Nieuwe serie: Levenslessen (1)

‘Wat is de belangrijkste les in jouw leven?’ Aldus luidde de vraag van een gezelschapsspel op kerstavond. Geen van de gasten had hierop direct een antwoord. Oh, in ruim vijftig jaar heb ik echt wel levenskennis opgedaan. Er zullen genoeg wijsheden op Raam Open staan. Maar daar aan tafel bleef het schimmig in mijn hoofd. Tot vandaag. Want in Trouw Tijd verschijnen elke zaterdag levenslessen van andere mensen. Deze week is neuroloog Steven Laureys aan het woord. En hij benoemt mijn allerbelangrijkste les: ‘Wacht niet tot je pensioen.’

Laureys vertelt waarom: ‘Mijn vader heeft zijn hele leven hard gewerkt en net voor hij met pensioen kon, diagnosticeerde ik zijn asbestkanker.’ Zo’n trieste ervaring kan je de ogen openen. Stel dat je alles opzij zet om toe te werken naar een doel in de toekomst. Je steekt er heel veel geld in. En je hebt nauwelijks tijd voor relaties of een gezin. Hoe voel je je dan als je dat doel nooit bereikt? De kans op spijt is levensgroot. Sterker, hard werken staat zelfs op nummer 2 in de top 5 redenen voor spijt.

Door zo’n ontnuchterend voorbeeld maken sommige mensen een radicale ommezwaai. Ze gaan verhuizen of ze veranderen van beroep. Of ze besteden eindelijk tijd aan iets wat ze altijd al hadden willen doen. Het mag ook minder groots. Ga in elk geval voor wat je echt belangrijk vindt en stel dit niet uit. Dat is de kern.

Voor mij kwam de ‘wacht niet tot je pensioen’– levensles op tijd. Ik was circa achttien jaar oud toen een klant van mijn werkgever drie maanden na zijn pensionering overleed. Hier schreef ik over in Prepensioen dankzij koopwoning, en eerder in Ode aan de parttime baan. Dankzij die levensles heb ik ingrijpende keuzes gemaakt. En nog steeds vormt deze les in mijn leven een leidraad.

De naderende jaarwending

Jaarwisselingen beschouw ik als scharniermomenten in het leven. Het is dan extra belangrijk om dingen goed af te ronden, voordat het nieuwe begint. Maar steeds is er iets anders wat toch nog moet. Twee stappen vooruit; totaal onverwachts een stap terug. En sommige zaken komen gewoon niet goed. Daar zou ik misschien wel mee kunnen leven, als ik niet zo gevoelig voor jaarwendingen was. Bijgelovig zijn is soms best lastig.

Mijn hele identiteit op een poster

Een bezoek aan iemand thuis geeft direct een kijkje in het karakter van de persoon zelf. Hij kan slordig zijn of ordentelijk, gemoedelijk of afstandelijk, een verzamelaar of niet gehecht aan materiële zaken. Daarnaast ontdek je snel of iemand kinderen heeft (foto’s aan de muur) of voor specifieke hobby’s leeft. Mijn huis onthult evengoed het nodige over mij. Toch ontbreekt er iets wezenlijks aan de inrichting van mijn woning.

De meubels zijn weinig speciaal. Het meeste komt gewoon van IKEA en de meubelboulevard. Verder hangen overal foto’s van plaatsen in andere landen. Aangezien half Nederland naar verre bestemmingen reist, is ook dat niets bijzonders. Het geheel heeft een klassiek-landelijke en wat brave uitstraling. Toch is dit niet helemaal hoe ik mezelf zie. Want ooit reisde ik veel. Ooit nam ik risico’s. En ooit koos ik mijn eigen pad. Dit is niet zomaar verdwenen. Die keuzes beïnvloeden de rest van mijn leven.

Volgende week hangt de klusser mijn filmposter van Once were warriors aan de muur. Ik kreeg hem in 1995 van Jan Boer in het Leidse Kijkhuis. De film stond toen symbool voor de actualiteit in Nieuw-Zeeland. Straks voegt het affiche een scherp kantje toe aan mijn interieur. Geef een wending aan de betekenis, dan zegt dat ene zinnetje alles.

Mijn eerste werkdag als ambtenaar

Tekening van mijn eerste werkdag mei 1985

Wanneer ik in mijn grote map naar mooie kalenderplaten zoek, kom ik ze tegen. De tekeningen die ik in 1985 maakte, waaronder de pentekening hierboven. Direct volgen de herinneringen en de gevoelens die daarbij horen. Het was toen zo’n totaal andere periode.

1985; een tijd van hoge (jeugd-)werkloosheid was net voorbij. Deze tekening heb ik ’s avonds gemaakt, na afloop van mijn eerste werkdag op de afdeling financiële administratie van een naburige gemeente. Dat was al mijn tweede baan. Wat je ziet, is een weergave van mijn indrukken en mijn belangrijkste taken. Facturen maken, gegevens bijhouden, volgens strakke richtlijnen werken. Alles overheersend zijn de hokjes. Ik zie nog de rijen opgestapelde bakjes voor allerhande paperassen. Die stonden op mijn bureau en in mijn kast. Zo’n grijze kast, van metaal.

Het was een periode waarin ik niet beter wist dan dat het altijd zo zou zijn. Ik droomde wel van iets anders. Want nog geen twee jaar eerder, tijdens een vakantie in Griekenland, in september 1983 om precies te zijn, had ik een Australiër ontmoet. Van het type Griekse halfgod. Hij had mij over zijn land verteld. Maar die bestemming was met mijn karige salaris schier onbereikbaar. Drie hele lange jaren zou het nog duren, voordat ik voor het eerst daarnaartoe kon gaan.

Tot die tijd maakte ik er het beste van. Werken, werken, werken, werken; half dagje werken en dan begon het weekend weer. Eindelijk. Het werk was helemaal niet onaardig hoor. Ik hou wel van gegevens beheren en structuur aanbrengen. Maar om dat nu de hele dag te doen met verder niets enerverends erbij… Man, man, man, wat héb ik mij te pletter verveeld. Ook in volgende banen. Jaar na jaar na jaar. Dagen, weken, maanden aftellen tot de volgende vakantie, één keer per jaar.

Ik had best aardige collega’s daar. Mijn chef was het type scheepskapitein: blozende wangen, dikke buik en woeste baard. Er stond altijd een longdrinkglas op zijn bureau. Gevuld met jenever, al dronk hij dat als water. Links van hem zat zijn lieftallige assistente: Sonja. Sonja had ergens nog wat Indonesische roots. Tegenover haar zat Fred. Vriendelijke man, gezinstype. Hij werkte mij in en gedroeg zich vaderlijk naar mij. Ik was dan ook de jongste van het team. Aan het volgende duoblok zaten Bert (een grote man) en nog een Fred. Bert was van de praatjes en Fred nummer twee vond ik wel leuk om te zien. Maar hij was meer met sportprestaties bezig dan met vrouwen, geloof ik.

Dan, naast onze kamerdeur, mijn bureau. Helemaal vrij, niemand tegenover mij. En iets verderop stond het bureau van de heer E. Hij was de rechterhand van de scheepskapitein. Ik weet niet meer wat de voornaam was van meneer E. Meneer E. had een tikje of twee. Vele jaren later kwam hij in het appartementencomplex achter mij wonen. Toen zag ik hem regelmatig tijdschriften uit de papierbak vissen. Hij was vermoedelijk erg alleen. Ik scheur tot op heden zorgvuldig elk adreslabel van mijn paperassen af. Dat is nog een erfenis van de heer E.

Het middelste blok werd gevormd door een heuse computer, een joekel van een groen-streepjespapierprinter én een boekhoudmachine. Dat was zo’n gevaarte waar je ponskaarten in deed. Ik had trouwens mijn eigen telefoontoestel, met draaischijf, want ik werd soms gebeld via de buitenlijn. Er was dus toch wel sprake van enig leven in de brouwerij.

Mijn collega’s gingen elke dag naar de kantine. Daar ben ik nooit geweest. Ik moest naar buiten in de pauze. Dan wandelde ik naar het overdekte winkelcentrum als het regende, of naar het park aan de overkant als de zon scheen. Sloten koffie werkte ik naar binnen op dat kantoor. Zodat ik scherp bleef. Ach, het is de minste van alle kwade verslavingen. Ik wist gewoon niet beter en op vrijdagmiddag begon het weekend weer.

Als je maar geen spijt krijgt

barriere of opening

In het Engels bestaat de uitdrukking better safe than sorry. Ofwel: speel liever op zeker, zodat je nergens spijt van krijgt. Dat kan verstandig zijn, bijvoorbeeld in een potentieel onveilige situatie. Angst is de basis van deze uitspraak.

In mijn leven heb ik al herhaaldelijk (grote) risico’s genomen, juist om spijt te voorkomen. Spijt achteraf, omdat ik een kans had laten schieten. Spijt, omdat ik die reis niet had gemaakt. Bang om op mijn oude dag terug te kijken en dan te denken: ‘Had ik maar …’ Spijt kortom, omdat ik niet durfde te leven.

Controle is een illusie en angst is een slechte raadgever.

Voor de mooiste ervaringen moet je soms in het diepe springen. Op de tast een donkere kamer in gaan. Contact maken, een nieuwe relatie beginnen. Iets uitproberen, fouten maken, flink op je gezicht gaan. En weer opstaan. Daar groei je van.

Zo tweeslachtig als een boldistelblad

Verkleurd blad blauwe boldistel

Een beetje Yin, een beetje Yang. Het valt mee, het valt tegen. Hij doet wat voor mij, ik doe wat voor hem. Het vordert snel, het ligt stil. De bramensaus is zoet, de druiven zijn nog zuur. You win some, you lose some. All in one day.

Het leven is tweeslachtig. Een hofnar droeg vroeger vaak een broek in twee kleuren. Daar doet de verkleuring van dit boldistelblad mij aan denken.

Zoektocht naar herkenning

Bij aanmelding voor een wandeling vanuit Geldrop, maak ik mezelf wijs dat ik wil wandelen in onbekend gebied. ‘Toevallig’ is Geldrop ook de plaats waar een verre verwant woont. We weten pas sinds kort van elkaars bestaan af. Het contact kwam via mijn familiewebsite tot stand. Ik ben mild nieuwsgierig, maar wil zij mij wel ontmoeten? Terloops vermeld ik mijn geplande bezoek en ja hoor: zij reageert direct enthousiast. We spreken af in een restaurant.

Wat verwachten we eigenlijk? Dat we uiterlijk op elkaar lijken? Dat we iets in elkaars gedrag herkennen? Dat we overeenkomstige normen en waarden hebben? Onze verwantschap gaat acht generaties terug. Acht generaties boven ons trouwden twee mensen in het jaar 1732. Vervolgens kregen zij zestien kinderen. Mijn verre verwant en ik stammen elk van een andere zoon af.

We delen weinig genen. Want gerekend vanaf onszelf hebben we allebei 2 (ouders) + 4 (grootouders) + 8 (overgrootouders) + 16 + 32 + 64 + 128 + 254 = 508 voorouders tot in de achtste generatie. Dus samen 1.016 voorouders minus onze 2 gezamenlijke voorouders = 1.014 andere voorouders. Wat heb je dan nog gemeen? Toch is het aardig om deze vrouw en haar man te ontmoeten. Haar nog levende familie is klein.

Zoekt zij daarom zo hard naar iets herkenbaars in mij? Foto’s komen tevoorschijn. Mijn rechte neus, die ziet zij terug bij haar dochter. Vind ik dat nu ook niet? Ze toont een foto op haar smartphone. Bij haar zitten er veel dansliefhebbers in de familie. Heeft mijn kant ook gevoel voor ritme? Uhm, nou … En zijn wij ondernemend? Een paar verwanten wel, ja. (Maar wat zegt dat?)

De meeste herkenning komt wanneer zij vertellen over hun vroegere leven als expats. Dat ken ik. Zij verkeerden in het welvarende wereldje van de oliewinning. Haar man deed aan ‘gaatjes boren’ in Oman. Sinds kort zijn ze terug in Nederland, met pensioen en aangewezen op elkaar. Vooral dat laatste valt haar zwaar, is mijn indruk. Misschien ervaart zij nu een leegte. Ook dat is mij namelijk bekend uit oliekringen. Keek ze daarom hoopvol uit naar onze ontmoeting?