Het spookbeeld van de tuin

Luchtdansend spook in de tuin

Zeven jaar ben ik nu bezig om een groene oase te maken van een voormalige stenen massa. Dit jaar is alles mooi volgroeid en staan de planten er beter bij dan ooit. Toch is tuinieren hier een continu gevecht tegen de bierkaai. In de zanderige ondergrond zakt het water veel te snel weg. De meeste planten en struiken komen uit Mediterrane en subtropische oorden, maar hebben wel voldoende water nodig om tot bloei te komen en er gezond uit te blijven zien.

In mijn tuin kan ik een microklimaat creëren. Schaduwdoek beschermt het jonge loof en de bloemen tegen de felste zonnestralen en de regenton vangt elke druppel op van het dak. Pas een keer heb ik in 2022 met kraanwater moeten sproeien. Tot vorige week viel er steeds een plensbui wanneer die hoognodig was. Alleen gisteren niet. En nu staat de volgende warme droogteperiode voor de deur. Daarom heb ik tijdig foto’s genomen, als toekomstige herinnering.

‘Het spook in de speeltuin.’ Die titel zit in mijn geheugen gegrift. Het bijbehorende logje stamt uit 2014 en heb ik later gewist. ‘Een spook in de tuin’, dacht ik, bij het langzaam opwaaiende en sierlijk bewegende schaduwdoek. Een balletdanseres in slow motion.

Suspirium, opnieuw.

Gevolgd door ‘Het spookbeeld van de tuin’. In dorre bruintinten, vanwege de versnelde klimaatverandering.

Gepruts met touwtjes en lapmiddelen

Gevoelsmatig heb ik vijf dagen lang zinloze rondjes gedraaid tussen de voor- en de achtertuin en tevergeefs eindeloos geprutst met lapmiddelen en touwtjes. Dat zit zo. Het zou weer warm worden. Heel warm. Daar word ik steeds een beetje onrustig van. Zelf kan ik best goed tegen de hitte. Met mijn tropenervaring weet ik heel goed wat tegen zinderende luchtstromen te doen. Maar die verzameling hortensia’s in de voortuin … En bepaalde planten in de achtertuin … Die zijn er allesbehalve tegen bestand. Wat ik ook probeer of fabriceer, ik kan nauwelijks iets doeltreffends voor die planten doen. En uiteraard stond alles juist zo vol en mooi in bloei.

Toevallig had de buurvrouw nog een paar palen over en van die metalen puntige dingen die je in de grond kan doen. Aangezien ze toch aan het opruimen was en goed met een boormachine overweg kan, wilde ze ook nog wel wat haakjes en oogjes bevestigen. Ik hoefde alleen maar te zeggen waar en dan zou zij dat gelijk doen. Zo’n aanbod moet je natuurlijk onmiddellijk aanpakken, met beide handen, want zelf ben ik totaal niet bedreven met een boormachine. Ik heb er één, in het kader van zelfstandig zijn, maar ik ben ook al jaren van plan om er eerst wat mee te oefenen. Nog liever wil ik dat iemand mij alles eerst rustig voordoet. Daarna kan ik het verder zelf wel doen.

Dus kwamen er oogjes op de hoeken van raamkozijnen, en haakjes op een schuttingpaal en ook nog oogjes bovenaan de nieuwe tuinpalen, zodat ik daar allemaal touwtjes aan vast kon maken, om daar doeken overheen te hangen of tussen te spannen, zodat de zonnestralen buiten bleven en er schaduw op de planten kwam.

Toen begon het gepuzzel, want eigenlijk heb ik geen goede spullen voor dit doel. Terwijl ik bij de vorige aankondiging van tropische temperaturen toch speciaal en bijtijds een camouflagedoek had gekocht. Alleen twijfelde ik in de winkel enigszins of die doek hiervoor een goede keuze was. Want: donker en synthetisch, dus van zichzelf bloedheet, en beetje zwaar. Maar alle andere doeken in de bouwmarkt waren veel duurder en zeker niet van het juiste formaat. Bovendien moet ik met twee lijnbussen naar die bouwmarkt toe. Dus wanneer ik iets terugbreng en ruil, kost het mij sowieso extra geld.

Dus wat heb ik dan wel? Een oud hoeslaken dat ik voor schilderwerk gebruik. Een oud douchegordijn voor hetzelfde doel. Drie losse lappen die ik als restanten heb gekocht op de stoffenmarkt in Doetinchem. Een Ethiopische katoenen sjaal. Een bontgekleurde omslagdoek (lavalava) uit West-Samoa. Drie tien meter lange spierwitte, synthetische isolatielappen om vorstgevoelige planten in de winter warm te houden. Waarvan één in drie stukken is geknipt. Verder nog: een touw dat ik vroeger op kunstmarkten heb gebruikt. Nog een touw idem dito, bestaande uit drie delen aan elkaar geknoopt. Een zak met allerlei lange losse veters uit inmiddels weggegooide wandelschoenen. Een heleboel satijnen koordjes die ik uit nieuwe kledingstukken heb geknipt. Nog wat losse veters en een soort allegaartje aan touwtjes en draadjes. Drie eenpersoonslakens die ik wegens twijfelaar (bed) niet meer gebruik, maar nog te goed vind voor gehang in de tuin.

Dan de palen. Twee nieuwe houten palen in nieuwe paalhouders. Twee plastic planten stokken van circa 1,8 m hoog. Twee metalen vitragestangen die ik nu maar voor het omhooghouden van het witte landbouwdoek gebruik.

O ja, en verder heb ik nog drie perfect passende ecru-kleurige gordijnen uit mijn twee-na-laatste huis. Alleen zijn die een beetje zwaar. Plus mijn marktkleed, waar ook al een stuk van af is geknipt om te dienen als achtergrond in een zwarte Ikea lijst.

Voor mijn hortensia’s heb ik van alles geprobeerd. Maar de camouflagedoek zakt veel te diep door. Het landbouwdoek is te heet en de sjaal uit Ethiopië is te kort. De drie lappen uit Doetinchem wapperen alle kanten op. En zo verder en zo voort.

Zucht. Had ik maar een echt goed schaduwdoek. Maar de professionele schaduwdoeken zijn natuurlijk allemaal al weken uitverkocht. Nee wacht. Was ik maar rijk en niet zo knap. Dan zou ik alles door een leuke tuinman laten doen.

Legaliseren ooievaarsnest

Voorop gesteld: ik begrijp best dat omgevingsvergunningen nodig zijn. We willen hier tenslotte geen Belgische toestanden, waar iedereen kennelijk zo maar zelf een huis mag ontwerpen en dat, ongeacht wat de schoonheids-commissie plus de buren ervan vinden, ergens op een perceel kan neer plempen. Nee, het is best goed dat wij tenminste wel bouwregels hebben.

Maar toch. Je zou zeggen dat er in deze tijd urgentere kwesties zijn. De energiecrisis, bijvoorbeeld. De klimaatcrisis. De nog altijd sluimerende coronacrisis, die ons elk moment weer kan opbreken. Oh, en laten we Ukraine niet vergeten. Verder moeten we nog iets voor de boeren verzinnen, want die willen graag een beetje perspectief hebben. Nu gaat het allemaal weer met de botte bijl en zo van: ‘Huh, visie? Wat nou: visie? Daarvoor ga je maar naar een opticien toe. Dat gezeur over visie ook altijd.’

Nou ja, persoonlijk verlang ik nogal hevig naar die goeie ouwe tijd van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Toen ons land nog in puin lag en weer helemaal moest worden opgebouwd. Toen had je tenminste nog echte regeringsleiders met visie. Mensen die vooruit keken en die zeiden: ‘Honger, dat nooit meer.’

Ik heb trouwens wel een idee voor de boeren. We moeten gewoon onderzoeken hoe we samen met de boeren en de producenten en de dienstverleners en de energiebedrijven enzovoort zorgen dat we helemaal zelfvoorzienend worden, en kijken hoe onze nationale kwaliteiten in het grotere geheel passen en waar we de komende twintig jaar naartoe willen met zijn allen, op Europees niveau, bijvoorbeeld. De een is goed in dit en de ander is goed in dat. Kwestie van samenwerken en een beetje afstemmen. Simpel zat.

Maar goed. Dat zal wel weer niet gaan gebeuren, want in dit land houden we ons liever bezig met regelgeving tot in het extreme. Dat schijnt een veeg teken te zijn van een cultuur die over zijn hoogtepunt heen is. Dus wat dat betreft weten we tenminste wel alvast waar we aan toe zijn.

Legalisering van een ooievaarsnest. De hele procedure is achter de rug en de vergunning is verleend. Ik vind dat knap hoor, van die vogels.

Gemeenteberichten

Zandweggetje met eiken naast geel veld

Het is zo’n akker die er ieder jaar anders uitziet. Ik ken dit veld zoals het er bijligt in de lente, in de zomer, in de herfst en in de winter. Het hoort bij de drie-eenheid rood – wit – blauw.

Vorig jaar lag er zeker twintig centimeter sneeuw. Die dag was ik de eerste voorbijganger. Wanneer maak je dat nog mee?  

Soms hangt er een mysterieuze sfeer, alsof er iets ongrijpbaars gebeurt. Ik heb de werkelijkheid nooit kunnen achterhalen.

Een spoor gaat schuil onder de gewassen. Dicht aan het oppervlak in mijn gedachten. Diep verborgen voor andere passanten. Zoiets moet je weten. Dat verhaal is tenminste geen raadsel meer. Ik zie de lijnen zo voor me. In zwart, in grijs en in wit.

(Klik desgewenst op de foto voor een vergroting.)

Hier waart het onbenoembare rond

‘Hier waart het onbenoembare rond, dat primordiale van de Oude Wereld.’ En ‘Alomtegenwoordig zijn ze, de grote spirituele en existentiële vragen.’ Zinnen van Oliver Kerkdijk in de VPRO-gids over Vargtimmen van Ingmar Bergman.

Met deze regels opende ik op 16 februari 2014 het logje Spiritualiteit – Vargtimmen.

Na lezing van tientallen verhalen uit de Tweede Wereldoorlog, blijven drie mannen mij het meeste bij. Het is niet moeilijk om te zeggen waarom. Namelijk, omdat ik iets van mezelf herken in de één en omdat de tweede zo fascinerend vertelt. Tot besluit heb ik te doen met de jongste van het stel. Van alle drie wil ik achterhalen wie zij waren als mens. Ze leven niet meer, maar hopelijk vind ik nog informatie over hun verdere levensloop.

De eerste man ‘raakt’ mij onder meer vanwege een specifiek fragment. Het staat in zijn dagboek en ik denk dat het een voorspellende waarde heeft. Een indicatie voor wat tientallen jaren later is uitgevoerd als zijn laatste wens. Het fragment gaat over hoe mooi hij de omgeving hier vindt. Zelf kwam hij uit Rotterdam. Hij schreef dit in januari 1945 op een terrein dat slechts een paar kilometer van mijn huis ligt.

Sinds kort weet ik waar hij is begraven. Dichtbij. Heel dichtbij. Ik wandel daar al jaren regelmatig voorbij.

Opalescentie op een gevallen blad

Diamonds are a girls best friend, zegt men wel. Mij doe je een groter plezier met Australische opalen. Volgens Wikipedia vertonen opalescerende materialen een vrij sterke verstrooiing van zichtbaar licht. Kenmerkend is dat zij in de richting van de lichtbundel en loodrecht daarop verschillende kleuren vertonen. De waterdruppels op dit blad van een tulpenboom doen denken aan het betoverende effect van deze edelsteensoort. Ik vind het een mooi effect.