Weten wanneer je teveel bent

dicht bij elkaar

Getweeën wandelen we in de staart van de groep. Kort daarvoor hebben we ontdekt dat we een passie delen voor schilderkunst en fotografie. We vertellen elkaar hoe we tewerk gaan, als vakzusters, zeg maar. Het is echt een onderonsje. Zo’n gesprek waar je even geen anderen bij wil hebben. Gewoon, omdat je weet dat zij het onderwerp in een afwijkende richting zullen trekken. Zodra dat gebeurt, is de ‘betovering’ voorbij.

Mensen die een inbreuk maken; dat maak je vaker mee tijdens groepswandelingen. Het kan heel subtiel gebeuren, een beetje gewiekst, of onbeholpen. Soms is gedrag beslist ergerlijk. Dan wringt iemand zich er met alle geweld tussen. Andere keren heeft het iets aandoenlijks. Dan kan iemand slechts zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Er zijn ook mensen die charmant een oprecht belangstellende vraag stellen. Dat werkt effectiever.

Deze keer gaat het zo. We wandelen naast elkaar op een breed zandpad. Links en rechts is nog ruimte. Een andere vrouw komt vlak voor mij lopen en luistert duidelijk mee. Soms zegt ze iets tegen mijn gesprekspartner. Ik moet mijn pas nu een beetje inhouden, anders raak ik haar hielen. Zo weinig ruimte laat ze mij.

Dit noem ik de passief-agressieve manier van inbreuk maken. Want als ik er niets van zeg (met een geintje of waarschuwing), vergroot ik automatisch de afstand tussen haar en mij. Dan ga ik iets meer naar achteren lopen. Dat is precies haar bedoeling. Want zíj wil op mijn plek wandelen en met mijn gesprekspartner praten. Helaas voor die vrouw houdt mijn gesprekspartner bij vertraging gelijke tred met mij.

Ik weet het. Het is te kinderachtig voor woorden, maar dit is hoe volwassenen met elkaar omgaan.

De onbeholpen manier is een stuk onschuldiger. Deze keer is er achter ons nóg een vrouw stilletjes bij gekomen. Het is een wat verlegen type en zij loopt zwijgend mee. Vermoedelijk wil ze slechts meeluisteren. Mij stoort ze daar niet mee.

Mijn gesprekspartner en ik hebben allebei een zachte stem. Dus moet die vierde vrouw wel heel dichtbij komen om ons gesprek te volgen. Het gevolg is dat ze per ongeluk op mijn hiel trapt en ik in een schrikbeweging een grotere stap maar voren maak. Hard tegen het been aan van de vrouw vlak voor mij.

Waarheid in zorgvuldigheid

Hoe zorgvuldig communiceer je? We geven allemaal weleens een draai aan de waarheid, uit overtuiging of eigenbelang. Hoe je de werkelijkheid ziet, is individueel. Soms staan al je zintuigen op scherp en registreer je van een voorval elk detail. Vaker beïnvloeden emoties en opvattingen datgene wat je je later herinnert. Of wil herinneren.

In bepaalde situaties kunnen we teruggrijpen op foto’s en zeggen: ‘Kijk, zo was het.’ Toch is ook dat de vraag. Zelfs onbewerkte foto’s kunnen onbetrouwbaar zijn als bewijsmateriaal. Want het maakt uit wat je binnen een frame selecteert en vanuit welke hoek je fotografeert.

De waarheid achterhalen vind ik belangrijk. Maar als waarheidszoeker sta ik voor uitdagingen. Neem nu mijn buurvrouw. Ze is heel hartelijk en ze geniet ervan om smeuïge verhalen te vertellen. Wel is zij graag zelf aan het woord. Ik vraag haar om contact op te nemen met de vorige eigenaren van haar pand. Dit om iets belangrijks te verifiëren. Deze informatie moet mogelijk dienen als bewijs in een rechtszaak.

Hierbij loop ik direct tegen hindernissen aan. Want ze heeft zoveel haast met het woord overnemen, dat zij amper luistert naar wat ik vraag. Dus herhaal ik mijn verzoek en druk haar op het hart om dóór te vragen. Later belt zij met de vorige buurman. Als ik daarna informeer wat hij heeft verteld, dwaalt zij opnieuw af. Dus moet ik weer aandringen. Het resultaat is alsnog een vaag antwoord, want ze heeft niet doorgevraagd.

Wanneer ik aangeef dat onduidelijkheid in dit geval problematisch is, geeft ze gewoon haar eigen interpretatie van een situatie waarin zij zelf geen partij was. Ondanks alle vaagheden doet ze dat met grote stelligheid.

Dat de buurvrouw haar eigen draai geeft aan een verhaal, is tot daar aan toe. Mensen op wie je beroepshalve moet kunnen vertrouwen, doen dat echter ook. Dat kan voortkomen uit onwetendheid, dus zonder dat ze het zelf beseffen. Maar soms is hun behoefte om een ander te adviseren zo groot, dat ze een antwoord verzinnen. Als je zelf kennis van zaken mist, baseer je daarop je visie. Wat blijft er dan over van de waarheid?

Bizar genoeg heb ik ontdekt dat ik een artikel uit het Burgerlijk Wetboek over grondbezit beter ken dan een vrijwillig werkende juriste en een medewerker van het kadaster.

Had ik maar een psycholoog

Ik heb met iemand afgesproken, die ik ken van twee groepswandelingen. Dit wordt onze eerste wandeling samen en we gaan kijken hoe dat ons bevalt. Drie uur later weten we het antwoord. Dit is een mismatch, voor ons allebei. Ik kom thuis met een zeurende hoofdpijn en voel me gesloopt. De vraag is of we beter hadden kunnen weten.

Vermoedelijk kom ik bovengemiddeld vaak in contact met mensen waar ‘iets’ mee is. Bijvoorbeeld in wandelgroepen en op bijeenkomsten voor (langdurig) werkzoekenden. Maar ook in het dagelijkse leven.

Dat ‘iets’ duidt niet per sé op een psychiatrische aandoening. Wel betreft het mensen die zichzelf in de weg zitten. Bijvoorbeeld door een gebrek aan eigenwaarde, een beperkt blikveld en onwrikbare opvattingen, weinig zelfbewustzijn, onverwerkte trauma’s, egocentrisme, en soms autisme. Los daarvan is communicatie een vak en ben ook ik niet volleerd.

Onze afspraak loopt vanaf de start anders dan verwacht. De NS kampt met een stroomstoring, waardoor onze geplande wandelroute afvalt. Ik vraag haar uit te stappen op Arnhem CS. Dan kunnen we een struintocht maken door Sonsbeek, of de Warnsborn-route doen. Vandaag ben ik de kaartlezer en die route ken ik vrijwel uit mijn hoofd. Zij vindt dat goed.

De eerste signalen verschijnen snel. ‘Ik ben een angsthaas.’ (Over haar huiver voor slimme meters en sociale media.) ‘Ze vindt mij een zeur.’ (Over een buurvrouw die weinig merkt van geluidsoverlast). ‘‘Heb je haar weer’, denkt hij zeker.’ (Over de veerman die haar te lang laat wachten aan de overkant.) Aan het eind blijkt dat ze ook over mij het nodige veronderstelt. Maar iets verifiëren is er niet bij. Wanneer ik praat, onderbreekt ze mij herhaaldelijk halverwege een zin. Vervolgens vult ze de rest zelf in. Om gekweld en bestraft te kijken als ik aangeef dat ik wat anders bedoel.

Feitelijk ratelt ze non-stop, terwijl we hadden afgesproken dat dit gedeeltelijk een stiltewandeling zou worden. Ik besef dat het tijd wordt om haar daaraan te herinneren. Alleen is zij mij net voor.

En dan gaat het mis. Want ik merk op dat ik haar gepraat tot nu toe ‘als wat druk heb ervaren’. Meteen krijg ik de wind van voren. ‘Ja, maar jij praatte gelijk al veel vanaf het begin, dus dacht ik dat het wel kon.’ Mijn opmerking dat ik daar een ander beeld bij heb, valt even slecht. Maar ik geef openlijk toe dat ik belangstelling heb getoond voor haar verhaal en dat dat haar kan hebben aangemoedigd. En ook dat ik het stilte-idee wel wat eerder op de route had kunnen benoemen. Nu dit is uitgesproken, kunnen we alsnog een poosje zwijgend lopen. Dat doen we.

Pijnlijk is die stilte wel. Ze loopt nu stevig door, steeds anderhalve pas op mij voor. Op een fietspad loop ik uiterst links, terwijl zij uiterst rechts gaat wandelen, op twee meter afstand. Zo gaan we een tijdje bezwaard voort.

Al wandelend overpeins welk aandeel ik had in ons gesprek. Ofwel: op welke spaarzame momenten zij niet aan het woord was. Dit valt terug te brengen tot drie korte onderwerpen. Daarvan was het bespreken van de alternatieve route aan het begin van de wandeling de belangrijkste.

Maar ineens begrijp ik het. Voor wie aandacht wil, is een noodzakelijke onderbreking van één minuut al storend. Of mijn ‘praat’-aandeel nu 2% is, of 80%, maakt in haar beleving geen verschil. Ik praat hoe dan ook te veel.

Daarna hebben we nog meer besproken, waarbij ik het woord ‘aandacht’ zorgvuldig verzweeg. Maar zij hoefde niet te weten hoe ik zocht naar wederzijds begrip en verklaringen, want in haar eigen woorden had zij toch al ‘gefaald’. Tja.

Het leven valt mij soms best zwaar, zo zonder psycholoog.

Problemen? Daar praten we niet over

De hel, dat zijn de anderen. J.P. Sartre.

We wandelen in een groepje langs mooie landgoederen wanneer ik iemand aanspreek die ik nog niet ken. Het is een oudere vrouw. Ze vertelt dat ze vorig jaar weduwe is geworden en zes maanden daarna haar zus heeft verloren. Het verdriet zit hoog. Daarenboven beëindigde haar vaste wandelvriendin na 25 jaar hun vriendschap.

Die breuk bezorgt haar een ander soort verdriet. Want ze hadden veel plezier samen en ze deelden een lange geschiedenis met elkaar. Ze bewaart plakboeken vol foto’s van plaatsen waar ze zijn geweest. Daarom kan ze de keuze van die vriendin moeilijk begrijpen en accepteren. Ik vraag welke reden zij heeft genoemd. ‘Ze vindt mij niet leuk meer.’

Jaren geleden had ik ook zo’n wandelmaatje. We hadden samen het Floris V-pad voltooid en nu waren we halverwege het Maarten van Rossumpad. Ineens vond zij het niet meer gezellig. Waar dat aan lag, heeft ze nooit uitgesproken. Ik zat toen middenin de nasleep van een reorganisatie.

Zulke mensen kunnen verhalen over problemen moeilijk aan. Zo lang het ‘lang leve de lol’ is, gaat alles prima. Maar oh wee als er een gevoeligheid naar buiten komt. Daar weten ze geen raad mee. Ik kan me wel voorstellen dat ze niet te vaak over problemen willen praten. Je gaat lekker een dagje wandelen en wil vooral ontspannen. Alleen geven ze hun grens niet aan. Of zo indirect, dat het je kan ontgaan.

Onwil of onvermogen om problemen te bespreken, kan een reden zijn om alles en iedereen op afstand te houden. Met zulke mensen gaat het altijd goed. Zij zitten nooit ergens mee. Er mankeert hooguit iets aan hun gezondheid. Dat is dan goed verklaarbaar en daar heeft iedereen begrip voor. Soms vinden zij problemen zo confronterend, dat ze in hun denken blokkeren. Dit speelt vermoedelijk bij deze wandelvriendinnen.

Toch horen problemen bij het leven. Het is logisch als je daarover wil praten. Zeker wanneer je alleen bent en het slepende kwesties betreft waarmee je geen raad weet.

Met anderen over problemen praten wordt pas echt een probleem als je mentaal vastzit. Als je zaken niet objectief kan bekijken. Als je geen alternatief kan bedenken. Als je maar in je boosheid en frustratie blijft hangen. En vooral: als je geen keuzes maakt en stappen zet. Zulke mensen ontmoet ik regelmatig. Zelf heb ik ook zo mijn periodes gehad, als een situatie ogenschijnlijk uitzichtloos was.

Nadat het hoge woord er uit kwam, schroomde die oudere vrouw om verder te vertellen. Ze wilde mij niet met haar verdriet opzadelen. En ik besefte dat dit een heel verhaal ging worden. Voordat je het weet, is er een uur voorbij. Ik ga dan zo in een gesprek op dat ik de omgeving nog nauwelijks opmerk.

Op zo’n moment hangt het sterk af van hoe iemand zich opstelt. Betreft het een drama queen vol onbegrip, of een persoon die redelijk en zelfbewust is? Want als iemand een probleem objectief kan bekijken, wordt zo’n gesprek vanzelf interessant.

Recent vond ik nog een oud berichtje van mijn vroegere wandelmaatje, ergens uit 2012. Ze schreef dat ze het toch jammer vond dat we waren gestopt. (Geen woord over het waarom.) Had ik toevallig zin om samen verder te gaan?

In de wachtkamer van de huisarts

Maandagochtend, 8:15 uur. In de wachtkamer zitten her en der wat mensen. Ik groet de aanwezigen. Een mevrouw op de stoel naast de kapstok kijkt mij vriendelijk en hoopvol aan. Een beetje zoals een mollig gezelschapshondje dat enthousiast begint te kwispelen. Ik neem plaats in de hoek, met tussen ons in een lege stoel. Van tafel pak ik een tijdschrift. Maar nog voordat ik erin kan bladeren, spreekt ze mij al aan.

‘Het lijkt wel alsof iemand een sigaar rookt, ik ruik een soort vanillegeur.’ Ik opper dat er misschien ergens zo’n geurding staat, zodat het aangenaam ruikt. Ze knikt. ‘Roken zal wel niet natuurlijk, want we zitten hier bij de dokter. En tegenwoordig rookt bijna niemand meer.’ Nu kijkt ze alsof ze dat toch wat spijtig vindt. Mij schiet het dagelijkse beeld bij de hoofdingang van het LUMC te binnen. ‘Dit doet me denken aan mensen die buiten voor het ziekenhuis staan te roken terwijl ze met buisjes op een infuus en een zuurstofapparaat zijn aangesloten.’

‘Vroeger rookte iedereen’, zegt de mevrouw. ‘Dat was je gewend. Mijn opa had een taxi- en vervoersbedrijf en daar stond het altijd blauw.’ Ik vertel over het glaasje met sigaretten dat bij veel verjaardagen op tafel kwam. ‘Oh ja,’ bevestigt zij, ‘sigaretten met en zonder filter en sigaretten met menthol. En ook van die dikke sigaren. Want er was altijd wel iemand die ze wilde. Ik kom uit een ondernemersgezin en mijn vader was hoefsmid. Als de boeren kwamen betalen – dat deden ze eens in de zoveel tijd – dan kregen ze een sigaar en een glaasje jenever. Dat werd dan helemaal tot de rand gevuld, met zo’n bolling erop. En dan bleven ze gezellig praten.’ We zitten allebei te glunderen; de gedachte hieraan doet ons genoegen.

Ze vertelt dat een man eens toenadering zocht, maar zij zag hem niet zo zitten. En hij rookte veel. Hij bleef maar aandringen. Uit nijd nam ze toen een keer een sigaret. Zo begon ook zij te roken. Ik zeg dat het best moeilijk is om te stoppen. Dat heeft zij toch gedaan. Zij had er eens een flinke discussie over met haar schoonzus, die de ene na de andere opstak. ‘Ik heb tegen haar gezegd: ‘Stel dat je in het ziekenhuis ligt en dat de artsen moeten kiezen tussen iemand die niet rookt en jou. Wie denk je dat ze gaan helpen?’

Dat was tegen het zere been. ‘Nou,’ had die schoonzus ertegenin gebracht, ‘jij bent toch dik? Dan kunnen ze ook wel zeggen: ‘Had je maar niet zoveel moeten eten!’ En dat was natuurlijk waar, vond ze zelf.

‘Maar ja,’ vergoelijkt de mevrouw, die inderdaad best stevig is, ‘je bent het van jongs af aan gewend, hè, dat er wat in je mond wordt gestopt. En je moet toch eten, nietwaar? Dus stop je twee, drie keer per dag wat in je mond.’ Ik beaam dat we het roken daarentegen pas op latere leeftijd hebben geleerd. Ze blijft bij haar onderwerp: ‘Ze kunnen mij alles in de mond stoppen’. Wat ze daarna zegt, ontgaat mij een beetje. In elk geval babbelt ze gezellig verder.

Verder kijken dan het eigen ik

The problem with closed minded people, is that their mouth is always open.’ Anonymus.

Vorige week hadden we een gevalletje eenrichtingsverkeer in de wandelgroep. Zo noem ik iemand die helemaal vol in van zichzelf. Ik heb helaas geleerd dat je zulke mensen beter niet kan aankijken, hoe hard ze ook proberen om aandacht te krijgen. Om het even van wie. Dus toen we voor de lunch bij de herberg aankwamen, hadden zij en ik nog nauwelijks een woord gewisseld.

Binnen trek ik met veel moeite mijn natte regenbroek over mijn stroeve schoenen uit. Het is een gedoe en ik krijg het er warm van. Mevrouw heeft daar echter geen oog voor. Ze komt vlak voor me staan met haar smartphone en toont een foto. ‘Kijk eens wat een mooi pakje mijn dochter voor mijn kleinzoon heeft gemaakt!’ Ik ken deze vrouw dus amper. En zij kent mij al helemaal niet. Voor haar ben ik slechts een praatpaal.

Gelukkig is er deze keer een psychiatrisch verpleegkundige bij. ‘Ze kan niet verder kijken dan haar eigen ik.’, zegt zij even later tegen mij.

Autisme of een andere psychische aandoening in de persoonlijkheidssfeer ligt misschien voor de hand. Maar ik zoek al jaren naar alternatieve verklaringen voor dergelijk gedrag. Is het eenzaamheid, behoefte aan erkenning, leegte, stuurloosheid, onzekerheid, angst om zichzelf onder ogen te komen, PTSS, …? Wellicht spelen deze factoren mee in de volgende situaties:

 

Introverte mensen geven energie

Introverte mensen geven hun energie in contacten met anderen, terwijl extraverte mensen juist energie krijgen van contact met anderen.
Echte aandacht is een bron van energie. Aandacht is een schaars goed en goud waard. Van aandacht schenken zou ik mijn betaalde werk moeten maken. Maar aan wie en in welke vorm? Als gezelschapsdame voor conversaties of zo? Dan denk ik toch aan een doelgroep met bijzondere kennis of inspirerende gedachten, waar nog wat van te leren valt. Een dienst die mij energie kost, mag wel boeiend zijn ook.

Anderzijds is meedoen een ideaal van extraverte mensen. Ze passen groepsdruk toe. Dat staat eveneens in het artikel. Extraverte mensen vinden soms van introverte mensen dat zij zich onaangepast gedragen. Precies dit is mij eens voor de voeten geworpen door een psychologe. Het gebeurde in 2006 tijdens een groepsvakantie in Vietnam. Op een steile helling liep ik iets vlotter dan de rest naar beneden, want afdalen kan je het beste in je eigen tempo doen. Om de zoveel meter wachtte ik op de anderen. De afstand tussen ons was steeds hooguit tien meter. Plotseling haalde mevrouw mij in. Ze siste mij toe dat ik me op deze manier sociaal onaangepast gedroeg.

Oh, ik begreep haar eigen gedrag maar al te goed. Dit ging niet om mijn wandeltempo. Het ging erom dat ik haar energie had kunnen geven, door haar mijn onverdeelde aandacht te schenken. Alleen had ik daar geen zin in. Ik vond haar namelijk nogal een bazig type. En ik stond haar in de weg. Want mijn aandacht ging uit naar een andere reisgenoot in het gezelschap. Sindsdien is die derde persoon een van mijn beste vriendinnen. Als mevrouw de psychologe zich wat normaler had gedragen, had dat ook haar vriendin kunnen zijn.

(De vrij weergegeven cursieve teksten komen uit een artikel over introversie in Libelle nr 45, 2017, geschreven door Liesbeth Smit, auteur van het boek Ik moet nog even kijken of ik kan.)