De zee! De zee!

De allereerste aanblik? Dat was vrijwel zeker na een autorit of fietstocht met mijn ouders en zus over het hoge duin bij de Wassenaarse Slag. Voordat je de zee eindelijk zag, rook je al het zilte nat. Later volgden er zeeën en oceanen over de hele wereld. Maar die eerste aanblik na een lange periode van afwezigheid blijft bijzonder.

De kust bij mijn oude woonplaats is allang niet meer wat die was. Te druk en te zeer aangetast naar mijn idee. Om te zien hoe het er vroeger was – veertig, vijftig jaar geleden – moet je op een maandagmiddag vroeg in april ver weg gaan van de Randstad. Naar Schoorl bijvoorbeeld, of Hargen aan Zee.

Leeg!!!

In de wachtkamer van de huisarts

Maandagochtend, 8:15 uur. In de wachtkamer zitten her en der wat mensen. Ik groet de aanwezigen. Een mevrouw op de stoel naast de kapstok kijkt mij vriendelijk en hoopvol aan. Een beetje zoals een mollig gezelschapshondje dat enthousiast begint te kwispelen. Ik neem plaats in de hoek, met tussen ons in een lege stoel. Van tafel pak ik een tijdschrift. Maar nog voordat ik erin kan bladeren, spreekt ze mij al aan.

‘Het lijkt wel alsof iemand een sigaar rookt, ik ruik een soort vanillegeur.’ Ik opper dat er misschien ergens zo’n geurding staat, zodat het aangenaam ruikt. Ze knikt. ‘Roken zal wel niet natuurlijk, want we zitten hier bij de dokter. En tegenwoordig rookt bijna niemand meer.’ Nu kijkt ze alsof ze dat toch wat spijtig vindt. Mij schiet het dagelijkse beeld bij de hoofdingang van het LUMC te binnen. ‘Dit doet me denken aan mensen die buiten voor het ziekenhuis staan te roken terwijl ze met buisjes op een infuus en een zuurstofapparaat zijn aangesloten.’

‘Vroeger rookte iedereen’, zegt de mevrouw. ‘Dat was je gewend. Mijn opa had een taxi- en vervoersbedrijf en daar stond het altijd blauw.’ Ik vertel over het glaasje met sigaretten dat bij veel verjaardagen op tafel kwam. ‘Oh ja,’ bevestigt zij, ‘sigaretten met en zonder filter en sigaretten met menthol. En ook van die dikke sigaren. Want er was altijd wel iemand die ze wilde. Ik kom uit een ondernemersgezin en mijn vader was hoefsmid. Als de boeren kwamen betalen – dat deden ze eens in de zoveel tijd – dan kregen ze een sigaar en een glaasje jenever. Dat werd dan helemaal tot de rand gevuld, met zo’n bolling erop. En dan bleven ze gezellig praten.’ We zitten allebei te glunderen; de gedachte hieraan doet ons genoegen.

Ze vertelt dat een man eens toenadering zocht, maar zij zag hem niet zo zitten. En hij rookte veel. Hij bleef maar aandringen. Uit nijd nam ze toen een keer een sigaret. Zo begon ook zij te roken. Ik zeg dat het best moeilijk is om te stoppen. Dat heeft zij toch gedaan. Zij had er eens een flinke discussie over met haar schoonzus, die de ene na de andere opstak. ‘Ik heb tegen haar gezegd: ‘Stel dat je in het ziekenhuis ligt en dat de artsen moeten kiezen tussen iemand die niet rookt en jou. Wie denk je dat ze gaan helpen?’

Dat was tegen het zere been. ‘Nou,’ had die schoonzus ertegenin gebracht, ‘jij bent toch dik? Dan kunnen ze ook wel zeggen: ‘Had je maar niet zoveel moeten eten!’ En dat was natuurlijk waar, vond ze zelf.

‘Maar ja,’ vergoelijkt de mevrouw, die inderdaad best stevig is, ‘je bent het van jongs af aan gewend, hè, dat er wat in je mond wordt gestopt. En je moet toch eten, nietwaar? Dus stop je twee, drie keer per dag wat in je mond.’ Ik beaam dat we het roken daarentegen pas op latere leeftijd hebben geleerd. Ze blijft bij haar onderwerp: ‘Ze kunnen mij alles in de mond stoppen’. Wat ze daarna zegt, ontgaat mij een beetje. In elk geval babbelt ze gezellig verder.

Cirkels en een stralenkrans in het bos

Op zoek naar onderwerpen voor fotografie vond ik deze afgezaagde stammetjes.

Zwammen omkransen de cirkels die door zaagwerk zijn ontstaan en vormen lijnen van rushes in diepe groeven van de bast. Samen met de halfronde sporen die de zaag op het hout heeft achtergelaten, roepen de cirkels een beeld op uit mijn vroege jeugd.

Eind jaren zestig/begin jaren zeventig, waarschijnlijk een zaterdagavond. In mijn pyjama op de bank voor de tv, haartjes nog nat van het bad. Dit is de avond van een bijzondere uitzending. Er verschijnt een stralenkrans op de televisie en er klinkt trompetgeschal.

Je herkent het vast: dat oude logo voorafgaand aan het Eurovisie Songfestival. Volgens internet had elk Europees land een sterk gelijkende, maar net even andere variant. Zo klonk het trompetgeschal in Nederland:

Back to the seventies! (met muziek)

De ontdekkingsreis door vijftig jaar muziekgeschiedenis is begonnen. Wat er allemaal wel niet op die 100 oude cassettebandjes staat … Het gaat van pop naar punk en van soul naar hardrock. Sommige liedjes hoor je nu vrijwel nooit meer, zoals Ce coir van de Golden Earring. Toch een van hun beste songs, nietwaar? De grootste hits worden in elke top 1000 grijs gedraaid, maar het onbekendere werk is vaak interessanter. Dankzij die cassettebandjes met opnamen passeert er een heel tijdperk vol jeugdsentiment.

Deze bijna vergeten muziek roept vast ook bij jullie herinneringen op. Daarom zet ik hier zeven willekeurig gekozen opnamen op een rij, met linkjes naar YouTube. Genieten maar!

  1. Golden Earring – Ce coir
  2. Genesis – Turn it on again
  3. Gary Rafferty – Get it right next time
  4. Dooly Silverspoon – Bump me baby
  5. Sylvester – You make me feel (mighty real)
  6. The Shirts – Laugh and walk away
  7. En de mooiste: Japan – Nightporter

PS: Ik zoek al jaren naar een extended version remix van Donna Summers I feel love met zwaardere bassen dan in de oorspronkelijke vorm. Wie weet hem te vinden?

Het verlies van hotel Dreijeroord

Vandaag komt de documentaire ‘Het verlies van Dreijeroord’ op TV Gelderland. Dit gaat over een Oosterbeeks hotel waaraan veteranen van WO II herinneringen bewaren. Ondanks internationaal protest is het tegen de vlakte gegaan. Er komt een verzorgingshuis voor dementerenden op die plaats. Volgens de projectontwikkelaar was het oude hotel niet meer geschikt te maken. Ook ik bewaar herinneringen aan hotel Dreijeroord, hoewel van recentere datum.

Het blijft bizar. Hier in de regio heerst nu zo’n landelijke rust, terwijl er in 1944 letterlijk om elke vierkante meter is gevochten. Dit vanwege operatie Market Garden, waarvan de Slag om Arnhem onderdeel was. Toen ik vier jaar geleden naar huizen zocht, wees een makelaar op ‘onschuldige’ scheuren in buitenmuren. Die waren door de luchtdruk bij explosies ontstaan. Ook voor mijn woning is kort na de oorlog een schaderapport opgemaakt.

Op 17 maart 2007 stond ik op een koele ochtend met een groep wandelgenoten voor hotel Dreijeroord. We snakten naar koffie met wat lekkers erbij. Maar ondanks aanbellen deed niemand open. Op een gegeven moment verscheen er een vrouwenhoofd uit een raam op de eerste verdieping. We riepen naar boven dat we graag koffie wilden. Mevrouw antwoordde dat ze daarin niet kon voorzien. ‘Er is momenteel te weinig personeel.’

Ik ben het nooit vergeten. Zowel de prachtige omgeving als dat gebouw in Zwitserse chaletstijl maakten indruk. Het betrof een wandeling van de Kreta-groep. Vrienden van een vakantie op een Grieks eiland, die nog elk halfjaar samen komen. Zojuist heb ik de datum gecheckt, want dat houden we bij. Die dag moet het eerste zaadje zijn geplant voor mijn verhuiswens naar het oosten. Nu wandel ik regelmatig langs de plek waar hotel Dreijeroord stond. En binnenkort komt de rest van de groep ook weer een dagje deze kant op.

Nieuw asfalt op de N324 bij Schaijk

Vandaag precies 130 jaar geleden is mijn oma van vaderskant geboren. Daar wilde ik deze week even bij stilstaan. Maar hoe? Teruggaan naar haar geboortedorp? Een bezoek brengen aan haar begraafplaats? Naar het huis gaan waar ze het langst heeft gewoond? Of iets bijzonders doen? Ik besluit om eindelijk terug te keren naar Schaijk.

Schaijk is een dorp in Brabant waar zowel mijn oma als ik ooit per toeval zijn beland. Afzonderlijk van elkaar en met een tussenpose van zo’n 43 jaar. Zij bewaarde er mooie herinneringen aan. Ik ook. Lang verhaal.

Nu, nog eens 43 jaar later, ben ik terug. In het dorp staan nog gebouwen die mijn oma moet hebben gezien. Ook is er veel nieuwbouw. Hiervoor had ik mezelf al gewaarschuwd.

En dáár ligt de weg waar alles om draait. De weg die mijn opa 86 jaar geleden heeft bedekt met de eerste asfaltlaag. Het is ongelofelijk, maar de splinternieuwe laag is net klaar! Zelfs de tijdelijke gele werkborden staan er nog.

Kraakwagendag en de schatkist van de Fasson

‘Grofvuil is fantastisch: dat je iets ouds hebt, het wegdoet, en dat een ander dat dan misschien blij meeneemt. Het oude principe van dingen je hol inslepen. Of het nieuwe principe van upcycling. Of het oeroude principe  van lekker gratis.’ Aaf Brandt Corstius haalt in haar Volkskrant column van 22 juni 2018 zoete herinneringen op. Tegenwoordig moet je een afspraak maken met het gemeentelijke afvalstation. Op vastgestelde tijden dien je je oude spullen buiten te zetten en dan komen ze het ophalen. De romantiek is er wel af. Van mij mag het gouden era terugkeren van kraakwagendag.

Op kraakwagendag struinde ik als kind met een vriendinnetje in de buurt alle straten af. Er stond dan van alles op de stoep. Kapotte koelkasten, bankstellen, sapcentrifuges, bijzettafeltjes, zakken met oude kleding, bakken met boeken en gesloopte troep. We waren bepaald niet de enigen.

De professionals, zoals ze nu zouden heten, waren dan al langs geweest. Allerlei ruwe, groezelige mannen met gemotoriseerde bakfietsen haalden bruikbare spullen op. De oud-ijzerboeren. De tweedehands spullen handelaren. Hen zag je vervolgens staan op de Leidse markt. Daar hadden ze op woensdagen voor hun uitgestalde waren een vaste plek op de Koornbeursbrug.

Waarschijnlijk was er een ongeschreven regel. Nette mensen deden zoiets niet. Voor kinderen kon het nog net, tot een zekere leeftijd.

Dat vriendinnetje was meer bijdehand dan ik. Ze kende namelijk de exacte locatie van een ware schatkist: een enorme afvalcontainer op een nabijgelegen fabrieksterrein. Om precies te zijn: van de Fasson op de Lammenschans. Een goudmijn was dat. We konden er alleen met moeite in klauteren. Soms werden we weggejaagd door het personeel. Misschien was het wel gevaarlijk als er afval in werd gekieperd. We stonden er tot onder de zijwand in en waren van buitenaf niet te zien.

Er lagen alle mogelijke soorten plakband. Industrieel spul, onverwoestbaar. Grote rollen, kleine rollen, loeizware buizen met prachtige materialen. Sommige met rasters van textiel die aan twee zijden kleefden. Daarmee kon je een boekenplankje aan de muur bevestigen, zo’n plakkracht had dat spul. Het rook er dan ook erg chemisch.

We namen zo veel mee als we op onze fietsjes naar huis konden slepen. Ik zal een jaar of acht zijn geweest. Ik heb nog tot vijf jaar geleden plezier gehad van die kleefmaterialen. Zo lang bleven ze goed en ging de voorraad mee. Kleine stukjes hout plakken, een foto goed op een achtergrond vastzetten, etc. Vooral dat dubbelzijdige spul; daar kon je echt alles mee. Ik heb het helaas nooit in een winkel gezien.

Later ging de fabriek Fasson Avery Dennison heten en daarna alleen Avery Dennison. Het bedrijf verhuisde naar Hazerswoude. Ik heb er zelf op kantoor gewerkt, als uitzendkracht. In die periode moest ik een kast met oude ordners leegruimen. Alles kon weg. Ook de in prima staat verkerende, maar gebruikte kantoormaterialen: ordners, plastic insteekmapjes, paperclips, geperforeerde hoesjes en tabbladen.

Ik heb er van alles tussenuit gehaald. Gered van de vuilverbranding. Dat was in 1997. Die kleine kantoorartikelen gebruik ik nog steeds. Ze gaan langer mee dan de fabrieksgebouwen, want begin dit jaar werd de laatste gesloopt.