Een liberale aha-erlebnis

Soms lees je iets waardoor je in één klap begrijpt hoe het zit. Neem nu het volgende uit het artikel ‘Het neoliberale spook bestaat helemaal niet’ (Tijdgeest, Trouw, 27 februari 2021). Patrick van Schie, historicus, publicist en directeur van de TeldersStichting, het wetenschappelijk instituut van de VVD, krijgt een vraag voorgelegd over de luchtvaart en het klimaat. Hij noemt de deregulering van de luchtvaart een succes, want hierdoor kunnen we nu spotgoedkoop vliegen. De milieukosten zijn echter niet in de ticketprijs verdisconteerd. Daarom vraagt de journalist hem of de overheid niet moet ingrijpen.

Patrick van Schie vindt dat tricky. En dan komt het. ‘… Vanuit het belang van het klimaat worden harde doelen gesteld, dat komt wel erg dicht in de buurt van een centraal plan, waarnaar de samenleving moet worden ingericht. Dat is heel anti-liberaal. …’

Zo jongens, het is dan wel 17 jaar geleden dat ik het interfacultair keuzevak Ontwikkelingsvraagstukken deed aan de VU, maar nu ben ik in één klap weer helemaal bij. Wil er nog iemand stemmen op zijn partij?

Denk kathedraal voor ons nageslacht

Oké, de titel vergt enige uitleg. Ons tijdsperspectief moet radicaal op de schop om klimaatverwoesting het hoofd te bieden. Dat meent filosoof Roman Krznaric, die vanavond is te zien in VPRO Tegenlicht. De uitzending komt precies in een week van extreme tegenstellingen. Vorige week hadden we maar liefst 15 graden vorst, getuige het bevroren water op een weiland. En nog ligt het ijs op schaduwrijke plekken. Maar vandaag konden we bij 20 graden in zomerkleding naar buiten en ons koesteren in de warme zon, zoals krokusjes doen. En dat in februari.

Hoewel we van deze extreme weersomstandigheden kunnen genieten, komen we nauwelijks verder dan kortetermijndenken. Hoe kunnen we empathie voelen voor toekomstige generaties, mensen van wiens leven we ons nauwelijks een voorstelling kunnen maken?, vroeg Krznaric zich daarom af. Hij beveelt ‘kathedraaldenken’ aan, zoals Antoni Gaudí met zijn Sagrada Família basiliek heeft gedaan. Ofwel: laten we werken aan een samenleving die nog eeuwenlang kan voortbestaan.

Krznaric roept ons in zijn boek De goede voorouder op om toekomstige generaties een stem te geven. Hij biedt meer strategieën om in eeuwen te kunnen denken. Zoals: intergenerationele rechtvaardigheid (denk zeven generaties verder), erflatersmentaliteit (goed herinnerd worden door het nageslacht) en nederigheid tegenover de diepe tijd (besef dat we maar een stipje op de kosmische kalender zijn). Feitelijk kunnen we een voorbeeld nemen aan onze voorouders, want verspreid over de wereld deden volkeren dit vroeger al veel eerder.

Kortom: kijken vanavond! (NPO2, 22.10 uur.)

(Bovenstaande tekst heb ik deels gebaseerd op de aankondiging in de VPRO-gids.)

Sneeuwpret op de helling

Dankzij alle sneeuw en vorst is deze week bijna elke wintersport mogelijk. Skiën, langlaufen, schaatsen, snowboarden en sleetje rijden. Of iglo’s bouwen en op een vliegende schotel van een helling af glijden. Ik heb het allemaal gezien. Op het vlakke land van mijn jeugd was een geschikte helling voor een glijbaan ver te zoeken. Een glijbaan moest je zelf vormen met je voeten.

Eerst de sneeuw plat trappen over een lengte van een meter of tien. Daarna een aanloopje nemen en een stukje glijden, tot je struikelend op de stroeve sneeuw tot stilstand komt. Vervolgens het proces vanaf het aanloopje tig keer herhalen, net zo lang tot je een glibberige baan hebt. Meestal deden we dat met buurkinderen samen.

Tegenwoordig woon ik nabij Arnhem en nu heb ik ontdekt wat ik al die jaren heb gemist. Een echte glijbaan!

(Klik desgewenst op de foto voor een vergroting.)

Nog even over Zwarte Piet

Vaak lijkt het alsof er nooit iets verandert in deze wereld. Machtsspelletjes zijn van alle tijden en achterstelling zal ook nog wel even blijven. Maar in mijn eigen denken ben ik toch gestuit op een ware paradigma-verschuiving. En wel in mijn visie op Zwarte Piet. Van Zwarte Piet moesten ‘ze’ afblijven, vond ik. Hij was mij dierbaar en hij hoorde er van oudsher bij. Bovendien zag ik hem als een volwaardige werknemer. Lees daar bleekmiddel voor de donkere huid maar eens op na:

‘Ik heb Zwarte Piet nooit als slaaf gezien. Sterker, ik ben zelf Zwarte Piet geweest. Daarom weet ik dat hij gewoon een medewerker is van Sinterklaas. Die twee hebben al lang een normale werkgever-werknemer relatie.’

Dit schreef ik ruim zes jaar geleden. In de tussenliggende tijd heb ik eens ergens gelezen dat Zwarte Piet een verzinsel was uit een recenter verleden. Maar dat ging er bij mij niet in. Zwarte Piet en Sinterklaas vormen een vaste combinatie en die bestaat al eeuwen.

Aan het bestaan van Sinterklaas heb ik trouwens nooit getwijfeld. Natuurlijk, dat hij met de boot uit Spanje komt, is baarlijke onzin. Sint Nicolaas kwam uit Myra in het huidige Turkije. Dat weet iedereen van boven de zeven.

Alleen las ik onlangs in Trouw iets over een zekere Jan Schenkman. Deze onderwijzer leefde in de negentiende eeuw. Het artikel ging over zijn antisemitische spotprentjes, die nu niet meer door de beugel kunnen. En terloops kwam Zwarte Piet in het artikel voor. Wat blijkt? Die Schenkman heeft onze Zwarte Piet in 1850 gewoon uit zijn duim gezogen!

Nou ja. Nu heb ik er eindelijk vrede mee, dat Sinterklaas dus wel bestaat, maar Zwarte Piet niet.

Een vreemd aangenaam begin

De coronacrisis dringt maar moeilijk tot mij door. Terwijl de wereld in brand staat, wandel ik rond in een jeugdherinnering. 1973, autoloze zondag, rolschaatsende kinderen op de A4. Zo rustig is het nu hier.

Stel je voor: op deze maandagmiddag is het heerlijk zacht voorjaarsweer. Je kan naar buiten zonder jas en overal zijn kinderen op straat. Ze rolschaatsen en hebben een hinkelbaan gemaakt. Een moeder speelt midden op de weg met haar dochter een balspel. Dat kan best, er is toch geen verkeer. En plotseling zijn alle buurtbewoners met hun voortuintjes in de weer.

Is dit hoe een crisis begint? Dan zijn de eerste tekenen vreemd aangenaam.

‘Moeten we dit jaar echt twee keer op vakantie gaan?’

Bij Driebergen-Zeist nemen ze naast en tegenover plaats mij in de trein. Het zoontje is verdiept in Donald Duck dubbelpocket 59 en schurkt gezellig tegen zijn vader aan. Het meisje heeft mooi rood haar. Zij is een jaar of twaalf en zit rustig met een e-reader naast mij. Bij Ede-Wageningen vraagt ze aan vader hoe laat het is en wanneer ze er zullen zijn. Ze moeten eerst naar Nijmegen en dan met een boemeltje verder reizen. Die term kent ze niet, maar zodra vader uitlegt dat een boemel op elektriciteit rijdt, begint zij over het milieu.

Ze zegt dat elektrisch rijden evengoed vervuilend is. En waarom gaan ze altijd met de auto op vakantie? De auto is nog meer vervuilend dan de trein. ‘Moeten we dit jaar echt twee keer op vakantie gaan?’ Vader kijkt haar bijna getergd aan. ‘Zullen we daar thuis verder over praten en niet hier in de trein?, antwoordt hij. Daarna blijft het weer stil naast mij.

Ach, kínd toch. Zo jong al zulke grote wereldproblemen op je schouders nemen.

Nog niet eerder heb ik dit van zo dichtbij meegemaakt. Er is waarlijk iets gaande als de jongste generatie dergelijke vragen stelt. En gelijk heeft zij. De oude garde, op een klein groepje na, rotzooit maar aan en blijft daar mee doorgaan.

‘Moeten we dit jaar echt twee keer op vakantie gaan?’ Deze vraag stellen op je twaalfde, omdat je het te vervuilend vindt … Het was onbestáánbaar dat ik zoiets in 1975 zou kunnen bedenken. Ik ben wel benieuwd wat haar vader eenmaal thuis heeft gezegd.