Stof uit mijn tropische verleden

Zodra de temperatuur boven de 27 graden komt, mogen ze weer naar buiten: mijn souvenirs uit de tropen en andere warme oorden. Klassieke souvenirs zoals beeldjes, glazen en asbakken met ‘Torremolinos’, ‘Parijs’ of ‘Bali’ erop heb ik nooit verzameld. Maar kleding en gebruiksartikelen des te meer. Vooral die kleren en mijn doekenverzameling zijn nu ideaal.

Een deel van de kleding is authentiek. Hiermee bedoel ik dat de plaatselijke bevolking er ook zelf in rondliep. Slechts een deel van dergelijke kleding is voor westerlingen geschikt. Vrouwen in Afrika en Azië hebben nu eenmaal een ander postuur dan de gemiddelde vrouw in Nederland. En populaire bloesjes in die werelddelen wijken nogal af van onze mode. Mijn luchtigste jurkjes uit Azië zijn speciaal gemaakt voor de toeristenmarkt. De stof is viscose en voelt heerlijk koel aan.

Ook doeken en sjaals komen van pas tijdens een hittegolf. In de voortuin staan mijn hortensia’s sinds deze week in bloei. Ze branden echter weg in de zon en dat is niet de bedoeling. Ter bescherming heb ik een azuurblauwe omslagdoek met tropische vissen print over enkele struiken gelegd. Dat is een souvenir uit Samoa, een eilandenrijk in de Stille Zuidzee. En mijn witte Ethiopische sjaal met gouddraad bedekt twee andere struiken.

Doeken op heggen en struiken zijn voor mij een vertrouwd beeld. Het is in sommige landen de gangbare manier om wasgoed te drogen. Vroeger deed men dat hier op bleekvelden eveneens.

Wat de overburen ervan denken, moet ik nog horen. In elk geval zal mijn naaste buurvrouw de doeken wel waarderen. Tenslotte hangen er bij haar nu twee bontgekleurde exemplaren uit Congo. Ze is als kind van expats in dat land opgegroeid en zo houdt ze haar keukenraam uit de zon. Dit gebruik ken ik dan weer uit Libanon, waar gestreepte doeken hangen voor menig balkon.

Toch heb ik nog even snel gewoon vliesdoek voor de hortensia’s besteld. Dat zal nodig zijn vanwege de verwachtte hitte. Hopelijk komt het aan voordat iemand in de verleiding komt om mijn mooie doeken weg te graaien.

De man achter de tatoeages

De man van de rioolservice fascineert me, omdat zijn leefwereld zo afwijkt van de mijne. Maar ik deel met hem een liefde voor tatoeages. Bij zijn eerste bezoek vielen ze direct op, hoewel hij ze verborg. Dikke zwarte punten in zijn hals piepten tevoorschijn vanonder zijn kraag. En zijn mouwen lieten een stukje getatoeëerde huid bloot op zijn pols. Daarbij: zwarte werkkleding en dito bomberjack; zilver gerande gaten in zijn oorlellen en een kaal hoofd. Het plaatje was compleet. Alsof er een skinhead in huis stond die er graag flink op los beukt.

In eerste instantie komt het heftig over. Maar wat weet je van iemand wanneer je alleen zijn uiterlijk ziet? Hij vertelde me onlangs dat hij zijn tatoeages bij eerste klantbezoeken altijd bedekt. Mensen schatten hem vaak anders in dan hoe hij werkelijk is. Dat ontdekken ze pas later.

Mij maakten die stukjes tatoeage vooral nieuwsgierig. Wat ging er nog meer verborgen onder zijn kleren? Wat voor soort tatoeages had hij? Waar stonden die tatoeages voor? Veel mensen laten zich om specifieke redenen tatoeëren en elke afzonderlijke tatoeage heeft voor de drager een eigen betekenis.

Lang werden tatoeages geassocieerd met criminelen en andere lieden van twijfelachtig allooi. Binnen het christendom waren ze verboden. Inmiddels zijn tatoeages een algemeen fenomeen. Circa 10% van alle Nederlanders heeft er een. Op warme dagen is dat goed te zien. Van de Nederlanders tussen de 18 en 50 jaar heeft 24% minimaal één tatoeage en tussen de 18 en 29 jaar is al 31% getatoeëerd. (Bron cijfers: NL tijdschrift voor dermatologie.)

Dit is een revival, want ook Kelten en Germanen droegen tatoeages, evenals menig ander volk. Ik heb jaren geleden onderzoek gedaan naar traditionele tatoeages in Polynesië. Ze vertellen boeiende verhalen over een cultuur en samenleving.

‘Mensen met tatoeages worden nu juist gezien als ambitieuzer, sterker en zelfverzekerder dan mensen zónder tatoeage.’ (Bron: Beautify.) Volgens mij hangt dat sterk af van de drager zelf, van het soort tatoeage, en van aan wie je dit vraagt.

De drager kan een hoogbejaarde joodse man zijn met een nummertatoeage uit een concentratiekamp. Sterk is hij dan zeker, maar ambitieus en zelfverzekerd? De tatoeage kan ook bestaan uit zo’n slordig uitgelopen blauwe vlek, die amateuristisch met een losse naald in de gevangenis is gezet. Ben je ambitieus, dan is het voordeel van een tatoeage afhankelijk van de sector waarin je werkt. In een hippe barber shop gaat dat prima. Maar in een christelijk zorgcentrum voor ouderen is de acceptatiegraad van een arm bedekkende sleeve wat minder.

Ik neem aan dat de meeste Nederlanders uit esthetische overwegingen voor een tatoeage kiezen. Het kunstenaarschap van de tatoeage-artiest was tot in de jaren zeventig beperkt tot standaardplaatjes van ankertjes, roosjes, zwaluwtjes met een sjerp en de naam van een geliefde, en dergelijke. Inmiddels brengt een Tattoo Bob of Tattoo Kim tribale versieringen aan van over de hele wereld. Authentiek of niet. De ware artiesten, volgens mij dan, ontwerpen zelf op basis van wat een klant wenst.

Verder is de tijd van een plaatje op de linker- of rechterschouder wel voorbij. De volgende mode werd een symmetrische tekening midden op de onderrug of direct onder de nek. En nu is alles mogelijk. Full body tattoos, sleeves, pseudo tribal, been bedekkende Moko, et cetera. De man van de rioolservice heeft een hele verzameling. De meesten in motieven uit Azië. Hoe ik dat weet? Hm, tja.

Mode van 2019 naar 1910

Mode rond 1910 dames bij kaptafel

Soms maak je wat los met een logje. Wat begint met Modieus in je eigen stijl gaat over op Mmmode! in het vliegtuig van en naar Milaan. Daarna ontaardt het al snel in een uitwisseling over dames in fraaie verpakking. Tja, laat dat maar aan de Italianen over, die verpakking. Vroeger konden ze daar ook al wat van.

De foto’s in Bentenge’s logje roepen bij mij dan weer associatieve beelden op uit het ansichtkaartenboek van mijn oudtante. Rond 1910 waren ze ook al dol op dames in fraaie verpakking. Het ging er wat subtieler aan toe, maar de benen werden toen evengoed getoond. Al wat daarvoor nodig was, was de enscenering van een klassiek tafereeltje met een Griekse/Romeinse schone. Rond 1910 gingen dames en heren overigens keurig gekleed.

Ik werd wel even op het verkeerde been gezet door het plaatje linksboven. Kijkt de dame aan de kaptafel nu werkelijk op een smartphone?

Mode rond 1910 Grieks of Romeinse schone

Modieus in je eigen stijl

Is het normaal dat je vanaf een zekere leeftijd minder kleding koopt? Ik heb nog weinig behoefte om steeds wat nieuws te kopen. De garderobekast hangt vol. Vroeger genoot ik vaak van een dagje statten. Vooral van het moment waarop ik met veel tassen thuis kwam en alle aanwinsten uitstalde. Dat gaf een intens tevreden gevoel. Nu doe ik meer aan vervanging door iets vergelijkbaars en dat is voldoende. Want na verloop van tijd weet je wat goed zit. Zo ontwikkel je vanzelf een eigen stijl.

Het modebeeld herhaalt zich om de zoveel jaar. Daar ga ik tot op zekere hoogte in mee. Lange broeken reiken weer tot de taille; truitjes laten navels bloot. Wanneer was dat voor het laatst populair? In de jaren negentig, vermoedelijk, want uit die periode heb ik nog zo’n truitje. Dus wie wat bewaart, heeft wat. Hoewel? Zelf verander je toch ook. Dus om nu als semi-ouwe taart met een blote navel rond te lopen …

Wat vaak langer beklijft, zijn klassieke ‘basic’ modellen (jeans, T-shirt) en favoriete kleuren. Mij kan je uittekenen in zwart. Heel veel zwart, plus blauw en groen en alles wat daar aan blauw-groentinten tussen zit. Turkoois bijvoorbeeld. Verder hou ik van goud, goudgeel en bruin. En een beetje rood. Dit kleurenpalet komt overal in terug. In kleding, woonaccessoires en bloemen in de tuin. Ja, zelfs in tandpasta.

Daarom vrees ik de dag waarop ik zichtbaar ouder wordt. Dan maakt zwart een gezicht namelijk zo ‘hard’. Maar als toekomstige bejaarde ga ik niet rondlopen in een ruim zittend beige jasje met dito pantalon voor senioren. En dan beige gezondheidsschoenen eronder, met kleine gaatjes in het bovenleer. No way. Hoort dat bij de huidige oude garde of gaat de volgende generatie zich daar ook aan overleveren? Jongens, blijf trouw aan je eigen stijl!

Naar de sportschool

Het jaar is net begonnen en er wordt een interessante activiteit aangekondigd. Zo’n sportactiviteit waarvan je denkt: ‘Dat zou ik nu eindelijk eens moeten proberen.’ Vol goede moed geef je je op en daarna vergeet je het weer. Totdat je een bladzijde in je agenda omslaat en ineens de betreffende datum ziet. ‘S**t,’ denk je dan, ‘heb ik mij dáár voor aangemeld? In een spòrtschool …? Ik? Dat kan niet waar zijn!’ Maar het is echt zo.

Wat een ellende. Ik heb er gewoon slecht van geslapen. Wie meldt zich nu aan voor een fitheidstest op zondagochtend? Het moet gezegd: bij aanmelding leek het best aanlokkelijk. Vanuit de gemeente wordt dit speciaal voor 50-plussers georganiseerd. Wel was een minpuntje dat die test zou plaatsvinden in een sportcomplex in een ander dorp. Maar dat is met twee buslijnen bereikbaar, dus dat mocht geen bezwaar zijn.

Zoiets is dan wel buiten mezelf gerekend, want ik maak elke sportactiviteit vanzelf ingewikkeld. In de bevestigingsbrief staat namelijk dat ze soepele kleding aanbevelen. En je mag de sporthal alleen met schone schoenen betreden. Die moeten bovendien lichte zolen hebben. Kijk, dat is een probleem. Want ik heb wel vijf paar wandelschoenen voor alle weersomstandigheden en ondergronden. Maar de vloer van een sportzaal zit daar niet bij. En ik hou van zwart, hè. Enkel mijn crèmekleurige ballerina’s kunnen er enigszins mee door. Alleen zijn die bedoeld voor stadswandelingen.

Dan de kleding. Als je zo van de voordeur hop in je auto stapt, kan je gerust je badpak aantrekken. Handdoekje omslaan en klaar. Maar ik moet met openbaar vervoer. En de enige bus die op het juiste moment daar bij de sporthal aankomt, stopt aan de andere kant van ons dorp. De halte is wel een kilometer lopen. Daar worden schoenen vuil van.

Even terug naar de kleding. Ik laat mijn spullen niet graag onbewaakt achter. Dus waar stop je je smartphone? (Nodig voor de route en de bustijden.) Waar laat je je huissleutel? Is het beter om portemonnee en pasjes etui thuis te laten? (Dan wel het pasje voor openbaar vervoer meenemen.) Zouden er kluisjes zijn? Zo ja, gaat daar een euro in? (In dat geval muntgeld meenemen, en wat papiergeld voor de zekerheid.) Of krijg je het sleuteltje zo mee? (Nogmaals: waar laat je dat?) Ik wil graag iets aantrekken met zakken waar sleutels in passen. Alleen hebben mijn leggings geen zakken, terwijl leggings in alle opzichten ideaal zijn.

Et cetera.

En wat denk je van de weersverwachting? Dat is ook een complicerende factor. Want ’s nachts in bed kan ik het gekletter al horen. Er wordt zeer veel regen en wind voorspeld. Voordat ik straks de bushalte bereik, ben ik al verwaaid en doorweekt. Zo wil je toch niet verschijnen?

Nou ja, ik ben dus geweest. Het was best aardig. Op een gegeven moment zat ik met een rijtje vijftigers op een bankje herinneringen op te halen aan de gymlessen uit onze jeugd. ‘Apenkooien’ was het sleutelwoord. Dat vonden we allemaal leuk.

Mijn aversie tegen sportscholen is direct herleidbaar naar de middelbare-schooltijd. Die periode waarin je als de dood bent dat je afwijkt. Afwijkt waarvan, weet ik niet. Het gemiddelde of zo? Ik heb geen idee hoe dat gemiddelde er uit ziet.

Daarom kon het mij vandaag weinig schelen. En plein public ben ik in mijn legging en korte rokje helemaal vanaf de halte aan de andere kant van het dorp terug naar huis gewandeld. Geen mens dat onderweg raar naar mijn benen keek. Ze zien er toch wel normaal uit, geloof ik.

Je spullen beïnvloeden je humeur

Waarvan wordt je blijer: spullen kopen of spullen wegdoen? Onlangs haalde iemand tien loodzware grindtegels bij mij op. Daarna voelde ik me letterlijk lichter. Een kledingkast opruimen werkt net zo. In de afgelopen winter kon mijn garderobe er nog mee door. Maar nu moet het oude spul weg en wil ik wat nieuws. Bezittingen waarop je bent uitgekeken, zullen gaan irriteren. En een huis vol overtollige huisraad werkt deprimerend.

Het is frappant hoe meubels en frutsels plotseling uit de gratie kunnen raken. Jarenlang zijn ze onderdeel van het interieur en ben je er tevreden mee. Totdat je ze eens goed bekijkt. Bijvoorbeeld als je bezoek krijgt. Dan pas valt op hoezeer de bekleding van je zithoek is verkleurd. En de vaas die eerst zo leuk was, vind je nu ineens oubollig.

De staat van alles om je heen werkt psychisch op je door. Een wijk vol steen en zonder groen geeft je een armoedig en minder veilig gevoel. Puilt je kast uit met aftandse troep, dan heb je wellicht ook zelf betere tijden gekend. En in een lubberende trui voel je je al gauw slonzig. Ik tenminste wel. Vooral wanneer iemand onverwacht aanbelt.

Doe lelijke of kapotte bezittingen weg. (Of gun ze een tweede leven met een lik verf.) Je zal zien dat de overblijvende spullen daarna beter tot hun recht komen. En extra ruimte is altijd handig. Tenzij lege plekken storend worden, natuurlijk. Die kan je dan weer mooi opvullen.

Déjà vu in de mode

Als je maar lang genoeg rondloopt, zie je dat alles vanzelf terugkomt. Zeker in de mode. Neem nu deze twee riemen. Ze zijn allebei ongeveer twintig jaar oud. De bovenste droeg ik jaren geleden, en daarna nooit meer. Niet omdat ik zo was uitgedijd. Nee, omdat de band van modieuze broeken naar heupniveau was gezakt. En voor mijn heupomvang was hij ontoereikend. Dus bleef die riem in de kast.

De onderste riem is nooit gedragen en was ik helemaal vergeten. Ik kreeg hem cadeau toen broeken op taillehoogte mode waren. Toen was hij mij te lang. Nu komen broeken ergens tussen heup- en taillehoogte. Ik kan hem nog even dragen. Want de taillebroeken met wijde pijpen zijn alweer in aantocht. Net als rond 1975 en rond 1995. Er is slechts een trendvertraging van drie jaar.