Een heel weekend lang kiespijn

Heb je Tom Hanks in de film Cast Away bezig gezien met zijn rotte kies? Dan weet je dat je niet moet doorlopen met kiespijn. Maar net zoals hij, geef ik daar geen prioriteit aan wanneer ik een zeurende pijn voel. De pijn verdwijnt af en toe weer, dus misschien valt het mee. Tot donderdagavond lukt het om mezelf dit wijs te maken. Dan bijt ik in een stuk chocola. Een scherpe pijnscheut trekt – letterlijk – door het merg en been van een kies en mijn kaak heen. Na flink spoelen gaat het een beetje beter.

Ik wil geen kiespijn. Het komt nu niet goed uit. De klusser is net weer begonnen en ik wil dat hij door kan gaan. Daarom geef ik er geen prioriteit aan, hoewel het weekend voor de deur staat. Maar als het misgaat, verrek ik straks het hele weekend lang van de pijn. Toch laat ik het er bij. Even voor alle duidelijkheid: ik ben niet de enige die zulke stomme beslissingen neemt. Tom Hanks deed dat ook.

Het betreft de achterste kies linksonder. Daarop zit een kroon. Vier maanden geleden werd de verstandskies ernaast getrokken. Dat was nogal een drama, dus alle mogelijke oorzaken spoken door mijn hoofd: kaakontsteking, wortelinfectie, rotte kies, zenuwpijn, beschadigd tandvlees, een breuk, etc.

In het weekend slik ik meer pijnstillers dan ooit. Vooral ’s nachts. Ik val al moeilijk in slaap en word steeds wakker van de pijn. De paracetamol in mijn toiletkastje smaakt naar vergif. Daarvan verliep de uiterste houdbaarheids-datum in mei 2016. Een doosje ibuprofen is wel tot september 2020 bruikbaar, maar dat ligt er onaangetast bij. Bang als ik ben voor de waslijst aan ernstige bijwerkingen. Toch moet ik eraan geloven.

Op zaterdag vertelt een wandelgenootje dat je van ibuprofen maagkanker kan krijgen. Zij heeft net zo’n vermogen aan tandartsrekeningen uitgegeven als ik. ‘Ik heb een hele auto in mijn mond’, is hoe zij het verwoordt. Daar krijg ik een wat vreemde gedachte bij. Zelf meet ik dit soort dingen af aan prijzen voor reisbestemmingen. Zes weken Australië, bijvoorbeeld. Of: genoeg om een half jaar van te leven. Dat komt aardig in de buurt van mijn realiteit.

Op zondag spreek ik de buurvrouw over de herdenking van Operatie Market Garden, die op een steenworp afstand plaatsvindt. Thuis kunnen we de muziek horen. We praten over de mannen, vaak jongens nog, die hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. En we beseffen hoe goed we het hier nu hebben; dat we onszelf gelukkig mogen prijzen. Dus: ‘Dank u, God, voor deze kiespijn, want daardoor voel ik dat ik tenminste leef.’

Op maandag bel ik om 08:01 uur de tandarts. Tegen die tijd straalt de pijn uit van halverwege mijn onderkaak naar mijn oor tot bij mijn oog. Waarschijnlijk ben ik de eerste klant aan de lijn. De assistente hoort mij aan, voert overleg en spreekt dan de verlossende formule uit. Om 11:15 uur mag ik komen.

Bij de tandarts. Ze kijkt eens goed naar mijn beet, voelt het scharnieren van mijn kaak, en trekt dan haar conclusie: een overbelaste kies. Wie verzint er nou zoiets?

Verstandskies zorgt voor bloedbad

Een waarschuwing vooraf. Kan je niet tegen bloed, sla deze longread dan over. Maar hou je wel van een gruwelverhaaltje op zijn tijd, dan zit je hier prima.

Gisteren moest ik naar de kaakchirurg voor het trekken van mijn laatste verstandskies. De tandarts durfde deze ingreep zelf niet aan. Op foto’s kon ze namelijk zien dat de wortel eronder krom was. Ik heb eerder meegemaakt dat het een (vrouwelijke) tandarts bijna niet lukte om een kies te trekken. Die dingen zitten muurvast. Het werd toen zo een gesjor en gekraak, dat ik serieus vreesde voor een ontwrichte kaak.

Dus toen mijn huidige tandarts haar twijfel uitsprak, zei ik meteen dat een voorgangster er ook al zo’n moeite mee had gehad. Dit om haar over de streep te trekken. Want ze vreesde dat de kaakchirurg haar uit zou lachen vanwege de doorverwijzing voor een kleine ingreep. Maar na mijn opmerking was de keuze snel gemaakt. Vandaar dat ik gisteren voor het eerst het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem betrad.

Sinds mijn verhuizing, nu vier jaar geleden, wil ik al weten hoe dit ziekenhuis van binnen is. Qua doolhof is het vergelijkbaar met het LUMC in Leiden. En ook hier is een restaurant; altijd handig. Ik moet nog wel ontdekken of ze even lekkere pecanbroodjes hebben als in Leiden. Dat kwam er deze keer niet van. Je gaat tenslotte met een schoon gebit naar de kaakchirurg en na de ingreep had ik wat anders aan mijn hoofd.

Het trekken zelf valt mee. Je wordt verdoofd, en goed ook. Mijn andere drie verstandskiezen werden circa veertig jaar geleden getrokken. Toen ging het er nog Spartaans aan toe. Ik kan mij uit die tijd geen verdoving herinneren en ben dus wel wat gewend. Toch heeft zelfs een kleine lichamelijke ingreep impact. Het voelt achteraf alsof je bent gemangeld. Dat merk je vooral wanneer direct daarna iets wordt uitgelegd. Probeer je aandacht er dan maar eens bij te houden.

In rap tempo gaat de uitleg over een dikke wang en ijsblokjes en er is iets met pijnstillers. Ook krijg ik een spuitje met een krom tuitje mee. Dat laten ze even zien voordat het in een envelop gaat en daar moet ik de wond mee uitspuiten. Alleen: vanaf wanneer ook al weer? Verder moet ik spoelen, want er kunnen etensresten in de wond komen. Hier mag ik echter niet meteen mee beginnen. Iets met stolsels en een genezend wondje, even een dagje wachten en dan een week lang ongeveer. En ik krijg een receptje mee voor twee dingen plus een foldertje waar alles in staat, dus kan ik het thuis rustig nalezen allemaal. Nu eerst op dit watje bijten en dat een half uur laten zitten. Iets met de druk erop houden, het is nu tien uur dus om half elf mag het er weer uit.

Zo, klaar, handje geven maar. De kaakchirurg in opleiding veegt nog snel een paar bloedspetters van mijn gezicht voordat ik de deur uitga.

Eenmaal buiten voel ik mij licht in het hoofd. Mijn wang is nog goed verdoofd, maar ik proef bloed. Ook kan ik het stugge watje met mijn tong voelen. Ik hou mijn kaken stijf op elkaar en mijn mond dicht wanneer de bus arriveert. Meer dan een knikje naar de chauffeur zit er niet in. Gelukkig is er eten genoeg in huis en hoef ik slechts langs de apotheek, want de linkerkant van mijn gezicht is dik en strak van de verdoving. Zodra de verdoving uitwerkt, zal het pijn gaan doen.

Thuis gaat dat bloed doordrenkte watje er gelijk uit en zet ik meteen koffie. Wat ben ik daar aan toe, zeg. Met kleine nipjes probeer ik de vieze bloedsmaak zo goed mogelijk uit mijn mond te spoelen, zonder dat de koffie de pas gehechte wond raakt.

Er hangt iets rubberachtigs in mijn wang bij het gat dat de kies achterliet. Ik kan erop kauwen zonder dat het loskomt. Misschien is er tijdens de behandeling een stuk huid van mijn wang geschaafd. Door gevoelloosheid en de stijfheid van mijn kaak kan ik moeilijk nagaan wat het is. Maar wanneer ik voorover buig, voel ik nieuw bloed mijn mond in stromen. Oei.

Vanaf dat moment verandert de dag in een lange hindernissenbaan. Want er moet gegeten worden. Het is inmiddels half twaalf en ik lunch graag warm. Ook wil ik het meeste van mijn dagelijkse eten vroeg binnen krijgen. Dan kan de rauwe wond de rest van de dag ongestoord genezen. Soep laat ik staan; daar zit te veel bijtend zout in. Maar een smeuïg stamppotje van aardappels, peen, snijbonen en stukjes hamburger gaat prima. En het verdringt de overheersende smaak van bloed enigszins.

Tijdens de afwas sijpelt er opnieuw bloed in mijn mond en weer voel ik die rubberachtige sliert. Wat is dat toch? Inmiddels kan ik mijn kaken wat verder open doen, dus loop ik naar de spiegel. Wat ik daarin zie, is een werkelijk gore bedoening.

Die rubber flubber is een langgerekt stuk bloedstolsel dat over mijn kiezen hangt. Langs mijn wang en over mijn tanden slingeren taaie bloederige slierten en vliezen. En mijn hele mond is rood. Alsof je een vraatzuchtig monster in de bloed besmeurde bek kijkt. Nu smaakt dat bloed nóg viezer.

Ik word enigszins onpasselijk en wil acuut van die troep in mijn mond af. Maar in het foldertje staat dat je op de behandeldag geen wond mag uitspoelen. Wat nu? Nogmaals probeer ik die flubber door te kauwen, maar het spul is te flexibel. Het alternatief is doorknippen met een schaar. Dat blijkt makkelijker gezegd dan gedaan.

Ga maar eens in een bloed doordrenkte mond naar een glibber glad aanhangsel graaien terwijl je je kaken nog niet ver uit elkaar kan houden. Voor de zekerheid doe ik het boven een grote wasbak. Het wordt namelijk een erg bloederige toestand en ik wil de vloer schoon houden. Mijn kleding en de rest van de badkamer trouwens ook. Uiteindelijk lukt het om een flink stuk van die flubber af te knippen. Verder moet ik direct na het eten mijn tanden poetsen, zo staat er in het foldertje. Daarvan zal ik je de details besparen. (De badkamer is weer grondig schoon geboend.)

Gelukkig stopt het bloeden. Nu kan ik rustig naar de apotheek wandelen, al durf ik mijn mond niet open te doen. Zonder verder bloedvergieten maak ik gelijk een ommetje. ‘s middags voel ik nogmaals wat bloed mijn mond in sijpelen. Waarschijnlijk omdat ik toch een beetje heb gespoeld. De nare smaak blijft en de flubbertjes komen steeds terug. Na twee boterhammen gedrenkt in warme melk plus een poetsbeurt voel ik opnieuw wat bloed vloeien. Ook dat gaat voorbij.

Later, het is intussen half tien ’s avonds, gaat de wond alwéér bloeden, en sneller ook. Echt, dit is een klassieker. Mijn lichamelijke klachten worden altijd erger op vrijdagmiddag, ’s avonds of in het weekend. Ik kan dus niet meer naar de huisarts toe. Wat nu? Bij eerder getrokken kiezen had ik dit probleem niet en het foldertje zwijgt over bloedingen. Daarom raadpleeg ik internet. En ja hoor, nabloedingen komen vaker voor. Het advies: dertig minuten op een gaasje bijten of de dokter bellen.

Ik ga voor het gaasje. Alleen heb ik enkel oude gaasjes; weliswaar in originele verpakking. Hopelijk zijn ze schoon genoeg. Het gaasje bevat vermoedelijk ontsmettingsmiddel en dat smaakt eveneens goor. Nu proef ik dus twee soorten goor; eentje links en eentje rechts. Als het maar niet giftig is bij inwendig gebruik … Gatver, wat is dit allemaal naar. Het bloeden lijkt in elk geval te stelpen. Onderhand ben ik het helemaal zat en wil ik naar bed toe.

Helaas. Wanneer het half uur voorbij is en ik het gaasje weg haal, trek ik iets los en bloedt de wond weer! Daar word je toch niet goed van? Weer die vieze smaak, weer die walgelijke bloedstolsels, weer dat gore gedoe. Ik weet wel dat ik nooit bokser ga worden, met al dat bloed. En voorlopig hoef ik ook geen gebakken bloedworst meer.

Half elf ’s avonds. Ik vraag me ernstig af wat te doen. Mijn moeder heeft me bijgebracht dat dit soort dingen meestal vanzelf over gaan. We gingen vroeger niet snel naar de dokter toe. Oké, even rustig aan doen dan.

Ik ga in bed liggen, op mijn rug. Zo blijft het bloed goed binnen. Scheelt weer een extra was. Door de liggende houding stroomt het bloed wel vlotter naar mijn hoofd. Toch opzitten maar, al is dat minder prettig. Langzaam neemt het sijpelen af. En langzaam worden de stolsels groter. Ik word er gewoon misselijk van.

Nu breekt het uur van de duisterste gedachten aan. Ik denk aan verhalen over popsterren, die dronken stikten in hun eigen braaksel. Of waren het criminelen, die stikten in hun eigen bloedstolsels? Kan ik zo wel gaan slapen? Wat als dit onschuldig lijkt, maar straks helemaal misgaat? Hoeveel bloed verlies ik eigenlijk? Ik moet het elke minuut wegslikken. Heel voorzichtig probeer ik de langste bloedslijmdraden toch weg te knippen, waar dat kan.

Half twaalf  ’s avonds. Het vloeien is minder, maar nog steeds niet volledig gestopt. In de gemeentegids staat waar ik eventueel terecht kan voor spoedhulp. Het ziekenhuis in Arnhem. Dat betekent twee bussen nemen via het Centraal Station. De laatste bus uit ons dorp vertrekt nu. Bij de buurvrouw brandt nog licht. Zal ik naar haar toe gaan? Of zal ik toch maar rustig blijven liggen, met mijn hoofd hoog op een kussen? Ik wil haar de rompslomp van een semi-nachtelijk ziekenhuisbezoek niet aandoen.

Afijn, om een lang verhaal kort te houden: het is nu de volgende dag en ik leef nog steeds. Ook is het bloeden gestopt. Er zit alleen zo’n vieze gore flubberige bloedprop in mijn mond. Straks moet ik eten. Als mij dat fataal wordt, merk je het vanzelf aan de stilte op dit blog.

Zijn we al emotioneel volwassen?

Het valt mij op hoe sommige volwassenen zich als kinderen kunnen gedragen. Typerende kenmerken zijn: geen verantwoordelijkheid willen nemen, egocentrisme en weinig relativeringsvermogen. Al tijden zoek ik naar verklaringen en nu wijst Henk50 op een prachtig begrip: ego-transcendentie.

Volwassenheid houdt in dat je jezelf en je eigen belang kan overstijgen. Als je dat stadium bereikt, bereik je wijsheid. Henk wijst op Judith Viorst, een psychoanalytica die meent dat veel ouderen daarin niet slagen. ‘Ze kunnen vervelend, praatziek, egocentrisch en klaagziek zijn. De wereld draait om hen.’ Maar: ‘Tegelijkertijd kunnen mensen ook veranderen.’, schrijft hij. En dat is waar het mij hier om gaat.

Praat je over ouderen, dan denk ik aan de generatie van mijn vader en moeder. Geboren in de jaren dertig of veertig hebben ze wel of niet bewust de oorlog meegemaakt. Daarna volgden de wederopbouw en de bekrompen jaren vijftig, de revolutionaire jaren zestig en de alternatieve jaren zeventig. In de jaren tachtig werd het bestaan geleidelijk aan zakelijker. De rest is bekend.

Je kan je afvragen hoe de huidige ouderen zijn opgevoed. Want de gezinnen waren groot, sociale zekerheid ontbrak en het leven was hard. Dat doet iets met mensen. En in hun jeugd was er nog weinig wetenschappelijke kennis van pedagogie. Hoe anders is dat nu. Zelfs al maakt een kind geen goede start, dan is er psychosociale begeleiding voorhanden.

Er komen er nu relatief veel boeken op de markt van veertigers en vijftigers die ‘afrekenen’ met hun ouders. Mijn generatie heeft kennelijk iets te verwerken. Niet alles is goed gegaan en daarvan zijn we ons zeer bewust. Want we zien wat opvoeding tegenwoordig inhoudt. Een aantal van ons heeft wel anders meegemaakt. Menige ondermijnende gedachte en blokkade valt rechtstreeks te herleiden naar onze jeugdjaren.

Bij de oudere generatie zullen vast ook de nodige ondermijnende gedachten leven en blokkades bestaan. Alleen was het rond hun vijftigste minder gebruikelijk om naar een coach of psycholoog te gaan. Hoger opgeleiden deden dat misschien. Maar de rest? Die vond waarschijnlijk dat je je niet moest aanstellen. Ze zijn wel flink geweest, maar hebben minder aandacht besteed aan hun persoonlijke ontwikkeling. Hierdoor kan het gebeuren dat ouderen zogezegd vervelend worden en verzuren.

Volgens mijn buurman (die van de rioolperikelen) is mijn roodbladige boom ‘maar lelijk, want er komen geen bloemen in.’ Zijn vrouw had een voorkeur voor bloemen en hij baalt dat ik een andere boom heb gekapt. Ligt het aan zijn beperkte mentale blikveld, of ligt het aan zijn gezichtsvermogen? Ik zou toch zweren dat dit hierboven bloemetjes zijn.

Voor hem komt ‘De kracht van kwetsbaarheid’ van Brené Brown wellicht te laat. Maar andere volwassenen fleuren misschien nog op als ze een spelletje Omdenken doen.

De ziekmakende maatschappij

Is het overdreven gesteld dat half Nederland aan de kalmerende en/of verdovende middelen is? Ik heb een rekensommetje gemaakt en kom uit op deze ruwe schatting. Voor een deel is de verklaring logisch: mensen met pijn en stoornissen hebben baat bij deze middelen. Maar voor een ander deel lijkt de oorzaak te liggen in onze maatschappij. Alles en iedereen moet aan normen voldoen, in het plaatje passen, continu presteren, niet afwijken. Oh, en geld opleveren. En dat in een omgeving die ons steeds verder afbrengt van een natuurlijke leefwijze. Terwijl we toch gewoon kwetsbare mensen zijn.

In Nederland gebruiken jaarlijks 1,3 miljoen mensen opioïden. Deze stoffen werken op het centrale zenuwstelsel, blokkeren pijnsignalen en geven een euforisch gevoel. ‘De klassieke, calvinistische houding om het nog even aan te kijken met de pijn, verdwijnt.’, zegt Ruud Coolen van Brakel van het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik. Daar komt bij dat ziekenhuizen patiënten tegenwoordig sneller naar huis sturen om kosten te besparen. Om te voorkomen dat patiënten daarna meteen weer bij de huisarts zitten, geven ze sterke pijnstillers mee. Ook voor huisartsen is het een makkelijke uitweg.

De dokter als dealer
Het bovenstaande citaat staat in ‘De dokter als dealer’, een artikel van Maud Effting en Anneke Stoffelen in de Volkskrant van 21 juli 2018. Daarin vertelt huisarts Jos van Bemmel hoe hij zich bewust wordt van de hoeveelheid zware en mogelijk verslavende pijnstillers die hij voorschrijft. Bij het tekenen van de tientallen herhaalrecepten per dag was hij tot dan toe vooral gespitst op kalmeringsmiddelen, slaapmiddelen en antidepressiva. Niet op pijnstillers.

Dat maakt nieuwsgierig. Want hoe veel mensen gebruiken al deze middelen dan? Een vluchtig zoekresultaat levert deze getallen op: ‘In Nederland zijn er naar schatting 1,2 miljoen gebruikers en 700.000 verslaafden aan benzodiazepinen: slaap- en kalmeringsmiddelen als valium en diazepam. Ze leven in een vlakke wereld zonder echte vreugde of echt verdriet.’ Dit valt te lezen op de website nemokennislink. En ruim een miljoen mensen gebruikt een antidepressivum. ‘De meesten amitriptyline, dat de stemming verbetert, angsten onderdrukt en tegen pijnklachten werkt.’ Zie de factcheck van een Volkskrant-artikel door het NRC.

Zo kom je op ruwweg 3,5 miljoen geregistreerde gebruikers van pijnstillers, kalmeringsmiddelen, slaapmiddelen en antidepressiva. Dit aantal is nog exclusief mensen die geen medicijnen slikken, maar alcohol, energizers en/of (soft)drugs gebruiken voor vergelijkbare doeleinden. Ook homeopathische middelen en tabletjes uit de supermarkt zijn niet meegeteld. Daarom schat ik dat half Nederland aan de kalmerende dan wel verdovende middelen is. Of juist pepmiddelen gebruikt om naar wens te functioneren.

Pijnstillers
Zoals gezegd: het is logisch dat mensen met ernstige of chronische pijn middelen gebruiken. Die zijn tenslotte beschikbaar en hiermee kan je de kwaliteit van het leven verbeteren. Maar volgens het artikel ‘De dokter als dealer’ worden illegaal verkregen medicinaal bedoelde middelen evengoed recreatief gebruikt. Welke ‘pijn’ moet er dan worden gestild?

Kalmerings- en slaapmiddelen
En vanwaar al die kalmeringsmiddelen en slaapmiddelen? De oorzaak van klachten kan fysiek of psychisch zijn, maar ook een onnatuurlijke leefstijl. Want als je tien minuten naar hardcore techno luistert, raak je opgefokt. Van te veel suiker ga je stuiteren; dus van energiedrankjes helemaal. En dag en nacht in het licht van een beeldscherm zitten, bevordert de slaap evenmin. In die gevallen is een pilletje slechts een lapmiddel.

Antidepressiva  
Dan al die antidepressiva. Er zijn weinig landen waar mensen zo vrij leven als in Nederland. We scoren torenhoog in de wereldwijde gelukstatistieken. Niemand hoeft om financiële of sociale redenen in een knellend huwelijk te blijven. En kijk eens naar alle voorzieningen. Toch slikt een miljoen Nederlanders antidepressiva. Ook hier spelen verschillende oorzaken een rol: zoals fysieke en mentale stoornissen, aanleg en persoonlijke ervaringen.

Vooral bij de cognitieve oorzaak van depressie is de maatschappij en directe omgeving een factor. Stel dat je je waardeloos voelt. Dan draait het vaak om verwachtingen die je van jezelf hebt, gekoppeld aan verwachtingen die anderen van je hebben. Reëel of niet. Nergens zie je dit zo duidelijk als in de schijnwereld van Facebook en Instagram. Het continu moeten scoren met mooie foto’s en succesverhalen verergert gevoelens van eenzaamheid.

Maatschappelijke keuzes
Misschien zitten we mede door Facebook en Instagram zo massaal aan de pijnstillers, kalmeringsmiddelen, slaapmiddelen en antidepressiva. Want de sociale media zijn als onze 24/7 maatschappij. Althans, wanneer we daar volledig in mee gaan. We hebben nog altijd de vrijheid om grenzen te stellen en te bepalen welke kant we op gaan.

De Volkskrant: ‘Gijs Helmerhorst, die arts in opleiding is tot orthopedisch chirurg en die promotieonderzoek deed naar pijnbeleving bij botbreuken, werkte tien jaar geleden in een Amerikaans ziekenhuis. Daar viel hem op hoe gemakkelijk Amerikaans artsen opioïden meegaven na een simpele breuk. ‘Ik was dat in Nederland toen helemaal niet gewend. Wij gaven het advies wat paracetamol te nemen als de pijn te erg werd, of ibuprofen. Het kwam eigenlijk niet voor dat mensen terugkwamen en zeiden: dokter, de pijn is niet te verdragen.’

Het pijnstillergebruik steeg hier pas na marketingcampagnes van onder meer de Amerikaanse farmaceutische industrie. Gelukkig zijn er nog mensen die zelf nadenken. Huisarts Van Bemmel voert nu gesprekken met ‘grootverbruikers’ van pijnstillers in zijn patiëntenbestand. Die zijn opgelucht en blij dat het ook zonder kan.

Behoefte aan erkenning en waardering

‘Is dat belangrijk voor je?’, vraag ik wanneer het woord ‘erkenning’ valt. Dat blijkt inderdaad het geval. Ze wil op haar bescheiden manier iets doen voor mensen; een rol vervullen in de maatschappij. Zoals ze ook heeft gedaan tijdens haar succesvolle loopbaan. Maar die is sinds een paar jaar voorbij. ‘En’, ze zegt het er letterlijk bij: ‘ik wil dat anderen het zien en mijn bijdrage waarderen. Dat ze dit uitspreken en mij complimenteren.’ Als het er echt toe doet, heeft ze zelf moeite met complimentjes uitdelen. Haar vader zaliger was daar evenmin royaal mee.

Misschien is er een verband met een ander. Iemand die als jongste dochter in een gezin opgroeit met verder alleen broers. Hun moeder wil het meisje niet als vanzelfsprekend met huishoudelijk werk opzadelen. Dus wordt de dochter van taken vrijgesteld, terwijl de moeder het wel erg druk heeft. Zou je je erdoor overbodig gaan voelen? Alsof je bestaan er wezenlijk niet toe doet. Ben je ook al geen uitblinker in het een of ander, dat kan je jezelf slechts een zelfbedachte rol toedelen. Zodat je toch belangrijk bent en wordt gezien.

Nog enkele voorbeelden. Een kind dat precies doet wat haar vader wil, ook al heeft ze allang een flitsende carrière opgebouwd. Of iemand die van een concullega krijgt toegebeten dat ze iets vast niet kan. Waarna ze denkt ‘Oh nee, kan ik dat niet?’ Om vervolgens vastberaden alles op alles te zetten en wél dat hoog gegrepen diploma behaalt. De behoefte aan erkenning kan ons ver brengen. En ver laten zinken. Want iemand die op negatieve wijze aandacht vraagt, wil evengoed worden gezien.

De persoon uit het eerste voorbeeld is uitermate kwetsbaar. Zij is voor haar levensgeluk volkomen afhankelijk van anderen. Wat nu als je erkenning bij jezelf kan vinden? Gewoon, door iets te doen waar je met tevredenheid aan terug kan denken. Niet omdat een ander je complimenteert. Maar omdat je zelf in staat bent om te erkennen dat het goed is zo. Dat lijkt mij veel gezonder. Maar ik heb dan ook absoluut niets met ‘jezelf wegcijferen’ en ander calvinistisch gedoe.

Anne

Anne
Sweet Dreams
Van de Eurythmics
25 was ik, net als jij

Zwieren op de motor
Slalommen tussen strepen door
Op een verlaten snelweg
Zo ver als het oog reikt
Ultieme vrijheid down under

Struinen over een bospad
Luisteren naar tropische vogels
Kikkers kwaken bij een stroompje op een kei
Een duik in de rivier, zonder kledij
Er is toch niemand bij

Maar altijd, altijd, altijd
Gespitst op het geluid
Van naderende mensen
Onmiddellijk op mijn qui-vive
Mij soms verbergend achter bomen

Want als ze dan toch komen
In de vrije natuur
Zijn wij vrouwen nooit volledig vrij
Nooit

Maar wat is dan ‘stoer’? (3)

Nondeju! Nu ben ik nog een cruciaal aspect vergeten over uiterlijk in deel 1 en deel 2. Ineens dook een herinnering op aan een uitspraak van een oude Duitse vrouw. Hoe het mogelijk was geweest dat de SS zo’n grote aanhang had gekregen. De mensen waren arm na de Eerste Wereldoorlog. En toen verschenen er SS’ers in het straatbeeld. Strak georganiseerde groepen mannen in zo’n mooi en imponerend zwart uniform.

Die SS’ers straalden kracht en stoerheid uit, en een duister soort aantrekkelijkheid. Want dat is wat er ook van macht uit gaat. Macht trekt mensen als vliegen aan. Veel mannen én vrouwen willen graag met machtige mensen worden gezien. Alsof de macht van die ander op henzelf afstraalt. En omdat die persoon dingen voor hen gedaan krijgt. Al komt dat meestal met een prijs. Overheersen en altruïsme gaan zelden samen. Lees verder “Maar wat is dan ‘stoer’? (3)”