Bewijs hun ongelijk

‘Prove them wrong’, staat er op de kaft van het schrift waarin hij zijn werkaantekeningen maakt. Het ligt bij mij in de schuur op de grond, tussen de krat met zijn gereedschap en de tas met zijn andere werkspullen in. Vanmorgen is hij weer als een wervelstorm bezig geweest. Ik zei dat hij een hoog tempo heeft. Zoals hij het verwoordt, houdt hij ervan ‘om te beuken’ tot hij voelt dat hij bijna kapot gaat en dan stopt hij ermee.

Inmiddels weet ik een piepklein beetje meer over hem. Hoe hij in deze situatie is beland, op welk punt hij in zijn leven staat, en hoe het misschien verder gaat. Een losse opmerking hier, een feitje daar.

Ik heb er natuurlijk geen verstand van, maar ik vermoed dat hij soms tegen zichzelf in bescherming moet worden genomen. Hij lijkt mij zo iemand waar iets te makkelijk misbruik van kan worden gemaakt. Niet dat hij dom is, verre van dat. Maar toch: te snel vertrouwen hebben in mensen. Welwillend zijn. Een goede mentaliteit hebben. Niet doortrapt genoeg om te beseffen wat er mogelijk gaat komen. Zelf heeft hij zijn pluspunten, voor zover ik ze kan zien. Wellicht dat een enkeling ze mist.

Iets en/of iemand heeft hem psychisch onderuit gehaald. Sowieso de klachten waar hij mee te dealen heeft. Hij moest al tweemaal afzeggen. Misschien dat hij zijn momenten van ‘uitval’ overcompenseert. Dat hij op de goede momenten in een soort high-toestand verkeert. En doorslaat. Van het een komt het ander. Kettingreacties zijn er in varianten.

Het was, geloof ik, aan het begin van de derde ochtend, toen hij half vragend, half constaterend zei: ‘Dus je hebt wel vertrouwen in mij.’ Ik moest mijn ogen gericht houden op mijn bezigheid en bevestigde vrij nonchalant dat dat inderdaad zo was. En vertelde waarom. Gewoon wat concrete zaken.

Eigenlijk had ik hem moeten vragen of er een reden was waarom ik geen vertrouwen in hem zou moeten hebben. Maar ja, dat gaat meteen weer zo ver. Dus dat deed ik maar niet.

Komt misschien nog wel. Ik ben de eerste klant in zijn schrift.

Verstandskies zorgt voor bloedbad

Een waarschuwing vooraf. Kan je niet tegen bloed, sla deze longread dan over. Maar hou je wel van een gruwelverhaaltje op zijn tijd, dan zit je hier prima.

Gisteren moest ik naar de kaakchirurg voor het trekken van mijn laatste verstandskies. De tandarts durfde deze ingreep zelf niet aan. Op foto’s kon ze namelijk zien dat de wortel eronder krom was. Ik heb eerder meegemaakt dat het een (vrouwelijke) tandarts bijna niet lukte om een kies te trekken. Die dingen zitten muurvast. Het werd toen zo een gesjor en gekraak, dat ik serieus vreesde voor een ontwrichte kaak.

Dus toen mijn huidige tandarts haar twijfel uitsprak, zei ik meteen dat een voorgangster er ook al zo’n moeite mee had gehad. Dit om haar over de streep te trekken. Want ze vreesde dat de kaakchirurg haar uit zou lachen vanwege de doorverwijzing voor een kleine ingreep. Maar na mijn opmerking was de keuze snel gemaakt. Vandaar dat ik gisteren voor het eerst het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem betrad.

Sinds mijn verhuizing, nu vier jaar geleden, wil ik al weten hoe dit ziekenhuis van binnen is. Qua doolhof is het vergelijkbaar met het LUMC in Leiden. En ook hier is een restaurant; altijd handig. Ik moet nog wel ontdekken of ze even lekkere pecanbroodjes hebben als in Leiden. Dat kwam er deze keer niet van. Je gaat tenslotte met een schoon gebit naar de kaakchirurg en na de ingreep had ik wat anders aan mijn hoofd.

Het trekken zelf valt mee. Je wordt verdoofd, en goed ook. Mijn andere drie verstandskiezen werden circa veertig jaar geleden getrokken. Toen ging het er nog Spartaans aan toe. Ik kan mij uit die tijd geen verdoving herinneren en ben dus wel wat gewend. Toch heeft zelfs een kleine lichamelijke ingreep impact. Het voelt achteraf alsof je bent gemangeld. Dat merk je vooral wanneer direct daarna iets wordt uitgelegd. Probeer je aandacht er dan maar eens bij te houden.

In rap tempo gaat de uitleg over een dikke wang en ijsblokjes en er is iets met pijnstillers. Ook krijg ik een spuitje met een krom tuitje mee. Dat laten ze even zien voordat het in een envelop gaat en daar moet ik de wond mee uitspuiten. Alleen: vanaf wanneer ook al weer? Verder moet ik spoelen, want er kunnen etensresten in de wond komen. Hier mag ik echter niet meteen mee beginnen. Iets met stolsels en een genezend wondje, even een dagje wachten en dan een week lang ongeveer. En ik krijg een receptje mee voor twee dingen plus een foldertje waar alles in staat, dus kan ik het thuis rustig nalezen allemaal. Nu eerst op dit watje bijten en dat een half uur laten zitten. Iets met de druk erop houden, het is nu tien uur dus om half elf mag het er weer uit.

Zo, klaar, handje geven maar. De kaakchirurg in opleiding veegt nog snel een paar bloedspetters van mijn gezicht voordat ik de deur uitga.

Eenmaal buiten voel ik mij licht in het hoofd. Mijn wang is nog goed verdoofd, maar ik proef bloed. Ook kan ik het stugge watje met mijn tong voelen. Ik hou mijn kaken stijf op elkaar en mijn mond dicht wanneer de bus arriveert. Meer dan een knikje naar de chauffeur zit er niet in. Gelukkig is er eten genoeg in huis en hoef ik slechts langs de apotheek, want de linkerkant van mijn gezicht is dik en strak van de verdoving. Zodra de verdoving uitwerkt, zal het pijn gaan doen.

Thuis gaat dat bloed doordrenkte watje er gelijk uit en zet ik meteen koffie. Wat ben ik daar aan toe, zeg. Met kleine nipjes probeer ik de vieze bloedsmaak zo goed mogelijk uit mijn mond te spoelen, zonder dat de koffie de pas gehechte wond raakt.

Er hangt iets rubberachtigs in mijn wang bij het gat dat de kies achterliet. Ik kan erop kauwen zonder dat het loskomt. Misschien is er tijdens de behandeling een stuk huid van mijn wang geschaafd. Door gevoelloosheid en de stijfheid van mijn kaak kan ik moeilijk nagaan wat het is. Maar wanneer ik voorover buig, voel ik nieuw bloed mijn mond in stromen. Oei.

Vanaf dat moment verandert de dag in een lange hindernissenbaan. Want er moet gegeten worden. Het is inmiddels half twaalf en ik lunch graag warm. Ook wil ik het meeste van mijn dagelijkse eten vroeg binnen krijgen. Dan kan de rauwe wond de rest van de dag ongestoord genezen. Soep laat ik staan; daar zit te veel bijtend zout in. Maar een smeuïg stamppotje van aardappels, peen, snijbonen en stukjes hamburger gaat prima. En het verdringt de overheersende smaak van bloed enigszins.

Tijdens de afwas sijpelt er opnieuw bloed in mijn mond en weer voel ik die rubberachtige sliert. Wat is dat toch? Inmiddels kan ik mijn kaken wat verder open doen, dus loop ik naar de spiegel. Wat ik daarin zie, is een werkelijk gore bedoening.

Die rubber flubber is een langgerekt stuk bloedstolsel dat over mijn kiezen hangt. Langs mijn wang en over mijn tanden slingeren taaie bloederige slierten en vliezen. En mijn hele mond is rood. Alsof je een vraatzuchtig monster in de bloed besmeurde bek kijkt. Nu smaakt dat bloed nóg viezer.

Ik word enigszins onpasselijk en wil acuut van die troep in mijn mond af. Maar in het foldertje staat dat je op de behandeldag geen wond mag uitspoelen. Wat nu? Nogmaals probeer ik die flubber door te kauwen, maar het spul is te flexibel. Het alternatief is doorknippen met een schaar. Dat blijkt makkelijker gezegd dan gedaan.

Ga maar eens in een bloed doordrenkte mond naar een glibber glad aanhangsel graaien terwijl je je kaken nog niet ver uit elkaar kan houden. Voor de zekerheid doe ik het boven een grote wasbak. Het wordt namelijk een erg bloederige toestand en ik wil de vloer schoon houden. Mijn kleding en de rest van de badkamer trouwens ook. Uiteindelijk lukt het om een flink stuk van die flubber af te knippen. Verder moet ik direct na het eten mijn tanden poetsen, zo staat er in het foldertje. Daarvan zal ik je de details besparen. (De badkamer is weer grondig schoon geboend.)

Gelukkig stopt het bloeden. Nu kan ik rustig naar de apotheek wandelen, al durf ik mijn mond niet open te doen. Zonder verder bloedvergieten maak ik gelijk een ommetje. ‘s middags voel ik nogmaals wat bloed mijn mond in sijpelen. Waarschijnlijk omdat ik toch een beetje heb gespoeld. De nare smaak blijft en de flubbertjes komen steeds terug. Na twee boterhammen gedrenkt in warme melk plus een poetsbeurt voel ik opnieuw wat bloed vloeien. Ook dat gaat voorbij.

Later, het is intussen half tien ’s avonds, gaat de wond alwéér bloeden, en sneller ook. Echt, dit is een klassieker. Mijn lichamelijke klachten worden altijd erger op vrijdagmiddag, ’s avonds of in het weekend. Ik kan dus niet meer naar de huisarts toe. Wat nu? Bij eerder getrokken kiezen had ik dit probleem niet en het foldertje zwijgt over bloedingen. Daarom raadpleeg ik internet. En ja hoor, nabloedingen komen vaker voor. Het advies: dertig minuten op een gaasje bijten of de dokter bellen.

Ik ga voor het gaasje. Alleen heb ik enkel oude gaasjes; weliswaar in originele verpakking. Hopelijk zijn ze schoon genoeg. Het gaasje bevat vermoedelijk ontsmettingsmiddel en dat smaakt eveneens goor. Nu proef ik dus twee soorten goor; eentje links en eentje rechts. Als het maar niet giftig is bij inwendig gebruik … Gatver, wat is dit allemaal naar. Het bloeden lijkt in elk geval te stelpen. Onderhand ben ik het helemaal zat en wil ik naar bed toe.

Helaas. Wanneer het half uur voorbij is en ik het gaasje weg haal, trek ik iets los en bloedt de wond weer! Daar word je toch niet goed van? Weer die vieze smaak, weer die walgelijke bloedstolsels, weer dat gore gedoe. Ik weet wel dat ik nooit bokser ga worden, met al dat bloed. En voorlopig hoef ik ook geen gebakken bloedworst meer.

Half elf ’s avonds. Ik vraag me ernstig af wat te doen. Mijn moeder heeft me bijgebracht dat dit soort dingen meestal vanzelf over gaan. We gingen vroeger niet snel naar de dokter toe. Oké, even rustig aan doen dan.

Ik ga in bed liggen, op mijn rug. Zo blijft het bloed goed binnen. Scheelt weer een extra was. Door de liggende houding stroomt het bloed wel vlotter naar mijn hoofd. Toch opzitten maar, al is dat minder prettig. Langzaam neemt het sijpelen af. En langzaam worden de stolsels groter. Ik word er gewoon misselijk van.

Nu breekt het uur van de duisterste gedachten aan. Ik denk aan verhalen over popsterren, die dronken stikten in hun eigen braaksel. Of waren het criminelen, die stikten in hun eigen bloedstolsels? Kan ik zo wel gaan slapen? Wat als dit onschuldig lijkt, maar straks helemaal misgaat? Hoeveel bloed verlies ik eigenlijk? Ik moet het elke minuut wegslikken. Heel voorzichtig probeer ik de langste bloedslijmdraden toch weg te knippen, waar dat kan.

Half twaalf  ’s avonds. Het vloeien is minder, maar nog steeds niet volledig gestopt. In de gemeentegids staat waar ik eventueel terecht kan voor spoedhulp. Het ziekenhuis in Arnhem. Dat betekent twee bussen nemen via het Centraal Station. De laatste bus uit ons dorp vertrekt nu. Bij de buurvrouw brandt nog licht. Zal ik naar haar toe gaan? Of zal ik toch maar rustig blijven liggen, met mijn hoofd hoog op een kussen? Ik wil haar de rompslomp van een semi-nachtelijk ziekenhuisbezoek niet aandoen.

Afijn, om een lang verhaal kort te houden: het is nu de volgende dag en ik leef nog steeds. Ook is het bloeden gestopt. Er zit alleen zo’n vieze gore flubberige bloedprop in mijn mond. Straks moet ik eten. Als mij dat fataal wordt, merk je het vanzelf aan de stilte op dit blog.

Zijn we al emotioneel volwassen?

Het valt mij op hoe sommige volwassenen zich als kinderen kunnen gedragen. Typerende kenmerken zijn: geen verantwoordelijkheid willen nemen, egocentrisme en weinig relativeringsvermogen. Al tijden zoek ik naar verklaringen en nu wijst Henk50 op een prachtig begrip: ego-transcendentie.

Volwassenheid houdt in dat je jezelf en je eigen belang kan overstijgen. Als je dat stadium bereikt, bereik je wijsheid. Henk wijst op Judith Viorst, een psychoanalytica die meent dat veel ouderen daarin niet slagen. ‘Ze kunnen vervelend, praatziek, egocentrisch en klaagziek zijn. De wereld draait om hen.’ Maar: ‘Tegelijkertijd kunnen mensen ook veranderen.’, schrijft hij. En dat is waar het mij hier om gaat.

Praat je over ouderen, dan denk ik aan de generatie van mijn vader en moeder. Geboren in de jaren dertig of veertig hebben ze wel of niet bewust de oorlog meegemaakt. Daarna volgden de wederopbouw en de bekrompen jaren vijftig, de revolutionaire jaren zestig en de alternatieve jaren zeventig. In de jaren tachtig werd het bestaan geleidelijk aan zakelijker. De rest is bekend.

Je kan je afvragen hoe de huidige ouderen zijn opgevoed. Want de gezinnen waren groot, sociale zekerheid ontbrak en het leven was hard. Dat doet iets met mensen. En in hun jeugd was er nog weinig wetenschappelijke kennis van pedagogie. Hoe anders is dat nu. Zelfs al maakt een kind geen goede start, dan is er psychosociale begeleiding voorhanden.

Er komen er nu relatief veel boeken op de markt van veertigers en vijftigers die ‘afrekenen’ met hun ouders. Mijn generatie heeft kennelijk iets te verwerken. Niet alles is goed gegaan en daarvan zijn we ons zeer bewust. Want we zien wat opvoeding tegenwoordig inhoudt. Een aantal van ons heeft wel anders meegemaakt. Menige ondermijnende gedachte en blokkade valt rechtstreeks te herleiden naar onze jeugdjaren.

Bij de oudere generatie zullen vast ook de nodige ondermijnende gedachten leven en blokkades bestaan. Alleen was het rond hun vijftigste minder gebruikelijk om naar een coach of psycholoog te gaan. Hoger opgeleiden deden dat misschien. Maar de rest? Die vond waarschijnlijk dat je je niet moest aanstellen. Ze zijn wel flink geweest, maar hebben minder aandacht besteed aan hun persoonlijke ontwikkeling. Hierdoor kan het gebeuren dat ouderen zogezegd vervelend worden en verzuren.

Volgens mijn buurman (die van de rioolperikelen) is mijn roodbladige boom ‘maar lelijk, want er komen geen bloemen in.’ Zijn vrouw had een voorkeur voor bloemen en hij baalt dat ik een andere boom heb gekapt. Ligt het aan zijn beperkte mentale blikveld, of ligt het aan zijn gezichtsvermogen? Ik zou toch zweren dat dit hierboven bloemetjes zijn.

Voor hem komt ‘De kracht van kwetsbaarheid’ van Brené Brown wellicht te laat. Maar andere volwassenen fleuren misschien nog op als ze een spelletje Omdenken doen.

Van oorzaak en gevolg naar reactie

‘Je laat hem over je heen lopen’, zegt de buurvrouw. Ze doelt op de buurman wanneer we bijpraten over de stand van de rioolzaken. Oppervlakkig gezien heeft ze gelijk. Ik heb te lang geduld opgebracht. Toen we in november crisisberaad hielden terwijl de mannen van de rioolservice bezig waren, zei ze dat ook al. En ze demonstreerde hoe het anders moest, volgens haar. Ze keek mij strak aan en kwam dreigend steeds dichter bij mij staan. Tot haar gezicht het mijne bijna raakte. Inwendig kon ik er wel om lachen, want zo’n oefening heb ik al eens in een assertiviteitstraining gedaan.

En ik laat mensen niet over mij heen lopen. Dat bleek al op mijn veertiende. Toen kwamen per toeval mijn enorme vastberadenheid en doorzettings-vermogen tevoorschijn. Het enige waar ik soms nog moeite mee heb, is het moment kiezen waarop ik deze kenmerken vol of juist gedoseerd inzet. Kijk naar gezonde jonge mannen. Zij moeten hun fysieke kracht leren beheersen. Op vergelijkbare wijze moet ik met de macht achter mijn wilskracht omgaan.

Maar mijn buurvrouw dan, waar komt die herhaalde opmerking vandaan? Wat zegt het over háár, dat zij zo’n uitspraak doet? Ze is beslist aardig en een paar jaar jonger dan ik. Wel is ze ook moeder van drie jongvolwassen kinderen. Is die opmerking daarom onwillekeurig bedoeld als stukje opvoeding? Of praat ze vanuit haar rol op het werk? Ze is namelijk zelfstandige in het onderwijs. Ik heb al heel wat mensen uit die sector ontmoet die het beter weten dan de rest. Ook al is het goedbedoeld.

Of gaat dit dieper en zit het sowieso in haar karakter? Dan draait dit misschien om onze onderlinge positie. Wil zij de leider zijn of een autoriteit, en zitten we dan in een top-down situatie? Dan zie ik een redelijk logische link met haar beroepskeuze. Of sta ik hier gewoon buiten en speelt de scheiding van haar man een rol? Die is nog redelijk vers. En ook die gebeurtenis kan verband houden met haar karakter. Of, het is een long shot, breekt onzekerheid haar op?

Want ik ben het meest autonoom van ons tweeën. Ook bij de rioolperikelen heb ik mijn daadkracht en probleemoplossende vermogen al bewezen. Morgen stuur ik het hele dossier volgens afspraak naar mijn inmiddels vaste contactpersoon bij Bouwzaken. Buurman kan zijn borst natmaken, want dan gaat Handhaving ermee aan de slag.

Iedereen wil serieus worden genomen, ook de buurman. Zijn grootste probleem is niet financieel van aard. Zijn probleem is dat hij maling heeft aan iedereen, dus ook aan mij. Maar juist bij onrecht komt al mijn vastberadenheid en doorzettingsvermogen naar boven. Dat kan ik linea recta terugleiden naar een groep voorouders. Zij gingen vanwege onrecht ook voor de dood of de gladiolen.

Soms laat ik mensen in hun waan. Misschien voelt buurvrouw dat toch goed aan.

Verknipte mannen en een gestoorde hond

Deze week dacht ik even aan Anne Faber. Anne werd ruim een jaar geleden door een psychisch gestoorde man verkracht en vermoord. Dergelijk geweld tegen vrouwen vindt helaas continu plaats. Overal ter wereld, 24/7, fysiek en mentaal. Op elke denkbare manier. Binnen gedwongen huwelijken is geweld tegen vrouwen ‘normaal’. Zulke verbintenissen zijn in grote delen van de wereld gangbaar. En slavernij tiert nog welig in het Midden-Oosten, Azië en Afrika. Alleen is de naam van deze arbeidsverhouding nu anders.

In ons liefelijke landje is verkrachting aan de orde van de dag. Dat gebeurt onder de noemer van (betaalde) seks, maar wel met vrouwen die hier onder valse voorwendselen naartoe zijn gebracht. In de VS kan zogenaamd ‘white trash’ binnen dat land als sekswerker worden ‘verkocht’. Het levert veel geld op, dus deze verdienmodellen blijven.

Ook mannen met psychische stoornissen blijven nog wel even. Evenals mannen met een beroerde opvoeding of iets teveel drugs in hun bloed. Het probleem is dat sommigen van hen minder goed kunnen omgaan met vrouwen. Diep in hun hart zijn ze er misschien bang voor. Dus moeten vrouwen eronder worden gehouden.

Op een dag fotografeer ik paddenstoelen op een bebost landgoed. Het park grenst aan Arnhem en er wandelen mensen met loslopende honden rond. De meesten zijn goed opgevoed. Maar niet allemaal. Daarom zit ik met een vraag. Wat denkt een hond als hij aanvoelt dat zijn verknipte baasje bang is, of minachting voelt, voor iedere loslopende vrouw die hij daar tegenkomt?

Nieuwsbespreking op de hei

We zitten op een bankje bij de hei en bespreken de stand van Nederland. Dat is ons toevertrouwd; we hebben een beroepsmatige kijk op zaken. Het hele spectrum aan hete hangijzers komt voorbij. De zorg, het onderwijs, de banken, de arbeidsmarkt, die blunder in Syrië, de EU en wat we nu toch aan moeten met dat kinderpardon. En dan zijn er nog die één miljoen huizen, die ze hier voor 2030 willen bouwen. We zuchten en krijgen het er benauwd van.

Ik vertel over mijn uitstapje onlangs naar Schaijk en over wat ik daar aantrof. Bijvoorbeeld een groot staalbedrijf, wat je niet verwacht bij een klein dorp. Het ligt aan een landweg met vooral bungalowparken, akkers en stallen. Er zijn ook opvallend veel hekken en bewakingscamera’s. Recht tegenover het bedrijf staat het huis van de staalmagnaat op een mega-terrein. Hij heeft zijn eigen helikopter haven. Aangrenzend bevindt zich het optrekje van een familielid met riante manege. ‘Nou’, gis ik, ‘die magnaat heeft de gemeenteraad vast in zijn broekzak.’ Weet ik veel.

’s Avonds lees ik de Volkskrant. Daarin staat een artikel over natuurgebied Kampina in Brabant. Een investeerder wil daar pal naast kwetsbare natuur een mega-varkensstal bouwen. Iedereen is mordicus tegen, want de stikstofuitstoot zal het hele gebied verzieken. De vergunning is echter al jaren geleden afgegeven. Kwestie van belangenverstrengeling bij de gemeente in het verleden.

We zijn hier nauwelijks verheven boven een bananenrepubliek. Maar de clan van de staalmagnaat en die varkensboer zijn klein bier. Nederland telt weer zoveel duizend miljonairs meer. De grootste stijging zit bij de beroepen agrariër, advocaat en medisch specialist.

Over de medische wereld gesproken. Vanaf volgend jaar betalen we € 30 per persoon per jaar meer aan ziektekostenverzekering. Dit onder andere vanwege de allerduurste medicijnen. De extra kosten komen bovenop de twee miljard euro die we in 2017 al afdroegen voor enkele duizenden patiënten. Want elk Europees land moet afzonderlijk onderhandelen met de farmaceutische industrie. Deze bedrijven dwingen geheimhouding af, zodat landen niet kunnen samenspannen. Durft een land of ziekenhuis af te wijken, dan krijgt het meteen een advocaat op zijn dak.

De farmaceutische industrie beroept zich op torenhoge ontwikkelings-kosten. Intussen leunt ze wel op wetenschappelijk onderzoek dat is betaald door de samenleving. De medisch specialist wil helpen en als professional scoren. (Wellicht ook financieel?) De patiënt wil een dragelijk leven en vraagt er dus om. De politicus zit in de tang, want die durft de zieke kiezer geen nee te verkopen. De lobbyist spint er op alle fronten garen bij. En de farmaceutische industrie kan haar aandeelhouders weer pleasen. Waartoe overigens ook Nederlandse pensioenfondsen behoren. Hoe is het mogelijk dat EU-landen zich zo laten uitspelen en ringeloren? Dit is gewoon een ordinair gevalletje consumptiemaatschappij.

We zijn het met elkaar eens. Gezeten op het bankje kijken we weer om ons heen. De paarse heide combineert mooi met het bruine gras en de groene dennen ertussen. Ja, ja.

Riskeer en word weerbaar

Onlangs sprak ik iemand die het liefste samen met anderen uitstapjes maakt. Zich aansluiten bij een groep is echter niet genoeg. Er moet een vertrouwde naaste mee, anders voelt die persoon zich toch kwetsbaar en alleen. Leeftijd maakt weinig uit; dit is altijd zo geweest.

Het staat haaks op hoe ik zelf in het leven sta. Veel mooie ervaringen heb ik meegemaakt juist omdat ik alleen was. En wat ik heb bereikt, heb ik ook zelfstandig gedaan. Natuurlijk kan je wat hulp of geluk gebruiken. Maar in je eentje uitdagingen aangaan hoort bij volwassen worden. Hoe kan je anders op eigen benen staan?

Uitdagingen krijgen we allemaal. Examen doen, verhuizen en naar een andere school gaan, nieuwe vriendschappen sluiten en presentaties geven. In dergelijke situaties moet je het helemaal zelf doen. (Al gaan sommige ouders met hun kind mee naar een sollicitatiegesprek.)

Ouders kunnen veel doen om hun kind een stevige basis en zelfvertrouwen te geven. Gebeurt dat niet, dan heeft zo’n kind een veel langere weg te gaan. Maar eenieder die de wijde wereld in trekt, krijgt kansen om bij te leren. Daarvoor moet je wel uit je schulp kruipen en het op zijn minst probéren.

Dan nog zal het zelden van een leien dakje gaan. Voor onzekere of sociaal onhandige mensen is de wereld behoorlijk intimiderend. Misschien roep je een negatieve reactie op door je eigen gedrag. Ook kan er een aanleiding zijn van buitenaf. Gewoon, omdat de ander zijn dag niet heeft of omdat hij een aso is. Onderscheid is belangrijk. In alle gevallen kan je van aanvaringen leren. Desnoods met hulp van een coach die helder maakt wat er speelt en handvatten geeft.

Ik heb het meeste geleerd van mensen die buiten mijn vertrouwde kringetje staan. Dat was soms zeer confronterend. Het ging – en zal altijd blijven gaan – met vallen en opstaan.