Voorsorteren op je volgende baan

‘Eén van de nuttigste tips die ik ooit kreeg, veel belangrijker dan je kleding of hoe je praat, was: je moet voorsorteren binnen je baan, door de ingrediënten uit te zoeken die je interesseren en extra taken naar je toe te trekken. Dan … zorg je wel dat je al aan de kant zit die jou interesseert, zodat, als de kans dan komt, iedereen denkt: zij is de beste kandidaat!’ Dit zegt Judith Kamalski, directeur academische zaken bij de Universiteit Maastricht, in een interview over het boek Nice girls don’t get the corner office. (Volkskrant Magazine, 9 februari 2019.)

Voor een sollicitatiegesprek blijft het goed om je kleding op de werkgever af te stemmen. En vrouwen met een hoog stemmetje kunnen inderdaad beter op een lagere toon praten, willen ze door sommige mannen serieus worden genomen. Maar kleine ‘tekortkomingen’ worden vanzelf ondergeschikt als je aantoont dat je de juiste expertise hebt.

Dat is precies waarop ik hoop. Onlangs heb ik visitekaartjes c.q. business cards laten drukken. Gewoon op mijn eigen naam, zonder dat ik een bedrijf heb of voor een organisatie werk. Want als passieve werkzoekende voelde ik mij een beetje niksig, zo zonder business card. Bij vorige banen had ik tenslotte ook kaartjes met mijn naam en functie erop. Ik bleef ze maar missen. Vooral als ik iemand sprak die zakelijke interesse had voor wat ik te bieden heb.

Natuurlijk is er LinkedIn, maar vorig jaar heb ik welbewust mijn account gewist. Als alternatief verwees ik sindsdien naar mijn website met familiegeschiedenis. Want daarop komt alles samen: mijn vaardigheden, expertise en interessegebieden. What you see is what you get; indachtig aan het idee uit bovenstaand citaat. En er staat een tekst op over mezelf. Toch was het niet ideaal.

Daarom heb ik maatregelen getroffen. Mijn familiewebsite is nu reclamevrij. Verder heb ik de url ingekort, zodat je hem goed kan onthouden. En voor geïnteresseerden zijn er nu die visitekaartjes. Behalve mijn naam en contactgegevens, staan daar de werkzaamheden op die ik het liefste verricht. Namelijk: onderzoek, gegevensbeheer, informatieve teksten schrijven en projectadministratie.

Dus als het zo uitkomt, kan ik kort vertellen wat ik doe, voor voorbeelden naar de website verwijzen en gelijk een kaartje overhandigen. Bij de kring voor werkzoekenden vonden ze dit een goed en origineel idee.

Bouwvakkers inhuren is als Russische roulette

Vrijdagavond 23:00 uur. Net wanneer ik naar bed ga, klinkt er een vreemd geluid in de slaapkamer. Of eigenlijk klinkt het erg bekend: drup, drup, drup. De dakkapel deze keer. Bij de bouwkundige keuring bleek al dat de bedekking daarvan binnen enkele jaren aan vervanging toe zou zijn. Nu moet ik naar een goede dakdekker op zoek. Nou, brace yourself and let the game begin. Want dit wordt weer zo’n spelletje Russische roulette.

Wie kiest er een dakdekkersbedrijf op basis van rationele argumenten? Ik niet. De welgeteld 39 (!) bouwvakkers die hier al over de vloer kwamen (en ik vergeet er vast nog een paar), koos ik per toeval. Of op basis van een soort onderbuikgevoel. Kort na de verhuizing naar Gelderland kende ik hier geen vakmensen. Daarom vroeg ik bij buren naar hun ervaringen. Maar verstaan zij wel hetzelfde als ik onder ‘goed en betrouwbaar’? We hanteren uiteenlopende maatstaven en deze termen zijn multi-interpretabel.

Gisteren vroeg ik om tips via de buurt-app. Er kwamen diverse reacties binnen. Allemaal verschillend. Iemand schreef dat ik vooral niet met bedrijf X in zee moet gaan. Dat bedrijf levert wel goed werk, maar afspraken maken en communiceren verloopt nogal moeizaam. ‘Welkom in de wondere wereld van huizenbezitters’, dacht ik. Want dit is tamelijk gangbaar.

Als informatie inwinnen meer twijfels oplevert, kan je verder rondkijken op internet. Daar staan websites van zzp’ers en bouwbedrijven inclusief referenties en beschrijvingen van geleverd werk. Sommige vaklieden hebben een hoge rating, anderen nul sterren. Wat zegt dit? Weinig. Referenties kunnen door vrienden zijn ingevuld. En een gelikte website kan het werk zijn van een veertienjarig achternichtje, dat toevallig Multimedia & Communicatie op school heeft gedaan.

Die opmerking over dat foute bedrijf maakte mij trouwens wel nieuwsgierig. Het betreft een samenwerkingsverband van twee families. Waarschijnlijk vormt één daarvan een heuse dynastie. Die familie draagt namelijk dezelfde achternaam als de rioolservicemeneer. En hij is zeker lid van een plaatselijke clan. Of gang, dat weet ik niet precies. Maar hem vind ik tenminste sympathiek.

Alleen, wat zegt dit over de andere leden van zijn familie? Die van de dakdekkerstak, bedoel ik. Volgens hun referenties lopen de meningen flink uiteen. Dus wat nu?

Zal ik een dakdekker bellen die ooit foldertjes in de buurt achterliet? Of zal ik twee dakdekkers bellen over wie buurtgenoten positief zijn? (Die buurtgenoten ken ik evenmin.) Ook kan ik de man van de rioolservice vragen of hij de mensen van het dakdekkersbedrijf aanraadt.

Er is een alternatief. Namelijk Googelen op ‘dakdekkers’ en dan met gesloten ogen een willekeurig bedrijf aanwijzen op het beeldscherm. Dat deed ik eerder voor de complete keukenverbouwing. Toen kon ik ook al zo moeilijk een weloverwogen keuze maken.

Sowieso is het idee dat we kiezen op basis van ratio een illusie. Dat geldt zowel voor mij als voor bouwvakkers zelf. Misschien plaats ik de klus wel gewoon op Werkspot. Dan vraag ik om een dakdekker die houdt van Russische roulette.

Op het juiste pad blijven

Tijdens een wandeling in de omgeving van Almen stuiten we op dit mooie pad. Het wordt geflankeerd door welig diepgroen mos waar zonlicht zacht overheen strijkt. Aan weerszijden liggen ondiepe sloten. Je kan hier niet verdwalen; dit pad leidt je vanzelf in de goede richting. Veel landgoederen hebben dergelijke laantjes, al dan niet afgebakend door water. Zelfs een blinde vindt hier vlot de weg. Want zodra je afwijkt, geeft de veranderende ondergrond aan dat je beter naar het midden terug kan gaan. Het is bijna ideaal.

Dergelijke lanen stammen uit een periode waarin het leven strikt werd gereguleerd. Je hoorde bij een specifieke klasse of groep en daar paste een tot in detail omschreven leefstijl bij. Makkelijk zat. Hoefde je nooit te twijfelen. In onze tijd vind je dit alleen nog zo sterk binnen extreme stromingen van ideologieën en religies. Duidelijkheid over de juiste weg heeft een grote aantrekkingskracht op mensen die zoekende zijn. Vooral wanneer ze in onzekerheid leven of in verwarring zijn.

Ik wandel ook wel graag over deze paden. Met name wanneer ik mijn gedachten de vrije loop wil laten. Dan hoef ik tenminste niet na te denken over welke kant ik op zal gaan.

Van oorzaak en gevolg naar reactie

‘Je laat hem over je heen lopen’, zegt de buurvrouw. Ze doelt op de buurman wanneer we bijpraten over de stand van de rioolzaken. Oppervlakkig gezien heeft ze gelijk. Ik heb te lang geduld opgebracht. Toen we in november crisisberaad hielden terwijl de mannen van de rioolservice bezig waren, zei ze dat ook al. En ze demonstreerde hoe het anders moest, volgens haar. Ze keek mij strak aan en kwam dreigend steeds dichter bij mij staan. Tot haar gezicht het mijne bijna raakte. Inwendig kon ik er wel om lachen, want zo’n oefening heb ik al eens in een assertiviteitstraining gedaan.

En ik laat mensen niet over mij heen lopen. Dat bleek al op mijn veertiende. Toen kwamen per toeval mijn enorme vastberadenheid en doorzettings-vermogen tevoorschijn. Het enige waar ik soms nog moeite mee heb, is het moment kiezen waarop ik deze kenmerken vol of juist gedoseerd inzet. Kijk naar gezonde jonge mannen. Zij moeten hun fysieke kracht leren beheersen. Op vergelijkbare wijze moet ik met de macht achter mijn wilskracht omgaan.

Maar mijn buurvrouw dan, waar komt die herhaalde opmerking vandaan? Wat zegt het over háár, dat zij zo’n uitspraak doet? Ze is beslist aardig en een paar jaar jonger dan ik. Wel is ze ook moeder van drie jongvolwassen kinderen. Is die opmerking daarom onwillekeurig bedoeld als stukje opvoeding? Of praat ze vanuit haar rol op het werk? Ze is namelijk zelfstandige in het onderwijs. Ik heb al heel wat mensen uit die sector ontmoet die het beter weten dan de rest. Ook al is het goedbedoeld.

Of gaat dit dieper en zit het sowieso in haar karakter? Dan draait dit misschien om onze onderlinge positie. Wil zij de leider zijn of een autoriteit, en zitten we dan in een top-down situatie? Dan zie ik een redelijk logische link met haar beroepskeuze. Of sta ik hier gewoon buiten en speelt de scheiding van haar man een rol? Die is nog redelijk vers. En ook die gebeurtenis kan verband houden met haar karakter. Of, het is een long shot, breekt onzekerheid haar op?

Want ik ben het meest autonoom van ons tweeën. Ook bij de rioolperikelen heb ik mijn daadkracht en probleemoplossende vermogen al bewezen. Morgen stuur ik het hele dossier volgens afspraak naar mijn inmiddels vaste contactpersoon bij Bouwzaken. Buurman kan zijn borst natmaken, want dan gaat Handhaving ermee aan de slag.

Iedereen wil serieus worden genomen, ook de buurman. Zijn grootste probleem is niet financieel van aard. Zijn probleem is dat hij maling heeft aan iedereen, dus ook aan mij. Maar juist bij onrecht komt al mijn vastberadenheid en doorzettingsvermogen naar boven. Dat kan ik linea recta terugleiden naar een groep voorouders. Zij gingen vanwege onrecht ook voor de dood of de gladiolen.

Soms laat ik mensen in hun waan. Misschien voelt buurvrouw dat toch goed aan.

Brokstukken van een burn-out (2)

‘En toen, maakte je keuzes (of werden ze gemaakt) waardoor het beter werd voor jou? Wat was daarin het belangrijkste, ander werk, andere omgeving?’, vraagt Petronella onder het voorgaande logje over de brokstukken van een burn-out. (Bedankt hiervoor.) Jouw reactie komt binnen wanneer ik besef dat het laatste woord nog niet is gezegd. Want er zijn positieve en negatieve gevolgen: financieel en mentaal, voor mijn relaties, carrière en persoonlijke perspectieven. Al moet ik zelfs nu, tien jaar later, nog afwachten waar de nasleep van die burn-out uiteindelijk toe zal leiden.

Dat het inderdaad een burn-out was, is nu wel aannemelijk. In mijn geval waren de klachten direct gerelateerd aan een werksituatie vol stressfactoren. Dan lijkt de oplossing eenvoudig. Een andere functie binnen de organisatie of baan daarbuiten zoeken en weer fris verder. Want aan die stressfactoren zelf viel weinig te doen. Maar een alternatieve interne functie was niet aan de orde. En vooraf was duidelijk dat elders een baan vinden, ook heel lastig zou worden.

Mijn leeftijd en ongebruikelijke loopbaan, de crisis en de weinige vacatures binnen de sector speelden rond 2009 elk een rol. Daardoor kwam ik voor het blok te staan. Want ziek melden was geen optie. Dan had ik een zwaar frustrerend traject in gemoeten, waaraan de gedachte alleen al mij alle energie ontnam. Over de vervolgstappen heb ik zwijgplicht.

Een eigen bedrijf, waarmee ik naast mijn baan al was gestart, is niet goed van de grond gekomen. Later, toen ik na diverse tijdelijke contracten tussen alle regels in viel en geen enkel inkomen meer had, kwam de twijfel. Had ik mij toch gewoon ziek moeten melden? Dat doet tenslotte iedereen. Was ik dan beter af geweest? Op de praktische consequenties schrijf ik een beschouwing in een volgend log.

Persoonlijk vind ik de vraag of je blijvende klachten aan een burn-out overhoudt belangrijk. Wat doet het mentaal met je? En met je lichaam: hoeveel langdurige spanning door negatieve stress kan dat aan?

Volgens arbeids- en organisatiepsycholoog Wilmar Schaufeli zijn werk gerelateerde stressklachten ‘een van de belangrijkste redenen waarom mensen door het UWV worden afgekeurd.’* Hieruit blijkt al dat je jarenlang uitgerangeerd kan blijven. Periodiek krijgen uitkeringsgerechtigden een herkeuring. Dan kan een verzekeringsarts een eerdere afkeuring herzien of verlengen. Na een burn-out kan je ook gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden verklaard. Daarna verricht je met een gedeeltelijke uitkering aangepast werk of maak je minder uren. Toch zijn er evengoed mensen die er weer helemaal bovenop komen.

Wat ik bij mezelf leek te bespeuren, was dat ik achteraf mentaal minder aan kon, in allerlei opzichten. Eenmaal weg bij die organisatie zocht ik naar ander werk. Thuis ebden de spanning en de stress grotendeels weg. En daarmee verdwenen de fysieke klachten ook al snel. Maar er hoefde maar dít te gebeuren of de spanning kwam in volle omvang terug. Het minste bracht mij al uit balans en zorgde voor stress.

Terwijl ik vroeger redelijk nonchalant telefonisch naar een vacature kon informeren [gewoon even inbeelden dat je het kan], schoot ik nu bij voorbaat al compleet in een kramp. Het idee dat er weer iets van mij werd verwacht. Dat ik moest presteren. Dat mijn stem helder moest klinken. Dat ik geen enkele fout mocht maken. Dat ik moest voldoen aan het beeld dat men had van een ideale kandidaat. Whatever dat beeld ook was. Ik ging er zowat van hyperventileren. Of eigenlijk deed ik dat al.

Faalangst, echt verlammende faalangst. Terwijl ik dacht dat ik daar toch aardig overheen was. Maar er zat inmiddels een nieuwe generatie aan de andere kant van de lijn. Ineens waren de taal en voorwaarden op de arbeidsmarkt gewijzigd. Zomaar, terwijl ik even met wat andere zaken bezig was geweest. Alsof heel mijn CV plotseling waardeloos was.

Het leek ook wel alsof de prikkels van buitenaf heftiger binnenkwamen. En het leven in een studentenstad midden in de Randstad is woelig. Ik had behoefte aan echte stilte, en die was nergens meer te vinden. Zodra ik buiten kwam, ontstond er een sluimerend gevoel van onrust. Alsof je permanent alert moet zijn. Het vermoeide mij steeds meer. Daarom ben ik later verhuisd naar een dorp in een andere provincie.

Toen ik weer tijdelijk werk kreeg, bespeurde ik een ander opvallend verschil met voorheen. Want waar ik gaandeweg had geleerd om soepel met ad-hoc situaties om te gaan, leken mijn improvisatievermogen en flexibiliteit ineens deels verdwenen. Was er tijdens die burn-out iets beschadigd geraakt? Was mentaal de rek eruit? Kon ik niet langer snel genoeg denken? Waar waren mijn mentale elasticiteit en wendbaarheid gebleven?

Nu heb ik onder normale omstandigheden nergens last van. Zet mij in een hoekje, laat mij zelfstandig onderzoek doen, websites bijhouden, gegevens ordenen of teksten schrijven en alles loopt op rolletjes. Om informatie te vergaren bel ik zonder schroom met Jan en alleman. Maar zodra ik te veel druk ervaar of met complexe vragen worstel, duiken de symptomen weer op. Hoofdpijn, moeilijk in slaap komen. Tot op zekere hoogte leer je met mentale druk omgaan. Bijvoorbeeld door tijd te winnen om na te denken.

Toch heb ik uiteindelijk iets van mijn veerkracht verloren. Er valt nog wel wat aan te doen via bewuste keuzes, ontspanning en mindfulness. Maar heb je eenmaal een burn-out gehad, dan ben je vatbaarder voor een volgende. Dat is een gegeven. Daarom valt voor mij nu een aantal hectische functies af die ik eerder wel aan kon. Wordt er met reden ‘stressbestendig’ of ‘tien ballen tegelijk in de lucht houden’ vermeld in een vacature, dan pas ik. Want das war einmal. En ik moet er niet meer aan denken ook.

Voor * zie Ianthe Sahadat en Margreet Vermeulen, beschouwing Opgebrand, de Volkskrant, Sir Edmund, 5 januari 2019.

Brokstukken van een burn-out (1)

Allereerst: was het wel een burn-out? Opeens had iedereen een burn-out, dus ik misschien ook. Het blijft tot op de dag van vandaag een vraag. Ik ben er namelijk nooit voor naar de dokter geweest. Tuurlijk niet. Wat denk je nou? Een Oegandese dagvoorzitter meldt zich toch ook niet ziek vanwege een malaria-aanval? Ik ging volhouden en regelde het zelf wel. Maar goed. 2019 is het jubileumjaar van een verstrekkende consequentie. Een gevolg van een ‘keuze’.

Mentale uitputting is de kern van een burn-out, schrijven Ianthe Sahadat en Margreet Vermeulen in hun beschouwing Opgebrand (Sir Edmund, 5 januari 2019). Volgens de richtlijn van huisartsen hoort hier bij ‘dat mensen het gevoel hebben dat ze de controle over hun leven kwijt zijn en dat ze minder functioneren in het dagelijks leven. … Sommige patiënten hebben daarbij veel lichamelijke klachten.’ En ‘Burn-out is een veelkoppig monster. … Bij een burn-out heb je geen energie meer. Daar word je niet vrolijk van, maar tussendoor kun je toch een leuke avond hebben. Bij een burn-out word je in de loop van de dag steeds vermoeider, bij een depressie is het andersom.’

Voor mezelf is glashelder waar het vandaan kwam. De eerste twintig jaar van mijn loopbaan had ik werk dat ‘best aardig’ was, maar dat mij zelden echte voldoening gaf. Dat veranderde radicaal toen ik in de internationale ontwikkelingssector terecht kwam. Hier viel alles samen: mijn reisverleden en interesse voor culturen, mijn kennis, praktische vaardigheden en ervaring. En mijn nieuwe collega’s hadden werkelijk iets boeiends te melden. Ik kon bovendien van een ondersteunende naar een inhoudelijke functie doorgroeien. Na veel wisselingen van vorige banen was het alsof ik ‘het’ eindelijk gevonden had. Hier zou ik blijven tot mijn pensioen.

Maar alles verandert. Kort samengevat: er kwam een reorganisatie. De werkzaamheden werden complexer en de werkkamers rumoeriger. Eisen werden opgeschroefd. Aanvankelijk zat ik zonder vaste positie, waardoor ik steeds meer onrust ervoer. Terwijl het oorspronkelijke doorgroeitraject voor mij al pittig genoeg was, werd de druk versneld nog verder opgevoerd. Bij mijn nieuwe teamleider, zelf een autoritaire lakei van een zichzelf bewijzende manager, stuitte ik op onbegrip.

Het moest een keer spaak lopen, maar wat was het alternatief? Terug naar een functie die nu vooral bureaucratisch van opzet was? En dan toekijken hoe anderen mochten doen wat ik wilde doen? Buiten deze organisatie maakte ik door bezuinigingen en outsourcing ook weinig kans. En in crisistijd krijg je een eenmanszaak (naast een 32-urige werkweek) evenmin snel van de grond. Dus probeerde ik alles bij te benen en vol te houden.

Dat ik inmiddels vier dagen per week barstende hoofdpijn had, kwam natuurlijk omdat ik zo veel met mijn hoofd werkte en mij ondanks alle omringende onrust goed moest concentreren. Sowieso ben ik enigszins gevoelig voor prikkels van buitenaf. Daar heb je mee te leren leven als je mee wilt komen. En de hele dag naar een computerscherm staren, is minder goed voor je ogen. Alleen hoorde dat nu eenmaal bij het werk. Dus dan maar sterkere lenzen en brandende ogen.

Die hoofdpijn was wel erg. Ik was er regelmatig letterlijk misselijk van en ging bijna scheel zien. Soms werd ik nog duizelig ook. Terug in de trein van Den Haag naar Leiden zat ik steevast met mijn ogen dicht. Om ze een beetje rust te geven. Dat doen wel meer forenzen, trouwens. Niks bijzonders dus.

En dan ff snel boodschappen halen, tegenover het station. Meestal had ik zo’n honger dat het meerdere keren per week een magnetronmaaltijd werd. Niet verkeerd hoor, tegenwoordig zit er minder zout in. Daarna een beetje lezen, tv kijken of nog de deur uit en met vrienden een film zien. Maar tegen het eind van de week voelde ik mij soms zo gesloopt, dat ik al om 21.00 uur naar bed ging.

En dan de spanning in mijn lichaam. Die was continu voelbaar. Een dag wandelen in de buitenlucht hielp. Maar als ik aan mijn werk en alle stressfactoren dacht, dan schoot het er meteen weer in.

Verder is het niet gek dat je in de Randstad een beetje opgefokt raakt. Dat krijg je met al dat gekrioel om je heen. En waar ik woonde, was het nooit rustig. Nou ja, even dan, tussen 02.00 en 05.00 uur ’s nachts. Als mijn onderburen tenminste geen was deden en de twee ziekenhuizen in de buurt geen ambulancedienst hadden. (Slapeloosheid, nog zo iets.) Soms waren mijn reacties toch wat abnormaal. Dan kon ik plotseling als gebeten reageren. Om niks. En dan vroeg ik me achteraf wel af waar dát nou weer vandaan kwam.

Ik werd een beetje labiel. Ik trok het niet meer helemaal. Maar ach, dit was vast het begin van de overgang. Of zo. Alleen begonnen de maagklachten weer. En daarvan wist ik dondersgoed waar ze vandaan kwamen. Want dat had ik eerder meegemaakt. In een vergelijkbare uitzichtloze werksituatie. Eindelijk gingen de alarmbellen af.

Mijn ‘keuze’ maakte ik pas nadat ik bij mijn ouders vandaan kwam en onderweg naar huis op de fiets zomaar midden op de Korevaarstraat ter hoogte van de Hoogvliet spontaan in janken uitbarstte. Dat was het dan.

Geld aannemen of niet?

Na een wandeling rolt er een knoop van mijn oude winterjas af. Ik naai hem weer vast. Die jas kocht ik in 2009, zes maanden na het einde van mijn laatste vaste baan. Het was toen een welbewuste aanschaf. Want ik voorvoelde dat ik mogelijk geen vast werk meer zou vinden. Laat staan werk dat inhoudelijk evenveel voldoening gaf.

Uit voorzorg verving ik overtollige spullen door goederen die jarenlang hun waarde behouden. Zoals degelijke huishoudelijke apparaten. Een paar stevige laarzen. Die warme winterjas waarmee ik overal goed voor de dag kom. Klassieke kledingstukken van kwaliteitsmateriaal. En later, op mijn nieuwe adres, liet ik gelijk al het onderhoud plegen dat nodig was. Zodat ik nog jaren vooruit kon.

Met vriendin F wandel ik van Amersfoort naar Hoevelaken. Ook zij is na een reorganisatie weg gegaan. Het verschil is dat zij als hooggeplaatste provincieambtenaar een riante regeling kreeg. Financieel gezien gaat het haar uitstekend. Feitelijk weet ze niet wat ze met al haar geld aan moet.

Meer vrienden en vriendinnen staan er zo voor. We hebben allemaal een huis in eigendom. Of twee. Of zelfs drie. Dat krijg je met vijftigers en zestigers die het tij jarenlang mee hebben gehad. Een aantal van hen kon tijdig de dans ontspringen op de arbeidsmarkt.

Buiten de stadsmuren van Amersfoort vertelt vriendin F over actuele tentoonstellingen. Ze noemt die over Nubië en vraagt of ik er naartoe ga. Maar Nubië ligt in het huidige Soedan. En Soedan raakt nog altijd een enigszins gevoelige snaar. Want Soedan staat gelijk aan een niet doorgegane dienstreis die het begin van het einde van mijn carrière heeft ingeluid.

Pas jaren later heb ik beseft dat het een hoe dan ook aflopende zaak was. Alleen ben ik degene bij wie alles anders is gegaan.

Vriendin F kan hard zijn. ‘Het was je eigen keus’, zegt zij weleens. Daarmee bedoelt ze dat ik mij uiteindelijk bij een noodgedwongen vertrek heb neergelegd. Dat is waar, maar hier kleeft wel een geschiedenis aan. En mijn gezondheid ging eraan. Dat is een nuancering waar niemand omheen kan.

Vriendin F weet hoe ver ik mijn uitgavenpatroon heb teruggeschroefd. Ze werd er vanzelf mee geconfronteerd, omdat ik niet langer dezelfde leefstijl aanhield. Enkele anderen kregen daar moeite mee en hebben me mijn ‘keuze’ verweten. Hen hoef ik niet meer te zien. Vriendin F doet stevige uitspraken, maar zij is wel voor rede vatbaar en gaat beter met de situatie om.

Vlakbij Hoevelaken biedt ze het voor de tweede keer aan. Als ik dat wil, kan ik zo geld van haar krijgen. Maar ik wil dat niet. Ik heb nog genoeg en mede daardoor kan ik zonder afgunst naar de welvaart van anderen kijken.

Of naar het geluk dat ze toevallig hebben. Want neem nu de kinderen van mijn buurvrouw. Zij krijgen als startkapitaal alles mee aan intellect, contacten, mensenkennis en opleiding. Het is meer dan zo veel anderen ontvangen op de drempel naar volwassenheid.

Ik zou pas geld willen aannemen als het echt niet anders kon. En dan nog op uitdrukkelijke voorwaarde dat er geen enkele voorwaarde aan wordt verbonden.

Hoe denk jij over geld aannemen van vrienden?