Drukwerk

Vrijdag viel het 3-jaarlijkse tijdschrift van de plaatselijke heemkundekring op de mat. Daar staat mijn artikel in over de geschiedenis van onze straat. Na de expositie vorig jaar, had een redactielid mij gevraagd of ik een artikel wilde schrijven voor hun blad.

Het is mijn eerste echte officiële publicatie in de vorm van drukwerk. Althans, gerekend buiten de zes onderzoeksverslagen over mijn familiegeschiedenis in eigen beheer. En gerekend buiten het tijdschrift dat ik met korte stukjes en artikelen vulde voor een ministerie. Dat laatste onderging echter een uitvoerige redactieronde. De eindversie was gevoelsmatig mijn tijdschrift niet meer.

Het is best apart, zo’n publicatie in een tijdschrift waarvan je zelf geen abonnee bent, over een straat waarvan je de geschiedenis pas relatief kort kent, in een dorp waar je import bent. Mijn naam staat onder het artikel, alleen weet bijna niemand wie ik ben. In de buurt weet men wel hoe ik er uit zie, maar de meeste mensen kennen mijn naam niet.

Eind augustus stond er een vooraankondiging over het artikel in onze straatnieuwsbrief. Ik vermoed dat meerdere buren belangstelling hebben. Toch is de aankondiging weer snel in vergetelheid geraakt; want nog niemand heeft erover gerept.

Nu ligt het tijdschrift met mijn artikel dus thuis, en bij allerlei onbekenden om mij heen in huis. Ik stel mij voor dat het tussen de kranten is beland, of rondslingert in een stapel papier op een bureau. Waarschijnlijk is het eveneens verkrijgbaar in de plaatselijke boekhandel. Ik heb geen idee wat men er van vindt. Van de redactie kreeg ik geen inhoudelijke vragen, opmerkingen of feedback. ‘Het zal dan wel goed zijn’, dacht ik.

Een artikel in een gedrukt tijdschrift publiceren, is een afstandelijk gebeuren. Als auteur mis ik nu de mogelijkheid voor lezers om te liken en te reageren.

Verkruimelde herinneringen

Bitrot, zo heet het proces van teloorgang van gegevens op compact disks, dvd’s, blu-rays en usb-sticks. ‘Wie niet bezig is zijn fysieke archief op orde te houden, raakt dingen kwijt.’, schrijft Cesar Majorana in de VPRO Gids, na de vondst van een oude verhuisdoos met zijn verzameling verkruimelende cd’s.

Wat we ook doen, al onze gegevensdragers zijn aan verval onderhevig. Eeuwenoud papier verbrokkelt en is aan inktvraat onderhevig. Het kan verbranden of in het water vallen, waardoor de tekst onleesbaar wordt. Mondelinge overdracht is al even krakkemikkig, want wie onthoudt een verhaal exact zoals het is verteld?

Het document met verzamelde vondsten over de loopgraven staat op mijn laptop, maar sla ik eveneens op meerdere usb-sticks op. Het omvat 400 pagina’s samengebrachte informatie en is het resultaat van ruim een jaar werk. Een van die usb-sticks bewaar ik zelfs buitenshuis. Stel dat de hele boel hier in elkaar stort, dan heb ik tenminste dat onderzoekbestand nog.

Ik geniet van de tastbare originele archiefstukken. Zo lang die niet zijn gedigitaliseerd, zijn ze nog opvraagbaar in zo’n heerlijk ouderwetse studiezaal. Waar je stil moet zijn, om andere onderzoekers niet te storen. Waar de archiefstukken in een hard-papieren folder zitten, met een geweven touwtje omwikkeld. Wanneer een medewerker het door jou opgevraagde materiaal brengt, het is alsof je een cadeautje krijgt. Eerst moet je de strik los trekken, waarna het papier zich ontvouwt en het grote ontdekken kan beginnen. De geur van dat papier alleen al …

Nee, usb-sticks zijn ook niet alles. Soms vraag ik mij af hoe erg het eigenlijk is, wanneer onze foto’s en documenten verloren zouden gaan. Al wat interessant, leerzaam of van belang is, is reeds door onze voorgangers vastgelegd of gedaan. Wie zijn wij, huidige stervelingen, op wetenschappers na, dat we ons verbeelden nog iets werkelijk nieuws te kunnen brengen?

(Op de foto sporen van hoogwater langs de Maas op de afrastering van een weiland bij kasteel Geijsteren, twee maanden later.)

De vuilnisman die bloemen rondstrooide

Vreemd genoeg heeft archiefonderzoek een stoffig en saai imago. Zodra ik vertel dat ik met ‘loopgraven’ bezig ben, krijgt menigeen een glazige blik in de ogen. Weinig mensen beseffen wat een rijkdom er schuilt in stapels papier en archiefmateriaal.

Maar eenieder die ooit serieus historisch onderzoek heeft verricht, weet wel beter. Tussen de voor mij relevante passages stuit ik op prachtige verhalen, komische anekdotes en doldwaze situaties. En dat terwijl het toch een dramatische oorlogsgeschiedenis betreft.

Want na geruchten over de geallieerde luchtlandingen, is dit hoe het verhaal over de Slag om Arnhem aldaar en in Oosterbeek begint:

Echt, in archieven wachten nog tientallen kant-en-klare filmscripts op ontdekking.

Het andere pad, over de rivier

Na een afspraak in het Belmonte Arboretum wil ik het centrum van Wageningen bezoeken. Maar in plaats van naar rechts te gaan, besluit ik eens een onbekend pad in te slaan. De weg leidt naar de aanlegplaats van het Lexkesveer.

Zo beland ik ineens aan de overkant. Voor mij een lange brug over een ruimte voor de rivier. Achter mij het pont, dat rechtsomkeert.

Iedereen is weg. De plek is verlaten. Even voelt het alsof ik op een vakantiebestemming ben beland, zonder precies te weten wat ik ervan kan verwachten.

In de buurt ligt Randwijk, een klein plaatsje in de Betuwe. Op de dijk wordt de nieuwe oogst aangekondigd: ‘Kersen te koop. Na 150 meter rechts.’ Je kan het niet missen. Ik neem een pondje.

Daarna volgt een wandeling over de dijk richting Heteren met een pauze bij de weg naar het Renkumse Veer. Het is goed kersen eten hier.

Het langzame schrijfproces

Je zou verwachten dat een blogger beschikt over een vlotte pen. Een blogger schrijft tenslotte regelmatig en oefening baart kunst. Het schrijven zou mij dus makkelijk moeten afgaan. Toch vordert het verhaal over het onderzoek maar langzaam. Een enkele keer betrap ik mezelf op de gedachte dat ik ‘weer aan de slag moet’ en dan onderdruk ik ternauwernood een zucht.

Een concept uitdenken, onderzoek verrichten en zo geleidelijk aan alle kanten van een verhaal ontdekken. Daar passend beeldmateriaal bij vinden en daarna over het geheel de eindredactie voeren. Dat vind ik leuk om te doen. Het schrijfproces verbindt alles met elkaar.

Ik focus op grote lijnen en op kleine details. Vooral die details kosten zeeën van tijd. Maar details worden onderschat. Het spoor van een raadselachtig detail volgen, is het equivalent van een avontuurlijke reis maken. Mensen van de grote lijnen beseffen dat niet. Menig onooglijk detail heeft mij al naar een belangrijke geschiedenis toegeleid.

Stel dat er voor dit monnikenwerk een softwareprogramma bestond. Een programma dat je met je gedachten kan aansturen, zodat het alle losse stukjes informatie tot een prettig leesbare tekst omvormt. Zou dat voldoening geven? Ik betwijfel of het resultaat beter zou zijn, want dankzij het schrijfproces komen nu ook de lacunes in mijn kennis tevoorschijn.

Soms kan ik niet wachten tot het moment daar is om het eindresultaat te tonen. Op andere momenten lijkt het mij spijtig als het eenmaal zo ver is. Want dan is het klaar.

Misschien zegt mijn ongeduld iets over de huidige tijd, waarin we zo gewend zijn geraakt aan snel resultaat. Het ging toch juist om ‘de weg ernaartoe’, en minder om het bereiken van een doel?

Te gênant voor woorden

Tot vandaag kon ik met een wijde bocht om zijn ideologie heen draaien. Ik hoefde niet eens zijn naam te noemen. Toch dacht ik bij elke zoekopdracht op internet: Wat zal Google hiervan vinden? Hoe lang kan ik hiermee doorgaan voordat een algoritme mij op een zwarte lijst zet? Want Google weet vast wel wie ik ben. En wie zullen die lijst dan onder ogen krijgen?

Dit gaat een totaal verkeerde indruk wekken. Dit zal mij in een dubieus licht plaatsen. Terwijl ik niets met die andere foute figuren te maken wil hebben.

Ik heb overwogen om via DuckDuckGo ondergronds te gaan, omdat ik voor het onderzoek een boek moet raadplegen waarvan de titel zeer gênant is. Kijk je naar de gravatars en schuilnamen van de mensen die het aanbevelen, dan denk je: Getver! In dit gezelschap wil ik nog niet dood worden gevonden. Maar het is te belangrijk.

Via een omweg heb ik gekeken of het ergens onopvallend te koop is. Want bij bestelling via internet zal ik toch een naam en adres moeten vermelden. En via de betaling achterhaalt men zo wie het heeft aangeschaft. Ik zou nog kunnen vragen of iemand anders het voor mij wil bestellen. Maar wie? Die ander weet dan ook meteen wiens naam er in koeienletters op de kaft prijkt.

Nu heb ik het besteld en straks moet ik de gifbeker leegdrinken, zodra het boek in de bieb klaar ligt. Betrof het maar een geslachtsziekte of zo. Dan zou ik mij misschien minder generen. Echt, hierna mag ik nooit meer een expositie in de plaatselijke bibliotheek organiseren.

Zucht. Maar ik móet weten of iemand anders over hetzelfde traject heeft geschreven.
De titel? Hitler’s Fortresses.

Mijn lens in vier delen

Gisteren is mijn ooglens vervangen door een intra-oculair exemplaar. Kortom, ik ben geopereerd aan staar. Nu draag ik voor de rest van mijn leven een lichaamsvreemd stukje plastic mee. Er hoort zelfs een paspoortje bij: een ‘Patient Lens Implant Identification Card’. Dus als ze weer vragen of ik een prothese heb, dan zeg ik voortaan ‘ja’. Zouden kronen op kiezen ook tot de gebitsprotheses worden gerekend?

De lijst met dingen die ik moet noemen wordt langer met het jaar. Heeft u allergieën? Jazeker. Voor een bepaald soort penicilline, maar welke weet ik niet. Het werd veertig jaar geleden toegediend en nu valt niet meer te achterhalen om welk middel het ging. Daarom is het telkens spannend of een antibioticum bijwerkingen geeft. Vreemd eigenlijk. Bij elke behandeling worden allerlei gegevens genoteerd, behalve feedback over welke antibiotica iemand verdraagt of niet. Dat zou ik wel in een paspoortje willen zien.

Bij een operatie zonder narcose kan je precies volgen wat er gebeurt en de oogarts vertelde steeds met welke handeling hij bezig was. Mijn lens is voor verwijdering in vier delen geknipt en daarna werd de nieuwe lens ingebracht. Ik vind het wonderbaarlijk wat er mogelijk is op medisch gebied. Een staaroperatie is overigens wel minder spectaculair dan een operatie van een makulagat. Dat vond ik pas echt razend interessant.

Waarschijnlijk kom ik nooit meer helemaal van een lichte vervorming in mijn blikveld af. Maar de nieuwe lens heeft mijn bijziendheid verminderd, dus dat is een voordeel. Nu nog drie weken oogdruppels toedienen en dan moet het goed zijn. Hoop ik. Want in de lijst met bijwerkingen staat onder meer dit: ‘kans op verkalking van het hoornvlies’, ‘risico op toegenomen oogdruk’, ‘verhoogd risico op opportunistische ooginfecties’, ‘kans op ontwikkeling van cataract’.

Cataract? Da’s toch een ander woord voor ‘staar’?