven hun rijbaan. Je kan er zo een fotoreportage over maken. Maar stel dat je iets anders wil vastleggen, dan loop je gelijk tegen die stroomkabels aan. Want stroomkabels bepalen het straatbeeld op doorgaande wegen in Arnhem.

Op bovenstaande foto zie je die kabels. En er zijn meer uitdagingen. Het metalen kunstwerk overbrugt hier de weg vanaf de stoep links naar de onzichtbare stoep rechts. Voor het mooiste zicht is een positie midden op de rijbaan ideaal. Alleen rijden daar auto’s. Die zijn trouwens ook irritant aanwezig wanneer je vanaf de stoep fotografeert.

Een andere uitdaging vormen mensen op straat. Hen wil je uit beeld houden als je foto’s op internet zet. Verder staan er in steden opvallend veel bomen, afvalbakken, bushokjes, verkeerspalen en zelfs hele gebouwen in de weg. Bijvoorbeeld, omdat je voldoende afstand voor een overzichtsfoto nodig hebt. Of omdat je foto’s uit een bepaalde hoek wil nemen.

Maar laat ik vooral de pluspunten benoemen. Want zeg nu zelf over het tafereel hieronder: die speciale mozaïektegels voor het Liander kantoor, die fraaie rasterstructuur van het gebouw, dat sierlijke trapje en dat elegante duinlandschapje in combinatie met de rondingen en krullen van dat metalen kunstwerk … Alles bij elkaar is het toch een heel bijzonder lijnenspel, nietwaar?

Liander kantoor Arnhem straatkunst fotografie 3

(En ja, deze foto’s zijn onscherp. Dat komt omdat …)

Het OV; vaak valt het toch mee

Het is warm en vroeg in de nacht wanneer ik ontwaak. Ik verheug me niet zo op de komende dag. Er staat een reis van oost naar west op het programma, plus een ritje noord – zuid. Normaal gesproken is dat best te doen voor wie van treinen houdt. Maar nu ligt het streekvervoer weer grotendeels plat.

Daarom moet ik eerst de gebruikelijke drie treinen nemen. Dan bij gebrek aan busvervoer in de bloedhitte een uur heen én een uur terug wandelen. Dit alles voor een bezoekje in mijn oude dorp. Daarna met drie andere treinen een omweg maken voor een house warming party twee dorpen verderop. (Normaal is dat een busritje van dertig minuten.) Om tot besluit met vier treinen terug te keren. Het is waardeloos.

Maar vlak voor aankomst krijg ik een briljant idee. In plaats van wandelen, kan ik een OV-fiets nemen! Even lijkt het mis te gaan. Voor een OV-fiets moet je je OV-pas speciaal activeren en dat heb ik niet gedaan. Maar de beheerder is een Hindoestaan en die doet niet moeilijk over regels. Met het pasje als borg krijg ik de fiets zo mee, gratis.

Zo komt het dat ik op een toeristen ros door mijn oude leefgebied fiets. Dat heb ik al lang niet meer gedaan. Daarom neem ik gelijk de recreatieve route. Een poldergebied waar stadsmensen, sporters en honden lekker in het groen rondbanjeren. Het is een onverwacht genoegen.

De volgende omweg met drie treinen blijft weinig aanlokkelijk. Maar ook dat valt uiteindelijk mee, want sommige bussen rijden wel. Bovendien zie ik op het feest iemand terug die ik lang heb gemist. Iemand met wie ik onder allerlei omstandigheden heb gereisd. Hij is veel gewend. Toch leg ik hem maar even uit waarom ik van die lompe wandelschoenen aan heb.

Naar Wageningen op stakingsdag

In onze regio staken de chauffeurs van het openbaar vervoer. Maar op een aantal lijnen rijden ze toch. Zoals busdienst 352 naar Wageningen, waar ik vandaag heen wil. Alleen zullen er minder bussen zijn. ‘We zien wel, denk ik, en wandel naar de halte. Het is een risico.

De bus is ruim op tijd en grotendeels leeg. De heenrit gaat voorspoedig. Na een wandeling met bekenden ben ik weer bij een halte aan de rand van Wageningen. Nu wordt het afwachten. Komt de bus naar Arnhem: ja of nee. Ik zou niet graag het hele eind naar huis willen lopen.

De halte staat naast een drukke weg en er wacht al een jonge metalhead. Onderuitgezakt luistert hij naar muziek op zijn telefoon. Na verloop van tijd wordt hij onrustig; hij moet op tijd in Arnhem zijn. Ook bezorgt deze locatie ons een dubbel gevoel. Want het verkeer raast continu langs ons heen, terwijl wij niet verder komen.

Geen bus te zien op de weg. Op het elektronische informatiebord passeert trouwens wel de ene na de andere bus. ‘Nog 8 minuten’, ‘nog 6 minuten’, ‘nog 3 minuten’, nog 2, ‘bus vertrekt’, weer: ‘nog 2 minuten’, ‘nog 1 minuut’. Vervolgens verschijnt – – en schuift de bus daaronder naar boven. ‘Nog 12 minuten’, enzovoort. Daar zitten we dan.

Ik wil niet als verstekeling in Wageningen achterblijven. Dus wat is wijsheid? Hier wachten of naar het busstation lopen? Daar vertrekt lijn 88 van een andere maatschappij naar het treinstation. Als die bus rijdt, tenminste. Maar o wee als ik naar het busstation wandel en bus 352 mij passeert. En stel dat de volgende pas over drie uur gaat? Hm.

Na een half uur vraag ik aan de metalhead hoe lang hij al wacht. Tien minuten langer. Opnieuw verspringt de aangekondigde tijd van – – naar ‘Nog 12 minuten’ . Het is genoeg geweest. Hij geeft het op en haalt zijn fiets van het slot. Terwijl ik het erop waag en naar het busstation loop. Hopend dat de bus niet uitgerekend nu langs zal komen.

Het wordt een soort honkbalspel. Verderop is namelijk nog een bushalte. Even overweeg ik om er te blijven, maar ik loop toch door. Het is een gok. Daarom hou ik mijn ogen gefixeerd op het tegemoetkomende verkeer. Want als daar iets rozigs bovenuit steekt, moet ik razendsnel terug naar dit honk.

Juist wanneer ik een druk kruispunt heb gepasseerd, doemt alsnog het langverwachte roze op. Nu ben ik al een eindje voorbij de halte. Ik sprint terug, ren links en rechts kijkend door rood, dwars over een grasperk heen, al omziend naar de bus en wapperend met mijn pas, zodat de chauffeur mij niet passeert, voordat ik die laatste halte weer bereik.

Meer sport dan stress; niet slecht op een stakingsdag van het openbaar vervoer.

Naar het ziekenhuis in Zevenaar

Kort na de verhuizing zoek ik uit wat het dichtstbijzijnde ziekenhuis is. Dat blijkt Rijnstate te zijn, aan de westelijke rand van Arnhem. Handig. Al moet ik wel twee bussen nemen om er te komen. Of een helse heuvel op fietsen, wat minder prettig is wanneer je je beroerd voelt. Hm. Eigenlijk was ik beter gewend. In Leiden stond het LUMC op loopafstand van mijn appartement en het Diaconessenhuis was nabij.

Dus toen ik onlangs een afspraak moest maken voor een onderzoekje bij Rijnstate, en de telefoniste zei: ‘Ja, dat kan over drie weken, dan is de eerstvolgende gelegenheid in Zevenaar.’, riep ik: ‘Zévenáár!?’ Het kwam eruit voordat ik het wist. Maar jemig, Zevenaar! Dat ligt wel 25 kilometer verder en bovendien in de Achterhoek. Daar kan ik slechts komen met een bus en dan een stoptrein en dan weer een bus en dan nog een stukje lopen. En om zeker te zijn dat ik geen aansluiting zou missen, moest ik ook nog een half uur eerder vertrekken. Nou, vooruit dan maar. Op naar Zevenaar.

Nu heb ik dan voor het eerst Zevenaar gezien. Het station, de bushalte, de route naar het ziekenhuis door oudere nieuwbouwwijken en vooral de wachtkamer van het ziekenhuis. Want ik moest bijna anderhalf uur wachten; de specialist liep drie kwartier uit. Daarna ging het weer busje in, terug naar het station, busje uit, waar de trein net wegreed. De zon scheen, dus toen heb ik het centrum maar verkend.

Het was al na vijven, het vroor en er waaide een Siberische wind. Misschien was het gewoon niet het beste moment. Want je zag er bijna geen mens op straat. Ik vroeg mij nog af: ‘Ben ik nou in het centrum of niet?’ Ik was de grootste kerk toch al dicht genaderd en meestal is het centrum daar. Maar hoe nader ik ook kwam, het bleef stil. Op een haastige fietser na. En op het zachte geluid na, dat uit luidsprekers kwam. Opgewekte deuntjes voor het ontbrekende winkelpubliek.

Het stemde mij droef. De winkeliers deden duidelijk hun best. En je moet stevig staan om in zo’n plaats stand te houden. Speel alleen nóóit zo’n muziekje af om de stilte te verdrijven. Want dat associeer ik onmiddellijk met de mislukking van een sfeerloze winkelstraat.

Toch, er is leven in Zevenaar. Gelokt door een monumentaal torentje in een achterafstraatje zag ik het filmhuis. Hier zaten mensen knus bij elkaar. En hier vind je achter hoge muren een heus oud landgoed in het groen. Van de familie Van Nispen tot Sevenaer. Het biedt nu onderdak aan nieuwe alternatieve bewoners. Een deel is al opgeknapt en een deel is nog ruïneus. Zoals je ook wel op het platteland van Frankrijk ziet. Laat ik nou precies dát het allermooiste vinden van wat je kan aantreffen in ons keurig aangeharkte land.

Veiligheid voor alles bij de NS

Als ik ‘s zondags met het openbaar vervoer naar mijn moeder ga, bedraagt de reistijd 2 x 2 ½ uur. Vaak blijf ik een uurtje of drie. Want ik neem met alle overstappen geen risico en wil op tijd terug zijn. Onderweg deelt de NS van alles mee.

In het boemeltje tussen Arnhem en Ede-Wageningen verschijnt de conducteur. Een meneer vraagt hem waarom de trein een paar minuten te laat is. ‘Vlak voor vertrek is iemand met een rollator van de trap gevallen. Alles zat onder het bloed. Daarom zijn we vertrokken met vertraging. Veiligheid voor alles. Helaas.’ Dat laatste zegt hij met een verontschuldigende glimlach.

Ik moet flink spurten om de aansluitende trein te halen. Trappetje af, tunneltje door, trappetje op. Hijg, hijg, puf, puf. Goed vasthouden aan de leuning. Want je zou in alle haast zo je nek breken op een traptrede.

Later, verveeld rondjes drentelend op Utrecht Centraal fotografeer ik de rustige stationshal. Mijn hartslag is ook weer normaal.

In de trein naar Leiden stapt de machinist vlak voor Woerden vol op de rem. Meteen daarna horen we zijn stem. ‘Er zit een storing in de beveiliging van dit baanvak.’ Veiligheid voor alles. Je zou er bijna door van je stoel vallen. Gelukkig was mijn koffie net op.

Dan valt mijn oog op het mededelingenscherm. Een bericht voor reizigers van Haarlem naar Beverwijk v.v. ‘In tegenstelling tot het reisadvies in de planner / rijden er bussen in plaats van treinen / Hengelo en Bentheim? / zonder de aangegeven overstap in Santpoort Noord. / Door beperkingen in de materieelinzet. U kunt gebruikmaken van de gewijzigde dienstregeling en/of bussen. / Daardoor bent u sneller op uw bestemming.’
Je zal toch maar laaggeletterd zijn.

Aan het begin van de avond stap ik weer over op Arnhem Centraal. Ik moet een beetje haasten en neem de roltrap. De geribbelde trede vlak voor mij is helemaal besmeurd met een grote donkerpaarse vlek. Verderop zitten nog wat spetters van een kleverige substantie. De kring is rond. We hebben het gehaald.

Breeduit zitten in volle trein

Je mag als man in Madrileense bussen tegenwoordig niet meer met je benen gespreid zitten. Dat komt door die vermaledijde feministen. Die zien daar natuurlijk machogedrag in. Hele studies gaan over het verschil tussen mannen en vrouwen in lichaamshouding. Mannen maken zich breed; vrouwen maken zich klein. Dat is het idee. Ik vraag het me af. Volgens mij hebben breeduit zittende mannen het gewoon warm.

Als voormalig forens tussen Leiden en Den Haag ben ik een ware ervaringsexpert. Niet alleen weet ik precies hoe je zo dicht mogelijk bij de deur kunt komen. (Zonder gedrang en nog voor de trein stil staat.) Ik schat ook binnen een milliseconde in naast wie ik wel of juist niet moet gaan zitten. Vooral wanneer het erg druk is en warm. Dan zorgt mijn expertise voor het verschil tussen een verpeste reis of een ontspannen tocht.

Mannen, bijvoorbeeld, voelen gewoonlijk erg warm aan. Hoe steviger en breder, hoe meer je klem zit op zo’n krap bankje. Dus hoe benauwder het wordt. Daar wil je vandaan blijven wanneer de coupé-temperatuur de 30 graden bereikt. Vooral in de zomer, dan ontbreken jassen als isolatiemateriaal. In de winter kan je zeker je voordeel doen met hun warmte, maar nu even niet. Bij voorkeur zit ik dezer dagen naast een slanke vrouw of niet al te grote man. Als hij zijn benen tenminste niet in de spreidstand houdt. Want ook die benen zijn warm.

Vrouwen kunnen trouwens ook erg warm aanvoelen. Het punt met stevige vrouwen is dat ze minstens evenveel ruimte innemen als brede mannen. Als vrouw zit je overigens wel liever naast een stevige allochtone man dan naast een stevige allochtone vrouw. Want die vrouw heeft zeker geen moeite met lichaamscontact met jou. Veel Nederlanders vinden dat vreemd. In Arabische en Mediterrane landen is dat normaal. En zij verdragen de extra warmte beter dan wij, meestal. Moslimmannen maken doorgaans netjes een beetje ruimte voor vrouwen. Dat moet van Allah.

In drukke coupés mijd je iedereen die afwijkend of verwaarloosd lijkt. Vaak is dat een man, maar soms is het een vrouw. Zo iemand kan jouw kant op zakken als hij in slaap valt, wild om zich heen gebaren of keihard gaan praten. Ook met jou. Een alcohollucht? Wegwezen. Worden ze niet lastig, dan is er toch misschien iets met hygiëne. Je zit tenslotte hutje mutje op elkaar. Van drugs worden mensen vaak rustig. Daar valt goed mee te leven in een warme trein. Kinderen en honden in een volle coupé zijn weer een ander verhaal.

Toch zit ook ik weleens klem naast een man die aan manspreading doet. (Zo heet dat als hij met zijn benen wijd zit.) Dan vraag ik of hij een beetje ruimte kan maken. Doet hij gewoonlijk wel. Al is het soms met een klagelijke zucht en denkt hij misschien: ‘stomme trut’. Daar zit ik niet mee, in een volle coupé.

Vrouwen daarentegen, die hardnekkig aan womenspreading blijven doen met hun pinnige ellenbogen en grote schoudertassen, die vormen pas echt een probleem. Als je daar vriendelijk aan vraagt of ze een beetje ruimte willen maken, weet je bijna zeker dat je de rest van de rit in oorlogssfeer zal doorbrengen. Heerlijk vind ik dat. Dan mag ik graag wat extra stangen.

Foto: Sir Edmund, de Volkskrant, 17 juni 2017.

Negen minuutjes verschil

Soms spreek je iets af en denk je achteraf: ‘Is dit wel zo handig?’ Je kan het dan wel veranderen, maar of dat de oplossing is … Neem de volgende situatie. Een goede bekende en ik willen met de auto naar Apeldoorn rijden. We spreken af om 9.45 uur op het Velperplein in Arnhem. Daarvandaan moeten we direct vertrekken, want de rit naar Apeldoorn duurt een half uur. Dan ontmoeten we de rest van de groep op tijd, voordat we met een taxibusje verder reizen. ‘Ik zal er staan.’, mail ik haar.

Alleen is de keuze qua bussen beperkt op zaterdagochtend. Ik kan een flink stuk lopen, dan de bus pakken en met één minuut overstaptijd een aansluitende lijn halen. Da’s behoorlijk krap. Of ik kan een rechtstreekse bus eerder nemen en dan een kwartier op het plein wachten. Van mijn deur tot de ontmoeting om 9.45 uur duurt dat wel een uur. Terwijl ik via een andere route dan al bijna in Apeldoorn kan zijn.

Tja, ik heb geschreven dat ik mee zal rijden. En om nu op de ochtend zelf iets anders te regelen, dat is ook zo wat. Maar als ik een bus later neem, ben ik om 9.54 uur op het Velperplein. Dat scheelt slechts negen minuutjes. Die optie levert een half uur extra tijd op voordat ik van huis moet gaan.

Daarom probeer ik mijn reisgenoot kort na 8.00 uur te bellen. Ze neemt niet op. Dan maar een sms’je sturen. De tijd verstrijkt en ondertussen blijft haar reactie uit. Het wordt zorgelijk. Misschien heeft zij niets in de gaten en loopt straks alles in de soep. De oorspronkelijk geplande bus kan ik al bijna niet meer halen.

Geweldig hoor, zo’n situatie. In plaats van dat ik een half uur langer ontspannen thuis rondhang, word ik er alleen maar onrustig van.