Even naar de bajes toe

De poort

Sommige gemeenten kiezen voor bijzondere locaties als stembureau. Arnhem stelde deze week de koepelgevangenis open en dat gebouw wilde ik weleens van binnen zien. Na de stalen poortdeuren volgt een gang tussen twee hoge muren.

Meteen was ik terug in Carcassonne, op de dwingel tussen de buitenste en de binnenmuur. Het kwam door de hoogte van de muren, de breedte van de gang en de golvende vorm van het gebouw aan de rechterkant. Hoewel die golvende vorm in Carcassonne niet in de muren terugkomt. Maar wel in de rondingen van de torens in de binnenring.

Mijn geromantiseerde herinnering maakt geen enkele connectie met wat die Franse stad feitelijk was: een gefortificeerde vesting. Daar hadden de Katharen in hun tijd behoefte aan.

Bij vertrek zag ik alsnog de plaatjes naast de toegangspoort. Het is lang geleden dat ik zo’n verbod op pistolen heb gezien. In Phnom Penh, Cambodja, zag je ze bij ingangen van casino’s, banken en hotels. Blijkbaar waren ze nodig daar. En buiten liepen bewakers rond met machinegeweren. (Of slaat mijn fantasie nu op hol en waren dat pistolen?)

Dit zijn zo maar drie ervaringen die mij er weer aan herinneren, hoe naïef en vriendelijk het er nog steeds aan toegaat in ons land.

De rondgang

Hier waart het onbenoembare rond

‘Hier waart het onbenoembare rond, dat primordiale van de Oude Wereld.’ En ‘Alomtegenwoordig zijn ze, de grote spirituele en existentiële vragen.’ Zinnen van Oliver Kerkdijk in de VPRO-gids over Vargtimmen van Ingmar Bergman.

Met deze regels opende ik op 16 februari 2014 het logje Spiritualiteit – Vargtimmen.

Na lezing van tientallen verhalen uit de Tweede Wereldoorlog, blijven drie mannen mij het meeste bij. Het is niet moeilijk om te zeggen waarom. Namelijk, omdat ik iets van mezelf herken in de één en omdat de tweede zo fascinerend vertelt. Tot besluit heb ik te doen met de jongste van het stel. Van alle drie wil ik achterhalen wie zij waren als mens. Ze leven niet meer, maar hopelijk vind ik nog informatie over hun verdere levensloop.

De eerste man ‘raakt’ mij onder meer vanwege een specifiek fragment. Het staat in zijn dagboek en ik denk dat het een voorspellende waarde heeft. Een indicatie voor wat tientallen jaren later is uitgevoerd als zijn laatste wens. Het fragment gaat over hoe mooi hij de omgeving hier vindt. Zelf kwam hij uit Rotterdam. Hij schreef dit in januari 1945 op een terrein dat slechts een paar kilometer van mijn huis ligt.

Sinds kort weet ik waar hij is begraven. Dichtbij. Heel dichtbij. Ik wandel daar al jaren regelmatig voorbij.

Kluizenares 2.0

Gisteren kwam er een eind aan een maand kluizenaarschap. Mijn eerste afspraak in 2022 was voor de boosterprik. Vanaf de jaarwisseling was ik nog niet buiten de landgoedgrenzen van het dorp geweest. Gevoelsmatig belandde ik dan ook gelijk in een wereldstad. (Elst.)

Ik overhoorde de gesprekken van andere mensen, links en rechts. Alles was nog herkenbaar. De kleding die zij droegen en de treinrit zelf. Na afloop at ik een overheerlijk patatje speciaal in een lunchroom. Van zoiets eenvoudigs geniet ik intens. Vooral wanneer de zaak lijkt op een American diner of een roadhouse.

In een lunchroom flarden van andermans levens aanhoren, is voldoende om mij volwaardig lid van de maatschappij te voelen. Daaraan ben ik gewend als reiziger en beschouwer. Ik hoef niet altijd mee te doen. Van nature ben ik een moderne kluizenares.

Volgens Wikipedia wordt de term kluizenaar ‘in het wereldlijk leven ook wel gebruikt voor een persoon die doelbewust afstand neemt van zijn omgeving en de maatschappij, of overdrachtelijk voor iemand die zich van de wereld vervreemd heeft en nooit contact met anderen heeft.’ Dat vervreemden heeft een wat negatieve connotatie.

Vroeger leidden kluizenaressen een eenvoudig en teruggetrokken leven, maar zij hielden wel contact met de maatschappij. Sterker: ze werden actief benaderd voor raadgeving over wereldse en spirituele zaken. Het waren intellectuele vrouwen. Ze stonden in hoog aanzien.

In onze samenleving hebben de extraverten helaas de overhand gekregen. De maatschappij zou opnieuw ruimte moeten bieden aan mensen die een positie als kluizenaar nastreven.

De leugens om bestwil in ons verhaal

Het staat op bladzijde 126 van Raynor Winn’s boek Het zoutpad. Bijna halverwege het verhaal over de wandeltocht die zij en haar man (hij is ziek) met zware rugzakken en in vieze kleren maken over het South West Coast Path. Dit nadat ze hun huis zijn kwijtgeraakt, dakloos zijn geworden en wegens geldgebrek als een stelletje schooiers illegaal wild kamperen. Op een bloedhete dag vraagt een man of ze al een slaapplaats hebben geregeld. Hij heeft een boerderij in de buurt gehuurd en ze mogen hun tent wel opzetten in de boomgaard. Het is een luxueuze boerderij en hij heeft het zichtbaar goed voor elkaar.

Wanneer ze eten, vraagt Raynor hem: ‘Tell me something about yourself, Grant.’ En Grant vertelt. Over een moeilijke jeugd, hoe hij van huis wegloopt, met een rugzak door Europa toert en in Italië per toeval in een wijngaard belandt, waar hij alles over wijnsoorten leert, en uiteindelijk thuis wijnen gaat importeren en heel succesvol wordt. Not. Want hij heeft gewoon avondcursussen gevolgd en is dankzij pappie in een baantje bij een bevriende wijnhandelaar gerold.

Tegen die tijd hebben Raynor en haar man geleerd hoe mensen reageren wanneer ze naar waarheid vertellen dat ze dakloos zijn (en berooid). Bij het woord ‘dakloos’ transformeren ze acuut van stoere vakantie vierende vijftigers, in drank- en drugsverslaafde losers met (naar alle waarschijn-lijkheid) een of meer onderliggende psychiatrische aandoeningen. Kortom: in sociale paria’s. Daarom vertellen ze liever dat ze hun huis hebben verkocht en zo halverwege hun leven nog eens op avontuur willen. Ze zien wel waar de wind hen brengt.

We vertellen onze verhalen uit zelfbescherming, meent Raynor, zowel Grant als zijzelf.

Ook ik heb mijn verhaal klaar, al jaren. Want mij wordt eveneens te pas en te onpas gevraagd ‘wat ik doe’. Bijvoorbeeld tijdens een groepswandeling. Of wanneer ik in een archief ben voor onderzoek. En ja, zelfs in het ziekenhuis, terwijl de plastisch chirurg een moedervlek bij mijn mond wegsnijdt.

Eerst was ik werkloos. Toen werd ik werkzoekend. Daarna werd ik iemand die zei: ‘Ik werk niet.’ [Punt.] In combinatie met mijn woonplaats en mijn leeftijd kon ik best een vroege pensionado zijn. Maar soms, als ik iemand eens flink wakker wilde schudden, zei ik lekker provocerend: ‘Ik heb geen inkomen. Al vijf jaar niet.’ Waarna ik welbewust afwachtte hoe die ander daarop ging reageren. Veel mensen kunnen zich namelijk geen enkele levensvorm meer buiten Het Systeem voorstellen. Ons financieel-economische systeem, met zijn Terms of Reference voor onze samenleving, die anderen voor ons hebben opgesteld.

Tegenwoordig heb ik het makkelijk. Ik zeg gewoon dat ik aan een boek werk. Dat is nog waar ook.

De grote schoonmaak van een blog

In november hou ik meestal de jaarlijkse grote schoonmaak van Raam Open en deze keer pak ik dat extra uitgebreid en grondig aan. Want waarom oude logjes laten rondzwerven op internet als je er op uitgekeken bent of niet langer achter de inhoud staat? Ik hanteer ruwweg de volgende criteria:

Interesseert het onderwerp van een logje mij nog? Is het relevant? Er mag best iets grappigs tussen staan. Maar denk ook aan de enorme energieverspilling, veroorzaakt door de ontstellende hoeveelheid onzin online. En dan de foto’s: zijn die wel echt de moeite waard?

Word je blij, trots of nieuwsgierig als je een oude logtitel terugziet in de statistieken van je site? Dan is het goed. Zo niet, dan kan het logje weg.

Stel dat je vanaf morgen niets meer kan wijzigen op je blog; wat wil je dan achtergelaten hebben op het internet?

Teksten over persoonlijke en actuele zaken worden snel door nieuwe gebeurtenissen ingehaald. En geleidelijk aan kan je van mening veranderen. Dergelijke logjes schrap ik direct. Soms is een deel of de gehele tekst verouderd, maar staan er wel opmerkelijke observaties in. Die breng ik in een verzamellogje met gewiste citaten alsnog onder de aandacht. En er ontstaat vanzelf een voorraad foto’s uit gewiste logjes. Die je kan recyclen en opnieuw presenteren. Zie boven.

Deze keer ga ik het totale aantal sinds 2013 gepubliceerde logjes drastisch terugbrengen. Dat dwingt mij om kritisch te kijken naar elk afzonderlijk logje. Ik loop ze allemaal door en maak een eerste ruwe schifting. Daarna zal ik een maximaal aantal logjes per jaar bepalen. En dan begint het ware sloopwerk.

Soms moet je rigoureus te werk gaan voor een mooi resultaat.

PS: Bij deze opruiming zijn 635 logjes geschrapt en 643 logjes overgebleven. De statistieken waren namelijk nogal ontnuchterend. Om niet te zeggen: ontluisterend. Het overgrote deel van de berichten wordt kort na publicatie gelezen en daarna vrijwel nooit meer. Wat overgebleven is, zijn de logjes waar ik tevreden over ben. En bij twijfelgevallen gaven de statistieken de doorslag. De les: op internet heerst de waan van de dag. Bloggen doe je omdat je het leuk vindt; voor eeuwige roem is dit medium te vluchtig. (Tenzij je écht iets te melden hebt, want mijn familiewebsite trekt de aandacht zelf wel.)

Krapte op de arbeidsmarkt

Onlangs was er een nieuwsitem op het NOS-journaal over de huidige krapte op de arbeidsmarkt. Er werd een mevrouw geïnterviewd die werkte bij Randstad, de uitzendmultinational. Op de vraag hoe het toch kwam dat er zo’n krapte is, antwoordde zij: ‘Er is meer vraag dan aanbod.’ Veel meer dan dat kwam er niet uit. Wat een orakel.

Met een vriendin was ik vorige week in Deventer op stap. Het was lunchtijd en we kregen honger. Bij het restaurant van onze keuze konden we echter niet terecht, hoewel er binnen nog plaats genoeg was. Maar ze hadden te weinig personeel. Dat was ook bij andere horecagelegenheden een probleem. ‘Zal ik dan toch maar weer eens een poging doen?’, opperde ik tegen die vriendin. Tenslotte beschik ik over horeca-ervaring. ‘Het is de vraag of ze je aannemen.’, somberde zij. Ik keek eens om mij heen en dacht: ‘Nee.’ Want 20 jaar was overal de gemiddelde leeftijd van het bedienende personeel.

Ik zie het probleem niet. Klanten kunnen zelf hun hapje en drankje afhalen, net zoals in een food court. Het enige wat je daar als ondernemer voor hoeft te doen, is er ‘een beleving’ van maken. Toch?

Waar onze overheid mee bezig is, is mij onderhand een raadsel. Iets met brandjes blussen in Afghanistan of zo. Maar hoe zit het nu met de afstemming van de vraag en het aanbod op onze nationale arbeidsmarkt?

Ik zou denken: onderzoek om te beginnen waar echt vraag naar is, en stel quota op voor opleidingen in richtingen waar amper toekomst in zit. Dat scheelt een hoop tijd, geld en energie en dan verkoop je gelijk geen illusies meer.

En kijk naar degenen die tijdens vorige crises op basis van dubieuze keuringen voor de rest van hun potentieel arbeidzame leven met een WAO-uitkering of andere regeling van de arbeidsmarkt zijn weggesluisd. Daar lopen er tienduizenden van rond. Ik hoor het die ene secretaresse nog zeggen tijdens een wandeling: ‘Ik had een burn-out, maar verder geen idee waarom ik meteen volledig werd afgekeurd. ‘ Ze vond dat wel best, overigens.

Of kijk eens naar welke bedrijven we hier echt willen hebben. We halen buitenlandse bedrijven binnen met enorme distributieloodsen, terwijl die bedrijven werk bieden waarvoor nauwelijks mensen te vinden zijn, omdat kennelijk niemand hier dat werk wil doen. Hevel dat werk dan over naar landen waar de arbeidsmigranten vandaan komen die de lacunes nu vullen.

Kijk vooral ook naar werk dat er echt toe doet. In Groningen gaat het overgrote deel van het geld voor de afhandeling van de schade naar consultants en adviseurs. Wat dragen zij bij aan de maatschappij? Deze mensen slokken fondsen op waarmee bouwtechnische innovatie en oplossingen hadden kunnen worden betaald, waarmee het werken in de bouwsector meteen aantrekkelijker, duurzamer en efficiënter had kunnen worden gemaakt.

Of kijk naar al degenen, die na tal van sollicitaties ontgoocheld zijn. Die geen pogingen meer wagen, terwijl zij nog best wat willen en kunnen doen. Zie ze eindelijk eens staan. Werk aan een arbeidsmarkt die echt inclusief is, functioneel, en ruimte voor alternatieve afspraken biedt, omdat iedereen recht heeft op zelf verdiende middelen van bestaan.

Zo moeilijk kan het toch niet zijn?

Beste Lilianne Ploumen

Stem met je hart en met je verstand

Beste Lilianne,

Als zwevende kiezer zag ik je gisteren in de finale van het lijsttrekkersdebat. Wij kennen elkaar, we hebben voor dezelfde organisatie gewerkt. Ik onder meer als programmamedewerker en jij als directeur. We spraken elkaar soms bij de koffieautomaat in de hal. Nadat ik vlak bij ons kantoor door een auto op een zebrapad was geschept, informeerde je oprecht bezorgd hoe het nu ging met mijn hand. Diezelfde oprechte betrokkenheid zag ik gisteren bij je terug in het debat. Die is er dus nog. Ik heb even getwijfeld of ik toch weer zou stemmen op jouw partij.

Veertig jaar geleden mocht ik als achttienjarige voor het eerst stemmen en toen koos ik voor de PvdA. Het was 1981 en de tijd van de massale jeugdwerkeloosheid. Joop den Uyl was lijsttrekker en beloofde dat hij daar wat aan ging doen. Ik geloofde hem, maar werd door hem teleurgesteld. In mijn ogen maakte hij zijn belofte onvoldoende waar. Ik nam mij toen heilig voor om nooit meer te stemmen op de PvdA. Dat heb ik al die jaren ook niet meer gedaan.

Natuurlijk ben ik sindsdien wel wat wijzer geworden. Politiek bedrijven is een onderhandelingsspel. Je moet als kiezer zelf realistisch zijn. Tijdens verkiezingen worden er droomplannen voorgelegd. Met de beste bedoelingen weliswaar, maar pas daarna volgt in de Tweede Kamer het echte gevecht.

Kiezers die geloven dat politici doen wat ze tijdens de verkiezingen beloven, zijn gewoon naïef. Want hoezeer zo’n politicus ook voor zijn standpunt opkomt, hij heeft het nooit alleen voor het zeggen. Dat proces, dat zouden ze weleens wat beter aan beginnende stemmers mogen uitleggen. Maar ja, ik kwam in 1980 van de lagere huishoudschool en betwijfel ten zeerste of we het daar überhaupt over het politieke systeem hebben gehad.

Lilianne, ik zag je daar staan, gisteren. Ik bedoel: ik zag jou, als collega, als mens. Ik zag je terug in je oude rol, die mij zo vertrouwd was. De rol die je had binnen de internationale ontwikkelingssector. Ik zag het woord ‘VERBINDING’ in hoofdletters voor me.

Ik moest terugdenken aan alles wat we bij die organisatie heb mogen doen en leren. Ik herinner mij nog zo goed hoe we met ‘partnerorganisaties’ wilden omgaan. Respectvol. De ander in zijn waarde latend. Zoekend naar gedeelde belangen en werkend vanuit vertrouwen. Ook al hadden wij de grote zak met geld in handen; wij waren evengoed van hen afhankelijk voor de lokale kennis en goede uitvoering van plannen.

Lilianne, ik zag je gisteren terug in je nieuwe rol. Daarbij viel mij ineens de positie op, die je nu hebt ten opzichte van de anderen. De lijsttrekkers van de grootste partijen, bedoel ik. Je hebt absoluut lef, want het is me nogal een slangenkuil. Maar ik denk dat je hiervoor hebt gekozen uit volle overtuiging. Omdat er nog zulke scheve verhoudingen zijn en je wilt opkomen voor de zwakkeren. Omdat we niet mogen weglopen voor de grote en urgente vraagstukken. Omdat er nog veel valt te verbeteren en jij in deze positie echt wat kan betekenen.

En ik geloof in jou. In het debat zocht je toenadering en hield je op een sympathieke manier aan je standpunten vast. Ik kon aan de gezichts-uitdrukkingen van de andere lijsttrekkers zien dat je ontwapenend bezig was. Dat is zo belangrijk.

Want, mijn God zeg, wat ben je toch op een apenrots beland. Neem nu die zelfingenomen VVD’ers, vertegenwoordigd door zo’n gladde prater als Mark Rutte. De arrogàntie van iemand die meent dat hij toch wel wint. Ik werd er onpasselijk van. Hij nam niet eens de moeite om wat rustiger te praten, zodat de gewone man hem ook kan verstaan. Maar ja, hij is voor de middenklasse en de ondernemers. De rest en de natuur kunnen verrekken. Hij zal de verdeeldheid alleen maar groter maken.

Lilianne, misschien ervaar jij je huidige positie nu net zo als ik mijn positie bij mijn laatste werkgever heb ervaren. Daar werkte ik te midden van een stel super intelligente jonge honden. Ik was aangenomen op basis van mijn kennis en uitgebreide werkervaring. Ze hadden er waardering voor, maar ik kon onmogelijk aan hen tippen. En ik kon ze niet meer bijbenen. Het werd mij pijnlijk duidelijk dat ik links en rechts was ingehaald. Dat mijn jarenlange bijscholing weinig meer uitmaakte.

Hier stond een nieuwe generatie. Bovendien waren mijn werkgevers strategisch zo veel gehaaider dan ik. Wat wil je ook: zij behoren tot de absolute top in de debatwereld. Maar toch. Ik kon er niet meer tegenop en ik zie dat het nu ook jou enige moeite kost.

Als ik het mij goed herinner, was jij al weg bij onze werkgever toen de reorganisatie werd doorgevoerd. Je hebt niet meegekregen hoe het mij daarna is vergaan. Over ons werk heb ik tientallen logjes geschreven op Raam Open. Omdat ik de kennis en inzichten die ik bij onze organisatie heb opgedaan, wilde blijven delen en gebruiken. Ik wilde ze inzetten om verandering te bewerkstelligen, hoe gering ook. In het onrecht dat mensen en de natuur overal ter wereld wordt aangedaan.

Heel even heb ik getwijfeld of ik toch weer zal stemmen op de PvdA. Niet voor die partij, nee, voor jou. Omdat ik in je geloof en je ook wil steunen. Maar ik heb toch te veel moeite met jouw partij. Ik ben oud genoeg om te beseffen dat je niet eindeloos vast moet houden aan een bezwering van veertig jaar geleden. Maar ik heb recent wel weer een zeer schofferende ervaring opgedaan. Als vrijwilliger, nota bene, wiens maandenlange inzet niet als waarde werd gezien.

Ik heb het over de foto-expositie, waarvan de penningmeester publiekelijk verkondigde dat de donor met zijn paar honderd euro een grotere bijdrage had geleverd dan ik. We hebben er drie maal over gesproken. Hij is onvermurwbaar in zijn standpunt. In zijn e-mail noemde hij mijn wens en voorstel ‘onfatsoenlijk’. Is het onfatsoenlijk, als ik het materiaal aan het provinciale archief wil doneren, in plaats van aan de financier van het printwerk en een paar lijsten? Deze meneer woont in het grootste huis van onze straat en voor zijn raam hangt een poster van jouw partij.

Maar als een voormalige lokale representant van de PvdA uitsluitend oog heeft voor het geld, en mijn vrijwillige arbeid voor lief neemt, dan is en blijft het voor mij een waardeloze partij.

Dus stem ik op een andere vrouw. Iemand achter wiens partij ik evenmin volledig sta. Zij heeft, net als jij en ik, ervaring opgedaan in een aan de ontwikkelingssector gerelateerde werkkring. Wat ik van haar in een documentaire over haar diplomatieke werk in moeilijke omstandigheden heb gezien, boezemt mij ontzag in. Ze lijkt mij wat harder dan jij bent, en dat zal nodig zijn. Strategisch gezien lijkt zij nu de beste keuze voor mij.

Wel overweeg ik om haar persoonlijk te schrijven, aangezien mensen in mijn positie niet worden genoemd in haar programma. Oh, wacht, ik zal je nog kort vertellen over mijn huidige situatie: geen werk, geen uitkering en geen inkomen. En dit, op een zzp-klus van drie maanden na, duurt al ruim vier jaar. Maar de onzichtbaarheid van mensen zoals ik speelt bij letterlijk iedere partij.

Lilianne, ik wens je alle succes. En als het niet leuk meer is, stop er dan mee. Je gezondheid is veel belangrijker dan die partij met de hele apenrots er bij.

Hartelijke groet,

Karin