Kraakwagendag en de schatkist van de Fasson

‘Grofvuil is fantastisch: dat je iets ouds hebt, het wegdoet, en dat een ander dat dan misschien blij meeneemt. Het oude principe van dingen je hol inslepen. Of het nieuwe principe van upcycling. Of het oeroude principe  van lekker gratis.’ Aaf Brandt Corstius haalt in haar Volkskrant column van 22 juni 2018 zoete herinneringen op. Tegenwoordig moet je een afspraak maken met het gemeentelijke afvalstation. Op vastgestelde tijden dien je je oude spullen buiten te zetten en dan komen ze het ophalen. De romantiek is er wel af. Van mij mag het gouden era terugkeren van kraakwagendag.

Op kraakwagendag struinde ik als kind met een vriendinnetje in de buurt alle straten af. Er stond dan van alles op de stoep. Kapotte koelkasten, bankstellen, sapcentrifuges, bijzettafeltjes, zakken met oude kleding, bakken met boeken en gesloopte troep. We waren bepaald niet de enigen.

De professionals, zoals ze nu zouden heten, waren dan al langs geweest. Allerlei ruwe, groezelige mannen met gemotoriseerde bakfietsen haalden bruikbare spullen op. De oud-ijzerboeren. De tweedehands spullen handelaren. Hen zag je vervolgens staan op de Leidse markt. Daar hadden ze op woensdagen voor hun uitgestalde waren een vaste plek op de Koornbeursbrug.

Waarschijnlijk was er een ongeschreven regel. Nette mensen deden zoiets niet. Voor kinderen kon het nog net, tot een zekere leeftijd.

Dat vriendinnetje was meer bijdehand dan ik. Ze kende namelijk de exacte locatie van een ware schatkist: een enorme afvalcontainer op een nabijgelegen fabrieksterrein. Om precies te zijn: van de Fasson op de Lammenschans. Een goudmijn was dat. We konden er alleen met moeite in klauteren. Soms werden we weggejaagd door het personeel. Misschien was het wel gevaarlijk als er afval in werd gekieperd. We stonden er tot onder de zijwand in en waren van buitenaf niet te zien.

Er lagen alle mogelijke soorten plakband. Industrieel spul, onverwoestbaar. Grote rollen, kleine rollen, loeizware buizen met prachtige materialen. Sommige met rasters van textiel die aan twee zijden kleefden. Daarmee kon je een boekenplankje aan de muur bevestigen, zo’n plakkracht had dat spul. Het rook er dan ook erg chemisch.

We namen zo veel mee als we op onze fietsjes naar huis konden slepen. Ik zal een jaar of acht zijn geweest. Ik heb nog tot vijf jaar geleden plezier gehad van die kleefmaterialen. Zo lang bleven ze goed en ging de voorraad mee. Kleine stukjes hout plakken, een foto goed op een achtergrond vastzetten, etc. Vooral dat dubbelzijdige spul; daar kon je echt alles mee. Ik heb het helaas nooit in een winkel gezien.

Later ging de fabriek Fasson Avery Dennison heten en daarna alleen Avery Dennison. Het bedrijf verhuisde naar Hazerswoude. Ik heb er zelf op kantoor gewerkt, als uitzendkracht. In die periode moest ik een kast met oude ordners leegruimen. Alles kon weg. Ook de in prima staat verkerende, maar gebruikte kantoormaterialen: ordners, plastic insteekmapjes, paperclips, geperforeerde hoesjes en tabbladen.

Ik heb er van alles tussenuit gehaald. Gered van de vuilverbranding. Dat was in 1997. Die kleine kantoorartikelen gebruik ik nog steeds. Ze gaan langer mee dan de fabrieksgebouwen, want begin dit jaar werd de laatste gesloopt.

Varen op het Leidse water

Zodra de zon schijnt, komen ze allemaal tegelijk in beweging. De bootjes in Leiden. Sommigen varen de stad uit naar de Kaag of de Braassemermeer. Anderen maken uitstapjes over de Vliet of de Oude Rijn.

Vermoedelijk varen de meesten gewoon rondjes over en binnen de singels. Want het is zien en gezien worden hier. En je kan makkelijk aanleggen bij menig café. Terrasboten genoeg, overigens. Ook zonder eigen boot is het goed toeven op de Leidse grachten. Dan ontloop je gelijk de nautische files. Die zijn op zondagen een waar fenomeen.

Zouden er nog echte peurders zijn?

Vandalisme in zo’n keurig dorp

 

“J’aimerais te voir à Oosterbeek”, schreef hij [Jan Kneppelhout] in 1834 aan een vriend, “une personne que j’aime foulerait une terre que j’aime, une terre où ont germé mes plus douces, mes plus chères pensées, où j’ai vécu si heureux, où j’ai été bon si souvent …”

Op een heerlijke zonnige zondag wandel ik in de koele schaduw van de bomen op de Hemelse berg. Het oude landgoed van Kneppelhout. Zijn naam is mij vertrouwd. Hij vormt een van de verbindingen tussen mijn nieuwe thuisgebied en Leiden, mijn oude woonplaats. Zoals hij naar de omgeving keek, zo kijk ik nu instemmend met hem mee.

Om mij heen een heuvelachtig bos met doorkijkjes naar de lager gelegen rivier. Er stroomt een kabbelende beek door, met vijvers, bruggetjes en kleine watervallen. De naastgelegen Lage Oorsprong heeft onder meer een openluchttheater. Daar genieten toehoorders op het gras van een concert. En op een glooiende weide verderop liggen dromerige koeien lekker lui te soezen naast een boom.

Kneppelhout was een humoristische schrijver uit de negentiende eeuw. Hij heeft veel voor het dorp en de inwoners betekend. Daarom zie je nog overal gedenktekens. En nu is er een kapot.

Het is een vierkant kunstwerk van glas. Heel dik glas. Ik ontdekte het tijdens een wandeling zo’n vijf jaar geleden, toen ik nog in het Westen woonde. Het was leuk om de naam van een bekende Leidenaar in Gelderland tegen te komen. En nu is zijn monumentje dus stuk. Op een hoek is een grote scherf uit het glas gebroken. Mensen hebben al troep in de doorzichtige kubus gegooid. Er ligt een verfrommeld sigarettenpakje in, en een gedeukt pak sinaasappelsap. Kunst gereduceerd tot afvalbak.

Toen ik het glaswerk voor het eerst zag, dacht ik al. ‘Als dat maar goed gaat.’ Want het staat op een verlaten plaats. Op zondagen loopt er wel genoeg volk rond. Mensen met kleine kinderen en baasjes met hun hond. Maar wat komt er langs op andere dagen, of ’s avonds? Want het is bij uitstek een plek voor verveelde hangjongeren. Die moeten hun energie kwijt, stoer doen of hun agressie botvieren. Die willen kijken hoe ver ze kunnen gaan en hun maten tonen hoe sterk ze zijn.

De ruiten van het eenzame bushokje tussen het dorp en de stad zijn al gesloopt. Die worden na de zoveelste geweldsuitbarsting niet meer vervangen. Als hangjongere moet je dan wel op zoek naar wat anders. Geen mooiere uitdaging dan zo’n glazen ding. En dit glas was minimaal twee keer zo dik als die ramen. Kicken.

Hoe zouden ze het hebben aangepakt, als het inderdaad hangjongeren waren? Je loopt het bos toch niet in met een voorhamer?

Bron citaat: Biografischwoordenboekgelderland.nl.

Je eigen stad in woord en beeld vastleggen

Waarschijnlijk ben je een echt goede fotograaf wanneer je foto’s maakt die iemand niet loslaten. Hetzelfde geldt voor het werk van een auteur. Mijn zus leende me het boek De acht bergen van de Italiaanse schrijver en documentairemaker Paolo Cognetti. Zijn verhaal bevat rake observaties over familierelaties, vriendschap, reizen, leefwijzen en het verstrijken der tijd. Vaak terloops verwoord, tussen de regels door. Ze getuigen van levenswijsheid, herkenbaar voor iedereen die al een tijdje rondloopt. Zulke stukjes komen regelrecht binnen.

Iets dergelijks gebeurt wanneer ik kijk naar de Nijmeegse foto’s van Han Dekker. Nijmegen is voor mij een bijzondere stad, om puur sentimentele redenen. Iets met het verleden. Wat resteert, zijn een gevoel en fragmentarisch herinnerde beelden. Nu ik in de buurt woon, komt daar een nieuwe laag overheen. Het zal nog jaren duren voordat ik de juiste woorden over die stad heb verzameld. Als dat ooit lukt.

Want met Leiden, ongeacht waar ik woon mijn eigen stad, is er helemaal geen beginnen aan. Ik kan onmogelijk de beelden fotograferen die in mijn herinnering zitten. Toch, bij deze foto van Han Dekker komt er direct iets boven. Iets wat ik nooit in Leiden heb gezien. Maar het had er zo kunnen zijn. Omdat het in een andere vorm ooit wel onderdeel van het straatbeeld was. Misschien bij een studentenhuis, of tijdens een 3 oktober optocht. Of veel langer geleden, op het plein voor het Gravensteen.

Dan nog, is het wel wat ik erin zie? Is de sfeer onder studenten in Nijmegen dezelfde als in Leiden? Mis ik een betekenis, die ze in Nijmegen wel kennen, maar in Leiden niet? We kijken allemaal vanuit onze eigen achtergrond naar beelden. En we herkennen passages uit teksten vooral vanuit onze eigen herinneringen. Mijn zus haalt vermoedelijk andere details uit het boek van Paolo Cognetti dan ik. Omdat we een deel van elkaars geschiedenis delen, maar een ander deel alleen kennen door observatie of van horen zeggen.

Lange slungels met pokdalige tronies

Als je wil weten hoe je voorouders er in het pre-fototijdperk uitzagen, mag je hopen dat je uit een rijke familie komt. Dan wilde men nog weleens een schilderijtje laten maken. De meesten van ons moeten het echter zonder portretten doen. Toch zijn de uiterlijke kenmerken van veel mannen genoteerd. Met dank aan Napoleon. Want tussen 1811 en 1941 werden alle mannen op hun 19de voor militaire dienst geregistreerd. Zo stuit je soms op aardige verrassingen.

Lange opa
Mijn opa van moederszijde ken ik alleen van oude foto’s. Als militair poseert hij in zijn uniform en glimmende laarzen met een groepje lotgenoten voor de Leidse burcht. De mannen staan op lengte naast elkaar en opa torent boven de rest uit. Alleen wist ik nooit precies hoe lang hij was. Gisteren ontdekte ik dat op wiewaswie.nl. Hij is als jongeman in 1909 exact 1,804 meter lang. Voor een Leidenaar is dat heel wat.

Nationale groeitrend
Al jaren wordt de Nederlandse bevolking steeds langer. De gemiddelde lengte van de Nederlandse man is toegenomen van 167 cm in 1865 tot 184 cm in 1997. Leidenaren haalde het gemiddelde iets naar beneden. Daar maten mannen rond 1800 circa 166,7 cm, terwijl ze in Zwolle bijna 173 cm lang waren. Misschien is dat een verklaring, want opa’s vader kwam uit die stad.

Ziekten beïnvloeden lengte
De Leidse bevolking kreeg het in de 19de eeuw flink voor haar kiezen. Er was armoede door de eenzijdige economie en men at slecht. Bovendien teisterden wel zeventien epidemieën de stad tussen 1795 en 1894: drie maal mazelen, vijf maal cholera, vijf maal pokken, een maal dysenterie, twee maal tyfus en een maal roodvonk. Ziekten hadden vrij spel omdat fabrieksarbeiders dicht bijeen woonden in tochtige en lekkende panden.

Verwensingen met alle mogelijke dodelijke ziekten zijn dan ook erg populair in het plaatselijke dialect. Als iemand tegen je roept: Juh (als je een man bent), tyfusleier, teer op (= rot op, van tering ofwel tuberculose) of pleur op (pleuritis)!’ dan antwoord jij: ‘Meh (als het een vrouw is), krijg de klere (cholera)!’ Enzovoort. Met Leidse rrr. Zo hoort dat.

Pokdalig
Afijn, waar waren we gebleven? O ja, ook mijn familie kreeg pokken. Volgens notities voor de Nationale Militie had de schoonvader van mijn opa een pokdalig gezicht. Kennelijk schrok dat zijn vrouw, mijn overgrootmoeder, niet af. Zij had al twee ooms wier gelaat door de pokken was aangetast.

Een van die heren staat zo te boek: ‘Gezicht: ovaal, voorhoofd: hoog, ogen: blauw, neus: gewoon, mond: gewoon, kin: spits, wenkbrauwen: bruin, haar: bruin, lengte: 1,744 mtr. 1 el, 7 palm, 4 duim, 4 streep. Overige kenmerken: pokdalig.’ Hij en zijn broer groeiden op in dezelfde woning en het pokkenvirus is nogal besmettelijk. Verder leed die kant van mijn familie weinig gebrek. Ze bezaten huizen en de mannen waren bovengemiddeld lang.

Spraakgebrek
Ook interessant: een andere oom van mijn overgrootmoeder werd afgekeurd wegens zijn spraakgebrek. Kennelijk kon je daar niet mee vechten. Maar hij was best in staat om vrouwen te versieren. Want hij trouwde twee keer. Ach, wie weet had-ie genoeg andere kwaliteiten.

Clichèbeeld en fantasie
Door deze omschrijvingen gaan wel al mijn clichébeelden eraan. Het Franse deel van de familie is niet klein van gestalte. Dit terwijl de Hollanders vaak klein en gedrongen zijn. Trouwens, hoe ziet een ‘gewone’ neus of mond er uit? Bovendien komen bij haarkleuren tal van tinten bruin, grijs, rood en blond voor. Welke tint hadden zij dan precies? Nou ja, misschien kunnen we dit alles maar beter aan onze fantasie overlaten.

Bron lengten in Nederland en epidemieën: Hoe lang nog? De lichaamslengte van de Nederlander, rede door George Maat, HOVO, Universiteit Leiden, 15 mei 2006.

Stop bebouwing in het groen!

Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken zegt dat gemeenten maar eens wat creatiever moeten ‘kijken naar het bouwen van woningen in groene gebieden rondom grote steden.’ Daarop reageert de wethouder Ruimtelijke Ordening van Zoeterwoude direct. En terecht. Want Zoeterwoude kampt al eeuwen met de landhonger van het naburige Leiden. De hele regio is inmiddels versteend. Moeten nu de laatste groenstroken van het Groene Hart wijken?

Bouwbeleid van gemeenten
Minister Ollongren toont een gebrek aan visie. Daarvoor moet je nu bij de gemeenten zijn. Die mogen met gesloten portemonnee de nationale problemen oplossen. Zie het NOS artikel Gemeenten verontwaardigd over uitspraken Ollongren meer bouwen. Dit bevat informatie over het betere bouwbeleid van gemeenten.

Visie nieuwbouw in ons land
Grootschalige nieuwbouw en ongebreidelde bevolkingsgroei roepen bij mij weerstand op. Want wat willen we nu eigenlijk met ons land? Naar welke bevolkingssamenstelling moeten we streven in het licht van toekomstige ontwikkelingen? Trouwens: wat is een wenselijke verhouding tussen bebouwing, productiegrond en natuur? Aan welke woonvormen is in de komende vijftig jaar behoefte? Waaruit moet de overige bebouwing bestaan? Hallen, zo groot als voetbalvelden, vol servers voor bitcoins? Schei uit. Ons land gaat er zo niet op vooruit.

Eerdere logjes over huisvesting: beleid en alternatieven
Prettige tijdelijke woonvormen
Tweede kans voor leeg winkelpand
Huisvesting, zorg en verpleging

Visie op economische toekomst
Ik mis een visie op een logische verdeling van bedrijfstakken en bijbehorende beroepsgroepen. In Nederland, in Europees verband en wereldwijd. Die computerhallen passen bijvoorbeeld beter in de Sahara. Daar kan men ter plekke de daken en omgeving vol zonnepanelen zetten voor energieopwekking. We hoeven er geen vruchtbare landbouwgrond in Groningen voor op te offeren. Die grond kan hard nog nodig zijn zolang de aarde opwarmt.

Visie op bevolkingssamenstelling
Momenteel groeit de bevolking in Nederland vooral door immigratie. Daar zit voor een deel weinig beleid achter. Kijk liever in Europees verband waar en hoeveel mensen met specifieke vaardigheden wenselijk zijn. Dan maken ze een betere kans om zelfstandig hun leven op te bouwen. Dit gebeurt allang bij de toelating van kenniswerkers. En dwing werkgevers om actief te investeren in omscholing van Nederlandse ingezetenen, voordat ze mensen in het buitenland werven. Misschien krijgen die Marokkaan en die 50-plusser dan eindelijk een kans.

Eerdere logjes over beleid rond immigratie en werk
Gelukzoekers in een meritocratie
Opvang in de regio
De EU, de vluchteling en de 80 miljard

Gisteren was ik in Doesburg. Daar zorgt de IJssel voor een prachtige scheiding tussen stedelijke bouw en platteland.

 

Achtergrondinformatie

Volgens Wikipedia telt het hele stadsgewest Leiden inclusief  randgemeenten totaal 348.868 inwoners. ‘Met 5.646 inwoners per vierkante kilometer is de stad Leiden sinds 2014, na Den Haag, de dichtstbevolkte gemeente van Nederland.’

Voorlopig gaat de groei door. ‘Volgens het CBS vestigden zich het afgelopen jaar 82 duizend meer mensen in Nederland dan er vertrokken. Ook werden 19 duizend meer baby’s geboren dan er mensen overleden. Naar verwachting zal de bevolkingsgroei de komende jaren aanhouden. Over vijf jaar zullen er volgens het CBS 17,5 miljoen mensen in Nederland wonen. ‘Maar van de baby’s moet de groei het niet hebben, van de migranten wel’, zegt Jan Latten van het CBS.’ (De Volkskrant,  2 januari 2018.) Lees hier het volledige artikel.

De impact van een vlo

Vlooien kunnen meer teweegbrengen dan je denkt. Twee waargebeurde verhaaltjes uit mijn levensgeschiedenis.

De inspectie van de huurwoning
Na een lange reis ben ik terug in Nederland. Mijn spullen staan her en der opgeslagen bij familie. Ik woon tijdelijk bij mijn ouders, wanneer ik weer een Leidse huurwoning toegewezen krijg. Tot mijn genoegen betreft het een historisch pand in de binnenstad. Voor de overdracht heb ik een afspraak met een meneer van de woningbouwvereniging.

Het huis is leeg en schoongemaakt. Op de muren droogt een nieuw laagje verf. Daarom staan de tuindeuren op een kier. Als we binnen rondlopen, voel ik ineens een kleine beet in mijn dij. Al snel begint het tien centimeter lager ook te kriebelen. Ik probeer heel onopvallend te wrijven. De meneer van de woningbouwvereniging wordt nu ook onrustig. Even later gaat het niet meer en roepen we het uit: ‘Vlooien!’ We doen ons best om beheerst de inspectie af te ronden, maar vluchten al snel de deur uit.

Daar staan we dan, als een stelletje clowns op de stoep voor het huis. Meneer met een mapje papieren van de woningbouwvereniging onder zijn arm. Ik onbedwingbaar wrijvend over mijn benen. En samen de vlooien van elkaars kleding af plukkend. We kunnen er wel om lachen. Volgens meneer is deze situatie niet eens ongebruikelijk. Hij maakt het vaker mee als de kat verhuisd is en de vlooien achterblijven.

De huismeester van het kantoorgebouw
Ik weet dus hoe vlooien eruitzien, wanneer er vijf jaar later weer een opduikt. Deze keer in het grote kantoorgebouw aan het Leidse Schuttersveld waar ik dan werk. Een vlo! Op onze afdeling! Die zorgt zomaar voor wat opwinding in een verder tamelijk voorspelbaar bestaan. Ik krijg het beest te pakken en plak hem met transparant plakband op een papiertje. Dat moet ik toch even aan de huismeester laten zien. Hij zit bij de ingang achter zijn balie.

Zodra ik de hal betreed, kondig ik de vlo direct bij hem aan. Een tikkeltje sensatiebelust is mijn stemming wel. Op dat moment zit er een bezoekster op een stoeltje bij zijn balie. Niet goed nadenkend, zie ik haar voor familie van hem aan. Die mensen komen wel vaker langs om een sigaretje te roken. Tot mijn teleurstelling reageert hij nauwelijks. Ik laat nog demonstratief het papiertje zien met de vastgeplakte vlo.

Achteraf weet ik niet wie van ons zich het meest heeft geschaamd. Hij, die ter plekke door de grond zakte. Of ik, die dit toch iets discreter had kunnen aanpakken. Want die mevrouw was de vastgoed manager van de Leidse universiteit. Ze was op zoek naar extra kantoorruimte en had haar oog laten vallen op de hele zevende verdieping.

(Alsnog, 25 jaar na dato: Sorry, Jan.)