Tussen de levenden

Het is van alle tijden, alleen sta je er doorgaans niet bij stil: dat de samenstelling van de wereldbevolking iedere nanoseconde van de dag aan het veranderen is. Er komen mensen bij en er vallen mensen weg. Olie is ontstaan doordat plantaardig en dierlijk materiaal miljoenen jaren lang in de aardbodem heeft gelegen en onder invloed van druk en warmte een verandering heeft ondergaan. Ooit worden wij ook olie, misschien.

Olie speelt een grote rol in een van mijn all time favoriete films. Gisteren zag ik de ingevoegde documentaire over het leven van Tina Turner op tv. Gedurende een fractie van een seconde hoorde ik het geluid van een verbrandingsmotor zonder dat er beeld bij was te zien. Maar ik wist het meteen, geen twijfel mogelijk: nu komt deel 3.

Ik ben niet zo van de grootste hits. Meestal staat er een ander nummer op, wat toen was, een LP, dat mij meer aanspreekt. In dit geval een wat minder vaak gedraaid nummer uit de film. Het heeft een echt jaren tachtig geluid met de stem van een vrouw die zichzelf in de loop van haar leven heeft gevonden en vernieuwd.

Het is vast niet haar beste nummer. Sommigen zullen haar oudere werk wel beter vinden. Maar ik kan geen plaat meer horen uit die vroegere periode, zonder dat ik aan het geweld en de overheersing door haar ex herinnerd word.

Dus wordt het deze, in herinnering aan Tina, en aan de fenomenale artieste die zij op het podium was. One of the living.

In de familie

Natuurlijk besef ik dat het gevoelig ligt. Wanneer ik contact opneem met familieleden van mensen van wie ik dagboekaantekeningen en brieven in mijn boek verwerk. Nabestaanden zijn het, allemaal. De personen in kwestie leven niet meer.

Het is altijd spannend wanneer ik contact zoek. Ik kijk op internet en doe een gok. Hopend dat mijn toenadering goed valt. De een gaat direct akkoord. De ander gooit mijn vraag eerst in de familiegroep.

Maar dat is niet wat ik bedoel met dat het gevoelig ligt. Je weet nooit hoe de onderlinge verhoudingen zijn. Je weet nooit wat er binnen een familie speelt. Je weet nooit wat de positie is van degene die je als eerste raadpleegt. En je weet nooit welke verborgen belangen er zijn. Aan de buitenkant kan het allemaal zo mooi zijn.

Toevallig heb ik ook familie, dus weet ik wat de gevoeligheden kunnen zijn.

In mijn familie is een soort transitie aanstaande. Een overgang. Een definitieve afsluiting. Een begin van een nieuwe fase, zonder.

Van de weeromstuit heb ik een draad opgepakt die twintig jaar was blijven liggen. Ik ben opnieuw op zoek gegaan. En deze keer heb ik het gevonden. Het kindje, waarover eens werd gesproken, maar dat geen naam gekregen had. Gewoon op WieWasWie.

De moeder van het kindje is jong overleden, vermoedelijk bij de eerstvolgende bevalling. Als zij niet zo jong was gestorven, was mijn opa nooit met mijn oma getrouwd, en dan zou de helft van mijn familie er niet zijn geweest.

Vreemd idee. Dat komt er nu van als je met families bezig bent.

De retourzending

Op maandagochtend rinkelt mijn mobiele telefoon; aan de andere kant een hoogbejaarde meneer. Hij noemt zijn naam en ik weet direct dat het over het boek gaat. Hij heeft het bijna een week geleden ontvangen en inmiddels gelezen. Maar een beschrijving van het kamp, dat specifiek in het krantenartikel wordt uitgelicht, ziet hij niet staan. Of dat later nog volgt in deel 2, vraag hij.

Ik kan wel raden welke van de drie krantenartikelen hij bedoelt. Er zijn veel positieve reacties gekomen dankzij dat artikel. Maar wat bijna niemand weet, is dat het een vertekend beeld geeft. Van mij, van wat er tijdens het interview is gezegd en van de inhoud van mijn boek. Zo heeft de journalist aan twee onderwerpen extra veel aandacht besteed, terwijl die in het boek zelf nauwelijks worden aangestipt. En een daarvan is het kamp waarin deze meneer is geïnteresseerd. Daarom geef ik hem een telefoonnummer van een organisatie waar men meer informatie over dat kamp heeft.

Mijn boek, dat zijn dochter voor hem had besteld, hoeft hij niet. Het is voor het eerst dat iemand het wil retourneren. Ik had al uitgezocht welke regels er rond retourzendingen gelden en een korte tekst hierover op de bestelpagina gezet. Daarom vertel ik dat terugzenden mogelijk is, alleen zijn de verzendkosten van de retournering voor hem. Dat is voor hem geen probleem, en zijn dochter zal het wel regelen, zegt hij erbij. Of ik het adres kan doorgeven.

Ik stuur een berichtje met beknopte toelichting naar haar e-mailadres. Dan volgt de reactie, binnen drie minuten, in een enkele zin. Zonder aanhef, zonder hoofdletter, zonder punt, zonder afsluiting. Zoals bepaalde mensen reageren op sociale media, wanneer hen iets niet zint.

‘kleine tegemoetkoming hierin voor n […] jarige man zou ook best op zijn plaats zijn, hij woont ook nog eens vlakbij’

Vermoedelijk gaat dit om de € 3,95 verzendkosten, die voor meneer zijn rekening zijn. Uit het laatste maak ik op dat ik geacht wordt om het pakketje zelf op te komen halen. Dat ‘vlakbij’ is wel een relatief begrip. Voor wie een dikke auto heeft, is het inderdaad vlakbij. Maar als ik naar zijn adres toe moet, kost het mij een half dagdeel voor een rit met twee bussen plus een overstap. De betreffende weg is namelijk kilometers lang.

Het maakt mij nu toch wel nieuwsgierig naar waar deze meneer precies woont. Ergens aan de buitenrand van de stad, schat ik zo in. En ja hoor, meneer woont op een perceel van 2.500 m2 groot. Ze zullen daar gewend zijn aan personeel. En zijn dochter waarschijnlijk ook.

Een voorkeur voor blauwgroen

Er zal wel een verklaring voor zijn, maar mij verwondert het dat veel mensen een voorkeur hebben voor een bepaalde kleur. Zo heb ik veel met de combinatie blauw en groen. Misschien komt het gewoon omdat ik tussen de weilanden ben opgegroeid. De lucht is meestal blauw en het gras is meestal groen. Als aanvullende kleuren vind ik goudgeel of bruin met zwart wel mooi. Al is zwart geen kleur. Dit alles combineer ik graag met het kleuraccent knalrood. Dat komt overal terug: in huis, in de tuin en in mijn kledingkeus. Soms dwing ik mezelf om eens gek te doen, maar met lila, paars of oranje zul je mij niet gauw zien.

Waarom eigenlijk niet? Er groeien zoveel mensen op tussen de weilanden die lila en paars waarderen.

Vandaag is een beetje een Blue Monday, maar dat gaat ook wel weer voorbij.

Spreken in het openbaar

Vrijwel direct na de verschijning van mijn boek kreeg ik het eerste verzoek. Of ik een lezing wilde geven over mijn onderzoek. Dus voor een groep. Mijn indruk is, dat spreken in het openbaar er bij de jeugd van tegenwoordig met de paplepel ingegoten wordt. In mijn jeugd en binnen de kringen waarin ik ben opgegroeid, was dat niet het geval. Vagelijk herinner ik mij nog een spreekbeurt voor de vierde of vijfde klas lagere school.

Twintig jaar geleden belandde ik samen met enkele collega’s op het podium van een dorpsgebouw. Het was tijdens mijn eerste dienstreis in het buitenland. We waren in een afgelegen plaats op het platteland in het oosten van Oeganda. Om beurten moesten we onszelf voorstellen aan de toehoorders en iets vertellen over ons werkbezoek. In het kleine gebouwtje zaten de toegestroomde volwassenen op houten bankjes samengepropt. Buiten voor de open ramen stonden kleine kinderen zich te verdringen om maar niets te missen van het schouwspel. Het hoefde niet uitgebreid. Mijn collega’s gingen mij voor. Zo kon ik leren hoe zij hun verhaal samenstelden en wist ik wat mij te doen stond.

Een paar jaar later zat ik in een zaal vol hoogopgeleide mensen. Het was tijdens een congres in Nairobi. Iemand vroeg of de microfoon rond kon gaan, zodat alle aanwezigen zich konden voorstellen. Rij na rij kwam de microfoon langzaam naderbij, terwijl ik met bonkend hart zat te repeteren wat ik zeggen zou. Mijn naam, mijn functie en de organisatie waarvoor ik werk. Dat was alles wat ik hoefde te zeggen. Maar ik kreeg het er benauwd van en schrok alsnog toen mijn stem luid galmde door de zaal.

Als je een boek uitgeeft, moet je zorgen dat je daar aandacht voor krijgt. Lezingen geven schijnt goed te werken. Het zal mij geen enkele moeite kosten om een uur vol te praten als ik eenmaal op dreef ben. Maar voorlopig is lezingen geven nog een brug te ver. Vertelmomenten met rondetafelgesprekken voor kleine groepen liggen mij beter.

Toch had ik mijzelf tot doel gesteld om te werken aan de bekendheid van mijn boek. Daarom moest ik maar eens met een ultrakorte presentatie een beginnetje maken. Voor een publiek vol onbekenden, die ongetwijfeld ‘allemaal kenner’ waren. Maximaal twee minuten mocht het duren. Gelukkig maar.

Ik weet niet hoe het anderen, die op zulke momenten eveneens een beetje gespannen raken, vergaat. In mijn geval ben ik vooraf nooit zeker van het resultaat. Het is zelfs zo, dat ik op het moment suprême geen enkele controle meer over mijn woorden heb. Ze komen er gewoon uit, terwijl het almaar lichter wordt in mijn hoofd. Op het duizelige af, bedoel ik.

Dus heb ik eerst aan de spreekstalmeester gevraagd wat de gang van zaken was. Als ik een praatje wilde houden, hoefde ik het maar te zeggen. Dan zou hij mij twee minuten de tijd geven. Het was pauze, dus mocht ik er nog even over nadenken. Dat deed ik buiten. Ik had mij tas gepakt en mijn jas weer aangetrokken. Ik liep zelfs al twintig meter weg van dat alles en van die stampensvolle zaal.

Toen heb ik de stoute schoenen aangetrokken, mij omgedraaid en twee minuten spreektijd gevraagd. Om 18:30 uur begon mijn alloceerde tijdslot. Iemand met een hele vlotte babbel was voor mij aan de beurt. Het zal dan vast weer tegenvallen, dacht ik, als ik eenmaal aan het woord ben. Toen kreeg ik de microfoon in handen gedrukt.

Het ging wel goed, geloof ik, want na afloop stond er een kring met belangstellenden om mij heen.

Gelukkig was ik compleet vergeten dat alles werd gefilmd en dat mijn praatje straks voor eeuwig op internet staat. Kan ik ook eens rustig terugkijken wat ik nu eigenlijk allemaal heb gezegd en gedaan.

Nog heel even geduld, en dan …

Dit zijn de laatste dagen voordat het grote moment daar is. Dit zijn de laatste dagen waarin ik in onwetendheid verkeer. Over hoe het gaat lopen en hoe mijn werk ontvangen wordt. Want dit zijn de aller, allerlaatste dagen voordat de stapel boeken binnenkomt en ik de verhalen uit mijn onderzoek aan de wereld presenteer.

Zo heb ik mij heel lang niet meer gevoeld. Deze situatie is vergelijkbaar met de verwachtingsvolle spanning wanneer je in het eerste vliegtuig stapt met een one way ticket in je hand en op wereldreis gaat. Ik ken dat.

Hoe goed je de routes ook uitstippelt en hoe veel plannen je ook maakt, je weet uiteindelijk toch nooit hoe het loopt.

Anderen zouden het nieuws allang van de daken hebben geschreeuwd en op alle sociale media berichten hebben rondgestrooid. Ik niet. Ik wilde eerst zeker weten dat het werk af kwam en dat het resultaat er mag zijn.

Want misschien komt er beetje reuring en wervelt er straks een klein stofwolkje op, waarna de rust weer terugkeert.

Maar evengoed kan datgene gebeuren wat ik al vanaf dag één heb vermoed. Namelijk dat ik echt een bijzonder verhaal te pakken heb en dat ik iets ga presenteren wat later als een standaardwerk wordt beschouwd.

Tot die tijd verkeer ik in het ongewisse.

Nu is alles nog rustig.

Misschien zal ik later terugdenken aan dit moment.

Confrontatie op het Klompenpad

Koe of stier pal voor overstappunt op de route van het Klompenpad

Het is zo’n pad dat al heel lang op mijn verlanglijst staat. Een gedeelte ervan heb ik eerder afgelegd. Maar dat was in een groep, met veel praters om mij heen en een gids die haast had. Als je een gebied echt goed in je op wil nemen, wil ‘ervaren’, dan moet je alleen gaan. Zeker wanneer je er herinneringen hebt aan gebeurtenissen die je enkel uit verhalen kent.

Een uitdaging is het wel, zo’n wandeling in je eentje over een Klompenpad. Op het kaartje staat dat er halverwege een trekpontje op mij wacht. Trekpontjes zijn leuk, maar ze vergen wel kracht. Ik herinner mij een ander trekpontje in de omgeving waar ik ben opgegroeid. Eerst stak de helft van onze wandelgroep over en vervolgens liep het pontje midden in de vaart vast. Dus moesten de achterblijvers twee kilometer omlopen naar de dichtstbijzijnde brug. En dan heb ik het nog niet over grote boze beesten in de wei gehad. Want dat is bij uitstek het kenmerk van een Klompenpad: jij en de plaatselijke veestapel delen dat.

Dit keer is het een pad waarvan ik de naam niet verklap. Omdat het gebied zo bijzonder mooi en rustig is, en ik dat graag zo houd.

Uitdagend was het wel. Want al na een kilometer werd ik opgewacht door bovenstaand beest. Het was niet direct zichtbaar of het een koe of een stier was. Maar het snuivende rund stond wel afgezonderd van de kudde, die honderd meter verderop toekeek. Lakenvelders staan bekend om hun zachte aard, maar toch. Ik moest het hele veld nog oversteken, recht op hem/haar toelopen en dan achter zijn/haar dikke derrière over het prikkeldraad met stroom stappen. Daarom heb ik eerst voor een afleidingsmanoeuvre gezorgd, zodat het beest van het overstapje weg zou lopen.

Eenmaal met die hindernis achter mij, kon ik veilig aan de goede kant van de afrastering verder wandelen. Totdat ik bij de volgende overstap kwam. Want daar liep niet één stier. Nee, daar liep een hele kudde van dat jonge, onstuimige spul! Mijn God, zeg. Hoe verzinnen ze het. Pal op de route van dit Klompenpad. Wil de boer soms van al die wandelaars af?

Dus daar stond ik. Voor een overstap naar een veld van minimaal honderd breed met zicht op de volgende overstap recht aan de overkant. En zeker twintig van die zwart/witte stiertjes ertussen. Echt niet dat ik dat ging doen. Mij is van jongs af aan geleerd dat je niet moet dollen met stieren. En zeker van dat jonge spul weet je niet wat ze in hun speelse kop halen.

Dus moest ik weer op mijn schreden terugkeren.

En toen ineens kwamen ze brullend op mij af. Uit het niets. Twee donkergrijze straaljagers van de luchtmacht, laag over mijn pad scherend. Ik keek hoe ze naderden en zag dat de tweede heel even met zijn vleugel naar mij zwaaide. Zoals de Spitfires hier ook deden, in 1944, als ze een Messerschmidt geraakt hadden.

Maar misschien beeld ik mij die groet in. Moest hij gewoon een kwartslag zwenken om zijn weg voort te zetten naar Duitsland.