Naar de sportschool

Het jaar is net begonnen en er wordt een interessante activiteit aangekondigd. Zo’n sportactiviteit waarvan je denkt: ‘Dat zou ik nu eindelijk eens moeten proberen.’ Vol goede moed geef je je op en daarna vergeet je het weer. Totdat je een bladzijde in je agenda omslaat en ineens de betreffende datum ziet. ‘S**t,’ denk je dan, ‘heb ik mij dáár voor aangemeld? In een spòrtschool …? Ik? Dat kan niet waar zijn!’ Maar het is echt zo.

Wat een ellende. Ik heb er gewoon slecht van geslapen. Wie meldt zich nu aan voor een fitheidstest op zondagochtend? Het moet gezegd: bij aanmelding leek het best aanlokkelijk. Vanuit de gemeente wordt dit speciaal voor 50-plussers georganiseerd. Wel was een minpuntje dat die test zou plaatsvinden in een sportcomplex in een ander dorp. Maar dat is met twee buslijnen bereikbaar, dus dat mocht geen bezwaar zijn.

Zoiets is dan wel buiten mezelf gerekend, want ik maak elke sportactiviteit vanzelf ingewikkeld. In de bevestigingsbrief staat namelijk dat ze soepele kleding aanbevelen. En je mag de sporthal alleen met schone schoenen betreden. Die moeten bovendien lichte zolen hebben. Kijk, dat is een probleem. Want ik heb wel vijf paar wandelschoenen voor alle weersomstandigheden en ondergronden. Maar de vloer van een sportzaal zit daar niet bij. En ik hou van zwart, hè. Enkel mijn crèmekleurige ballerina’s kunnen er enigszins mee door. Alleen zijn die bedoeld voor stadswandelingen.

Dan de kleding. Als je zo van de voordeur hop in je auto stapt, kan je gerust je badpak aantrekken. Handdoekje omslaan en klaar. Maar ik moet met openbaar vervoer. En de enige bus die op het juiste moment daar bij de sporthal aankomt, stopt aan de andere kant van ons dorp. De halte is wel een kilometer lopen. Daar worden schoenen vuil van.

Even terug naar de kleding. Ik laat mijn spullen niet graag onbewaakt achter. Dus waar stop je je smartphone? (Nodig voor de route en de bustijden.) Waar laat je je huissleutel? Is het beter om portemonnee en pasjes etui thuis te laten? (Dan wel het pasje voor openbaar vervoer meenemen.) Zouden er kluisjes zijn? Zo ja, gaat daar een euro in? (In dat geval muntgeld meenemen, en wat papiergeld voor de zekerheid.) Of krijg je het sleuteltje zo mee? (Nogmaals: waar laat je dat?) Ik wil graag iets aantrekken met zakken waar sleutels in passen. Alleen hebben mijn leggings geen zakken, terwijl leggings in alle opzichten ideaal zijn.

Et cetera.

En wat denk je van de weersverwachting? Dat is ook een complicerende factor. Want ’s nachts in bed kan ik het gekletter al horen. Er wordt zeer veel regen en wind voorspeld. Voordat ik straks de bushalte bereik, ben ik al verwaaid en doorweekt. Zo wil je toch niet verschijnen?

Nou ja, ik ben dus geweest. Het was best aardig. Op een gegeven moment zat ik met een rijtje vijftigers op een bankje herinneringen op te halen aan de gymlessen uit onze jeugd. ‘Apenkooien’ was het sleutelwoord. Dat vonden we allemaal leuk.

Mijn aversie tegen sportscholen is direct herleidbaar naar de middelbare-schooltijd. Die periode waarin je als de dood bent dat je afwijkt. Afwijkt waarvan, weet ik niet. Het gemiddelde of zo? Ik heb geen idee hoe dat gemiddelde er uit ziet.

Daarom kon het mij vandaag weinig schelen. En plein public ben ik in mijn legging en korte rokje helemaal vanaf de halte aan de andere kant van het dorp terug naar huis gewandeld. Geen mens dat onderweg raar naar mijn benen keek. Ze zien er toch wel normaal uit, geloof ik.

Je spullen beïnvloeden je humeur

Waarvan wordt je blijer: spullen kopen of spullen wegdoen? Onlangs haalde iemand tien loodzware grindtegels bij mij op. Daarna voelde ik me letterlijk lichter. Een kledingkast opruimen werkt net zo. In de afgelopen winter kon mijn garderobe er nog mee door. Maar nu moet het oude spul weg en wil ik wat nieuws. Bezittingen waarop je bent uitgekeken, zullen gaan irriteren. En een huis vol overtollige huisraad werkt deprimerend.

Het is frappant hoe meubels en frutsels plotseling uit de gratie kunnen raken. Jarenlang zijn ze onderdeel van het interieur en ben je er tevreden mee. Totdat je ze eens goed bekijkt. Bijvoorbeeld als je bezoek krijgt. Dan pas valt op hoezeer de bekleding van je zithoek is verkleurd. En de vaas die eerst zo leuk was, vind je nu ineens oubollig.

De staat van alles om je heen werkt psychisch op je door. Een wijk vol steen en zonder groen geeft je een armoedig en minder veilig gevoel. Puilt je kast uit met aftandse troep, dan heb je wellicht ook zelf betere tijden gekend. En in een lubberende trui voel je je al gauw slonzig. Ik tenminste wel. Vooral wanneer iemand onverwacht aanbelt.

Doe lelijke of kapotte bezittingen weg. (Of gun ze een tweede leven met een lik verf.) Je zal zien dat de overblijvende spullen daarna beter tot hun recht komen. En extra ruimte is altijd handig. Tenzij lege plekken storend worden, natuurlijk. Die kan je dan weer mooi opvullen.

Déjà vu in de mode

Als je maar lang genoeg rondloopt, zie je dat alles vanzelf terugkomt. Zeker in de mode. Neem nu deze twee riemen. Ze zijn allebei ongeveer twintig jaar oud. De bovenste droeg ik jaren geleden, en daarna nooit meer. Niet omdat ik zo was uitgedijd. Nee, omdat de band van modieuze broeken naar heupniveau was gezakt. En voor mijn heupomvang was hij ontoereikend. Dus bleef die riem in de kast.

De onderste riem is nooit gedragen en was ik helemaal vergeten. Ik kreeg hem cadeau toen broeken op taillehoogte mode waren. Toen was hij mij te lang. Nu komen broeken ergens tussen heup- en taillehoogte. Ik kan hem nog even dragen. Want de taillebroeken met wijde pijpen zijn alweer in aantocht. Net als rond 1975 en rond 1995. Er is slechts een trendvertraging van drie jaar.

De eerste kilo is er af!

De eerste kilo is er af sinds ik probeer om een beetje af te vallen. Een kilo in ruim een week tijd is een gezond resultaat. Sneller moet je het niet willen. Tot nu toe gaat het me nog redelijk makkelijk af. Bij diëten kan je het beste heel goed naar je lichaam luisteren. Daarbij heb ik mijn aanpak afgestemd op mijn dagelijkse bezigheden.

Ik hou slechts drie basisregels aan:

  1. Gezond en naar behoefte voldoende eten. Dus niet meer dan dat, maar ook nauwelijks minder.
  2. Suiker sterk beperken vanwege hypoglykemie (schommeling van bloedsuikerspiegel).
  3. Af en toe iets ‘ongezonds’ eten mag. Probeer dat te compenseren met beweging.

Gezond eten spreekt voor zich: gevarieerd en met alle benodigde voedingsstoffen om goed te kunnen functioneren.

Naar behoefte betekent dat ik eten afstem op bezigheden. Ga ik wandelen, dan eet ik vooraf extra vet (saucijzenbroodje, stukjes rookworst) en/of eiwitten (ontbijt met spekjes en omelet op volkorenbrood), want die brandstof heb ik nodig. Naast de dagelijkse vier belegde boterhammen, maak ik er dan twee extra klaar. Voor de zekerheid.

’s Avonds eet ik geen bak chips meer (en al helemaal geen refill), maar slechts een grote kaascracker. ‘Een. Ja: één. Dus geen twee. Een!’ Tenzij ik voel dat ik duizelig ga worden (zie hypoglykemie). Dan mag er een halfje bij. Of een hele als dat nodig is. Luisteren naar je lichaam houdt vooral in dat je eetmomenten afstemt op de momenten waarop je energie nodig hebt.

Hypoglykemie is voor mij het echte monster. Met een hongergevoel valt tijdelijk wel te leven, maar een flinke dip in je bloedsuikerspiegel valt niet te negeren. Daarom mijd ik suiker. Wel neem ik zoetjes in de koffie en thee (zes per dag). Als ik honger krijg en het nog te vroeg is voor een maaltijd, eet ik een appel of twee dadels. Doorlopend voorkom ik de kans op schommelingen.

Dit hou ik alleen vol als ik af en toe ook iets lekkers/ongezonds mag. Dus heb ik deze week een groot stuk appelgebak met slagroom gegeten. Maar koek en port negeer ik nu bijna instinctief, omdat mijn bloedsuikerspiegel daarvan gaat jojoën. Een enkel koekje kan wel, alleen geen grote stroopwafel of gevulde koek. Dat stuk appeltaart volgde op een wandeling van ruim twee uur. Daarna moest ik nog een uur reizen, dus was die energie nodig. 😉

Belangrijk is om ingesleten eetpatronen te doorbreken. In mijn geval was dat ’s avonds veel te veel chips eten. En voorlopig schrap ik de meeste ‘ach, dat kan toch wel’-extraatjes. (‘Nou, nog eentje dan’, ‘we hebben het verdiend vandaag’, ‘zo dik zijn we toch niet’, ‘het is tenslotte vakantie’ en ‘hm, dat smaakt wel erg lekker’.)

De eerste dagen waren het moeilijkst, omdat mijn lichaam afkick-verschijnselen had. Herhaaldelijk gaf het aan dat we meestal koek nemen bij de koffie. En ’s avonds eten we toch altijd chips bij de film? Inmiddels voel ik die gewoonte-behoefte een stuk minder en wordt volhouden makkelijker. Het bijkomende voordeel is dat gebakjes eten weer speciaal wordt. Vroeger at je die toch ook alleen bij feestelijke gelegenheden?

Het helpt om een doel te hebben, of een schrikbeeld. Voor mij draait het minder om streefgewicht dan om heupomvang. Een favoriete spijkerboek was de aanleiding. Die broek ligt al drie jaar ongedragen in de kast, omdat hij niet meer past. Bij een opruimbeurt kon ik hem niet weg doen. Dat vond ik te erg. Maar aantrekken gaat evenmin, als ik wil blijven ademhalen. Vandaar.

Nu nog een paar weken doorzetten. (En daarna.)

Een poging tot afvallen

Eenmaal boven de veertig moet je op je lijn letten, zeggen ze. Vanaf dat moment gaan de hormonen opspelen en verandert je spijsvertering. Dat kan kloppen. Sinds een enkele jaren weeg ik een paar kilo’s te veel. Ik bleef altijd onder de 60 kilo en paste in maatje 38. Maat 38 was trouwens een keiharde grens. Ik zou nooit maat 40 accepteren, beweerde ik stellig. Nou ja, toch wel dus. Oh nee, toch niet.

Dit wordt mijn derde poging om er een paar kilo af te krijgen. De eerste was na een all inclusive safari. De meereizende kok zorgde drie maal daags voor een riant buffet. Tja, zie daar maar eens van af te blijven. Gelukkig is een tijdelijk eetpatroon nog geen gewoonte. Dus was ik het extra gewicht snel kwijt.

De tweede poging volgde nadat de kilo’s weer door het goede leven waren toegenomen. Vijftien jaar geleden was dat. Mijn dieetmethode bestond uit halvering van alles wat ik at, inclusief koek, chips en gebak. Dit wel afgezien van de gebruikelijke zes volkoren boterhammen per dag. Die verving ik door vier plakken zwaar roggebrood. Want een stevige basis blijft nodig, anders hou je het niet vol. Voor mij werkte dat.

Ik leef gezond, maar eet vooral ’s avonds te veel chips. En wat ik ’s avonds aan energie binnen krijg, verbruik ik nauwelijks. Daarom schrap ik deze keer alleen de chips, wat koek en een paar glaasjes port. Gezien mijn volcontinue eetpatroon zou je zeggen dat ik dan nog steeds genoeg brandstof binnen krijg. Maar mijn lichaam denkt daar duidelijk héél anders over.

De wereld in kleur tot 1918 – Macedonië

Op de fototentoonstelling De wereld in kleur tot 1918 hangt dit tafereel met twee zittende vrouwen op een boerenerf. Deze foto is rond 1910 in Macedonië genomen, als ik het goed heb onthouden. De dames moesten onbeweeglijk poseren. Zo kon de fotograaf meerdere identieke foto’s nemen en er daarna een vierkleurenafdruk van maken.

In hun tijd woonden veel meer mensen op het platteland dan in steden. Ze leefden traditioneel en het werk gebeurde voornamelijk met de hand. Overal zag je kleinschalige boeren met wat vee, een akker en een moestuin. Ze waren zelfvoorzienend en bewerkten de oogst op het erf. Zo te zien zijn deze vrouwen bezig met het schoonmaken of sorteren van uien.

Bijna tachtig jaar later bezocht ik Macedonië (toen onderdeel van Joegoslavië). Op de markt in Ohrid liepen mannen met een Turkse fez. En de mevrouw hiernaast trof ik aan op een binnenplaats. Ze brouwt een overheerlijke saus van pepers, ui en tomaten. Vast volgens oma’s recept. Al kon ik dat niet vragen, want we spraken elkaars taal niet. Daarom behielpen we ons met glimlachjes en gebaren.

Ohrid is sinds mijn bezoek in 1987 flink gemoderniseerd. Maar in Macedonië is het verleden nooit ver weg. De foto op de tentoonstelling deed mij aan deze mevrouw terugdenken. De traditionele klederdracht is verdwenen. Wel bleven het eten en de zithouding hetzelfde.

Hooiberg in Macedonië 2013

Trouwens, op het platteland bereiden ze nog graag de saus op een houtvuur in de buitenlucht. Nieuwbouw staat er naast oude stallen en hooibergen, zoals die op de foto uit 1910. En bij oudere dorpelingen groeit het eten nog altijd in de tuin. Je blijft er schakelen tussen jaartallen. Dat maakt Macedonië zo interessant.

Geld besparen door niet te werken

Weinig mensen beseffen het, maar je kan flink geld besparen door niet te werken. Neem de verzuchting van een vriendin. Zij kon na lang solliciteren aan de slag bij een internationale organisatie. Alleen moest ze nog wel een representatieve outfit kopen. Voordat ze een cent had verdiend, gaf ze daar al een maandsalaris aan uit. Zo zijn er meer uitgaven die je vooral doet als je werkt. Ik zal wat kostenposten opsommen.

  1. Met stip op nummer 1. De vakanties, doorgaans in het buitenland. Wanneer je in een vast stramien leeft, wil je er graag jaarlijks tussenuit.
  2. Een aparte werkgarderobe met tassen en schoenen. Zie voorbeeld boven.
  3. Alle onderweg gekochte hapjes en drankjes plus de snelle maaltijden voor wanneer het laat wordt. Voor de prijs van een kopje cappuccino koop je een heel pak filterkoffie.
  4. Eten uit de tuin versus eten uit de supermarkt. Als je tijd hebt om te tuinieren, eet je de hele zomer lang verse groenten, kruiden en fruit. Scheelt een hoop en is nog gezond ook.
  5. Zakdoekjes en medicijnen. Kantoren en volle treinen zijn beruchte ruimten voor verspreiding van ziektes. Bovendien krijg je stress van werk.
  6. Heb je last van stress of een zittend beroep? Dan zoek je wellicht ontspanning en beweging in de sportschool. Kost ook geld.
  7. Reiskosten, kinderopvang, de stomerij, hulp in de huishouding en ingehuurde vaklieden voor onderhoudsklussen. Want thuis doe je minder zelf als je de hele week elders werkt.

Welbeschouwd bespaar je al gauw minimaal € 5.000 per jaar tijdens periodes waarin je niet werkt. Soms vraag ik me af waarom mensen nog langer voor geld werken.