Nieuw asfalt op de N324 bij Schaijk

Vandaag precies 130 jaar geleden is mijn oma van vaderskant geboren. Daar wilde ik deze week even bij stilstaan. Maar hoe? Teruggaan naar haar geboortedorp? Een bezoek brengen aan haar begraafplaats? Naar het huis gaan waar ze het langst heeft gewoond? Of iets bijzonders doen? Ik besluit om eindelijk terug te keren naar Schaijk.

Schaijk is een dorp in Brabant waar zowel mijn oma als ik ooit per toeval zijn beland. Afzonderlijk van elkaar en met een tussenpose van zo’n 43 jaar. Zij bewaarde er mooie herinneringen aan. Ik ook. Lang verhaal.

Nu, nog eens 43 jaar later, ben ik terug. In het dorp staan nog gebouwen die mijn oma moet hebben gezien. Ook is er veel nieuwbouw. Hiervoor had ik mezelf al gewaarschuwd.

En dáár ligt de weg waar alles om draait. De weg die mijn opa 86 jaar geleden heeft bedekt met de eerste asfaltlaag. Het is ongelofelijk, maar de splinternieuwe laag is net klaar! Zelfs de tijdelijke gele werkborden staan er nog.

Toen opa en oma vijftig waren

Er is een foto van mijn grootouders waarop zij met een dochter en hun jongste zoontje poseren. Dat kleintje is mijn vader, dan een jaar of vier oud. Ze staan achter hun huis op het platje en kijken geamuseerd naar de fotograaf. Een volwassen buurjongen heeft het prentje genomen. Het is eind jaren dertig. Ze staan erbij alsof ze even snel naar buiten zijn gekomen. Opa heeft zijn stoffen werkjas aan. Hun kleren zijn netjes, maar sober. Alleen de trui van mijn tante heeft een speels kabelpatroon.

Toch is er iets bevreemdends. Het lijkt alsof opa en oma de zeventig al zijn gepasseerd, terwijl mijn vader nog een kleuter is. Hij kan hun kleinkind wel zijn. Logisch, want het is al geen jong paar meer. Op die foto zijn opa en oma bijna vijftig jaar oud. En dan daalt het in: dat is vijf jaar jonger dan ik nu ben. Wat een verschil, vooral qua uiterlijk. Want ik zie er zeker 25 jaar jonger uit dan zij toen.

Mijn grootouders en ik schelen 75 jaar en die tussenliggende periode maakt een wereld van verschil. Oma was vier jaar toen zij haar moeder verloor en opa kwam uit een gezin dat door ziekten was verarmd. Ze moesten allebei kort na hun twaalfde verjaardag fulltime aan de slag. En fulltime betekende zes dagen per week en zeker tien uur per dag. Sociale zekerheid ontbrak.

De Eerste Wereldoorlog kwam tussendoor. Nederland bleef neutraal, maar dit moet hun leven hebben beïnvloed. Tien jaar later begonnen de crisisjaren. Opa deed alles wat zijn handen konden: smeden, fietsen repareren, timmeren, en een stoomwals bedienen. Intussen kreeg oma het ene na het ander kind, tien maar liefst. Bovendien verhuisden ze jarenlang om de zoveel maanden, omdat ze opa’s werk in de wegenbouw achterna gingen. In die periode was een woonwagen hun huis.

Later gingen ze in het huis wonen waar de foto is genomen. Daar bleven ze het langst. Oma moest wel het hele huishouden met de hand doen, tot de was aan toe. En met zo veel kinderen ging het werk natuurlijk altijd door. Wanneer ik denk aan al hun verantwoordelijkheden, is het geen wonder dat mijn grootouders er al vroeg oud uitzagen.

Op vakantie voor de massa kwam

Als je nu een verre reis maakt, ben je gewoon een van de velen. Kijk maar rond op Schiphol. Overal drukte, lange rijen en gestreste mensen. In dat opzicht was het vroeger beter. In de jaren tachtig landde Qantas hier elke vrijdag. Het was naar Australië wel dertig uur vliegen, inclusief tussenstops. Maar op de luchthaven en in het vliegtuig werd je met alle egards behandeld. Ook als economy passagier. Het toerisme veranderde sterk in de afgelopen eeuw.

Mijn grootouders konden zich geen voorstelling maken van het huidige vliegverkeer. Voor zover ik weet, zagen drie van de vier nooit een ander land. Alleen mijn vaders’ vader fietste als bedevaart vanuit Leiden naar het Duitse Kevelaer. Misschien was dat wel de reis van zijn leven. Verder waren er logeerpartijtjes bij familie. Tot de Tweede Wereldoorlog hadden veel mensen sowieso amper vakantie.

In de jaren vijftig veranderde dat. Een paar ooms droomden van emigratie (maar hun eega’s wilden niet). Met de Nederlandse koopvaardij kwam je als jonge man toch ver. Mensen kregen geleidelijk meer geld. Ze maakten uitstapjes naar de kust en naar de bollenvelden. Of ze boekten een geheel verzorgde busreis. Ik heb een reisbrochure uit 1957 van Eurovisie reisbureau Beuk uit Noordwijk, in een envelop met een postzegel van 2 cent. Geadresseerd aan mijn opa, die het jaar daarop zeventig werd.

Een zesdaags reisje langs de Rijn koste ƒ 85,–. Voor zeven dagen Voralberg en Tirol was je ƒ 165,– kwijt. Wilde je eens een flinke uitspatting maken aan de Franse Rivièra, dan telde je liefst ƒ 346,– neer. Voor dertien dagen, inclusief de busreis heen en weer. Op de zevende dag was er gelegenheid voor kerkbezoek en een wandeling.

Het geheel wordt zeer aanlokkelijk beschreven. ‘In dit reisprogramma zult u beslist een reis naar uw keuze vinden en u zult dus ook zeker een keus naar uw hart kunnen doen. Wij brengen u immers naar en door de Oostenrijkse bergenweelde, Zwitserlands Alpenpracht, Italië’s kleur en fleur, het Zwarte Woud, de Rijnlandse stemming, bekoorlijk Luxemburg, levendig Parijs, de betoverende Rivièra, de Spaanse Costa Brava en zo meer.’ Voor Lourdes, Fatima en Rome had de firma Beuk een speciaal reisaanbod. Volgens de foto’s waren de bestemmingen lieflijke plaatsjes. Moet je nu eens kijken in Lloret de Mar.

Ik troost me met de gedachte dat ik al vroeg naar Australië op vakantie ging. In de jaren tachtig was dat nog redelijk exclusief. Er hing een pittig prijskaartje aan het ticket: ƒ 3.000. Voor mij als beginnend boekhoudstertje was dat drie maanden salaris. In het vliegtuig zaten zakenlui en veel andere passagiers bezochten verwanten. Die hadden ze vaak in geen dertig jaar gezien.

In die mooie jaren kreeg je bij Qantas aan boord een heus gedrukt menu. Neem de etappe Singapore – Melbourne (7 hours) op de route Amsterdam – Sydney:

Dinner. Asparagus Vinagrette. Filet of Beef Provencale. Mille Feuille. Cheese. Coffee or Tea. Continental Breakfast. Tropical Fruit Cocktail. Hot Croissants. Coffee or Tea.’

Ah, vroeger was reizen zoveel beter dan nu.

Een teken van opa

Ineens moet het dan eindelijk maar gebeuren. Mijn voorouders krijgen hun eigen website. Ik beschik namelijk over een onvoorstelbare hoeveelheid gegevens. Het grootste deel verscheen al in eerdere publicaties. Maar die liggen vast in donkere archiefkasten stof te vergaren. Bovendien heb ik het onderzoek naar twee familietakken gestaakt. Wanneer er niets met de ordners vol aantekeningen gebeurt, dan zullen die voorouders weer in vergetelheid raken.

Eerst wandel ik een rondje om een passende naam voor de website te bedenken. Prompt passeer ik onderweg een bordje met de naam van een verre verwant. Dat brengt mij op een idee. Eenmaal terug, plaats ik een voorlopige tekst bij de familienaam waarmee het allemaal begon. En vermeld de geboortedatum van een opa, die ik nauwelijks heb gekend. Wat blijkt? Als hij nog had geleefd, dan zou hij zijn verjaardag vieren op dat moment!

Het is duidelijk, ik ben aan iets begonnen waar hij volledig mee instemt.

Het huis van oma B.

Het huis van oma B.
Lange Mare, begin jaren 50

De oude binnenstad herbergt nog veel panden waarin mijn voorouders ooit woonden. Eén daarvan was van oma B. Het markante gebouw heeft een opvallende Art Nouveau gevel. Alleen dat is al bijzonder, maar heb ik er vooral een gevoelsmatige band mee. Oma overleed jaren geleden. In mijn beleving maakt zo’n detail echter weinig uit. Het blijft voor altijd het huis van oma.

Wil je verder lezen? Ga er dan maar eens rustig voor zitten.

Overgrootvader

Mijn overgrootvader laat het begin vorige eeuw bouwen. Hij is een Leidse meubelmaker en –handelaar. In 1912 wordt het opgeleverd en sindsdien prijkt dat jaartal op de gevel. Die gevel is een echte eyecatcher. Meerdere auteurs van architectuurgidsen reppen erover: ‘Hij liet het pand in een late en strakke variant van de Jugendstil optrekken.’ ‘De gevel bestaat uit gebroken-witte geglazuurde stenen afgewisseld door blauwe, turkooizen en roodbruine horizontale banden.’ Dat geglazuurde steen is in ons calvinistische landje vrij zeldzaam.

Overgrootvader verkoopt beneden in de winkel biljarttafels die hij zelf maakt. Boven woont hij met zijn vrouw en dochters. Het gezin verblijft er echter maar kort. Want hoe imponerend de gevel ook mag zijn, het pand is zo diep als het breed is, en dus tamelijk klein. Verdeeld over vier lagen beslaat het slechts 84 vierkante meter. Dat betekent constant trappen lopen en daar heeft overgrootmoeder geen zin in. Nadat zij eruit trekken, wordt het bewoond ‘door de huurders H. Zwart, sergeant-kok bij de Kweekschool voor Zeevaart en twee ongetrouwde zusters, de dames Rietbergen.’

In totaal hebben vier generaties nakomelingen van overgrootvader er gewoond. Rond 1919 gaan mijn pasgetrouwde opa en oma er wonen en zij krijgen vijf kinderen. Mijn moeder is de jongste. Wanneer zij trouwt, is haar vader al overleden en haar broers zijn de deur uit. Er heerst woningnood, maar oma heeft ruimte genoeg. Daarom trekt mijn vader bij zijn vrouw en schoonmoeder in. Mijn zus wordt geboren en zet er haar eerste stapjes. Pas vlak voor mijn komst verhuist het gezin naar een eigen woning. (De vijfde generatie volgt nog.)

Het huis van oma B.

Het langst van iedereen verblijft mijn oma ‘op de Mare’. In haar tijd zaten de muren vol inbouwkasten en waren de kamers klein. Om de huiskamer te bereiken, liep je door de winkel via een steile trap naar boven. Dan passeerde je mijn opa op een foto aan de wand. Vol ornaat in historisch kostuum zat hij op een paard, klaar voor de 3-oktoberoptocht. Hij liet ook praalwagens meerijden met figuranten, om zo reclame te maken voor zijn zaak.

De woonkamer op de eerste etage heeft een erker en een mooie zwarte schouw. In die ruimte pasten de eettafel met stoelen, een kastje en een paar fauteuils. Overgrootvader maakte als huwelijksgeschenk een compleet ameublement voor elke dochter. Toen oma ouder werd, sliep ze in een opklapbaar bed in de huiskamer. Dan hoefde ze niet verder naar boven te lopen.

In het keukentje naast de woonkamer had oma een theemeubel met mooie kopjes. Een verzameling aardewerk stond op een plank boven het aanrecht uitgestald. Daartegenover waren houten keukenkasten met vitrinedeurtjes. De prachtige Jugendstil-potten ‘Thee’, ‘Suiker’ en ‘Vermicelli’ pronken nu bij mij. Er hing een keramieken koffiemolen aan de muur met glazen opvangbakje. Ah, de geur en het geluid van koffiebonen die worden vermalen …

Daarnaast was het binnenplaatsje met hoge muren en hier bevond zich het toilet. Het was er ’s winters wel steenkoud en er kwam geen zon. Oma bewaarde haar eten gewoon buiten op het plaatsje. Een koelkast was daar niet nodig. De kinderen werden geboend in de teil of ze bezochten het badhuis in een straat verderop.

Voor de woonkamer is een piepklein portaaltje en daar gaat de trap verder omhoog. Boven bevond zich een slaapkamer en een tweede toilet. Aan de straatkant prijkt een piepklein balkonnetje boven de erker. Mijn ooms sliepen nog een etage hoger op zolder. Hier hing oma de was te drogen.

Mijn overgrootouders stierven op hoge leeftijd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij lieten meerdere monumentale panden na aan vier erfgenamen. Bij de boedelverdeling kreeg oma haar eigen woning en twee nabijgelegen pakhuizen in handen.

Het huis in mijn jeugd

Als oma al weduwe is, verhuurt ze de bovenkamer aan studenten of verpleegsters. Zo verdient ze wat, AOW of weduwenpensioen bestaat nog niet. Tot vadertje Drees ingrijpt brengen haar jongvolwassen kinderen ook geld in. In mijn geheugen hoor ik die huursters nog langs haar woonkamer de trap op gaan.

Op een gegeven moment draagt oma het eigendom van haar onroerend goed over aan mijn oom. Het moet nodig worden opgeknapt. Zij blijft in haar vertrouwde huis wonen en hij zorgt voor het onderhoud. De begane grond blijft dienen als winkel en wordt aan opeen- volgende mensen verhuurd. Ik kan mij een kousenzaak en kappers herinneren. Volgens het archief zaten er ook een stomerij (van mijn opa) en een juwelier.

Zo’n twintig jaar lang kom ik vrijwel wekelijks bij oma op bezoek. Gezeten op een stoel bij het raam in de erker kan je er heerlijk naar buiten kijken. Want het huis staat aan een gedempte gracht waar dagelijks een stoet mensen passeert. Die bezoekjes houden abrupt op als oma een brief post en ongelukkig valt. Ze breekt haar heup en kan onmogelijk nog de trap op komen. Haar laatste jaren slijt ze in een verzorgingshuis. Ik geloof dat ze nooit meer een voet in haar oude woning heeft gezet.

Na haar vertrek moderniseert mijn oom het pand grondig. Er komt eindelijk een echte badkamer. De keuken met los fornuis, houten kastjes en granieten aanrecht verdwijnt. Het binnenplaatsje krijgt een dak voor een groter woonoppervlak. Dat gebeurt in de jaren tachtig. De twee kinderen van mijn oom wonen er achtereenvolgens allebei enkele jaren. Wanneer zijn dochter een tweeling krijgt, verwelkomt het huis de vijfde generatie.

Het onvoorstelbare

Dat het pand ooit in handen van vreemden kan komen, is voor mij ondenkbaar. Ik vertelde eens tegen een collega dat het leeg stond nadat mijn nichtje was vertrokken. Zij vroeg terloops of mijn oom het ging verkopen. Ik stikte prompt bijna in een slok koffie. ‘Over mijn lijk’, bracht ik uit toen ik weer een teug lucht binnenkreeg. Bovendien wilde ik als twintiger zelf graag in de binnenstad wonen.

Maar buiten mijn medeweten om verkoopt mijn oom het aan iemand die niet van mijn overgrootouders afstamt. Een man van buiten de stad koopt het pand voor zijn kind dat hier komt studeren. Dat was twintig jaar geleden. Ik heb er nog steeds moeite mee.

Dit huis is bijna 85 jaar lang van onze familie geweest. Het is zo’n karakteristiek pand dat in bouwstijl en versiering de smaak van mijn overgrootouders uitstraalt. Na uitgebreid genealogisch onderzoek wordt het besef van verlies alleen maar sterker. Want oma’s huis is het allerlaatste in een lange reeks panden die mijn voorouders door de eeuwen heen bezaten. Ik passeer haar huis nog bijna dagelijks. Het staat op de route naar de binnenstad en naar mijn werk. Dan groet ik het even in het voorbijgaan.

Een bevreemdende ervaring

Vorige week ontdekte ik dat het wederom leegstaat. Binnen hangen nog slechts de gordijnen en kroonluchters. En jawel. Kort daarna verschijnt een ‘Te Koop’-bord en nu staat oma’s huis op Funda. Ik ben als een speer naar huis gereden en heb ik het direct opgezocht.

Met 'Te Koop'-bord, december 2014
Met ‘Te Koop’-bord, december 2014

Dat wordt een enigszins bevreemdende ervaring. Verschillende elementen zijn nog goed herkenbaar. De gevel uiteraard, de erker, de schouw en het trappenhuis met houten leuning. Verder is alles veranderd. Muren zijn weggebroken om ruimten samen te trekken, en zo verdwenen de inbouwkasten. Er zit een andere keuken in dan mijn nichtje had. De indeling en bekleding zijn wel praktischer en veel mooier dan voorheen. De muren zijn gewit en de vloer is met laminaat bedekt. Van binnenuit gezien komen de gekleurde ramen nu veel beter tot hun recht. Ik vermoed dat mijn oma de kroonluchters met tinkelend glas prachtig zou hebben gevonden.

Toch, terwijl ik de foto’s bekijk, is het voor heel even niet langer mijn oma’s huis. …
Maar dat moment gaat snel voorbij. Stel je toch voor zeg!

Ontwikkelingen in stroomversnelling

Even denk ik serieus aan fundraising om het huis als erfstuk terug te winnen. Mijn moeder weet dat de eigenaar aan mijn oom heeft gevraagd of hij het wil terugkopen. Mijn zus zou er zo wel weer willen wonen, nu het fraai is opgeknapt. Dat bedoelt ze figuurlijk, vermoed ik, want de steile trappen waren knap hinderlijk. Desondanks is en blijft het huis voor mij onbetaalbaar, letterlijk en figuurlijk.

Maar ik krijg zelfs niet de tijd om deze tekst rustig te voltooien. Want Funda meldt dat het al binnen vier dagen is verkocht!

Voordat alle informatie verdwijnt, bel ik gauw de makelaar en vraag om brochures. Tenslotte ben ik een achterkleinkind van de eerste eigenaar. Voor hem is dat een interessant detail. Hij blijkt zich te specialiseren in historische panden en had het huis zelf wel willen houden. Direct na het telefoontje stuurt hij mij de foto’s toe. En ik zoek voor hem foto’s van vroeger op, voor zijn dossier.

Wie de nieuwe eigenaar is, weet ik nog niet. Wel betreft het opnieuw een vader die oma’s huis voor zijn studerende kind koopt. En is dat eigenlijk niet de rode draad in dit verhaal? Steeds is er een vader die zijn dochter of zoon aan een goed onderkomen helpt.

En dan …

Je zou denken dat ik nu wel klaar ben met dit relaas. Maar er is werkelijk iets bijzonders gaande. Wanneer ik de website van de makelaar bezoek, val ik bijna van mijn stoel van verbazing. Ongelofelijk, maar echt waar: hij blijkt zelfs twéé panden van mijn overgroot- vader in verkoop te hebben! Wat een wonderlijke samenloop van omstandigheden! Vermoedelijk beseft hij het zelf niet eens.

O ja, klein detail: de vraagprijs van dat tweede pand bedraagt € 829.000.
En dan te bedenken dat overgrootvader meer van dergelijke panden bezat …

De makelaar heeft nog even de sleutel van oma’s huis ter beschikking. Hij heeft ons, de familie, uitgenodigd om binnenkort een kijkje te komen nemen.

Bronnen over het huis van oma

  • Architectuur & monumentengids Leiden, onder redactie van J. Dröge, E. de Regt en P. Vlaardingerbroek, Primavera Pers Leiden, 1996, ISBN 90-74310-11-7.
  • Krullen, lijnen en zweepslagen. Jugendstil in Leiden, P.A.F. Kotterman, Leids Verleden 3 – Dienst Bouwen en Wonen, Gemeente Leiden.
  • Een bouwtechnische beschrijving staat op Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

De vader, de zoon en het ezeltje

Ik bezoek mijn ouders en vertel over mijn ervaringen met dit weblog. Er gaat een lampje branden bij mijn moeder. Zij herinnert zich het beeldverhaal dat haar vader in een lijstje had opgehangen. Mijn opa was handelsreiziger van beroep. Het verhaal gaat ongeveer zo.

Een vader op een ezeltje en zijn zoon daarnaast lopen op een weg. ‘Hé’ roept een man, ‘zou je die jongen niet op dat ezeltje laten zitten? Nu moet hij de hele tijd lopen.’

De vader stapt af en laat zijn zoon op het ezeltje zitten. Gedrieën gaan ze verder over de weg. ‘Goh’ vraagt een vrouw aan de zoon, ‘waarom moet die oude man lopen, terwijl zo’n jonge vent als jij op dat ezeltje zit? Schaam je!’

De zoon stapt af en loopt naast zijn vader met het ezeltje aan een teugel verder over de weg. ‘Dierenbeulen!’ schreeuwt een kind. ‘Laat dat arme ezeltje niet zo achter jullie aan sjokken.’

De zoon en de vader kijken elkaar aan en zuchten eens diep. Dan pakken ze het ezeltje bij kop en kont op, en lopen met het ezeltje op hun rug verder. ‘Zijn jullie helemaal gek geworden!’ roept een ouwe zot. ‘Je gaat toch geen ezel dragen? Stelletje sukkels!’

Zo, dan ga ik nu gebak halen, want dit is het honderdste bericht! Dat schiet op sinds november 2013. Met dank aan de gebruiksvriendelijkheid van WordPress. En natuurlijk aan mijn trouwe volgers. Hoe kunnen jullie al dat geblaat zo lang verdragen?

Speciaal voor alle volgers de tip van de dag. Soms pas ik direct na publicatie een bericht nog aan. Zoals gisteren met het naschrift. Wil je alleen de bijgewerkte versie ontvangen, klik dan onderaan de e-mail op ‘Beheer abonnementen’. Stel de ‘delivery frequency’ in op per dag of gebundeld per week.

Opa was stoomwalsmachinist

Mijn opa, oma en hun kinderen zwierven tussen 1928 en 1934 door Nederland. Zij leefden in die jaren in een woonwagen. Opa werkte namelijk op een stoomwals aan de asfaltering van wegen tot 1948. Zijn laatste klus was in Hoorn. De machine was een Aveling & Porter met een steigerend paard in het embleem. Met het negende kind in aantocht, betrokken ze een huis. Want het gezin paste niet meer in de wagen. Het waren andere tijden.

Opa ging werken bij een smederij toen hij twaalf was. Daarna volgden de wals, boten, trams, een rijwielstalling en treinonderhoud. Zelf reed hij op een fiets, maar hij kon ook motorrijden. Hij stierf toen ik zes was. Met elke generatie ging het beter. Mijn vader begon toen hij veertien was en kon veertig jaar later stoppen. Ik kreeg als zeventienjarige mijn eerste vaste baan. Op mijn veertigste belandde ik alsnog in de collegebankjes van de universiteit.

Als ze de woonwagen naar een standplaats verreden, werd alles aan elkaar vastgeketend. Voorop ging de stoomwals en die trok de woonwagen. Daaraan werd de watertank op wielen vastgemaakt en die sleepte nog een ploeg mee. Het was een hele keten. Als ze een dorp binnenreden, trokken ze direct bekijks. Dan ontstond er een sfeer van ‘moeder, haal gauw de was binnen’, volgens mijn tante. ‘Alsof zij kermisvolk waren.’ Vaak hadden de mensen wel gehoord dat er wegwerkzaamheden zouden plaatsvinden. Zodra de lokale bevolking zag dat het goed volk was, was er niets meer aan de hand.

Oma was niet altijd blij om steeds te verhuizen. Soms kwamen ze pas ’s avonds aan en moesten ze nog alles opzetten en installeren. In elk geval hoefden ze geen huur te betalen of kolen te kopen. Oma kookte op de briketten die voor de wals werden gebruikt, op het fornuis in de woonwagen. Dat was tegelijk de enige bron van warmte daarbinnen.

Behalve mijn opa, die een vast dienstverband had, kwamen de meewerkende losse arbeiders uit de dorpen zelf. Zeker in de crisisjaren dertig stonden er al gauw mannen bij de weg. Die vroegen dan: ‘Machinist, kunnen we hier werk krijgen?’ De mensen waren blij met elk klusje.

Mijn oudste tante heeft vanaf haar kleutertijd op maar liefst 23 scholen gezeten. Vanwege de schoolgaande kinderen probeerde opa vanaf de woonwagen op de fiets naar het werk te gaan. Maar het liefst stond hij dicht bij de plaats van werkzaamheden. Hij moest altijd heel vroeg opstaan om de wals op te stoken. Want er moest stoom zijn zodra het werk begon. Opa werkte vanaf vijf uur ’s morgens de hele dag en ’s avonds moest de wals afkoelen. Maar niet te veel, want anders duurde het opwarmen de volgende dag weer te lang. Hij kreeg ƒ 2,50 extra loon voor het onderhoud aan de wals op zaterdag. Deze week vroeg ik nog aan mijn vader hoe die mensen dat toch volhielden. Volgens hem hadden ze toen nog geen last van stress.

Opa en oma waren wel in voor een geintje. Als ze een ergens aankwamen, maakten ze de wagen eerst stabiel met houtblokken. Anders liep de klok niet. Dan volgde er een houten trapje bij de deur. Op een gegeven moment klom het ene na het andere kind de wagen in. Er kwam net een boertje aanlopen. Bij het laatste kind vroeg opa: ‘Zijn ze nu alle 22 binnen?’ ‘Ja hoor’, kwam dan het antwoord vanuit de wagen. Het boertje zag alles met grote verbazing aan. Later kwam hij weer terug om te vragen of er echt 22 mensen in die woonwagen pasten. De ‘alle-22-act’ hebben ze in diverse plaatsen opgevoerd.

Mijn opa heeft de weg van ’s-Hertogenbosch tot Grave ‘gedraaid’, geasfalteerd. Evenals de Rijksstraatweg bij Wassenaar en de weg langs paleis Soestdijk naar Amersfoort. Het gezin verbleef met de woonwagen onder andere in Schaijk, Deurne, Helenaveen in De Peel, de Zeilberg, Bergeijk, Sint Oedenrode, Oss, Uden, Udenhout, Heesch, Schijndel, Berkel-Enschot, Valkenswaard, Vorden, Soesterberg en Baarn. In het boekje ‘Stoomwalsen’ van R. Gebhard staan walsen uit die tijd. Het bevat foto’s en informatie over het leven van machinisten en hun in woonwagens rondtrekkende gezinnen tot circa 1960.

Eind jaren zeventig was mijn oma bijna negentig. Ik vroeg haar wat de mooiste periode in haar leven was geweest. Oorspronkelijk kwam zij als enige van mijn grootouders uit een dorpje. Ze had de periode waarin ze met de woonwagen rondtrokken ervaren als een wereldreis. Tien jaar later overleed zij, terwijl ik zelf op wereldreis was. Ik vernam het nieuws een week na de begrafenis. Toen ik op een motor door Australië trok, waar ze ook road trains met drie aanhangers hebben.

PS: Ik heb 2.000 pagina’s over mijn voorouders gepubliceerd en er liggen zo’n 500 pagina’s onvoltooid onderzoek te wachten. Er volgen dus nog enkele verhaaltjes de komende tijd. 😉