Als je half blind bent

Vanwege de gasbel zit ik nu tijdelijk met een nagenoeg blind linkeroog. Ik ontwaar alleen wazige schimmen en kleuren. Een gele massa is de zithoek en een verticale donkere rechthoek is de opening naar de keuken toe. Links en rechts zie ik lichte beige vlakken, dus dat zullen de ramen wel zijn. Wanneer ik met gestrekte armen mijn handen beweeg, kan hun aanwezigheid mij makkelijk ontgaan. Ik zou dus niet graag zonder reserveoog door het leven willen gaan.

Tegelijkertijd is het wonderlijk hoe goed en snel onze hersenen gebreken compenseren. Werkt ons linkeroog niet, dan schakelen we direct over op ons rechteroog. Iets dergelijks gebeurt ook bij een maculagat, dus bij een vervorming in een van beide ogen. Desondanks verandert het totaalbeeld nauwelijks. Wel laten diepte en afstand zich met één oog minder makkelijk inschatten. Tenminste, als je gewend bent om met twee ogen te kijken. Stoeprandjes en traptreden zijn voor mij nu behoorlijk misleidend. En voordat ik een weg oversteek, kan ik mijn hoofd maar beter wat verder draaien. Een blinde hoek is er niets bij.

Daarom mag ik nu ook geen auto rijden. Fietsen doe ik evenmin. Vanmorgen heb ik wel voor het eerst weer een winkelwagentje bestuurd. Dat was nogal een exercitie. Bij de groenteafdeling ramde ik bijna een plasticzakjeshouder van een kast af – die had ik dus even gemist – maar verder ging het prima. Mogelijk heb ik ook een paar buren beledigd door ze straal voorbij te lopen, maar ik ben in elk geval zonder kleerscheuren thuisgekomen.

Een piepklein flesje vormt echter de grootste uitdaging. Drie maal daags moet ik een druppeltje desinfecterende vloeistof in mijn ‘oogzakje’ droppen. Dat is een zeer precies werkje, terwijl ik onmogelijk kan zien wat ik aan het doen ben. Nou, ik weet het weer zeker: zulke flesjes worden gegarandeerd zonder inspraak van de gebruikers ontworpen. Ik verdenk de farmaceut zelfs van opzettelijke belemmering. Ga maar na: hoe meer druppels er naast een oog vallen, hoe meer flesjes iemand nodig heeft. Het gevecht met de kitspuit was er niets bij.

Zoals ik jou ken …

Onlangs reageerde iemand onder een persoonlijk logje op dit blog. Ze begon met: ‘Zoals ik jou ken …’ Er volgde een beschrijving van hoe ik volgens haar denk. Zelf dacht ik alleen maar: ‘Waar haal je het vandaan? Wij ‘kennen’ elkaar slechts van internet en wij hebben elkaar nooit ontmoet.’

Kijk eens naar het echte leven. Wanneer ken je de ander nu werkelijk goed?

Begeleider m/v gezocht

Volgende week mag ik weer naar de oogarts toe. Het is zo’n afspraak die niet snel genoeg kan komen, hoewel ik er tegenop zie. ‘Bel als het zicht slechter wordt, als je pijn krijgt, of als je lichtflitsen ziet.’, zei de eerder verwijzende oogarts. De klachten begonnen een maand geleden. Nu moet ik nog één weekje geduld opbrengen. Het valt mij niet mee.

Terwijl iedereen terugblikt en vooruitziet, reikt mijn vooruitblik amper verder dan het komende onderzoek. Aansluitend volgt het gesprek met de tweede oogarts. Dan hoor ik of mijn oog moet worden geopereerd. Dat zit er wel in en de gedachten daaraan houden mij bezig. Een mogelijke operatie brengt nu eenmaal vragen en onzekerheden met zich mee.

Stom genoeg veroorzaakt de vraag of iemand mij voor de operatie in het ziekenhuis moet begeleiden, de meeste onrust. Ruim vijf jaar geleden voorzag ik bij de verhuizing het potentiële dilemma: wat als ik plotseling naar het ziekenhuis toe moet en tijdelijk hulpbehoevend wordt? Mijn naaste familieleden en vrienden wonen allemaal elders. Hier in de buurt had ik slechts een paar oppervlakkige kennissen, en er was iemand die ik uitsluitend tijdens uitstapjes zie. Ik hoopte maar dat een ziekenhuis-opname voorlopig niet nodig zou zijn.

Inmiddels heb ik een grotere kennissenkring opgebouwd. Dus zodra het er op aan komt, kan ik bepaalde personen om hulp vragen. Alleen zijn dit geen hartsvriendinnen of vaste maatjes, terwijl een ziekenhuisbehandeling vooral intiem en persoonlijk is. Na een ingreep ben je op je kwetsbaarst. Dan wil je je veilig voelen. Daarom vind ik het enigszins ongemakkelijk.

Anderen gaan hier vast nonchalanter mee om. Zo zullen ouders van kleine kinderen vaker noodgrepen moeten doen, als het op hulp vragen aankomt. Er is ineens dringend een oppas nodig, bijvoorbeeld.

Begin dit jaar stond ik voor een vergelijkbare keuze als nu. Na een spoedbehandeling bij de huisartsenpraktijk kon ik weer naar huis toe. Ik was nog erg misselijk en duizelig. Daarom moest ik van de assistente iemand bellen om mij op te halen. Op dat tijdstip kon ik alleen aan een bepaalde kennis denken. Tegen beter weten in, mag ik wel zeggen. Want hij is best bereid om te helpen, zolang hij zichzelf maar nadrukkelijk centraal kan stellen.

In de buurt een vast maatje vinden, was juist voor 2020 mijn goede voornemen. En toen kwam corona.

De aftakeling is begonnen

Heus, ik snap dat niemand het eeuwige leven heeft, en ik begríjp dat iedereen een proces van aftakeling doormaakt. … Maar moet nu echt alles tegelijk komen? Deze week bleek dat ik een serieuze ouderdomskwaal heb, terwijl ik toch relatief gezien een jonkie ben. En vandaag stortte de afvoerpijp van de dakkapel onder luid gekletter naar beneden. Die was daar in mei aangebracht, dus nog maar zeven maanden geleden.

Vijf en een half jaar lang heb ik getracht om dit 107 jaar oude huis in goed onderhouden staat te krijgen. Nou, daar komt geen eind aan …  zolang dit pand aan de sloophamer weet te ontsnappen. Vermoedelijk is het een teken van solidariteit. Daarom beschouw ik onze gezamenlijke aftakeling als een bevestiging:

Zolang de aftakeling nog gaande is, is er leven!

In het spoor van de loopgraven

Het is nogal een caleidoscopische ervaring, dat onderzoek naar die loopgraven. Op mijn zoektocht naar informatie lees ik het ene na het andere aangrijpende ooggetuigenverhaal. Die gaan over een wirwar aan gebeurtenissen en locaties. En alles grijpt in elkaar. Samen vormen ze een relaas over mankracht en logistieke planning; over vluchtelingen en gevechtssituaties, over inventiviteit en oorlog strategieën. Ik zit met mijn neus in documenten en kaarten gelabeld: ‘top secret’. Toen, in 1944/’45, nu niet meer.

Sommige teksten zijn verwarrend. Neem dit fragment uit een krantenbericht van de Nieuwe Amsterdamsche Courant. Algemeen Handelsblad, vrijdag 8 december 1944. ‘Hoofdkwartier van den führer, 7 Dec. Het opperbevel van de Weermacht deelt mede: “De overstroomingen ten Zuidwesten van Arnhem hebben een zoodanige omvang aangenomen, dat de vijand gedwongen is steeds nieuwe deelen van zijn stellingen op den zuidelijken oever van den Beneden-Rijn ten spoedigste te ontruimen.’

Ik bedoel, dit is een Nederlandse krant, dus wie is hier de vijand? Daarna valt mijn oog op de sub-kop boven het artikel: Geallieerde stellingen nabij Arnhem door overstroomingen bedreigd.’ Daarbij moet je weten dat de Lekdijk op 2 december 1944 werd opgeblazen. Hierdoor was de Betuwe drassig geworden en half ondergelopen. Zo kon ‘de vijand’ moeilijk de Duitse frontlinie bereiken met zwaar materieel. En dat front was de rand van de stuwwal aan de overzijde van de Nederrijn.

Afijn, zo’n oorlog oude stijl was een strategische en logistieke operatie van formaat. Ik vind dat aspect nuchter beschouwd zeer interessant. Aangrijpend wordt het pas bij het lezen van de uit het leven gegrepen verhalen. Zoals in dagboeken van bewoners, die negen dagen lang midden in de gevechten zaten en daarna met 150.000 anderen hals over kop hun huis moesten verlaten. Of herinneringen van Nederlandse dwangarbeiders, die de stellingen op de frontlinie moesten bouwen en graven, terwijl ze onder ‘vijandig’ vuur lagen.

Die vijandschap blijft verwarrend. Niet alleen nu voor mij, maar ook toen voor de strijdende partijen. Ik zal een stukje citeren uit een interview met Obersturmbannführer Walther Harzer, een pas 32 jaar oude Luitenant-Kolonel van de 9 S.S. Panzer Division ‘Hohenstaufen’ tijdens de Slag om Arnhem.

‘When the British paratroopers first arrived in Arnhem there was a great deal of confusion. They did not meet with much resistance either. In the [German] soldier’s recreation centre about 80 soldiers were sitting around, drinking coffee and playing cards. Their weapons were leaning against the wall. In walked a handful of British paratroopers and ordered the German soldiers to put up their hands. Then they had a cup of coffee and went away again.’

En, midden in het ergste slagveld dat Oosterbeek toen was: ‘I spoke to Warrack [een Britse kolonel] who requested that the British wounded be evacuated from the perimeter since they no longer had the room or the supplies to take care of them. This meant calling a truce for a couple of hours. I agreed because… I liked the English. I had been in England before the war as a student and had good memories of this time. I told Warrack that I was sorry that our two countries should be fighting. Why should we fight, after all? Warrack looked very haggard and worn. He was offered some cognac but refused because he said it would make him ill. He had not eaten for some time. He was given some sandwiches.’ (Bron: Pegasusarchive.)

Trouwens, in het Arnhemse Elisabeth Gasthuis lagen de gewonde Duitse en Engelse soldaten vrijwel zij aan zij. Ze deelden gewoon hun sigaretten met elkaar.

Over de loopgraaf in onze straat kan ik weinig vinden. Daarom heb ik mijn onderzoeksgebied verruimd naar Arnhem en directe omgeving. Dat valt goed te overzien. Bovendien hoef ik slechts een korte periode door te nemen. Onze loopgraaf stamt uit de periode 17 september – 23 december 1944. En ergens tussen 15 april en 30 juni 1945 zal het naburige mijnenveldje wel zijn schoongeveegd.

Wat mij mateloos fascineert, is die tussenliggende periode, daar in dat door God en iedereen vergeten stukje niemandsland. Het hele gebied was ontruimd, maar er waren wel dwangarbeiders en soldaten. Vooralsnog is dit stukje straathistorie een mysterieus zwart gat, uniek voor de recente geschiedenis van Nederland.

Oh, en het volgende is ook wel weer frappant. 4 December 2020, Westervoortsedijk in Arnhem. Vanaf de bushalte nabij het Gelders Archief wandel ik naar de weg. Op de tweede helft staan auto’s stationair bij het stoplicht. Op de voorste lees ik: ‘… ruimingsdienst’, en: ‘Defensie’. In het voorbijgaan volgt de volledige tekst: ‘Explosievenopruimingsdienst’.

(Op de foto de Nederrijn en rechts het voormalige front ten westen van Arnhem.)

Geen mondkapje om medische reden

Naar verluid kunnen anderhalf miljoen Nederlanders geen mondkapje dragen vanwege medische of psychische problemen. In de krant vertelt een mevrouw met lichte PTSS hoe zo’n kapje haar benauwt. Ze stuit op veel onbegrip op straat. Sommige omstanders spreken haar zeer belerend aan. Daarom pleit zij voor meer begrip en verdraagzaamheid.

Ik kan mij voorstellen hoe een mondkapje haar kan benauwen. Zelfs al valt het in werkelijkheid mee; zodra je het idee krijgt dat je stikt, kan de paniek flink toeslaan. Een paar jaar geleden overviel mij dat gevoel toen ik in een grote menigte klem kwam te zitten. Het was een beangstigende ervaring waarbij ik kortstondig ging hyperventileren. Maar ik ben mentaal nog gezond genoeg om mezelf tot kalmte te dwingen. (Vooral dat laatste is best een geruststelling.)

Binnenkort ga ik een dagje naar het archief. Dan moet het mondkapje ook weer op. Eerst in de bus, dan in het stationsgebouw, daarna in de volgende bus, waarna ik heel even frisse lucht kan happen langs een stervensdrukke weg vol uitlaatgassen. Daarna gaat opnieuw het kapje op in de studiezaal. Dus urenlang en ook tijdens de lunchpauze. Waarna het zuurstofrijke wandelingetje terug naar de bushalte volgt, wederom onder het genot van uitlaatgassen. En verder, hop van de ene bus naar het stationsgebouw, weer in de volgende bus met mondkapje. Aan het eind van de dag krijg ik waarschijnlijk last van duizeligheid. Maar hè, alles voor de loopgraven.

Nu hoop ik wel dat mijn neus zich een dag lang wil gedragen. Het is namelijk koud en dan ontstaan er geheid gênante toestanden. Iedere winter is het raak: tranende ogen en glibberige snottebellen. Maar lastiger is dat ik nooit weet wanneer de bloedneuzen beginnen.

Zal ik dan alvast maar een demonstratiebordje fabriceren met een medische verklaring voor mijn niet-ontvankelijkheid? Dan kan ik dat aan iedereen tonen. Of zal ik preventief tamponnetjes in mijn neusgaten doen? Zo bezien heeft een mondkapje toch wel voordelen.

Het is maar een spelletje, hoor

Vandaag heb ik mijn wekelijkse sportuurtje opgezegd. De directe aanleiding is het gedrag van een van de mannelijke deelnemers. Die bewaart namelijk geen afstand. Dat was trouwens al zo voordat de coronacrisis uitbrak.

Het gaat om kleine incidenten en er is weinig onbetamelijks aan. Al ben ik daar bij hem niet helemaal zeker van. Die twijfel, die argwaan, die roept hij zelf op. Door bij ieder incidentje gelijk te roepen: ‘Sorry’. Met zo’n onschuldig lachje er bij, alsof hij er ook niets aan kan doen. Om daarna meteen weer door te gaan.

Misschien hoort dat meteen doorgaan wel bij ‘sportief’ gedrag. Dan heb ik zeker een bepaalde code gemist. Medespelers kunnen dan zeggen: ‘Joh, maak er geen probleem van; hou het leuk.’ En bij bepaalde types is deze populair: ‘Het is maar een spelletje, hoor.’

Als je hoort wat zijn leeftijd is, dan geloof je dat nooit. Hij is tachtig, maar was vroeger gymleraar van beroep. Eerst dacht ik dat hij net met pensioen was, want hij is super fit. Dat geeft hem vast een kik. Hij etaleert zijn goede conditie graag en dat begrijp ik best. Het is toch machtig als je afgetrainde lichaam het op die leeftijd nog zo geweldig doet.

Ook is hij veruit de snelste en behendigste van ons allemaal. Daarom vraag ik mij wel af waarom hij bij balspelen zo vaak tegen medespelers op botst. En de anderhalve meter afstand regel geldt hier nog steeds. Ter verklaring zegt hij dat het gebeurt omdat hij zo ‘enthousiast’ is.

Soms neemt hij letterlijk de leiding over. Dan laat deze oud-gymleraar ons wel even zien hoe het moet. Afijn: toen hij vandaag secondenlang een medespeelster beetpakte voor een ‘instructie’, zonder dat er iemand ingreep, en hij dat vervolgens bij mij wilde doen, wist ik genoeg.